Geonovum

Toepassingsprofiel projectbesluit

STandaard Officiële Publicaties met ToepassingsProfielen voor OmgevingsDocumenten (STOP/TPOD)

Versie:
4.0.0
Datum:
15 december 2023
Auteur:
TPOD-Team, Geonovum
Redacteur:
TPOD-Team, Geonovum
Geldende versie:
https://docs.geostandaarden.nl/tpod/def-st-TPOD-PB-20231215/
Contact:
omgevingswet@geonovum.nl
Rechtenbeleid:

Wijzigingsoverzicht

Het wijzigingsoverzicht bevat alleen de wijzigingen van deze versie van dit toepassingsprofiel ten opzichte van de voorgaande versie. De versiehistorie van eerdere versies staat in bijlage 3.

In het wijzigingsoverzicht wordt met WELT-xx verwezen naar de Wensen en Eisen Lijst voor de TPOD-standaard. Deze lijst bevat meldingen en wijzigingsverzoeken die door gebruikers van de standaard zijn ingediend. De ingediende meldingen zijn te vinden via https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/omgevingswet/meldingen.

Voor de STOP-standaard bestaat een vergelijkbaar meldingssysteem, waarnaar wordt verwezen met STOP#xx. De STOP-issuetracker is te vinden via https://gitlab.com/koop/STOP/standaard/-/issues.

Versie

Datum

Wijziging

4.0.0

2023-12-15

Hele document:

  • Tekst is gecorrigeerd en verbeterd

  • Tekst is geactualiseerd n.a.v. wijzigingen in wet- en regelgeving

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 3.5 Waardelijsten (WELT-261)

  • Deze paragraaf maakte in vorige versies onderscheid tussen limitatieve en uitbreidbare waardelijsten. Gebleken is dat de oplossing voor uitbreidbare waardelijsten die in overeenstemming is met (de uri-strategie van) de architectuur van het DSO-stelsel, in de praktijk niet uitvoerbaar is. De TPOD-standaard kent daarom alleen nog limitatieve waardelijsten

  • Daar waar in de hoofdstukken 7 en 7.15 werd aangegeven of een waardelijst limitatief dan wel uitbreidbaar was, is die kwalificatie geschrapt.

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 3.6 Presentatiemodel

  • In deze paragraaf is, vanwege de werkafspraak over het niet gebruiken van het objecttype SymbolisatieItem in paragraaf 8.9 (zie ook verderop in dit wijzigingsoverzicht) is de tekst over de werking van SymbolisatieItem uitgegrijsd en is een kader over de werkafspraak toegevoegd

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 5.2 Specificatie van de Vrijetekststructuur

  • Op enkele plaatsen verduidelijkt dat deze paragraaf gaat over het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 5.3 Specificatie van de Artikelstructuur

  • Op enkele plaatsen verduidelijkt dat deze paragraaf gaat over het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit

4.0.0

2023-12-15

De wijziging ‘Toekennen van OW-objecten aan Regelingen’ (WELT-268) omvat 3 onderdelen:

  • OW-objecten worden aan Regelingen toegekend

  • Regels over het verwijzen naar OW-objecten in een andere Regelingen

  • Regels over welke OW-objecten een besluit mag wijzigen

Het feitelijke toekennen van OW-objecten aan Regelingen wordt door DSO-LV uitgevoerd, de TPOD-standaard maakt dit al mogelijk. De andere onderdelen zijn wel wijzigingen van de TPOD-standaard, ze zijn nodig ter ondersteuning van het toekennen van OW-objecten aan Regelingen.

Deze onderdelen van de wijziging zijn als volgt verwerkt:

  • In hoofdstuk 7 en hoofdstuk 7.15 Annoteren met OW-objecten

    • Paragrafen 7.13.2 en 8.13.2 Hergebruik door te verwijzen naar een OW-object in een andere Regeling geven in 8.13.2.1 resp. 8.13.2.1 de regels voor het verwijzen naar OW-objecten in andere Regelingen en in 8.13.2.2 resp. 8.13.2.2 een toelichting op die regels (deze subparagraaf past systematisch beter in hoofdstuk 7 en is daarom verplaatst vanuit hoofdstuk 9). Dit is een tijdelijke maatregel. Daarom is in de toelichtende paragrafen een kader opgenomen over die tijdelijkheid en een workaround

    • In iedere paragraaf over een objecttype is, aan het eind van de subparagraaf ‘Toelichting op de norm’ een verwijzing naar de regels van paragraaf 8.13.2.1 resp. 8.13.2.1 opgenomen

    • Subparagraaf 8.6.4 Norm bij Activiteit geeft nu specifieke regels over het verwijzen van en naar OW-objecten in andere Regelingen en is daarvoor gesplitst:

      • 8.6.4.1 Algemene norm, met alle inhoud die voorheen in 8.6.4 stond

      • 8.6.4.2 Specifieke norm voor Activiteit behorend bij tijdelijk regelingdeel

    • Subparagraaf 8.6.5 geeft, ook gesplist, toelichting op de algemene en specifieke normen

    • In IMOW staan regels over de identificatie van OW-objecten: daarin moet de ‘bevoegdgezag-code’ voorkomen. In de praktijk bleek het bij tijdelijk regelingdelen onduidelijk te zijn van welk bevoegd gezag de bg-code toegepast moet worden. Daarom is dat in de Norm-paragraaf van ieder OW-object toegevoegd bij het attribuut identificatie

  • In hoofdstuk 9 Wijzigen van omgevingsdocumenten is paragraaf 9.3 Wijzigen van OW-objecten gesplitst:

    • 9.3.1 Inleiding met daarin de inhoud die voorheen in 9.2 stond

    • 9.3.2 Norm, met daarin de regel over welke OW-objecten een besluit mag wijzigen (en een regel over het wijzigen van een OW-object zonder besluit, zie daarover verderop)

9.3.3 Toelichting met in 9.3.3.1 een toelichting op die regel

3.0.0

2023-12-15

Paragraaf 7.4 Objecttype Tekstdeel

  • In paragraaf 7.4.4 Norm in de beschrijving van het attribuut gebiedsaanwijzing de cardinaliteit van dit attribuut in overeenstemming gebracht met het UML-diagram. Hier stond “Komt 0 of 1 keer voor.”, dat is gewijzigd in “Komt zo vaak voor als gewenst.”

4.0.0

2023-12-15

Paragrafen 7.6 en 8.4 Objecttype Locatie

  • In paragrafen 7.6.4 en 8.4.4 Norm de werkafspraak toegevoegd: Gebruik het attribuut hoogte niet

  • In paragrafen 7.6.5 en 8.4.5 een toelichting op de werkafspraak toegevoegd

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 8.7 Objecttype Omgevingsnorm

  • In paragraaf 8.7.4 werkafspraken toegevoegd:

    • Geometrie en Normwaarde

    • Geen overlap

  • In paragraaf 8.7.5 toelichtingen op beide werkafspraken toegevoegd

  • Bijlage 2 toegevoegd met daarin alternatieve oplossingsmogelijkheden i.v.m. de werkafspraak Geometrie en Normwaarde

  • In paragraaf 8.7.1 een zin over een Omgevingsnorm met een gezamenlijke waarde voor een aantal geometrieën geschrapt i.v.m. de werkafspraak die die constructie niet meer toestaat

4.0.0

2023-12-15

Paragrafen 7.8 en 8.8 Objecttype Gebiedsaanwijzing

  • In paragrafen 7.8.2 en 8.8.2 de definitie van Gebiedsaanwijzing aangepast, om duidelijk te maken dat het annoteren met Gebiedsaanwijzing niet alleen bedoeld is voor het artikel, lid of tekstdeel waarin het gebied wordt aangewezen, maar ook voor andere artikelen, leden of tekstdelen die over het specifieke type gebied gaan.

4.0.0

2023-12-15

Paragrafen 7.9 en 8.9 Objecttype SymbolisatieItem

  • In paragrafen 7.9.4 en 8.9.4 Norm de werkafspraak toegevoegd: Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet

  • In paragrafen 7.9.5 en 8.9.5 een toelichting op de werkafspraak toegevoegd

4.0.0

2023-12-15

Paragrafen 7.12 en 8.12 Objecttype Regelingsgebied

In paragrafen 7.12.1 en 8.12.1 Toelichting op de toepassing toegevoegd:

  • Uitleg over functie Regelingsgebied i.r.t. DSO-viewer

  • Uitleg mogelijke noodzaak wijzigen Regelingsgebied

  • Uitleg over toepassing Regelingsgebied bij Locatie bodembeheergebied buiten ambtsgebied gemeente of waterschap

  • Uitleg over Regelingsgebied i.r.t. ambtsgebied

  • Uitleg over relatie Regelingsgebied, Locatie, GIO en tekst

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 8.7 Objecttype Omgevingsnorm

  • In paragraaf 8.7.4 werkafspraken toegevoegd:

    • Geometrie en Normwaarde

    • Geen overlap

  • In paragraaf 8.7.5 toelichtingen op beide werkafspraken toegevoegd

  • Bijlage 2 toegevoegd met daarin alternatieve oplossingsmogelijkheden i.v.m. de werkafspraak Geometrie en Normwaarde

  • In paragraaf 8.4.1 een zin over een Omgevingsnorm met een gezamenlijke waarde voor een aantal geometrieën geschrapt i.v.m. de werkafspraak die die constructie niet meer toestaat

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 9.1.2 Alternatief voor de wijzigingsmethode renvooi: Integrale tekstvervanging

  • In de vorige versie van dit toepassingsprofiel waren in deze paragraaf twee alternatieve wijzigingsmethoden beschreven: Intrekken & vervangen en Integrale tekstvervanging. Met ingang van 1 oktober 2023 is het gebruik van Intrekken & vervangen als alternatief voor de wijzigingsmethode renvooi niet meer toegestaan. De beschrijving van die methode is geschrapt (WELT-253)

  • Gebruik van Intrekken & vervangen als reguliere wijzigingsmethode is nog wel toegestaan. Daarvoor is paragraaf 9.4 toegevoegd

  • Waar nodig is de tekst in de rest van hoofdstuk 9 aan deze wijzigingen aangepast

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 9.3 Wijzigen van OW-objecten is, o.a. ten behoeve van de wijziging ‘Beëindigen mogelijkheid BG om zelf directe mutaties van OW-objecten aan te leveren’ (WELT-274), gesplitst in drie subparagrafen:

  • 9.3.1 Inleiding met daarin de inhoud die voorheen in 9.3 stond

  • 9.3.2 Norm, met daarin de regel dat het niet is toegestaan om zonder besluit een OW-object te wijzigen (en regel over welke OW-objecten een besluit mag wijzigen, zie daarover hiervoor)

  • 9.3.3 Toelichting met in 9.3.3.2 een toelichting op die regel

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.3.5 Soort procedure en consolidatie en paragraaf 11.3.6.1 De module Procedureverloop

  • In het kader Toekomstige functionaliteit is geschrapt dat het tonen van een regeling vóór de inwerkingtredingsdatum ervan nog niet in de keten is geïmplementeerd. Dat is inmiddels wel zo

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.3.6.2 Vervangen en verwijderen van Procedurestappen

  • Er is een workaround toegevoegd voor het vervangen en verwijderen van Procedurestappen bij de kennisgeving

  • Er is beschrijving toegevoegd over het vervangen en verwijderen van Procedurestappen als er niet een nieuwe publicatie plaatsvindt

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.4.4.2.1 BesluitMetadata (bij ontwerpbesluit) en 11.4.5.3.1 BesluitMetadata (bij definitief besluit)

  • De verwachting was dat de citeertitel van het (ontwerp)besluit niet vastgesteld zou worden. Inmiddels is gebleken dat er bevoegde gezagen zijn die dat wel doen. Daarom is de beschrijving van het gegeven citeertitel gewijzigd cf. de citeertitel in de RegelingMetadata met 2 opties, waarbij is aangegeven welke waarde voor isOfficieel gekozen moet worden

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.4.2.1.2 Aanleveren kennisgeving (van voornemen om een verkenning uit te voeren en een projectbesluit vast te stellen)

  • In deze paragraaf stond een kader met toekomstige functionaliteit en workaround. Deze kennisgeving is geïmplementeerd in de LVBB. Daarom is het kader geschrapt

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.4.6 Beroepsfase

  • Op diverse plekken in deze paragraaf verwijzingen toegevoegd naar Toepassingsprofiel voorbereidingsbesluit, daar waar ook handelingen vanwege een voorbereidingsbesluit aan de orde kunnen zijn

  • Paragraaf 11.4.6.2.4 Vervallen en opheffen voorlopige voorziening
    Expliciet aangegeven dat deze paragraaf toekomstige functionaliteit beschrijft

  • Paragraaf 11.4.6.2.8 Uitspraak in de hoofdzaak met vernietiging van besluit en instandblijven rechtsgevolgen
    In deze paragraaf is de ingewikkelde workaround met een STOP/TPOD-Besluit vervangen door de workaround om mededeling van deze uitspraak te doen met DROP, met onderbouwing daarvan

  • Paragraaf 11.4.6.2.9 Uitspraak in de hoofdzaak met gedeeltelijke vernietiging van besluit en rechtsgevolgen

    • Tekst logischer opgebouwd: eerst volledige beschrijving van het eindbeeld, daarna beschrijving van de werkwijze die voorlopig als workaround toegepast moet worden

    • In de beschrijving van de besluitonderdelen van de workaround expliciet beschreven hoe daarin duidelijk gemaakt kan worden dat het gaat om een technisch noodzakelijk besluit

    • BesluitMetadata toegevoegd

  • Paragraaf 11.4.6.2.10 Uitspraak in de hoofdzaak met gehele vernietiging van besluit en rechtsgevolgen

    • Tekst logischer opgebouwd: eerst volledige beschrijving van het eindbeeld, daarna beschrijving van de werkwijze die voorlopig als workaround toegepast moet worden

    • Door de gehele vernietiging bestaan juridisch gezien het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit en alle tijdelijk regelingdelen niet meer. Technisch moet dat worden verwerkt door alle regelingen in te trekken. Er is dus geen RegelingMutatie, zoals in de vorige versie stond, maar er moeten in de ConsolidatieInformatie Intrekkingen worden opgenomen voor het vrijetekstdeel en voor ieder tijdelijk regelingdeel

4.0.0

2023-12-15

Paragraaf 11.4.8 Intrekken tijdelijk regelingdeel na verwerken van de regels in de hoofdregeling

  • In de vorige versie van dit toepassingsprofiel was aangegeven dat in deze situaties de gemeente het tijdelijk regelingdeel met regels uit het projectbesluit intrekt. Dat komt neer op het toch weer invoeren van een vorm van meervoudig bronhouderschap. Daarom is dit gewijzigd: de handelingen worden uitgevoerd door waterschap, provincie of Rijk, op verzoek van de gemeente

4.0.0

2023-12-15

Hoofdstuk 12 Rectificatie en Revisie

  • Hoofdstuk is toegevoegd

  • In Paragraaf 12.1 is de rectificatie van een besluit, van een kennisgeving en van een mededeling van een rechterlijke uitspraak beschreven, met inbegrip van de workaround die moet worden toegepast zolang de Rectificatie nog niet in de DSO-keten is geïmplementeerd

  • Paragraaf 12.2 Revisie is vast als gereserveerde paragraaf toegevoegd

A Uitgangspunten voor de modellering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het motto van de Omgevingswet is ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Met benutten wordt bedoeld het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen. Bij beschermen gaat het over het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

1.1.1 Nieuw stelsel omgevingsrecht

De Omgevingswet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Met de Omgevingswet wordt het huidige stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien en wordt het fundament van het nieuwe stelsel voor het omgevingsrecht gelegd. Met het vernieuwen van het omgevingsrecht wil de wetgever vier verbeteringen bereiken:

  • Het omgevingsrecht is inzichtelijk, voorspelbaar en gemakkelijk in het gebruik.

  • De leefomgeving staat op een samenhangende manier centraal in beleid, besluitvorming en regelgeving.

  • Een actieve en flexibele aanpak biedt overheden meer afwegingsruimte om doelen voor de leefomgeving te bereiken.

  • Besluitvorming over projecten in de leefomgeving gaat sneller en beter.

Voor de realisatie van deze doelen biedt de wetgever diverse juridische instrumenten, waaronder de besluiten en andere rechtsfiguren die verschillende bevoegde gezagen in staat stellen besluiten te nemen die ingrijpen in de leefomgeving. De belangrijkste instrumenten zijn:

  • Algemene Maatregel van Bestuur (Rijk)

  • Ministeriële Regeling (Rijk)

  • Omgevingsvisie (Rijk, provincies en gemeenten)

  • Omgevingsverordening (Provincies)

  • Waterschapsverordening (Waterschappen)

  • Omgevingsplan (Gemeenten)

  • Projectbesluit (Rijk, provincies en waterschappen)

  • Programma (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen)

1.1.2 LVBB, overheid.nl en DSO-LV

Besluiten moeten, om werking te kunnen hebben, worden bekendgemaakt respectievelijk gepubliceerd. Daartoe moeten ze worden aangeleverd aan de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (verder: LVBB). De LVBB verzorgt vervolgens de bekendmaking van de besluiten en de consolidatie van wijzigingsbesluiten in de (geconsolideerde) Regeling. Beide worden geplaatst op het internetportaal overheid.nl: de bekendmaking van de besluiten komt op officielebekendmakingen.nl in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag en de geconsolideerde Regeling in de nationale respectievelijk lokale regelingenbank. De geconsolideerde Regeling (in STOP-termen: de Toestand) wordt doorgeleverd aan de hierna te bespreken DSO-LV. Deze processen en de resultaten daarvan zijn nader beschreven in paragraaf 3.8.

Digitalisering is een van de instrumenten voor het behalen van de in paragraaf 1.1.1 genoemde verbeterdoelen. De Omgevingswet bevat de grondslagen voor de Landelijke Voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet (verder: DSO-LV). Daarmee is de juridische basis gelegd voor de ontwikkeling van DSO-LV en kunnen er regels worden gesteld over onder andere gemeenschappelijke definities in de standaarden en voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel.

DSO-LV zorgt voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit en draagt bij aan de verbetering van het stelsel van het omgevingsrecht. Het stimuleert een snellere en integrale besluitvorming onder de Omgevingswet en vergroot het gebruikersgemak.

DSO-LV biedt het digitale loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving: het Omgevingsloket. Via het Omgevingsloket kunnen zij:

  • vergunningen aanvragen en meldingen doen;

  • zien welke regels en beleid van toepassing zijn op een locatie;

  • (op termijn) informatie raadplegen over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, zoals gegevens over water- of luchtkwaliteit en geluidbelasting.

Om aan deze doelstellingen van DSO-LV te kunnen voldoen, is het nodig om bepaalde besluiten en andere rechtsfiguren machineleesbaar te maken en de gebruikte gegevens uitwisselbaar te maken. Dat betekent dat ze vanuit informatiekundig en technisch oogpunt moeten worden gestructureerd en gestandaardiseerd.

De Omgevingswet biedt daartoe de mogelijkheid door het stellen van regels over die besluiten en andere rechtsfiguren.

1.2 STOP, IMOW en TPOD

Op grond van artikel 20.26 lid 2 Omgevingswet worden besluiten en andere rechtsfiguren op grond van die wet die bij ministeriële regeling zijn aangeduid als omgevingsdocument, ontsloten via DSO-LV. De bedoelde ministeriële regeling is de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet[1] De Regeling standaarden publicaties Omgevingswet is een ministeriële regeling bij de Bekendmakingswet
. Deze regeling wijst besluiten en andere rechtsfiguren aan als omgevingsdocument en stelt het verplicht om die omgevingsdocumenten, en ontwerpen daarvan, elektronisch vorm te geven conform de Standaard voor Officiële Publicaties, het InformatieModel Omgevingswet en het voor het betreffende omgevingsdocument voorgeschreven toepassingsprofiel. Ook bevat deze regeling de verplichting om omgevingsdocumenten voor publicatie aan te bieden aan het Bronhouderkoppelvlak van de LVBB.

De Standaard voor Officiële Publicaties (verder: STOP) beschrijft hoe officiële publicaties moeten worden opgesteld en aangeleverd om te kunnen worden bekendgemaakt of gepubliceerd en om te kunnen worden geconsolideerd. STOP gaat daarbij niet over de inhoud van officiële bekendmakingen, maar beschrijft wel de mechanismen en bouwstenen om die inhoud digitaal vast te leggen.

Per domein kan een specificatie van STOP gemaakt worden. Voor het domein van de Omgevingswet is die specificatie gegeven in het ToepassingsProfiel voor OmgevingsDocumenten (TPOD). Daarbij behoort het InformatieModel Omgevingswet (verder: IMOW). IMOW is het logische model dat is toegespitst op de keten ‘Van plan tot publicatie’. IMOW bepaalt hoe omgevingsdocumenten aan DSO-LV moeten worden aangeleverd. IMOW omvat implementatierichtlijnen en implementatie-afspraken voor de omgevingsdocumenten. IMOW is bedoeld voor bouwers van plansoftware en voor technisch ingestelde medewerkers van bevoegde gezagen en adviesbureaus.

Naast IMOW is er, als serviceproduct, het Conceptueel InformatieModel Omgevingswet (verder: CIMOW). CIMOW is het informatiemodel voor informatie-uitwisseling binnen DSO-LV. CIMOW is bedoeld voor de DSO-keten. Per omgevingsdocument is in een Toepassingsprofiel beschreven op welke wijze STOP en IMOW moeten worden toegepast. Een Toepassingsprofiel is een nadere invulling c.q. beperking van STOP en bevat domein- en omgevingsdocument-specifieke afspraken. De toepassingsprofielen geven de informatiekundige specificaties conform STOP en IMOW voor de (inhoudelijke) onderwerpen, de regels en richtlijnen die gelden voor het betreffende omgevingsdocument. Het is in feite de schakel tussen de juridisch(-inhoudelijke) bepalingen in de Omgevingswet en de technische specificaties voor het opstellen van de afzonderlijke omgevingsdocumenten en de data die daarin wordt vastgelegd en het ontwikkelen van software daarvoor. Het TPOD is primair bedoeld voor beleidsmedewerkers en juristen van de bevoegde gezagen, die de omgevingsdocumenten volgens de standaard inhoud en vorm zullen geven.

De STOP/TPOD-standaard legt vast hoe tekst moet worden ingedeeld en geannoteerd, hoe tekst aan locaties moet worden gekoppeld, welke waardelijsten van toepassing zijn en hoe het resultaat vervolgens uitgewisseld moet worden. Het is aan de bevoegde gezagen om de inhoud te bepalen.

Het onderhavige document is het toepassingsprofiel voor het projectbesluit. Het behoort tot het Toepassingsprofiel voor Omgevingsdocumenten, dat de volgende onderdelen omvat:

  • Informatiemodel Omgevingswet (document en schema’s);

  • Toepassingsprofielen voor de omgevingsdocumenten;

  • Symbolenbibliotheek STOP-TPOD;

  • Waardelijsten IMOW.

Bij het Toepassingsprofiel voor Omgevingsdocumenten hoort een set van serviceproducten, waaronder:

  • Conceptueel Informatiemodel Omgevingswet;

  • Presentatiemodel;

  • Wegwijzer;

  • Validatiematrix.

1.3 Leeswijzer

Dit document is in drie delen verdeeld. Deel A beschrijft de uitgangspunten voor de modellering: de doelstellingen van Omgevingswet, STOP/TPOD-standaard en DSO; de juridische, inhoudelijke en procedurele aspecten van het projectbesluit en tot slot de uitgangspunten die de bouwstenen vormden voor de ontwikkeling van de toepassingsprofielen. Deel B is volledig gewijd aan de modellering van het projectbesluit. Beschreven worden de vormgeving van Besluit en Regeling, de toepassing van de STOP-tekststructuren, het annoteren met OW-objecten, het wijzigen van omgevingsdocumenten met wijzigingsbesluiten en enkele andere aspecten. Deel C tenslotte gaat over een aantal aspecten van de aanlevering. Het gaat dan om de wettelijk voorgeschreven procedure die het projectbesluit doorloopt en de producten en gegevens die per stap in die procedure moeten worden aangeleverd. Ook gaat dit hoofdstuk in op rectificatie en revisie.

Dit toepassingsprofiel stelt een aantal (overwegend technische en structurerende) normen voor het opstellen van het projectbesluit. Voorbeelden daarvan zijn het model voor Besluit en Regeling dat op het projectbesluit en een besluit tot vaststelling of wijziging daarvan moet worden toegepast, de attributen die nodig zijn om een bepaalde annotatie vast te leggen en de manier waarop de relatie tussen tekst en werkingsgebied wordt vormgegeven. Uiteraard bevat het toepassingsprofiel ook een toelichting op die normen. Om volstrekt helder te maken wat tot de norm behoort, wordt in de tekst een duidelijk onderscheid gemaakt tussen beide teksttypen. De toelichtende teksten staan steeds in de subparagraaf Toelichting, de normen staan in de subparagraaf Norm. Het gaat hier om de functionele normen uit de standaard, niet om juridische normen die regels stellen. De subparagraaf Norm beschrijft hoe bij het opstellen van het projectbesluit voldaan moet worden aan de TPOD-standaard. Doelstelling hiervan is dat de omgevingsdocumenten van verschillende bevoegde gezagen op eenzelfde manier geraadpleegd en bevraagd kunnen worden en het combineren van informatie uit verschillende omgevingsdocumenten over eenzelfde onderwerp vereenvoudigd wordt. Hiermee hebben deze normen een functionele invalshoek. Validatieregels die bepalen of een projectbesluit kan worden bekendgemaakt en/of in DSO-LV getoond kan worden, kennen een technische invalshoek: kan het geautomatiseerde systeem het document verwerken?

2 Inhoudelijke aspecten van het projectbesluit

Dit hoofdstuk beschrijft het projectbesluit en heeft als doel de vereisten voor de modellering in dit toepassingsprofiel te identificeren.

Paragraaf 2.1 schetst het karakter van het projectbesluit. Deze schets bevat informatie op hoofdlijnen, die van belang is voor de functionele elementen in het toepassingsprofiel. In paragraaf 2.2 staan algemene kenmerken van het projectbesluit. Deze kenmerken geven de (juridische, procedurele, etc.) context weer van het projectbesluit. Paragraaf 2.3 beschrijft domeinspecifieke kenmerken: de bestuursorganen die bevoegd zijn een projectbesluit vast te stellen, de inhoud van het projectbesluit en de projectprocedure. Paragraaf 2.4 geeft in detail aan hoe het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Paragraaf 2.5 ten slotte gaat over het overgangsrecht en de overgangsfase.

2.1 Kenschets rechtsfiguur

Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten stellen elk (integraal) beleid en regels vast en nemen vervolgens andere besluiten over de ontwikkeling, het gebruik, de bescherming en het beheer en onderhoud van de fysieke leefomgeving voor hun grondgebied. Zij leggen dit vast in één of meerdere omgevingsdocumenten.

Elk van deze bestuurslagen heeft in het stelsel voor het omgevingsrecht zijn eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden en daarmee samenhangende instrumenten, waaronder de omgevingsdocumenten.

Waterschappen, provincies en Rijk kunnen besluiten tot het uitvoeren van een (vaak) complex project in de fysieke leefomgeving door middel van het projectbesluit. Het projectbesluit heeft alleen betrekking op projecten waar een nationaal, provinciaal of waterstaatsbelang mee gemoeid is of waar een privaat belang samenvalt met een publiek belang, zoals de aanleg van een windpark.

Het projectbesluit is gericht op het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan. Voor een aantal categorieën van projecten is het vaststellen van een projectbesluit verplicht, voor andere projecten van publiek belang is het mogelijk om een projectbesluit vast te stellen. In beide gevallen wordt de projectprocedure toegepast.

Het projectbesluit heeft een bijzonder karakter. Het bevat de maatregelen en kan alle toestemmingen bevatten die nodig zijn voor de uitvoering van het project. Het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor de expliciet in het projectbesluit genoemde activiteiten en als toestemming voor andere onderdelen van het projectbesluit. Tot slot wijzigt het projectbesluit een of meer omgevingsplannen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Gedurende de overgangsfase hoeft dat niet en geldt het projectbesluit, voor zover het in strijd is met het omgevingsplan, als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit kunnen provinciale staten respectievelijk de minister een voorbereidingsbesluit nemen, dat een of meer omgevingsplannen wijzigt met voorbeschermingsregels.

2.2 Algemene kenmerken projectbesluit

In Tabel 1 tot en met Tabel 3 zijn de algemene kenmerken van het projectbesluit opgenomen. Deze kenmerken leggen de algemene eigenschappen vast, waarmee informatie over het projectbesluit wordt bijgehouden. Doel van deze tabellen is het weergeven van de meest essentiële algemene kenmerken van het instrument zodat de lezer het beter kan plaatsen en vergelijken met bestaande instrumenten; niet om een volledig sluitende beschrijving te geven. De in de tabellen aangehaalde artikelen zijn afkomstig uit de Omgevingswet (verder: Ow), tenzij anders vermeld.

Tabel 1Juridische kenmerken

Onderwerp

Specificatie

Grondslag rechtsfiguur

Artikel 5.44 Ow

Voorbereidingsprocedure

Verplichtingen:

  • kennis geven van voornemen een verkenning uit te voeren naar opgave in de fysieke leefomgeving en om projectbesluit vast te stellen met/zonder voorafgaande voorkeursbeslissing, met een termijn waarbinnen eenieder de gelegenheid heeft oplossingen voor de opgave voor te dragen (art. 5.47 leden 1 en 3 Ow)

  • kennis geven van wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen worden betrokken bij verkenning (art. 5.47 lid 4 Ow)

  • toepassen afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) (art 16.71 lid 1 Ow)

Tijdstip bekendmaking/

terinzagelegging vastgesteld projectbesluit

Het bevoegd gezag bepaalt zelf het tijdstip waarop het projectbesluit wordt bekend gemaakt en ter inzage gelegd

Wijze van bekendmaking

Bekendmaking door plaatsing van het volledige besluit in het elektronisch publicatieblad van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen

Tijdstip inwerkingtreding

  • Projectbesluit van GS of minister treedt in werking 4 weken na dag van bekendmaking van het besluit, bij spoedeisende omstandigheden kan GS/minister een eerdere datum bepalen (art. 16.78 lid 3 Ow)

  • Projectbesluit van waterschap treedt in werking 4 weken na de dag waarop het besluit door GS over goedkeuring is bekendgemaakt (art. 16.78 lid 4 Ow)

Rechtsbescherming

Tegen (het vaststellen van) het projectbesluit én tegen het besluit van GS omtrent de goedkeuring van een projectbesluit van een waterschap kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[2] Artikel 8:6 lid 1 en Bijlage 2 artikel 2 Awb (Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)

Geldt toepassingsprofiel ook voor ontwerpbesluit

Ja[3] Maar zie wel paragraaf 4.4.4 waarin enige beperkingen zijn aangegeven

Rechtsfiguur roept meldingsplicht of vergunningplicht in het leven

Ja, voor zover projectbesluit regels omgevingsplan wijzigt

Rechtsfiguur bevat voor eenieder bindende regels

Ja, voor zover projectbesluit regels omgevingsplan wijzigt

Tabel 2Kenmerken ten behoeve van metadata en annotaties

Onderwerp

Specificatie

Beleidsmatig verantwoordelijke overheid (bevoegde bestuurslaag)

  • waterschap

  • provincie

  • Rijk

Bestuursorgaan

  • dagelijks bestuur waterschap

  • gedeputeerde staten

  • minister

omgevingsdocument kan rechtstreeks ander omgevingsdocument wijzigen (meervoudig bronhouderschap)

Ja, het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project (art. 5.52 lid 1 Ow)

In de overgangsfase hoeft het projectbesluit tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip het omgevingsplan niet te wijzigen maar geldt het projectbesluit, voor zover het in strijd is met een omgevingsplan, als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (art. 22.16, lid 1 Ow)

Ander omgevingsdocument kan rechtstreeks onderhavig omgevingsdocument wijzigen (meervoudig bronhouderschap)

  1. Nee

Rechtsfiguur kan gewijzigd worden door wijzigingsbesluiten

Ja

Tabel 3Vergelijking met huidige rechtsfiguren en RO Standaarden

Onderwerp

Specificatie

Vergelijkbaar met/ voortzetting van huidige rechtsfiguur

  • inpassingsplan (Wet ruimtelijke ordening)

  • tracébesluit (Tracéwet)

  • projectplan (Waterwet)

Voortzetting van instrument in RO Standaarden

  1. Projectbesluit heeft hybride karakter en is daardoor niet een voortzetting van 1 specifiek instrument van RO-standaarden. Heeft gelijkenis met het inpassingplan uit Wro

INSPIRE thema

Planned Land Use: SpatialPlan

2.3 Het projectbesluit

2.3.1 De bevoegdheid om een projectbesluit vast te stellen

Voor het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan kunnen het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten (verder: GS) respectievelijk de minister die het aangaat, in overeenstemming met de minister van BZK, een projectbesluit vaststellen[4] Artikel 5.44 lid 1 Ow
. Wanneer het een project van provinciaal belang betreft dat op het grondgebied van meerdere provincies betrekking heeft, zijn GS van de provincie waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen[5] Artikel 5.44a lid 1 Ow
. In het geval het gaat om een project in het kader van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer dat op het grondgebied van meerdere waterschappen betrekking heeft, is het dagelijks bestuur van het waterschap waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen[6] Artikel 5.44a lid 2 Ow
. Als het een gezamenlijk project van een of meer provincies en een of meer waterschappen betreft, zijn GS van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen[7] Artikel 5.44a lid 3 Ow
. Bij een gezamenlijk project van Rijk, een of meer provincies of een of meer waterschappen is de minister die het aangaat, in overeenstemming met de minister van BZK, het bevoegd gezag voor het vaststellen van het projectbesluit[8] Artikel 5.44a lid 4 Ow
. De minister kan deze bevoegdheid overdragen aan GS van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, als GS daarmee hebben ingestemd[9] Artikel 5.44b lid 1 Ow
.

2.3.2 De inhoud van het projectbesluit

In Omgevingswet en Omgevingsbesluit zijn onderwerpen benoemd die

het projectbesluit in ieder geval moet bevatten respectievelijk moet bevatten indien ze van toepassing zijn. Die onderwerpen worden in deze paragraaf beschreven.

  1. Onderdelen die het projectbesluit moet bevatten:

    1. een beschrijving van het project[10] Artikel 5.6 aanhef en onder a Omgevingsbesluit
      ;
      De beschrijving van het project zal bestaan uit tekst, afbeeldingen, tekeningen en kaarten.

    2. de permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren, voor zover die voor de fysieke leefomgeving relevant zijn[11] Artikel 5.6 aanhef en onder b Omgevingsbesluit
      ;
      In het projectbesluit zullen deze maatregelen en voorzieningen worden beschreven in tekst, afbeeldingen, tekeningen en kaarten. Voorbeelden van maatregelen zijn het tijdelijk aanleggen van bouwwegen en werkterreinen.

    3. de maatregelen gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving[12] Artikel 5.6 aanhef en onder c Omgevingsbesluit
      ;
      In het projectbesluit zullen deze maatregelen worden beschreven in tekst, afbeeldingen, tekeningen en kaarten. Voorbeelden van deze maatregelen zijn geluidschermen, stil asfalt, het aanleggen van een ecopassage of het treffen van maatregelen in het belang van het behoud van cultureel erfgoed.

    4. beschrijvingen van hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en van de resultaten van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen[13] Artikel 5.51 Ow
      ;

    5. de termijn waarbinnen in een omgevingsplan geen regels mogen worden gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor provincie of Rijk een projectbesluit heeft vastgesteld belemmeren, deze termijn kan eenmaal worden verlengd[14] Artikel 4.19a lid 3 jo lid 1 Ow
      .

  2. Onderdelen die het projectbesluit moet bevatten indien ze van toepassing zijn:

    1. Voor zover dat in het projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald, geldt het projectbesluit als[15] Artikelen 5.52 Ow en 5.7 Omgevingsbesluit
      :

      1. omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit;

      2. besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a[16] Besluit van provinciale staten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden voor bepaalde industrieterreinen
        , 2.13a[17] Besluit van provinciale staten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden voor bepaalde wegen en lokale spoorwegen
        of 2.15 lid 2[18] Besluit van minister van IenW tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden voor bepaalde wegen en hoofdspoorwegen
        Ow;

      3. maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 Ow[19] Een projectbesluit kan alleen gelden als maatwerkvoorschrift op grond van rijksregels. Een maatwerkvoorschrift op grond van decentrale regels moet afzonderlijk worden aangevraagd bij het bevoegd gezag
        ;

      4. verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 Wegenverkeerswet 1994[20] Besluit tot de plaatsing of verwijdering van bepaalde verkeerstekens en onderborden en bepaalde maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer
        voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit;

      5. onttrekking van een weg aan de openbaarheid als bedoeld in artikel 7 Wegenwet[21] Besluit waardoor een weg ophoudt openbaar te zijn
        .

      Als het projectbesluit geldt als een of meer van de hier genoemde besluiten, moet dat expliciet in het projectbesluit worden beschreven. Het projectbesluit heeft daardoor die andere besluiten in zich; er zijn geen losse besluitdocumenten.

    2. Bij een projectbesluit kan worden bepaald dat het besluit met inachtneming van de daarbij gestelde randvoorwaarden door het bevoegd gezag kan worden uitgewerkt[22] Artikel 5.54 lid 1 Ow
      . De uitwerking maakt deel uit van het projectbesluit en kan, zolang de uitwerking nog niet is verwezenlijkt, worden vervangen door een nieuwe uitwerking[23] Artikel 5.54 lid 2 Ow
      .
      In de randvoorwaarden wordt concreet gemaakt waarop de uitwerking betrekking kan hebben, zoals welk onderdeel van het project en welk deel van het projectgebied. Een voorbeeld: in het projectbesluit is bepaald dat er een brug over een rivier gebouwd moet worden, maar de exacte hoogte en locatie van de brug moet in de uitwerking bepaald worden. Bij de uitwerking van een projectbesluit binnen de randvoorwaarden wordt een verkorte procedure toegepast: kennisgeving van het voornemen, het uitvoeren van een verkenning en het nemen van een voorkeursbeslissing zijn niet van toepassing[24] Artikel 5.50 Ow
      .

  3. Wijziging omgevingsplan
    Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project[25] Artikel 5.52 lid 1 Ow
    . Dit betekent dat als het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, het projectbesluit het omgevingsplan móét wijzigen.
    NB: Gedurende de overgangsfase hoeft het projectbesluit het omgevingsplan niet te wijzigen. Voor zover een projectbesluit in deze periode in strijd is met het omgevingsplan, geldt het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit[26] Artikel 22.16 lid 1 Ow
    . Om kenbaar te zijn moet dat uitdrukkelijk in het projectbesluit worden bepaald.

Een projectbesluit van waterschap of provincie mag het uitvoeren van een project waarvoor het Rijk een projectbesluit heeft vastgesteld niet belemmeren[27] Artikel 5.53a lid 1 en 4.19a lid 1 Ow voor het projectbesluit van het waterschap, artikel 5.53a lid 2 Ow voor het projectbesluit van de provincie
.

2.3.3 De projectprocedure

Het projectbesluit is onderdeel van de projectprocedure. In paragraaf 11.4 staat een gedetailleerde beschrijving van de projectprocedure. Daarin is per procedurestap aangegeven of deze door de STOP/TPOD-standaard en de DSO-keten wordt ondersteund en zo ja, welke producten en welke gegevens en metadata aan die keten moeten worden aangeleverd. In hoofdlijnen ziet de projectprojectprocedure er als volgt uit.

  • Kennis geven van voornemen om een verkenning uit te voeren en een projectbesluit vast te stellen met of zonder voorafgaande voorkeursbeslissing, met een termijn waarbinnen eenieder de gelegenheid heeft oplossingen voor de opgave voor te dragen[28] Artikel 5.47 leden 1 en 3 Ow

  • Kennis geven van wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de verkenning worden betrokken[29] Artikel 5.47 lid 4 Ow

  • Verkenning[30] Artikel 5.48 Ow

    In de verkenning onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning wil het bevoegd gezag inzicht krijgen in:

    • de aard van de opgave

    • de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving

    • de mogelijke oplossingen voor die opgave.

    • Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen hebben voorgedragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning.

      Het bevoegd gezag bepaalt zelf de invulling van de verkenning. De verkenning moet uiteindelijk voldoende informatie bieden om een projectbesluit te kunnen opstellen en -indien van toepassing- daaraan voorafgaand een voorkeursbeslissing te kunnen nemen. Het milieueffectrapport kan onderdeel zijn van de verkenning.

  • Voorkeursbeslissing[31] Artikel 5.49 Ow
    (indien van toepassing)

    • Voorbereiden voorkeursbeslissing met toepassing van afdeling 3.4 Awb[32] Artikel 16.70 Ow

    • Vaststellen voorkeursbeslissing

  • Projectbesluit

    • Voorbereiden projectbesluit met toepassing van afdeling 3.4 Awb[33] Artikel 16.71 lid 1 aanhef en onder a Ow

    • Inwinnen instemming respectievelijk advies als het projectbesluit gaat gelden als omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor instemming van een ander bestuursorgaan nodig is of als besluit op een aanvraag waarover een ander bestuursorgaan of andere instantie in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen

    • Vaststellen projectbesluit

    • Beslissen omtrent goedkeuring projectbesluit waterschap[34] Artikel 16.72 Ow

      Een projectbesluit dat is vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap behoeft goedkeuring van GS van de provincie waarin het projectbesluit wordt uitgevoerd dan wel GS van de provincie waarin het projectbesluit in hoofdzaak zal worden uitgevoerd.

    • Beroep
      Tegen een projectbesluit kan beroep worden ingesteld. In het geval van een projectbesluit van een waterschap kan zowel tegen het projectbesluit als tegen het besluit over de goedkeuring beroep worden ingesteld[35] Artikel 8:6 lid 1 en Bijlage 2 artikel 2 Awb (Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)
      .

    • Inwerkingtreden

      • projectbesluit provincie en Rijk treedt in werking 4 weken na de dag van bekendmaking van het projectbesluit; het bevoegd gezag kan vanwege spoedeisende omstandigheden bepalen dat het projectbesluit eerder in werking treedt[36] Artikel 16.78 lid 3 Ow

      • projectbesluit waterschap treedt in werking 4 weken na de dag van bekendmaking van het besluit over de goedkeuring[37] Artikel 16.78 lid 4 Ow
        .

2.3.4 Coördinatie

In artikel 5.52 Ow is het projectbesluit als een integraal besluit gepositioneerd. Dat is -behoudens het overgangsrecht- in ieder geval verplicht voor de strijdigheid van het projectbesluit met het ter plaatse geldende omgevingsplan: dan moet het projectbesluit het omgevingsplan wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project[38] Artikel 5.52 lid 1 Ow
. Daarnaast geldt, voor zover dat in het projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald, het projectbesluit als omgevingsvergunning, besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maatwerkvoorschrift, verkeersbesluit of onttrekking van een weg aan de openbaarheid[39] Artikel 5.52 lid 2 Ow en artikel 5.7 Ob
. Het is mogelijk om het projectbesluit niet te laten gelden als die besluittypen, maar voor zover de bevoegdheid tot het nemen van deze besluiten ligt bij een ander bestuursorgaan kan het bestuursorgaan dat het projectbesluit vaststelt niet afdwingen dat dat andere bestuursorgaan die besluiten daadwerkelijk neemt.

Bij projectbesluiten voor hoofdinfrastructuur en primaire waterkeringen is het verplicht om op de coördinatie van de voorbereiding van de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb toe te passen[40] Artikel 5.45 lid 2 en 16.7 Ow
. Bij projectbesluiten voor andere projecten kan het bevoegd gezag bepalen om op de coördinatie van de voorbereiding van de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit die coördinatieregeling toe te passen[41] Artikel 5.45 lid 1 en 16.7 Ow
. Coördinerend bestuursorgaan is het bestuursorgaan dat bevoegd gezag is voor het projectbesluit[42] Artikel 5.45 lid 3 Ow
, tenzij het gaat om een projectbesluit van het waterschap; in dat geval zijn GS coördinerend bestuursorgaan[43] Artikel 5.45 lid 4 Ow
. De Omgevingswet gaat uit van de coördinatie van verschillende besluiten ter uitvoering van een projectbesluit. De gecoördineerde voorbereiding van die uitvoeringsbesluiten kan parallel verlopen aan de totstandkoming van het projectbesluit, maar kan ook na het afronden van de procedure van het projectbesluit plaatsvinden. Het projectbesluit wordt gepubliceerd en bekend gemaakt met toepassing van de STOP/TPOD-standaard. De uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd en bekend gemaakt op de voor die besluiten gebruikelijke wijze.

In de artikelen 5.45 en 16.7 Ow is uitdrukkelijk sprake van coördinatie van besluiten ter uitvoering van een projectbesluit; deze artikelen regelen niet de coördinatie van uitvoeringsbesluiten met het projectbesluit. Artikel 3:21 lid 1 onder b Awb maakt het echter mogelijk om de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb toe te passen als dat is bepaald bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen. Er zou dan kunnen worden besloten om uitvoeringsbesluiten met het projectbesluit te coördineren; juridisch is dat mogelijk.

Om technische redenen is de coördinatie van uitvoeringsbesluiten met het projectbesluit op de manier waarop de Awb coördinatie voorschrijft niet mogelijk. Dat komt ten eerste omdat de Awb bepaalt dat bij toepassing van de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb het coördinerende bestuursorgaan de besluiten gelijktijdig bekend moet maken[44] Artikel 3:27 Awb
. Bij een projectbesluit van een waterschap zijn GS coördinerend bestuursorgaan. Bij coördinatie van een projectbesluit met de uitvoeringsbesluiten zou het waterschap de STOP/TPOD-bestandenset van het ontwerp-projectbesluit en later het vastgestelde projectbesluit aan de provincie moeten sturen. De provincie zou vervolgens die bestandenset moeten importeren in de eigen plansoftware en ter publicatie of bekendmaking aan de LVBB moeten aanleveren. Dat is vergelijkbaar met het meervoudig bronhouderschap, dat nu technisch niet mogelijk is (zie daarover uitgebreid paragraaf 2.4). Er zal onderzocht worden of hiervoor een oplossing moet worden geboden door aanpassing van de wetgeving. Een tweede reden is dat de STOP/TPOD-standaard (nog) geen modellen kent voor de typen besluiten ter uitvoering van een projectbesluit.

Wanneer het gewenst is om een projectbesluit en besluiten ter uitvoering van dat projectbesluit gelijktijdig voor te bereiden, kan dit praktisch worden opgelost door de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit met toepassing van de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb voor te bereiden en tegelijkertijd -maar zonder toepassing van de coördinatieregeling- een projectbesluit voor te bereiden. Als het gaat om besluiten ter uitvoering van een projectbesluit van het waterschap stelt het waterschap in dat geval het projectbesluit op met toepassing van de STOP/TPOD-standaard en levert het waterschap het projectbesluit aan de LVBB aan, waarna het in het publicatieblad van het waterschap wordt bekendgemaakt. De provincie levert de gecoördineerde besluiten ter uitvoering van het projectbesluit via DROP aan, die vervolgens in het provinciaal blad bekend gemaakt worden.

2.4 Wijziging van het omgevingsplan door het projectbesluit: meervoudig bronhouderschap

2.4.1 Beoogde werking van meervoudig bronhouderschap

In het algemeen is een bestuursorgaan verantwoordelijk voor het vaststellen en wijzigen van het omgevingsdocument waarvoor het op grond van de Omgevingswet is aangewezen als bevoegd gezag en worden omgevingsdocumenten alleen gewijzigd door wijzigingsbesluiten van hetzelfde type. In het geval van het omgevingsplan berust die bevoegdheid primair bij de gemeente, maar zijn er ook andere bestuursorganen, van andere bestuurslagen, die andere typen besluiten nemen die leiden tot wijziging van het omgevingsplan:

  • gedeputeerde staten kunnen met een reactieve interventie besluiten dat een onderdeel van een besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan geen deel van het omgevingsplan uitmaakt[45] Artikel 16.21 Ow
    ;

  • bestuursorganen van provincie en Rijk kunnen een voorbereidingsbesluit nemen dat het omgevingsplan wijzigt met voorbeschermingsregels[46] Artikel 4.16 Ow
    ;

  • bestuursorganen van waterschap, provincie en Rijk kunnen met een projectbesluit het omgevingsplan wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project[47] Artikel 5.52 lid 1 Ow
    .

Artikel 16.2 Ow bepaalt dat, ter uitvoering van artikel 19 van de Bekendmakingswet, op een bestuursorgaan dat met een van de genoemde instrumenten een omgevingsplan wijzigt, ook de verplichting rust om deze wijziging te verwerken in een nieuwe geconsolideerde versie van het omgevingsplan.

De wetgever heeft reactieve interventie, voorbereidingsbesluit en projectbesluit zo bedoeld dat het bestuursorgaan dat een van die instrumenten vaststelt, ook het omgevingsplan, een instrument van een ander type en van een ander bevoegd gezag van een andere bestuurslaag, wijzigt. Technisch uitgedrukt zijn er in dat geval meerdere bronhouders die eenzelfde omgevingsdocument kunnen wijzigen. Dit wordt meervoudig bronhouderschap genoemd. In grote lijnen zou de technische uitwerking van het beoogde meervoudig bronhouderschap er op neerkomen dat het bestuursorgaan dat het andere besluittype heeft genomen, tegelijk met het ter bekendmaking aan de LVBB aanleveren van dat besluit ook de wijzigingsinstructie voor het omgevingsplan moet aanleveren. De LVBB zou daarmee een nieuwe versie van de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan kunnen genereren. De betreffende gemeente zou vervolgens de nieuwe geconsolideerde regeling bij de LVBB moeten ophalen en in het eigen plansysteem in de eigen versie van het omgevingsplan importeren en verwerken.

Wanneer er met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit een voorbereidingsbesluit wordt genomen, kan het meervoudig bronhouderschap op twee momenten spelen: bij het nemen van het voorbereidingsbesluit én, als het projectbesluit een of meer omgevingsplannen wijzigt, bij het vaststellen van het daarop volgende projectbesluit.

2.4.2 Uitvoering meervoudig bronhouderschap en consolidatie met concept ‘tijdelijk regelingdeel’

Gebleken is dat de door de wetgever beoogde vorm van meervoudig bronhouderschap juridisch én technisch heel complex is. Ten eerste omdat iedere wijziging niet alleen een wijziging van tekst is, maar ook van locaties, annotaties en geografische informatieobjecten (en daarmee ook gevolgen kan hebben voor de juridische en technische opzet van het omgevingsplan) en ook gevolgen kan hebben voor de toepasbare regels waarmee het omgevingsplan in het Omgevingsloket bevraagd kan worden. Ten tweede omdat niet eenduidig is hoe wijzigingen uitgevoerd moeten worden. Voor het omgevingsplan geldt namelijk een overgangsfase waarin gemeenten het omgevingsplan stapsgewijs kunnen opbouwen. In die periode bestaat het omgevingsplan uit het omgevingsplan van rechtswege (met name bestaande uit de geldende bestemmingsplannen c.a. die in Ruimtelijkeplannen.nl zijn gepubliceerd en dan via de overbruggingsfunctie in DSO-LV getoond worden), het omgevingsplan van Rijkswege (oftewel de bruidsschatregels) en het omgevingsplan dat de gemeente zelf aan het opbouwen is. Bovendien zal het omgevingsplan naar verwachting vaak gewijzigd worden, zowel door wijzigingsbesluiten (van gemeenteraad maar ook van B&W) en voorbereidingsbesluiten van de gemeente zelf als door voorbereidingsbesluiten, reactieve interventies en projectbesluiten van bestuursorganen van andere bestuurslagen. Alleen al voor de wijzigingsbesluiten van de gemeente zelf geldt dat er zeer zorgvuldig geregisseerd moet worden wanneer welk besluit wordt genomen. Om deze redenen is de vorm van tweerichtingsverkeer met de LVBB die nodig is voor de door de wetgever beoogde vorm van meervoudig bronhouderschap, niet haalbaar gebleken.

In de STOP/TPOD-standaard is de technische invulling ontwikkeld van het meervoudig bronhouderschap: het tijdelijk regelingdeel. Dit concept houdt in dat de juridische geconsolideerde regeling kan bestaan uit een hoofdregeling en een of meer tijdelijk regelingdelen. Het tijdelijk regelingdeel maakt tijdelijk deel uit van de geconsolideerde regeling en/of is afkomstig van een ander bevoegd gezag dan de ‘eigenaar’ van het omgevingsdocument. Technisch zijn het losse delen. Schematisch ziet dit er zo uit:

media/image2.png
Figuur 1 Onderdelen geconsolideerde regeling: hoofdregeling en tijdelijk regelingdelen

Een regeling bestaat op deze manier uit één hoofdregeling en nul of meer tijdelijke regelingdelen. Elk deel (de hoofdregeling en ieder tijdelijk regelingdeel) is een apart ‘work’ (een eigenstandig deel) en kan worden beheerd door een ander bevoegd gezag. Elk deel kan worden gewijzigd en heeft dus ook zijn eigen versies.

In STOP is het tijdelijk regelingdeel vormgegeven in het tekstmodel RegelingTijdelijkdeel. De specificaties voor de toepassing van het tekstmodel RegelingTijdelijkdeel op het projectbesluit staan in paragraaf 2.4.4.

Het concept tijdelijk regelingdeel geldt zowel voor tekst als voor geografische informatieobjecten (verder afgekort tot GIO, zie daarvoor verder paragraaf 6.1.2.1). Een tijdelijk regelingdeel kan artikelen en leden hebben die niet in de hoofdregeling voorkomen én alternatieve versies van artikelen en leden uit de hoofdregeling. Ieder tijdelijk regelingdeel heeft eigen GIO’s. Ze kunnen bedoeld zijn als GIO’s die niet in de hoofdregeling voorkomen of als alternatieve versies van GIO’s uit de hoofdregeling, bij voorbeeld om aan te geven dat een onderdeel van de hoofdregeling op een bepaalde locatie wel of juist niet geldt. Datzelfde geldt voor annotaties met OW-objecten.

De hoofdregeling is het initiële STOP/TPOD-omgevingsplan (de bruidsschat), geconsolideerd met alle STOP/TPOD-wijzigingsbesluiten die de gemeente daarna heeft genomen. Een tijdelijk regelingdeel is een technisch afzonderlijk deel, dat niet wordt geconsolideerd in de hoofdregeling, maar wel samen met de hoofdregeling de geconsolideerde regeling vormt. Ieder tijdelijk regelingdeel kan met wijzigingsbesluiten worden gewijzigd; dan ontstaat een consolidatie van dat tijdelijk regelingdeel. Technisch wordt de relatie tussen het tijdelijk regelingdeel en de (hoofd)regeling van het omgevingsplan vastgelegd in de STOP-metadata: dít tijdelijk regelingdeel hoort bij díé hoofdregeling.

Ieder tijdelijk regelingdeel begint met de conditie van het tijdelijk regelingdeel: een beschrijving in woorden van de verhouding tussen dit tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling. Doorgaans zal in de conditie worden bepaald dat de regels in het tijdelijk regelingdeel -daar waar ze afwijken- voorrang hebben op de regels in de hoofdregeling. Door middel van het STOP-XML-element Conditie is de conditie als zodanig te herkennen. Met behulp van het tekstelement Conditie kunnen overheid.nl en DSO-LV de conditie tonen bij de regels uit het tijdelijk regelingdeel zodat de raadpleger direct kan zien wat de verhouding tussen tijdelijk regelingdeel en hoofdregeling is. De betekenis van de conditie wordt niet gemodelleerd. Er is dus geen attribuut waarmee de aard van de verhouding tussen hoofdregeling en tijdelijk regelingdeel machineleesbaar wordt gemaakt. Hoe die verhouding is, blijkt uit de tekst van de conditie.

Zoals in paragraaf 2.4.1 al is aangegeven, moet het bestuursorgaan dat met een voorbereidingsbesluit, projectbesluit of reactieve interventie een omgevingsplan wijzigt, zorgen voor het verwerken van deze wijziging in een nieuwe geconsolideerde versie van het omgevingsplan[48] Artikel 16.2 Ow
. Net als het doorvoeren van wijzigingen in een al bestaand plandeel is de toevoeging van een tijdelijk regelingdeel aan het omgevingsplan een vorm van consolidatie. In dat laatste geval wordt aan de consolidatieverplichting voldaan door het tijdelijk regelingdeel (door middel van metadata) te koppelen aan de hoofdregeling van het omgevingsplan. Vaststelling van een tijdelijk regelingdeel is een vorm van verwerking in het omgevingsplan, namelijk door er een (tijdelijk regeling)deel aan toe te voegen. Hiermee wordt het omgevingsplan juridisch gewijzigd en ontstaat een nieuwe geconsolideerde versie.

Het concept ‘tijdelijk regelingdeel’ van de STOP/TPOD-standaard voorziet dus zowel in de toepassing van het meervoudig bronhouderschap als in het voldoen aan de consolidatieverplichting van artikel 16.2 Ow.

2.4.3 Wijzigen omgevingsplan door projectbesluit voorlopig niet verplicht

Op grond van het overgangsrecht (zie verder paragraaf 2.5) is het gedurende de overgangsfase niet verplicht om met het projectbesluit het omgevingsplan te wijzigen. Gebruikmaken van het tijdelijk regelingdeel, de methode om het omgevingsplan te wijzigen, is dus ook niet verplicht.

Uiteraard zal het doorgaans zo zijn dat het voorgenomen project in strijd is met het ter plaatse geldende omgevingsplan. Er zijn twee methoden om daarmee om te gaan. De eerste methode is het gebruik van het overgangsrecht: gedurende de overgangsfase hoeft het projectbesluit niet het omgevingsplan te wijzigen en geldt het projectbesluit als omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit[49] Artikel 22.16 Ow
. De tweede methode bestaat er uit dat niet het bestuursorgaan dat het projectbesluit vaststelt maar de gemeente de voor de uitvoering van het project benodigde wijzigingen van het omgevingsplan vaststelt. Dat kan door het samen optrekken van waterschap, provincie of Rijk enerzijds en de gemeente anderzijds in de voorbereiding van het project, waarbij waterschap, provincie of Rijk het projectbesluit voorbereidt en vaststelt en de gemeente het wijzigen van het omgevingsplan voor haar rekening neemt. Bij een projectbesluit van provincie of Rijk kan dat ook doordat provincie of Rijk voorafgaand aan het vaststellen van het projectbesluit een voorbereidingsbesluit neemt en de gemeente de instructie geeft om het omgevingsplan te wijzigen, waarna de gemeente de wijziging van het omgevingsplan voorbereidt en vaststelt.

Opgemerkt wordt dat er gevallen zijn waarin de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit geen oplossing biedt. Met een omgevingsvergunning kan immers alleen toestemming worden gegeven om iets te doen, oftewel om onderdelen van een project te realiseren; een omgevingsvergunning kan niet een verbod, vergunningplicht of ander beschermingsregime voor het project instellen. Een voorbeeld: een projectbesluit kan wel gelden als omgevingsvergunning voor het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningskabel, maar kan niet voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning te graven of bomen te planten in de grond boven die hoogspanningskabel. Zo’n vergunningplicht kan wel ingesteld worden door de regels van het omgevingsplan te wijzigen. Daarvoor kan dan het tijdelijk regelingdeel worden ingezet. Ter bescherming van een project van een waterschap kan het waterschap, voor die aspecten van het project waarover het waterschap regels kan stellen, een vergunningplicht, meldingsplicht of informatieplicht in de waterschapsverordening opnemen. De daarvoor benodigde wijziging van de waterschapsverordening verloopt via een separate procedure en is geen onderdeel van het projectbesluit.

2.4.4 Toepassing van het tijdelijk regelingdeel en van de consolidatie bij het wijzigen van het omgevingsplan met het projectbesluit

Toegepast op het projectbesluit en het omgevingsplan werkt het tijdelijk regelingdeel als volgt. Voorafgaand aan het vaststellen van een projectbesluit is er een hoofdregeling van het omgevingsplan. Een bestuursorgaan van waterschap, provincie of Rijk stelt een projectbesluit vast en maakt dit projectbesluit bekend. De regels waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt, worden niet verwerkt in de hoofdregeling. Het projectbesluit leidt dus niet tot een nieuwe versie van de hoofdregeling van het omgevingsplan; de al aanwezige hoofdregeling op overheid.nl en in DSO-LV blijft ongewijzigd bestaan. Door het gebruik van het STOP-tekstmodel RegelingTijdelijkdeel ontstaat door het projectbesluit een nieuw tijdelijk regelingdeel als onderdeel van de volledige geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Daarin komen de conditie én de regels waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Het is dus het bestuursorgaan dat het projectbesluit neemt dat er voor zorgt dat een nieuw tijdelijk regelingdeel deel gaat uitmaken van de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Dat doet het door het projectbesluit met het tijdelijk regelingdeel aan te leveren aan de LVBB.

media/image3.png
Figuur 2Aanleveren van projectbesluit met vrijetekstgedeelte en tijdelijk regelingdeel in relatie tot geconsolideerde regeling omgevingsplan

Ieder projectbesluit leidt voor een gemeente tot een afzonderlijk tijdelijk regelingdeel. Als er voor het grondgebied van een gemeente meerdere projectbesluiten zijn vastgesteld is er voor ieder projectbesluit een eigen tijdelijk regelingdeel. Voorbereidingsbesluiten en reactieve interventies leiden ook tot afzonderlijke tijdelijk regelingdelen. Er kunnen dus tegelijkertijd meerdere tijdelijk regelingdelen onderdeel uitmaken van de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Er is dus niet per gemeente één tijdelijk regelingdeel waarin de regels vanuit alle projectbesluiten, voorbereidingsbesluiten en reactieve interventies worden opgenomen.

Er zijn projectbesluiten die betrekking hebben op het grondgebied van één gemeente. In Figuur 3 is het effect op het omgevingsplan van het in een projectbesluit toepassen van het tijdelijk regelingdeel in een kaartbeeld visueel gemaakt.

media/image4.png
Figuur 3 Schematisch kaartbeeld van geconsolideerde regeling omgevingsplan van één gemeente, bestaande uit hoofdregeling en tijdelijk regelingdelen

Figuur 3 kan gezien worden als visualisatie van verschillende mogelijkheden:

  • er zijn drie projectbesluiten vastgesteld, ieder projectbesluit heeft een tijdelijk regelingdeel dat geldt voor een eigen gebied;

  • er is één projectbesluit vastgesteld, dat projectbesluit heeft één tijdelijk regelingdeel dat geldt voor drie gebieden;

  • er zijn twee projectbesluiten vastgesteld, het eerste projectbesluit heeft een tijdelijk regelingdeel dat geldt voor twee gebieden, het tweede projectbesluit heeft een tijdelijk regelingdeel dat geldt voor één gebied.

Er zijn ook combinaties van projectbesluit, voorbereidingsbesluit en reactieve interventie mogelijk.

Het projectbesluit zal vermoedelijk altijd een gedeelte van het grondgebied van een gemeente betreffen en ook slechts voor een deel van dat grondgebied de regels van het omgevingsplan wijzigen. In het tijdelijk regelingdeel moet dan ook in de regels en met behulp van Locaties, IMOW-annotaties en geografische informatieobjecten worden vastgelegd voor welk gebied ze gelden. Dat een projectbesluit een wijziging van het omgevingsplan voor het hele ambtsgebied van een gemeente meebrengt, ligt niet erg voor de hand.

Er zijn ook projectbesluiten die betrekking hebben op het grondgebied van meerdere gemeenten. Bij het projectbesluit moet dan per gemeente een afzonderlijk tijdelijk regelingdeel worden aangeleverd. Figuur 4 laat, in de vorm van een schematisch kaartbeeld, een voorbeeld zien van een projectbesluit dat voorziet in de aanleg van een provinciale weg over het grondgebied van drie gemeenten. Bij het projectbesluit wordt voor het omgevingsplan van iedere gemeente een afzonderlijk tijdelijk regelingdeel aangeleverd; in totaal zijn er bij dit projectbesluit dus drie tijdelijk regelingdelen.

media/image5.png
Figuur 4Schematisch kaartbeeld van één projectbesluit met en de tijdelijk regelingdelen voor de omgevingsplannen van drie gemeenten

Opgemerkt wordt dat er toepasbare regels kunnen zijn bij regels uit de hoofdregeling die door het projectbesluit zijn gewijzigd. Als die toepasbare regels in de Vergunningcheck- en Aanvraagmodules van DSO-LV aanwezig blijven, krijgt een raadpleger onjuiste informatie. Wanneer er zowel bij de hoofdregeling als bij het tijdelijk regelingdeel toepasbare regels zijn, krijgt een raadpleger dubbele informatie die deels juist en deels onjuist is. Er zullen bestuurlijke afspraken moeten worden gemaakt hoe hiermee omgegaan moet worden.

Een tijdelijk regelingdeel wordt op dezelfde manier gewijzigd als andere regelingen, zoals het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit en de hoofdregeling van het omgevingsplan. In principe dus met renvooi-muteren of, zolang de gebruikte software dat niet ondersteunt, met de alternatieve wijzigingsmethoden Integrale tekstvervanging of Intrekken & vervangen.

Toekomstige functionaliteit

De STOP/TPOD-standaard en de DSO-keten ondersteunen nog niet de ontwerpversie van het tijdelijk regelingdeel waarmee een projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. In een toekomstige versie zal de STOP/TPOD-standaard beschrijven hoe dat gaat werken, hoe het er uitziet en wat het bevoegd gezag daarvoor moet doen.

Workaround

Zolang de STOP/TPOD-standaard en de DSO-keten de ontwerpversie van het tijdelijk regelingdeel nog niet ondersteunen, moet waterschap, provincie of Rijk de wijzigingen die het projectbesluit in die omgevingsplannen aanbrengt, in het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit beschrijven. Om die tekst te kunnen koppelen aan locaties, waarmee wordt aangegeven waar de wijziging(en) van het omgevingsplan gaan gelden, moet die tekst worden opgenomen in het Lichaam van de Regeling.

2.4.5 Verwerken van de regels uit het tijdelijk regelingdeel in de hoofdregeling en intrekken van het tijdelijk regelingdeel

Nadat een projectbesluit bekend is gemaakt, wordt het tijdelijk regelingdeel getoond op overheid.nl en in DSO-LV, als onderdeel van de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Anders dan bij voorbereidingsbesluit en reactieve interventie, waarbij de regels in het tijdelijk regelingdeel een tijdelijk karakter hebben en het tijdelijk regelingdeel na verloop van tijd verdwijnt, bevat het tijdelijk regelingdeel waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt permanente regels en verdwijnt het tijdelijk regelingdeel niet. Daardoor kan er een langdurige situatie ontstaan waarin op een bepaalde locatie een of meer regels in de hoofdregeling in strijd zijn met de regels in het tijdelijk regelingdeel. In de conditie in het tijdelijk regelingdeel is dan uiteraard vastgelegd dat de regels in het tijdelijk regelingdeel voorgaan boven de regels in de hoofdregeling, maar voor een raadpleger is dat een minder inzichtelijke oplossing. Als de gemeente dat onwenselijk vindt, kan zij ervoor kiezen om de regels waarmee een projectbesluit het omgevingsplan heeft gewijzigd, te verwerken in de hoofdregeling van het omgevingsplan. Als dat gedaan is, moet het tijdelijk regelingdeel niet meer getoond worden. De gemeente doet dat door bij de aanlevering van het wijzigingsbesluit waarmee de regels uit het tijdelijk regelingdeel in de hoofdregeling van het omgevingsplan worden verwerkt, ook de intrekking van het tijdelijk regelingdeel aan te leveren. Hoe dat moet, is beschreven in paragraaf 11.4.8.

2.5 Overgangsrecht en overgangsfase

Zoals in de vorige paragraaf al beschreven is, voorziet de Omgevingswet in een overgangsfase voor het projectbesluit waar het de relatie met het omgevingsplan betreft. Deze overgangsfase bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste hoeft het projectbesluit tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (het einde van de overgangsfase voor het omgevingsplan) niet de regels van het omgevingsplan te wijzigen. Voor zover een projectbesluit in deze periode in strijd is met het omgevingsplan, geldt het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit[50] Artikel 22.16 lid 1 Ow
. Ten tweede hoeft, voor zover een projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een omgevings-planactiviteit, het omgevingsplan niet eerder dan op het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met die omgevingsvergunning in overeenstemming te zijn gebracht[51] Artikel 22.16 lid 2 Ow
.

Naast de overgangsrechtelijke regeling gedurende de overgangsfase voor de relatie tussen projectbesluit en omgevingsplan, geldt er overgangsrecht voor de voorgangers van het projectbesluit. In bepaalde gevallen wordt een al gestarte procedure afgemaakt onder het oude recht, terwijl het in andere gevallen mogelijk is om een onder het oude recht gestarte procedure voort te zetten onder het nieuwe recht.

  • Het oude recht blijft van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • het ontwerp van een inpassingsplan ter inzage is gelegd[52] Artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet
      ;

    • een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd[53] Artikel 4.44 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet
      ;

    • voor bepaalde projecten de verkenning als bedoeld in de Tracéwet in een vergevorderd stadium is en voor het project binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd[54] Artikel 4.45 lid 1 en lid 2 Invoeringswet Omgevingswet
      ;

    • het ontwerp van een projectplan als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet ter inzage is gelegd[55] Artikelen 4.62 lid 2, 4.63 lid 2. 4.64 lid 2 en 4.65 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet
      ;

  • Het nieuwe recht kan worden toegepast:

    • Voor bepaalde projecten als bedoeld in de Electriciteitswet, de Gaswet en de Mijnbouwwet waarvoor voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter voorbereiding van een inpassingsplan een voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan een projectbesluit worden bekendgemaakt, mits dat gebeurt binnen een periode van een jaar en zes maanden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet[56] Artikelen 4.32, 4.37 en 4.39 Invoeringswet Omgevingswet
      .

    • Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de voorbereiding van een inpassingsplan is gestart maar er nog geen ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd, kan in bepaalde gevallen een ontwerp-projectbesluit ter inzage gelegd worden en kan in andere gevallen binnen een periode van een jaar en zes maanden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een projectbesluit worden vastgesteld[57] Artikel 4.107 Invoeringswet Omgevingswet
      ;

    • Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de voorbereiding van een projectplan is gestart maar er nog geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd, kan in bepaalde gevallen een ontwerp-projectbesluit ter inzage gelegd worden en kan in andere gevallen binnen een periode van een jaar en zes maanden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een projectbesluit worden vastgesteld[58] Artikelen 4.62 leden 3 en 4, 4.63 leden 3 en 4, 4.64 leden 3 en 4 en 4.65 leden 3 en 4 Invoeringswet Omgevingswet
      .

Inpassingsplannen van provincie en Rijk gelden als deel van het omgevingsplan[59] Artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet
.

Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet[60] Artikel 4.49 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet
: een voorbereidingsbesluit dat het omgevingsplan wijzigt met voorbeschermingsregels en de voorbereiding is op het stellen van regels in het omgevingsplan. Deze voorbeschermingsregels vervallen op het tijdstip waarop het wijzigingsbesluit waarmee het omgevingsplan in overeenstemming wordt gebracht met het tracébesluit van kracht is geworden[61] Artikel 4.49 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet
. Nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, moet het omgevingsplan met het tracébesluit in overeenstemming gebracht worden. Dat moet uiterlijk op het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, of uiterlijk vijf jaar na het onherroepelijk worden van het tracébesluit, als het tracébesluit korter dan vijf jaar voor bedoeld tijdstip onherroepelijk is geworden[62] Artikel 4.50 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet
. Zolang het omgevingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit, verleent het college van burgemeester en wethouders aan degenen die inzage verlangen in dat plan ook inzage in het tracébesluit[63] Artikel 4.50 lid 3 Invoeringswet Omgevingswet
.

In DSO-LV zullen raadpleegbaar zijn:

  • projectbesluiten die zijn opgesteld met toepassing van de STOP/TPOD-standaard;

  • inpassingsplannen (via de overbruggingsfunctie van Informatiehuis Ruimte).

In DSO-LV zullen niet raadpleegbaar zijn:

  • tracébesluiten[64] Tracébesluiten zullen wel op overheid.nl en op/via de projectwebsite te raadplegen zijn
    ;

  • (voorbeschermingsregels uit) het voorbereidingsbesluit in het geval een tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit[65] Dat een Tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit is een juridische fictie: het is zo omdat de wet zegt dat het zo is, maar er is niet daadwerkelijk een voorbereidingsbesluit dat geraadpleegd kan worden. In dit geval moet het Tracébesluit geraadpleegd worden. Zoals in de vorige noot aangegeven kan dat op overheid.nl en op/via de projectwebsite
    ;

  • projectplannen[66] Projectplannen zullen wel op overheid.nl en op/via de eventuele projectwebsite te raadplegen zijn
    .

Als B&W, in de periode dat het omgevingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit, inzage moeten verlenen in het tracébesluit, moeten ze dat doen met het bekendgemaakte tracébesluit op overheid.nl en kan dat niet in DSO-LV.

3 Uitgangspunten voor de toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten beschreven. Deze uitgangspunten zijn mede gebruikt als bouwstenen voor de ontwikkeling van de TPOD’s. Deze informatie is met name beschrijvend van aard en dient het doel achtergrond te bieden voor deel B, dat de modellering van het projectbesluit beschrijft en voortborduurt op de uitgangspunten beschreven in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk beschrijft generiek de toegepaste principes in algemene bewoording. Het is mogelijk dat onderdelen van die teksten voor het projectbesluit niet van toepassing zijn.

3.1 Proces van totstandkoming en bekendmaking c.q. publicatie van omgevingsdocumenten

Het proces van opstellen van omgevingsdocumenten en daarbij toepassen van de STOP/TPOD-standaard begint intern bij het bevoegd gezag. Waar dat relevant is voor het instrument kan een informeel deel volgen dat bestaat uit participatie en (voor)overleg. Deze informele fase is vormvrij. In het informele deel van het proces kan een informele versie van het omgevingsdocument gebruikt worden die aan de STOP/TPOD-standaard voldoet, maar dat is niet verplicht.

Bij het opstellen van het omgevingsdocument ten behoeve van het formele deel van het proces moet gebruik gemaakt worden van de standaarden STOP en TPOD. De standaarden ondersteunen ook dit opstelproces. Na het opstellen van het omgevingsdocument volgen voor die instrumenten waarvoor dat van toepassing is publicatie en kennisgeving van het ontwerp van het omgevingsdocument en later publicatie of bekendmaking van het besluit op overheid.nl.

Op overheid.nl worden alleen ontwerp- en vastgestelde besluiten gepubliceerd respectievelijk bekendgemaakt. De DSO-viewer toont alleen ontwerpregelingen en geldende regelingen. Vooralsnog zorgt de DSO-keten niet voor het beschikbaar stellen en raadpleegbaar maken van informele versies van de omgevingsdocumenten, zoals concepten en voorontwerpen.

3.2 Omgevingsdocumenten met en zonder regels

Er is onderscheid tussen omgevingsdocumenten die regels bevatten, zoals het omgevingsplan, en omgevingsdocumenten die geen regels bevatten, zoals de omgevingsvisie.

Omgevingsdocumenten die regels bevatten, zullen vanuit de gebruikerstoepassing van het DSO het meest bevraagd worden. Daarom worden aan die omgevingsdocumenten extra eisen gesteld ten behoeve van de bekendmaking en zijn er extra mogelijkheden aan toegevoegd voor bevraging en raadpleging. Om deze reden besteden de standaarden bijzondere aandacht aan deze categorie als het gaat om tekststructuur, annotaties en weergave.

De omgevingsdocumenten zonder regels hebben een ander karakter. Ze hebben een vrijere opzet en kennen geen artikelsgewijze indeling. Hiervoor geldt dan ook een aantal eisen niet die wel voor de omgevingsdocumenten met regels gelden, zoals vaste tekststructuren.

De specificaties voor de tekststructuur zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

3.3 Initieel besluit, wijzigingsbesluit en geconsolideerde Regeling

Omgevingsdocumenten komen in principe tot stand door het nemen van een initieel besluit (het eerste besluit waarbij een volledig omgevingsdocument wordt vastgesteld). Bij het omgevingsplan en de waterschapsverordening bestaat het initiële besluit uit een overgangsrechtelijke situatie en/of een regeling van rijkswege. Daarna kunnen de omgevingsdocumenten door wijzigingsbesluiten gewijzigd worden. Voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen, AMvB’s, MR en omgevingsvisies geldt de verplichting ze in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen. De LVBB zorgt er voor dat alle achtereenvolgens genomen wijzigingsbesluiten verwerkt worden tot een doorlopende versie van het omgevingsdocument: de geconsolideerde Regeling. In hoofdstuk 4 wordt dit nader beschreven.

3.4 Annoteren

Onder annoteren verstaan we het toevoegen van gegevens aan (onderdelen van) een omgevingsdocument die de inhoud van het omgevingsdocument voor de computer vertalen. Door het annoteren kan een viewer locaties en andere gegevens op een kaart en bij een tekst weergeven. Het annoteren zorgt er ook voor dat een omgevingsdocument op bepaalde kenmerken doorzoekbaar is. In het geval van omgevingsdocumenten met artikelstructuur waarin regels over activiteiten worden gesteld, helpt het annoteren ook bij het verbinden van toepasbare regels, oftewel vragenbomen, aan regels met locaties. De gegevens die bij het annoteren worden toegevoegd worden niet in de voor de mens leesbare tekst weergegeven. Voor degene die dat wil zijn ze wel terug te vinden. Het annoteren van omgevingsdocumenten met OW-objecten is beschreven in hoofdstuk 6. Daar wordt ook van ieder OW-object aangegeven wat het doel is van die annotatie, met andere woorden: wat levert de extra inspanning van het annoteren op aan meerwaarde voor gebruiker en opsteller?

3.5 Waardelijsten

Een waardelijst is een collectie van waarden die gebruikt kunnen worden bij het annoteren. Bij diverse attributen van annotaties hoort een waardelijst met vooraf gedefinieerde waarden. De TPOD-standaard kent alleen limitatieve waardelijsten. Dat is een lijst met vooraf gedefinieerde waarden waaruit gekozen moet worden. Deze waardelijst wordt centraal beheerd en kan alleen beheermatig gewijzigd worden, aangezien een wijziging direct effect heeft op de werking en functionaliteiten van de applicaties van DSO-LV en LVBB.

De waardelijsten IMOW zijn vastgelegd in de Stelselcatalogus van het DSO-LV.

In hoofdstuk 7.15 is per objecttype is aangegeven voor welke attributen een waardelijst geldt.

3.6 Presentatiemodel

De inhoud van een omgevingsdocument dient kenbaar te zijn. Daarom moet een omgevingsdocument niet alleen machineleesbaar worden aangeboden, maar is ook een voor de mens te interpreteren weergave noodzakelijk. Uitgangspunt is dat de tekst, de bijbehorende Locaties in combinatie met de annotaties met OW-objecten en de waarden die normen op de verschillende Locaties hebben zo overzichtelijk worden weergegeven dat de raadpleger ze kan interpreteren.

Het Presentatiemodel richt zich op de mensleesbare vorm van het weergeven. Onder weergeven verstaan we het weergeven en visualiseren van de inhoud van een regeling in een voorgedefinieerde vorm (gebruik van symbolen, kleur, lijndikte, arcering, karakterset) conform een afgesproken standaard. Het Presentatiemodel beschrijft daarbij de wijze van weergave van annotaties met OW-objecten op een kaart.

De mensleesbare weergave van Locaties maakt gebruik van de annotaties met OW-objecten, waardelijsten en symboolcodes. Een symboolcode die is toegekend aan een waarde uit de waardelijsten IMOW bepaalt hoe Locaties, de bijbehorende annotaties en waarden op een kaartbeeld worden weergegeven. De tabel geeft de symbolisatie waarmee een annotatie wordt weergegeven. Hierbij wordt een waarde uit een limitatieve waardelijst aan de bijbehorende, afgesproken, symboolcode gekoppeld. Gebruik van de symboolcode uit de waardelijsten IMOW leidt tot een standaardweergave, ook wel geharmoniseerde weergave genoemd. Ieder OW-objecttype heeft daarbij, als het is gekoppeld aan een Gebied, een eigen symbolisatiestijl. Voorbeelden zijn: Het objecttype Activiteit wordt weergegeven met verschillende vormen van arceringen en rasters in verschillende kleuren, gecombineerd met verschillende randlijnstijlen. Het objecttype Gebiedsaanwijzing wordt weergegeven met een volledige vlakvulling in verschillende kleuren, gecombineerd met verschillende randlijnstijlen en verschillende mate van transparantie. Voor Lijnen en Punten is een heel scala aan symbolisaties beschikbaar, met variaties in kleur, lijnsoort, vorm, grootte en dikte. Voor Normwaarden zijn er in de symbolenbibliotheek kleurenranges beschikbaar.
Figuur 5 laat de werking van de standaardweergave zien voor een annotatie met een Gebiedsaanwijzing.

media/image6.png
Figuur 5Weergave op de kaart door annoteren met object, type en groep, in combinatie met symboolcode uit waardelijst IMOW, toepassing standaardweergave

Figuur 5 laat zien dat een tekst wordt gekoppeld aan een Locatie. Om de Locatie herkenbaar op een kaart weer te geven is deze geannoteerd met een Gebiedsaanwijzing, in dit geval van het type Natuur. Het bevoegd gezag heeft zelf een naam gekozen voor de Gebiedsaanwijzing (in dit geval ‘Gelders Natuurnetwerk’) en heeft aangegeven tot welke groep die specifieke Gebiedsaanwijzing hoort. De groep wordt gekozen uit de waardelijst ‘Natuurgroep’ die hoort bij de Gebiedsaanwijzing van het type Natuur. In het voorbeeld is uit de waardelijst de waarde ‘Natuurnetwerk Nederland’ gekozen. De groep is het onderdeel van de annotatie dat bepaalt hoe de Locatie op de kaart wordt weergegeven. Alle waarden voor groep van de waardelijsten IMOW hebben een symboolcode die bepaalt hoe de groep wordt weergegeven: de kleur, arcering, mate van transparantie en lijnstijl. Voor het bevoegd gezag is het voldoende om aan te geven welke groep van toepassing is. Een viewer kan dan geautomatiseerd met behulp van de symboolcode uit de waardelijsten IMOW de Locatie met de juiste standaardsymbolisatie weergeven.

Het bevoegd gezag heeft twee methoden om zelf invloed uit te oefenen op de weergave van objecten, Locaties en waarden op een kaart. De eerste methode is door te kiezen voor een eigen, specifieke symbolisatie in plaats van de standaardweergave. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om de activiteiten ‘het exploiteren van een discotheek’ en ‘het exploiteren van daghoreca’ ieder op een eigen manier weer te geven in plaats van met de standaardweergave die hoort bij de Activiteitengroep ‘exploitatieactiviteit horeca’. Figuur 6 laat daarvan (enigszins versimpeld) een voorbeeld zien. IMOW heeft daarvoor het objecttype SymbolisatieItem. Met SymbolisatieItem kan het bevoegd gezag een eigen, specifieke symbolisatie geven aan ActiviteitLocatieaanduiding, Normwaarde en (de verschillende typen) Gebiedsaanwijzing.

media/image7.png
Figuur 6Weergave op de kaart door annoteren, links toepassing standaardweergave door object en groep, rechts eigen weergave door keuze symboolcode uit symbolenbibliotheek

Figuur 6 laat het verschil zien tussen de toepassing van de standaardweergave en de eerste methode voor het bevoegd gezag om zelf invloed uit te oefenen op de weergave, namelijk door te kiezen voor een eigen, specifieke symbolisatie. Het bovenste deel van de afbeelding laat, net als in Figuur 5 maar dan voor een activiteit, zien dat een tekst wordt gekoppeld aan een Locatie, de activiteit een naam krijgt en een groep wordt gekozen. Het onderste deel van de figuur laat aan de linkerkant de toepassing van de standaardweergave zien. Dit is al beschreven in de toelichting op Figuur 5. De rechterkant toont de toepassing van de eigen, specifieke symbolisatie. Het bevoegd gezag kiest uit de symbolenbibliotheek de symboolcode die het beste past bij de manier waarop het het object wil weergeven. In dat geval gaat de specifieke symbolisatie boven de weergave-werking van de groep.

Werkafspraak

Let op: voor deze methode geldt nu de werkafspraak “Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet.” Zie daarvoor de paragrafen 7.9.4, 7.9.5, 8.9.4 en 8.9.5.

De tweede methode die het bevoegd gezag heeft om zelf invloed uit te oefenen op de weergave is het samenstellen van kaarten en kaartlagen. Daarmee geeft het bevoegd gezag zelf aan dat bepaalde informatie, of een set van informatie, op een kaart of kaartlaag wordt weergegeven. IMOW kent hiervoor de objecten Kaart en Kaartlaag, die in de paragrafen 8.10 en 8.11 zijn beschreven.

3.7 Metadata

Informatie en specificaties voor de metadata die moeten worden meegeleverd bij de aanlevering voor de bekendmaking c.q. publicatie van omgevingsdocumenten zijn te vinden in de STOP-documentatie.

3.8 Van plan tot publicatie

3.8.1 Het aanleverproces

Het bevoegd gezag levert via het digitale kanaal het digitale besluit aan via het bronhouderkoppelvlak. Het digitale besluit bestaat uit een generiek formeel deel met daarin de artikelen c.q. beleidstekst en geografische informatieobjecten (verder afgekort tot GIO, zie hiervoor paragraaf 6.1.2.1) en een Omgevingswetdeel met specifieke objecten vanuit dit domein (verder: OW-objecten, zie hiervoor hoofdstuk 7.15). In het geval van een wijzigingsbesluit levert het bevoegd gezag de consolidatie-instructies ten behoeve van het consolideren van het wijzigingsbesluit in de regeling. Beide delen vormen een gevalideerd consistent geheel. De LVBB verzorgt de publicatie van het formele deel van het besluit in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag op officiëlebekendmakingen.nl en consolideert het besluit in de regeling. De OW-objecten worden gedistribueerd naar DSO-LV ten behoeve van het Omgevingsloket.

media/image8.png
Figuur 7Aanleverproces
3.8.2 Raadplegen
3.8.2.1 Raadplegen in het officiële publicatieblad

Op officielebekendmakingen.nl wordt het besluit formeel bekend gemaakt in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag. De authentieke tekst van het besluit wordt in PDF-formaat weergegeven en er is een zogeheten landingspagina voor de informatieobjecten. Tevens is er een web-versie van het besluit.

Daarnaast worden de consolidatie-instructies verwerkt in de geldende regeling van dat moment. Dit resulteert in een documentgerichte weergave van de regeling van waaruit de informatieobjecten kunnen worden benaderd. De informatieobjecten worden afzonderlijk getoond in een interactieve viewer en kunnen vanuit daar ook worden gedownload.

Raadplegen is alleen mogelijk per omgevingsdocument of regeling en dus ook alleen van één bevoegd gezag. Er is geen integraal overzicht van alle regels voor de leefomgeving.

3.8.2.2 Raadplegen in DSO-LV

DSO-LV ontvangt de geconsolideerde regeling met de OW-objecten. In het Omgevingsloket zijn diverse functies beschikbaar voor de gebruiker. Het biedt de mogelijkheid tot het oriënteren op de integrale regels of het integrale beleid over de fysieke leefomgeving via de kaart. Met een klik op de kaart zijn de daar geldende regels en het geldende beleid te raadplegen. De locaties uit de diverse regelingen worden via een legenda gesymboliseerd op de kaart. De tekst en kaart geven ook selectiemogelijkheden, bijvoorbeeld het tonen van regeltekst en locaties voor een specifieke activiteit, het uitsluitend tonen van regels die voor iedereen gelden of het tonen van beleid over een specifiek beleidsaspect met de bijbehorende locaties. De getoonde tekst komt uit de geconsolideerde Regelingen vanuit de officiële publicatiebladen.

Tot slot vormen, in omgevingsdocumenten met artikelstructuur waarin regels over activiteiten worden gesteld, de OW-objecten Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding de basis voor de toepasbare regels (vragenbomen) in het Omgevingsloket. De locaties zijn gekoppeld aan de activiteiten in de vragenboom. De vragenbomen zelf worden via een apart kanaal aangeleverd.

B Modellering van het projectbesluit

Dit deel beschrijft de modellering van het projectbesluit en voorziet in de vertaling van (een deel van) de kenmerken van de tabellen uit hoofdstuk 2 naar modellen voor tekst en annotaties die de kenmerken structureren en aan elkaar relateren. De beschrijvingen van de modellen leggen uit hoe het projectbesluit zodanig gestructureerd wordt, dat het machineleesbaar en op een gestandaardiseerde manier uitwisselbaar wordt.

Hoofdstuk 4 beschrijft de vormgeving van Besluit en Regeling bij het projectbesluit. In hoofdstuk 5 wordt de toepassing van de STOP-tekststructuren op het projectbesluit beschreven. Hoofdstuk 6 geeft een inleiding op het Informatiemodel Omgevingswet (IMOW). Hoofdstuk 7.15 beschrijft in detail het annoteren met OW-objecten van het projectbesluit. Hoofdstuk 9 licht het wijzigen van omgevingsdocumenten met wijzigingsbesluiten toe. In hoofdstuk 10 komen de resterende modelleringsaspecten aan de orde.

IMOW en de toepassing daarvan vormen een domeinspecifieke toepassing van STOP. Om een omgevingsdocument op te stellen en juridisch juist te kunnen bekendmaken is het uiteraard ook nodig om te voldoen aan de specificaties van STOP. Die zijn voor zover nodig en mogelijk in dit toepassingsprofiel beschreven. Voor het overige wordt verwezen naar de STOP-standaard.

4 De vormgeving van Besluit en Regeling bij het projectbesluit

4.1 Besluit, juridisch geldende versie en (geconsolideerde) Regeling van het projectbesluit

4.1.1 Besluit in de juridische context

Het samenstel van Awb, Bekendmakingswet en Omgevingswet maakt, voor besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht en die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb, onderscheid tussen het (ontwerp)besluit en de op dat (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken. Met het (ontwerp)besluit wordt hier bedoeld dat wat het bestuursorgaan besluit (of voornemens is te besluiten) en wat het bestuursorgaan vaststelt (c.q. gaat vaststellen). De op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken zijn stukken die het bestuursorgaan gebruikt bij de onderbouwing van het (ontwerp)besluit, maar niet vaststelt. Een voorbeeld: als de gemeenteraad het besluit neemt tot wijziging van het omgevingsplan, stelt hij de wijziging van het omgevingsplan vast. Rapportages van onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van die wijziging zijn op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken. De gemeenteraad stelt deze stukken niet vast, maar betrekt ze bij het nemen van het besluit.

Het (ontwerp)besluit moet gepubliceerd c.q. bekend gemaakt worden door plaatsing van de volledige inhoud van het (ontwerp)besluit in het publicatieblad van het bevoegd gezag[67] Artikelen 3:11 lid 1 en 3:44 lid 2 Awb en artikelen 5, 6 en 12 Bekendmakingswet
. De op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken moeten ter inzage gelegd worden. Deze terinzagelegging geschiedt zowel op elektronische wijze als op een door het bestuursorgaan aan te wijzen locatie. De (elektronische) terinzagelegging vindt niet plaats in de publicatiebladen.

4.1.2 Het juridische besluit in de informatiekundige context van de STOP/TPOD-standaard

De LVBB moet kunnen bepalen wat in het publicatieblad gepubliceerd dan wel bekendgemaakt moet worden (namelijk alles wat behoort tot het in de vorige paragraaf beschreven besluit in de juridische context) en dat wat geconsolideerd moet worden. Daartoe maakt de STOP/TPOD-standaard onderscheid tussen Besluit en Regeling.

De Regeling bevat de juridische regels c.q. beleid- of realisatietekst en de geografische begrenzingen van de gebieden waar de regels c.q. de beleid- of realisatietekst gelden, die door het bestuursorgaan worden vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken. Voorbeelden zijn het omgevingsplan en de omgevingsvisie. Het Besluit bevat de tekst waarmee het bestuursorgaan bepaalt wat er gebeurt bij de bekendmaking: het stelt een initiële regeling vast, het wijzigt een regeling, het trekt een regeling in etc. Het bestuursorgaan bepaalt ook wanneer die vaststelling, wijziging of intrekking in werking treedt. Onderdeel van het Besluit is dus ook de nieuwe regeling of de wijziging van de regeling. Voorbeelden zijn het raadsbesluit met alle bijbehorende onderdelen waarmee de gemeenteraad een wijziging van het omgevingsplan vaststelt en het statenbesluit met alle bijbehorende onderdelen waarmee provinciale staten de omgevingsvisie vaststellen.

Het Besluit wordt, met inbegrip van de inhoud of wijziging van de Regeling die onderdeel is van het Besluit, bekendgemaakt in het publicatieblad van het bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl. De juridisch geldende versie van het projectbesluit waaraan rechten en plichten kunnen worden ontleend, bestaat uit de verzameling van de nieuwe regeling en alle daarna vastgestelde wijzigingen van die regeling. Om die verzameling op een voor de mens leesbare en begrijpelijke manier weer te geven is er ook de geconsolideerde Regeling. Een (Toestand van een) geconsolideerde Regeling bevat de inhoud van een regeling zoals die geldt op een bepaald moment. De geconsolideerde Regeling wordt afgeleid uit de initiële regeling waarin steeds de (in werking getreden) wijzigingen uit de wijzigingsbesluiten zijn verwerkt tot een doorlopende versie van het projectbesluit. De geconsolideerde Regeling vormt de basis voor de weergave van de regeling in de nationale respectievelijk lokale regelingenbank op overheid.nl én van de versie van het projectbesluit die in DSO-LV te raadplegen is.

Bij Besluit en Regeling kunnen bijlagen worden gevoegd die integraal onderdeel zijn van de tekst van Besluit of Regeling maar om redenen van leesbaarheid e.d. niet in het lichaam van Besluit of Regeling kunnen worden opgenomen. Rapportages van onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van het nemen van het juridische besluit als bedoeld in de vorige paragraaf zijn op het besluit betrekking hebbende stukken. Het zijn geen bijlagen bij Besluit of Regeling als bedoeld in de STOP/TPOD-standaard. Ze worden niet in de publicatiebladen gepubliceerd maar ter inzage gelegd. Zie voor de elektronische terinzagelegging van deze stukken paragraaf 4.2.3.

4.2 Bijlagen en op het besluit betrekking hebbende stukken

4.2.1 Onderscheid tussen bijlagen en op het besluit betrekking hebbende stukken

In paragraaf 4.1.1 over het besluit in de juridische context is beschreven dat het samenstel van Awb, Bekendmakingswet en Omgevingswet leidt tot onderscheid tussen het besluit en de op dat besluit betrekking hebbende stukken. Het besluit is dat wat het bestuursorgaan besluit en vaststelt. Het besluit wordt bekend gemaakt in het publicatieblad van het bevoegd gezag. Van het besluit kunnen bijlagen deel uitmaken. Deze bijlagen bevatten informatie die onderdeel is van wat het bestuursorgaan vaststelt maar om redenen van omvang, leesbaarheid en/of vormgeving niet goed in het besluit kan worden opgenomen. Bijlagen worden dus ook in het publicatieblad opgenomen.

Op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken zijn stukken die het bestuursorgaan gebruikt bij de onderbouwing van het besluit, maar niet vaststelt. Rapportages van onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van het besluit zijn typische voorbeelden van op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken. De op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken moeten ter inzage gelegd worden. Die terinzagelegging vindt niet plaats in het publicatieblad.

4.2.2 Bijlagen bij Besluit en Regeling

Er is informatie die onderdeel vormt van (een besluit tot vaststelling of wijziging van) een omgevingsdocument maar niet goed direct in het lichaam van besluit of regeling is op te nemen. Deze informatie wordt dan in een bijlage opgenomen. Redenen daarvoor zijn met name leesbaarheid en vormgeving (denk aan lange lijsten en complexe tabellen). Ook kan een bijlage bestaan uit verwijzingen naar de (geografische) informatieobjecten of uit niet-tekstuele informatie. Deze bijlagen worden als onderdeel van Besluit en Regeling gepubliceerd c.q. bekend gemaakt in het publicatieblad.

Bijlagen kunnen worden gepubliceerd als:

  • bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML;

  • PDF-document, gemodelleerd als informatieobject.

De hoofdregel is dat elke tekst die onderdeel is van een besluit of regeling, dus ook een bijlage, wordt vormgegeven als onderdeel van de tekst in STOP-XML. Op die manier is gewaarborgd dat de teksten voldoen aan alle wettelijke eisen betreffende publicatie en bekendmaking. De teksten kunnen dan juridisch rechtsgeldig gepubliceerd en geconsolideerd worden en de voorzieningen kunnen ze volgens de richtlijnen van digitale toegankelijkheid ontsluiten. Ook is het dan mogelijk om te verwijzen naar specifieke onderdelen van de tekst en om onderdelen van de tekst te muteren. Slechts in bijzondere gevallen is het toegestaan een bijlage als PDF-document aan te leveren. Dat is omdat het niet altijd mogelijk is om tekst in STOP-XML uit te wisselen zonder de tekst te moeten overtypen. Het aanleveren van een bijlage als PDF-document is alleen toegestaan in specifieke gevallen die in het betreffende toepassingsprofiel zijn vastgelegd. In dit toepassingsprofiel is dat gedaan in de normen in paragraaf 4. Het gebruik van een PDF-document als bijlage is alleen toegestaan als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden.

Opgemerkt wordt dat aan DSO-LV alleen tekstonderdelen worden doorgeleverd die in de Regeling zijn opgenomen. DSO-LV kan dus ook alleen die onderdelen tonen. Bijlagen die onlosmakelijk onderdeel zijn van het omgevingsdocument zelf, zoals bijlagen bij de regels of de beleidstekst, moeten dus in de Regeling zelf worden opgenomen om in DSO-LV getoond en gebruikt te kunnen worden.

4.2.2.1 Bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML

Een bijlage die onderdeel is van de tekst wordt gecodeerd in XML overeenkomstig het STOP-model voor Vrijetekststructuur dat is beschreven in paragraaf 5.2. Een bijlage die onderdeel is van de regeling wordt geconsolideerd, een bijlage die onderdeel is van het besluit wordt niet geconsolideerd. Een voorbeeld van een bijlage die onderdeel is van de tekst in STOP-XML is de bijlage met verwijzingen naar de GIO’s.

4.2.2.2 PDF-document, gemodelleerd als informatieobject

Een bijlage die niet in XML via het STOP-model gecodeerd kan worden, is in STOP een informatieobject. Een informatieobject is een zelfstandige entiteit die onderdeel is van het besluit of de regeling waarin het vastgesteld wordt, maar niet is opgenomen in de (XML-) tekst van besluit of regeling.

Naast het geografisch informatieobject, dat wordt beschreven in paragraaf 6.1.2.1, kent STOP het informatieobject dat wordt gebruikt voor tekstuele bijlagen. De bijlage wordt in de vorm van een PDF-document met het besluit meegegeven, gemodelleerd als informatieobject. Een bijlage mag alleen als PDF-document worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden. Als de bijlage bekendgemaakt en/of geconsolideerd moet worden, moet het PDF-document onveranderlijk zijn. Daarom moet het voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a. Bij een latere wijziging van het informatieobject moet het gehele document worden vervangen. STOP kent namelijk geen voorziening om een informatieobject te muteren.

Let op dat een PDF-document als informatieobject precies hetzelfde werkt als een GIO. In een bijlage Informatieobjecten wordt de naam van het PDF-document opgenomen op een manier vergelijkbaar met een begrip en zijn definitie: bij wijze van definitie komt achter de naam van het PDF-document de volledige identificatie van het informatieobject. Aanbevolen wordt om twee verschillende bijlagen informatieobjecten te maken: een bijlage voor de GIO’s en een bijlage voor de PDF-document-informatieobjecten. In de bekendmaking en de viewers op overheid.nl en in DSO-LV zijn PDF-documenten alleen via een omweg (mogelijk via het klikken op een link) te raadplegen. Dit is een extra reden waarom wordt aanbevolen om als dat maar enigszins mogelijk is, bijlagen als onderdeel van de tekst in STOP-XML toe te voegen.

4.2.3 Op het besluit betrekking hebbende stukken

In paragraaf 4.2.1 is aangegeven wat op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken zijn: dat zijn stukken die het bestuursorgaan gebruikt bij de onderbouwing van het besluit, maar geen integraal onderdeel vormen van de tekst van Besluit of Regeling. Bekende voorbeelden zijn de rapportages van onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van het besluit, zoals een milieueffectrapportage en rapportages van akoestisch onderzoek, archeologisch onderzoek en bodemonderzoek, en de zienswijzennota. Volgens Awb en Bekendmakingswet zijn op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken geen onderdeel van de publicatie of bekendmaking in het publicatieblad, maar worden ze ter inzage gelegd. Vanuit het besluit in het publicatieblad moet het mogelijk zijn om op eenvoudige wijze de elektronisch ter inzage gelegde stukken te raadplegen.

Over deze stukken bepaalt de Awb het volgende:

  • De op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken liggen ter inzage gedurende de termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen, die begint op de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven[68] Artikelen 3:11 en 3:16 Awb
    .

  • De op het definitieve besluit betrekking hebbende stukken liggen ter inzage totdat de beroepstermijn van zes weken is verstreken[69] Artikelen 3:44 en 6:7 Awb
    . De beroepstermijn begint op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (of, in het geval van een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, op de dag na die waarop het goedkeuringsbesluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt)[70] Artikel 6:8 Awb
    .

Uitgangspunt van de wetgever is dus dat de op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken gedurende de zes weken van de zienswijzen- respectievelijk beroepstermijn ter inzage liggen. Het kan uiteraard voorkomen dat betrokkenen ook na die termijnen kennis willen nemen van deze stukken. Als de stukken dan niet meer elektronisch worden ontsloten, zou een betrokkene het bestuursorgaan moeten verzoeken om toezending van die stukken, of naar een fysieke locatie toe moeten om inzage te krijgen in die stukken. Daarom wordt aanbevolen om de elektronische terinzagelegging van de op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken en de op het (definitieve) besluit betrekking hebbende stukken in ieder geval te laten voortduren totdat de volledige procedure is afgerond. Bij een besluit waartegen geen beroep openstaat is dat totdat het besluit in werking is getreden. Bij een besluit waartegen wel beroep openstaat is dat in ieder geval tot het einde van de beroepstermijn en, als beroep tegen het besluit is ingesteld, totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan op de beroepen.

Naast de verplichting om op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen, gelden ook de verplichtingen uit de Archiefwet. Op grond van deze wet zijn overheidsorganen verplicht de onder hen berustende archiefbescheiden te bewaren en om ze na afloop van de voor het betreffende stuk geldende bewaartermijn te vernietigen.

Toekomstige functionaliteit

Onderzocht wordt of in de toekomst voor de elektronische terinzagelegging van stukken die betrekking hebben op het (ontwerp)besluit van omgevingsdocumenten gebruik gemaakt kan worden van een nog te ontwikkelen centrale voorziening voor het ontsluiten van dergelijke stukken in het kader van de Wet open overheid en de Bekendmakingswet. Wanneer duidelijk is of voor deze stukken gebruik gemaakt kan worden van een centrale voorziening, welke voorziening dat is en hoe de aanlevering moet plaatsvinden, zal dat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel beschreven worden.

Workaround

Zolang er geen centrale voorziening is voor de elektronische terinzagelegging van op het (ontwerp)besluit betrekking hebbende stukken, past het bevoegd gezag naar keuze één van de volgende methoden toe:

  • het ontsluit de betreffende stukken op een zelf te bepalen elektronische wijze, bijvoorbeeld via de eigen website, of

  • het levert de betreffende stukken aan de LVBB aan als onderdeel van het Besluit conform STOP. Daarbij moet worden voldaan aan de eisen aan PDF-bijlagen die in dit hoofdstuk zijn beschreven. De LVBB stelt beperkingen aan de bestandsgrootte.

Op het besluit betrekking hebbende stukken zijn stukken waarmee het bestuursorgaan het besluit onderbouwt en motiveert. Wanneer het bevoegd gezag zelf de stukken op elektronische wijze ontsluit, neemt het in het onderdeel Motivering dan wel in het onderdeel Toelichting van het Besluit een link op naar de webpagina waar die stukken zijn ontsloten, en/of een link naar het betreffende stuk op die webpagina. Wanneer het bevoegd gezag de stukken opneemt als onderdeel van het Besluit, neemt het ze op als Bijlagen bij de Motivering dan wel de Toelichting.

Wanneer het bevoegd gezag zelf de stukken op elektronische wijze ontsluit, wordt aanbevolen om de terinzagelegging op elektronische wijze van de op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken en de op het (definitieve) besluit betrekking hebbende stukken in ieder geval te laten voortduren totdat de volledige procedure is afgerond.

4.3 Modellen voor Besluit en Regeling en tekststructuren

STOP schrijft voor hoe een officiële publicatie vormgegeven en aangeleverd moet worden om te kunnen worden bekendgemaakt of gepubliceerd en om te kunnen worden geconsolideerd. Onderdeel van die voorschriften van STOP zijn de modellen voor Besluit en Regeling en de tekststructuren. Beide spelen een belangrijke rol bij het opstellen en aanleveren van omgevingsdocumenten. De TPOD-standaard geeft daarvan per type omgevingsdocument een specificatie: welk model moet worden gebruikt en hoe moet dat model worden toegepast.

4.3.1 Modellen voor Besluit en Regeling

Er zijn modellen voor het Besluit en modellen voor de Regeling. De STOP/TPOD-standaard kent voor het Besluit de modellen BesluitKlassiek en BesluitCompact. Voor de Regeling zijn dat de modellen RegelingKlassiek, RegelingCompact, RegelingVrijetekst en RegelingTijdelijkdeel. RegelingKlassiek is uitsluitend bedoeld voor de instrumenten met regels van het Rijk. RegelingCompact is het model voor de decentrale regels, oftewel de instrumenten met regels van gemeente, waterschap en provincie, maar kan ook voor instrumenten met regels van het Rijk gebruikt worden. Het Rijk heeft dus een keuzemogelijkheid tussen RegelingKlassiek en RegelingCompact, waarbij wordt opgemerkt dat als het omgevingsdocument eenmaal is vormgegeven conform een van de modellen, er niet op een later moment in de levensloop van datzelfde omgevingsdocument zomaar kan worden overgestapt op het andere model. RegelingVrijetekst wordt gebruikt voor alle instrumenten met Vrijetekststructuur. RegelingTijdelijkdeel tot slot is het model dat moet worden gebruikt wanneer een tijdelijk regelingdeel wordt toegevoegd aan de geconsolideerde regeling van omgevingsplan of omgevingsverordening: bij een voorbereidingsbesluit, een reactieve interventie en een projectbesluit als dat een of meer omgevingsplannen wijzigt met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. BesluitKlassiek wordt alleen in combinatie met RegelingKlassiek gebruikt. BesluitCompact wordt gebruikt als besluitmodel bij RegelingCompact, RegelingVrijetekst en RegelingTijdelijkdeel. In het vervolg van dit hoofdstuk worden alleen de modellen beschreven die voor het projectbesluit van toepassing zijn.

De modellen voor Regeling en Besluit die in het geval van het projectbesluit gebruikt moeten worden, zijn in detail beschreven in paragraaf 4.4.

4.3.2 Tekststructuren

De STOP/TPOD-standaard onderscheidt twee tekststructuren:

  • Artikelstructuur: de tekststructuur voor het Lichaam[71] Lichaam van de regeling als bedoeld in Aanwijzing 3.53 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en in STOP
    van een Regeling als dat is opgebouwd uit één of meer artikelen;

  • Vrijetekststructuur:

    • de tekststructuur voor het Lichaam van een Regeling van juridisch authentieke documenten die geen artikelen bevat;

    • de tekststructuur voor onderdelen van Besluit en Regeling buiten het Lichaam.

Opgemerkt wordt dat er ook in het Lichaam van een Besluit artikelen voorkomen. Deze artikelen vallen echter niet onder het begrip Artikelstructuur. Dat de elementen van de Vrijetekststructuur worden gebruikt buiten het Lichaam geldt zowel voor omgevingsdocumenten met Artikelstructuur als voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, en zowel voor Besluit als voor Regeling.

In het vervolg van dit hoofdstuk is vastgelegd welke modellen voor Besluit en Regeling gebruikt moeten worden en welke bijzondere bepalingen gelden voor het projectbesluit. In hoofdstuk 5 zijn de STOP-tekststructuren en de toepassing daarvan op het projectbesluit beschreven.

4.4 De vormgeving van Besluit en Regeling bij het projectbesluit

4.4.1 Model
4.4.1.1 Toelichting

Bij het opstellen en wijzigen van omgevingsdocumenten werkt het bevoegd gezag in de eigen plansoftware aan het omgevingsdocument in Regeling-vorm: de volledige inhoud van het omgevingsdocument. Met de volledige inhoud wordt bedoeld: alle divisies respectievelijk artikelen (en onderliggende elementen en inhoud), alle informatieobjecten en alle OW-informatie.

Voorafgaand aan de publicatie van een ontwerpbesluit en voorafgaand aan (en eventueel ook na) het nemen van een definitief besluit genereert de software van het bevoegd gezag uit die Regeling een Besluit. In het geval van een besluit tot het instellen van een nieuwe Regeling genereert de software een Besluit met daarin de volledige nieuwe Regeling, in het geval van een wijzigingsbesluit genereert de software een Besluit dat -in principe in renvooiweergave- de wijzigingen bevat van de bestaande Regelingversie naar de nieuwe Regelingversie, oftewel een overzicht van de wijzigingen die het besluit aanbrengt in de bestaande Regeling. Naast het onderdeel met de nieuwe Regeling of de wijzigingen in de Regeling, bevat het Besluit ook andere onderdelen, zoals de ondertekening, motivering en bijlagen. Het bevoegd gezag levert het Besluit aan de LVBB aan. De LVBB zorgt ervoor dat het aangeleverde Besluit bekend gemaakt wordt en genereert met behulp van het Besluit een nieuwe RegelingVersie, oftewel een nieuwe geconsolideerde Regeling. Om het de LVBB mogelijk te maken om die verwerkingen te doen stelt de STOP/TPOD-standaard eisen aan de vormgeving van de tekst van Besluit en Regeling. Die eisen zijn vastgelegd in modellen voor Besluit en modellen voor Regeling. Het model voor het Besluit dat voor het projectbesluit gebruikt moet worden is beschreven in paragraaf 4.4.2. Bij een projectbesluit zijn twee Regelingmodellen van toepassing. Het eerste model is RegelingVrijetekst dat wordt gebruikt voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit, met daarin (het grootste deel van) de onderdelen van het projectbesluit die in paragraaf 2.3.2 zijn opgesomd onder de nummers 1 en 2 van de beschrijving van de inhoud van het projectbesluit. In het vervolg van dit toepassingsprofiel noemen we dat het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit waarmee het project wordt beschreven, of een vergelijkbare omschrijving. Het model RegelingVrijetekst is beschreven in paragraaf 4.4.3. Het tweede model is RegelingTijdelijkdeel. Dit model wordt gebruikt als het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Hiermee worden de wijziging die het projectbesluit aanbrengt in een omgevingsplan in de vorm van een tijdelijk regelingdeel toegevoegd aan de geconsolideerde regeling van dat omgevingsplan. Zie daarvoor nummer 3 van de beschrijving van de inhoud van het projectbesluit in paragraaf 2.3.2 en de uitgebreide beschrijving in paragraaf 2.4. Het model RegelingTijdelijkdeel is het onderwerp van paragraaf 4.4.4.

4.4.1.2 Norm

Voor het projectbesluit moet gebruik gemaakt worden van de volgende modellen:

  • BesluitCompact voor het besluit;

  • RegelingVrijetekst voor de regeling van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit waarmee het project wordt beschreven

  • RegelingTijdelijkdeel voor de regeling waarmee het omgevingsplan wordt gewijzigd, indien met het projectbesluit een of meer omgevingsplannen worden gewijzigd.

4.4.2 Besluit

In het Besluit staat wat het bestuursorgaan vaststelt (of wijzigt), met inbegrip van de procedure van totstandkoming en de motivering van het besluit. Het Besluit wordt, met inbegrip van de inhoud of wijziging van de Regeling die onderdeel is van het Besluit, bekendgemaakt in het publicatieblad van het bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl.

In paragraaf 4.4.1.2 is de norm voor de toepassing van het model BesluitCompact op het projectbesluit vastgelegd: welke elementen moeten respectievelijk mogen worden gebruikt en hoe vaak kunnen ze voorkomen. Paragraaf 4.4.2.2 geeft een uitgebreide toelichting op de elementen van het Besluit, waaronder ook tips over het al dan niet gebruikelijk zijn van een bepaald element. In deze paragraaf wordt ook aangegeven welke onderdelen die het projectbesluit op grond van Omgevingswet en Omgevingsbesluit moet c.q. kan bevatten, in het Besluit thuishoren en in welk element van het Besluit. In paragraaf 4.4.2.3 worden norm en toelichting concreet gemaakt met een voorbeeld.

Opgemerkt wordt dat de modellen voor Besluit en Regeling XML-modellen zijn. Met de in de volgende paragrafen genoemde elementen worden dus (STOP-)XML-elementen bedoeld.

Omwille van de leesbaarheid en herkenbaarheid zijn de namen van de ‘hoofdelementen’ vetgedrukt en die van de ‘subelementen’ schuingedrukt. De ‘hoofdelementen’ zijn genummerd om er in de toelichting en het voorbeeld in de volgende paragrafen naar te kunnen verwijzen.

4.4.2.1 Norm

Een besluit tot vaststelling of wijziging van het projectbesluit moet worden opgesteld en aangeleverd overeenkomstig het model BesluitCompact. BesluitCompact bevat de volgende elementen:

  1. RegelingOpschrift: STOP-element dat de officiële titel van het Besluit bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor.

  2. Aanhef: STOP-element dat een blok tekst aan het begin van een Besluit bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.

  3. Lichaam: STOP-element dat het lichaam (oftewel het dictum) van het Besluit bevat: dat wat het bestuursorgaan vaststelt of wijzigt. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bestaat voor zowel initieel besluit (besluit dat een regeling instelt) als wijzigingsbesluit (besluit dat een regeling wijzigt of uitwerkt) uit de volgende elementen:

    • WijzigArtikel: STOP-element dat beschrijft wat wordt vastgesteld of gewijzigd en verwijst naar de WijzigBijlage. Verplicht element. Komt ten minste 1 keer voor. Als een projectbesluit een of meer omgevingsplannen wijzigt, is er één WijzigArtikel voor de RegelingVrijetekst en voor ieder RegelingTijdelijkdeel één WijzigArtikel.
      Ieder WijzigArtikel moet de volgende onderdelen bevatten:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor.

      • Wat: STOP-element dat bevat:

        • een tekstuele omschrijving van dat wat het bestuursorgaan vaststelt (in het geval van een initieel besluit) respectievelijk wijzigt (in het geval van een wijzigingsbesluit); en

        • een verwijzing, zowel tekstueel als met IntRef, naar de WijzigBijlage.

    • Artikel: STOP-element dat een regulier artikel bevat. Verplicht element. Komt ten minste 1 keer voor.
      Ieder Artikel moet de volgende onderdelen bevatten:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor.

      • Verplichte keuze tussen Lid en Inhoud.

  4. Sluiting: STOP-element dat het Besluit afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

  5. WijzigBijlage: STOP-element dat voor een initieel besluit de inhoud van de instelling van RegelingVrijetekst of RegelingTijdelijkdeel en voor een wijzigingsbesluit de wijzigingen van een versie van RegelingVrijetekst of RegelingTijdelijkdeel bevat. Verplicht element. Komt ten minste 1 keer voor.
    Iedere WijzigBijlage bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de onderdelen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • Een verplichte keuze uit:

      • RegelingVrijetekst: STOP-element dat de volledige tekst van de initiële regeling van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit bevat. Onder voorwaarde verplicht element: alleen te gebruiken bij een initieel projectbesluit; is dan verplicht en komt dan 1 keer voor.

      • RegelingTijdelijkdeel: STOP-element dat het volledige initiële tijdelijk regelingdeel bevat. Onder voorwaarde verplicht element: alleen te gebruiken bij een initieel projectbesluit dat de regels van een omgevingsplan wijzigt; is dan verplicht en komt dan -per WijzigBijlage- 1 keer voor.

      • RegelingMutatie: STOP-element dat de wijzigingen tussen twee RegelingVersies bevat. Onder voorwaarde verplicht element: alleen te gebruiken bij een wijzigingsbesluit; is dan verplicht en komt dan 1 keer voor.

  6. Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij het Besluit) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst.
    Hoofdregel is dat een bijlage is vormgegeven als onderdeel van de tekst in STOP-XML. In bijzondere gevallen is het toegestaan een bijlage als PDF-document aan te leveren. Een Bijlage die in STOP-XML wordt opgesteld, bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • De inhoud van de Bijlage, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Bijlage afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    Een bijlage mag alleen als PDF-document worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als bijlage gezien kan worden. Het PDF-document moet dan voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet worden gemodelleerd als informatieobject.

  7. Toelichting: STOP-element dat de toelichting op het Besluit bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
    Een Toelichting als onderdeel van het Besluit bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht indien de -hierna beschreven- aanbevolen eenvoudige modellering voor de toelichting wordt gebruikt. Onder voorwaarde verplicht element indien de gestructureerde modellering voor de toelichting wordt gebruikt: verplicht indien binnen het element Toelichting zowel het element AlgemeneToelichting als het element ArtikelgewijzeToelichting voorkomt, komt dan 1 keer voor; optioneel indien binnen het element Toelichting slechts één van de elementen AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting voorkomt, komt dan 0 of 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • De inhoud van de Toelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2. Dit is de aanbevolen modellering voor een Toelichting op het Besluit. Geadviseerd wordt om voor de Toelichting op het Besluit deze eenvoudige modellering te gebruiken en niet de hierna beschreven onderverdeelde modellering.

    • Een onderverdeling van de Toelichting in het geval van een toelichting die zowel een algemeen deel als een artikelsgewijs deel heeft. Aanbevolen wordt om voor een Toelichting op het Besluit niet deze gestructureerde modellering te gebruiken maar de hiervoor beschreven eenvoudige modellering. Indien toch gebruikt bestaat de toelichting uit de volgende elementen:

      • AlgemeneToelichting: STOP-element dat de algemene toelichting bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
        Een AlgemeneToelichting bevat de volgende elementen:

        • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

        • De inhoud van de AlgemeneToelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

      • ArtikelgewijzeToelichting: STOP-element dat de artikelsgewijze toelichting bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
        Een ArtikelgewijzeToelichting bevat de volgende elementen:

        • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

        • De inhoud van de ArtikelgewijzeToelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Toelichting afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    • Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij de Toelichting op het Besluit) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Een bijlage bij de Toelichting wordt niet geconsolideerd. Voor een bijlage bij de Toelichting gelden dezelfde eisen als voor het ‘hoofdelement’ Bijlage.

  8. ArtikelgewijzeToelichting: STOP-element dat de artikelsgewijze toelichting, oftewel de toelichting op de artikelen in het Besluit, bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mogelijkheid die STOP biedt voor een toelichting die uitsluitend een toelichting op de artikelen in het besluit is. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Indien toch gebruikt gelden voor deze ArtikelgewijzeToelichting dezelfde eisen als voor de ArtikelgewijzeToelichting binnen het element Toelichting onder 7.

  9. Motivering: STOP-element dat de motivering van het Besluit bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
    Een Motivering bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • De inhoud van de Motivering, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Motivering afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    • Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij de Motivering) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Een bijlage bij de Motivering wordt niet geconsolideerd. Voor een bijlage bij de Motivering gelden dezelfde eisen als voor het ‘hoofdelement’ Bijlage.

  10. Inhoudsopgave: STOP-element dat de inhoudsopgave van het Besluit bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Een inhoudsopgave wordt niet geconsolideerd.
    Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden.

4.4.2.2 Toelichting

In deze paragraaf worden de elementen toegelicht die moeten respectievelijk kunnen voorkomen in een Besluit dat is opgesteld overeenkomstig het model BesluitCompact. Figuur 8 en Figuur 9 laten -voor een projectbesluit dat niet respectievelijk voor een projectbesluit dat wel een omgevingsplan wijzigt- schematisch zien hoe het model BesluitCompact voor het projectbesluit er uit ziet (de nummers voor de elementen verwijzen naar de nummering in de vorige paragraaf).

media/image9.png
Figuur 8Projectbesluit dat omgevingsplan niet wijzigt: overzicht van model BesluitCompact met 1 WijzigBijlage met daarin het vrijetekstgedeelte

Figuur 8 toont de toepassing van het model BesluitCompact voor een projectbesluit zonder wijziging van het omgevingsplan. Er is slechts één WijzigBijlage, nr 5 in de figuur. Die bevat de RegelingVrijetekst voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit (of in het geval van een wijziging of uitwerking van een projectbesluit de RegelingMutatie met daarin de wijzigingen die in de geconsolideerde versie van het projectbesluit worden aangebracht). De onderdelen 1 t/m 9 komen in het publicatieblad. In de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV is alleen de geconsolideerde regeling te zien die de LVBB met behulp van de WijzigBijlage (nr 5) construeert.

media/image10.png
Figuur 9Projectbesluit dat één omgevingsplan wijzigt: overzicht van model BesluitCompact met 2 WijzigBijlagen met daarin vrijetekstgedeelte en tijdelijk regelingdeel

Figuur 9 toont de toepassing van het model BesluitCompact voor een projectbesluit dat één omgevingsplan wijzigt. Er zijn twee WijzigBijlagen, de nrs 5 in de figuur. Bijlage A bevat de RegelingVrijetekst met het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. Bijlage B bevat de RegelingTijdelijkdeel met het tijdelijk regelingdeel waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. In het geval van een wijziging of uitwerking van een projectbesluit bevatten deze bijlagen de RegelingMutatie met daarin de wijzigingen die worden aangebracht in de geconsolideerde versie van het projectbesluit respectievelijk het tijdelijk regelingdeel waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. De onderdelen 1 t/m 9 komen in het publicatieblad. In de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV is alleen de geconsolideerde regeling te zien die de LVBB met behulp van de WijzigBijlagen (nr 5) construeert.

In de hierna volgende toelichting wordt de nummering van paragraaf 4.4.2.1 gevolgd. In die paragraaf is van ieder element aangegeven of het moet (verplicht) of mag (optioneel) voorkomen; dat wordt in deze toelichting niet herhaald. De ‘hoofdelementen’ zijn weer vetgedrukt en de ‘subelementen’ schuingedrukt.

  1. RegelingOpschrift: de officiële titel van het Besluit. Bijvoorbeeld: Vaststelling Projectbesluit Rondweg Gemeentestad.

  2. Aanhef: blok tekst aan het begin van het Besluit. Hierin kunnen bijvoorbeeld de overwegingen van het bestuursorgaan staan, die voorafgaan aan het daadwerkelijke besluit. Bijvoorbeeld: “Overwegende dat, overeenkomstig artikel 16.71 lid 1 Omgevingswet en afdeling 3.4 Awb, het ontwerpbesluit tot vaststelling van het projectbesluit gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen en er 116 zienswijzen zijn ontvangen;
    Gelezen het statenvoorstel d.d. 16 mei 2022 waarin wordt voorgesteld aan die zienswijzen gedeeltelijk tegemoet te komen”.

  3. Lichaam: het Lichaam van het Besluit, in de bestuurspraktijk ook wel het dictum genoemd.
    Het Lichaam bevat ten minste één WijzigArtikel. Een WijzigArtikel mag slechts naar één WijzigBijlage verwijzen, anders gezegd: er zijn net zoveel WijzigArtikelen als er WijzigBijlagen zijn (en dus ook net zoveel WijzigArtikelen als er tijdelijk regelingdelen zijn). Als een projectbesluit niet een of meer omgevingsplannen wijzigt is er slechts één WijzigBijlage (met daarin de RegelingVrijetekst met het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit) en dus ook slechts één WijzigArtikel. Als een projectbesluit niet alleen het project beschrijft maar ook een of meer omgevingsplannen wijzigt, is er een WijzigBijlage met daarin de RegelingVrijetekst met het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit en een of meer WijzigBijlagen met daarin een RegelingTijdelijkdeel. Er zijn dan ten minste 2 WijzigArtikelen: één voor de verwijzing naar de RegelingVrijetekst en vervolgens net zoveel WijzigArtikelen als er tijdelijk regelingdelen zijn.
    In de tekst van het WijzigArtikel staat wat het bestuursorgaan besluit vast te stellen of te wijzigen en een verwijzing naar de WijzigBijlage, het onderdeel van het besluit waarin de inhoud of wijzigingen van de Regeling staan. Daarnaast moet het WijzigArtikel een machineleesbare verwijzing (met IntRef) naar de WijzigBijlage bevatten. Een voorbeeld van de tekstuele omschrijving en verwijzing bij de (initiële) vaststelling van het Projectbesluit Rondweg Gemeentestad: “Projectbesluit Rondweg Gemeentestad wordt vastgesteld zoals is aangegeven in Bijlage A”. Een voorbeeld van de tekstuele omschrijving en verwijzing bij een latere wijziging van dat projectbesluit: “Projectbesluit Rondweg Gemeentestad wordt gewijzigd zoals is aangegeven in Bijlage A”. Een voorbeeld bij een latere uitwerking van het projectbesluit: “Projectbesluit Rondweg Gemeentestad wordt uitgewerkt zoals is aangegeven in Bijlage A”. In een WijzigArtikel mag geen andere inhoud, zoals de datum van inwerkingtreding van het besluit, worden opgenomen. Opgemerkt wordt dat WijzigArtikel een technische term is die niet in de tekst van het besluit zal voorkomen. Bij gebruik van een Label zal de Kop dus niet Wijzigartikel I zijn maar Artikel I.
    In het Lichaam moet ten minste één (regulier) Artikel voorkomen. De (omschrijving van de) datum van inwerkingtreding van het besluit moet in zo’n regulier Artikel staan. In een Artikel mag geen inhoud worden opgenomen die in een WijzigArtikel hoort.
    Het is gebruikelijk dat WijzigArtikel voor Artikel komt, maar daar kan indien gewenst van worden afgeweken.
    RegelingOpschrift, Aanhef, Lichaam en de hierna te bespreken Sluiting samen vormen een geheel dat goed vergelijkbaar is met het statenbesluit-document waarmee de besluitvormingsprocedure van een provincie wordt vastgelegd. Wat (vermoedelijk) wel anders zal zijn is dat WijzigArtikel en Artikel verplicht een Kop moeten hebben. Die Kop moet ten minste één van de elementen Label, Nummer en Opschrift bevatten. In het besluit-voorbeeld van Figuur 10 in paragraaf 4.4.2.3 hebben WijzigArtikel en Artikel een Kop bestaande uit Label (namelijk: Artikel) en Nummer. Dat maakt het makkelijk om vanuit de WijzigBijlage naar het bijbehorende WijzigArtikel te verwijzen. Op de WijzigArtikelen en Artikelen in het Lichaam van het Besluit zijn de in paragraaf 4.4.2.1 genoemde eisen van toepassing. De bepalingen over de Artikelstructuur van paragraaf 5.2 gelden er niet voor. Ze kunnen niet worden geannoteerd met de in hoofdstuk 7 beschreven annotaties met OW-objecten.

  4. Sluiting: de afsluiting van het Besluit. Hier staat vaak de datum waarop het bestuursorgaan het besluit heeft genomen. Ook staan hier de namen en dergelijke van de personen die namens het bestuursorgaan het besluit hebben ondertekend. Een voor de interne huishouding van het bevoegd gezag gebruikt papieren of digitaal exemplaar van het besluitdocument kan ook de handtekeningen van die personen bevatten. De versie van het besluit die ter bekendmaking aan de LVBB wordt aangeboden wordt niet voorzien van handtekeningen.
    Wanneer tegen het besluit beroep kan worden ingesteld wordt de rechtsmiddelenclausule in dit onderdeel opgenomen: de vermelding dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld en door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan dat beroep kan worden ingesteld. Dit is alleen het geval bij de aanlevering van een definitief besluit.

  5. WijzigBijlage: het element waarin óf de inhoud van de initiële RegelingVrijetekst of de initiële RegelingTijdelijkdeel staat óf de wijzigingen die het Besluit aanbrengt in de bestaande versie van de RegelingVrijetekst of de RegelingTijdelijkdeel. De WijzigBijlage bevat de inhoud van de Regeling of de wijziging daarvan. Een WijzigBijlage heeft dus een heel andere functie dan een (gewone) Bijlage.
    Een WijzigBijlage bevat slechts één Regeling. Als een projectbesluit alleen het project beschrijft en niet een of meer omgevingsplannen wijzigt is er slechts één WijzigBijlage, met daarin de RegelingVrijetekst met het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. Als een projectbesluit niet alleen het project beschrijft maar ook een of meer omgevingsplannen wijzigt, is er een WijzigBijlage met daarin de RegelingVrijetekst met het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit en net zoveel WijzigBijlagen als er omgevingsplannen zijn die door het projectbesluit worden gewijzigd. Daardoor is bij het omgevingsplan van ieder van die gemeenten een eigen tijdelijk regelingdeel zichtbaar. Dit maakt het desgewenst mogelijk om de tijdelijk regelingdelen per gemeente te wijzigen, in te trekken of anderszins te verwijderen en dat op verschillende tijdstippen te doen.
    De WijzigBijlage moet worden voorzien van een Kop. Een voorbeeld van deze Kop: ‘Bijlage A bij artikel I.’ Het artikel waarnaar wordt verwezen is het bij die WijzigBijlage behorende WijzigArtikel in het Lichaam van het Besluit. Na de Kop moet een keuze worden gemaakt tussen RegelingVrijetekst, RegelingTijdelijkdeel en RegelingMutatie.
    RegelingVrijetekst moet worden gekozen voor de nieuwe, initiële, regeling van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. De RegelingVrijetekst bevat de volledige Regeling, oftewel de inhoud, van het vrijetekstdeel van het projectbesluit waarmee het project wordt beschreven. Dit onderdeel moet voldoen aan de specificaties voor RegelingVrijetekst die in paragraaf 4.4.3 zijn vastgelegd en aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur die zijn beschreven in paragraaf 5.2. Dit is het onderdeel dat wordt geannoteerd met de OW-objecten die zijn beschreven in hoofdstuk 7.
    RegelingTijdelijkdeel wordt gekozen wanneer een bevoegd gezag met het projectbesluit het omgevingsplan van een gemeente wijzigt en daarvoor een nieuw tijdelijk regelingdeel instelt. De RegelingTijdelijkdeel bevat het volledige tijdelijk regelingdeel, oftewel de regels waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Dit onderdeel moet voldoen aan de specificaties voor RegelingTijdelijkdeel die in paragraaf 4.4.4.1 zijn vastgelegd en aan de specificaties voor de Artikelstructuur die zijn beschreven in paragraaf 5.3. Dit is het onderdeel dat wordt geannoteerd met OW-objecten. Dit is beschreven in hoofdstuk 8. Zoals hiervoor al is aangegeven is er voor ieder omgevingsplan dat door het projectbesluit wordt gewijzigd een eigen WijzigBijlage met een eigen RegelingTijdelijkdeel.
    RegelingMutatie wordt gekozen wanneer het bevoegd gezag een wijzigingsbesluit neemt: een besluit dat een bestaande versie van de Regeling wijzigt. De RegelingMutatie bevat de wijzigingen van een RegelingVersie naar een nieuwe RegelingVersie.
    In het geval van de wijziging (of uitwerking) van een projectbesluit waarin het project is beschreven én dat een of meer omgevingsplannen heeft gewijzigd, kan een RegelingMutatie betrekking hebben op wijzigingen in het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit of op wijzigingen in een tijdelijk regelingdeel. Per regeling die wordt gewijzigd (of wordt uitgewerkt) is er één RegelingMutatie.

  6. Bijlage: het gaat hier om een Bijlage bij het Besluit. Dit zijn bijlagen die integraal onderdeel zijn van de tekst van het Besluit maar die om redenen van leesbaarheid e.d. niet in het lichaam van het Besluit kunnen worden opgenomen. Rapportages van onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van het nemen van het juridische besluit als bedoeld in paragraaf 4.1.1 zijn geen bijlagen bij het Besluit (of de Regeling) als bedoeld in de STOP/TPOD-standaard, maar op het besluit betrekking hebbende stukken, zie hiervoor ook paragraaf 4.2.3.
    Er kunnen zoveel bijlagen bij het Besluit worden gevoegd als nodig is. Bijlagen bij het Besluit worden alleen bekendgemaakt en niet geconsolideerd. Deze bijlagen zijn dus wel te vinden in het publicatieblad van het bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl, maar niet in de regelingenbanken op overheid.nl en niet in DSO-LV. Vanuit de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV kunnen door middel van een link naar de officiële bekendmaking de bijlagen wel eenvoudig gevonden worden.
    Uitgangspunt van de STOP/TPOD-standaard is dat elke tekst die onderdeel is van een officiële publicatie, zoals een besluit of regeling, wordt uitgewisseld in STOP-XML. Daarmee is gewaarborgd dat de teksten voldoen aan alle wettelijke eisen. De teksten kunnen dan juridisch rechtsgeldig gepubliceerd worden en de voorzieningen zorgen er voor dat ze volgens de richtlijnen van digitale toegankelijkheid worden ontsloten. Als de bijlage onderdeel is van de tekst in STOP-XML, staat de inhoud in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Deze elementen van de Vrijetekststructuur en hun specificaties zijn beschreven in paragraaf 5.2. Tekst uitwisselen in STOP-XML is niet altijd mogelijk zonder de tekst te moeten overtypen. Daarom ondersteunt de STOP/TPOD-standaard ook het aanleveren van tekst als PDF-document. Een tekst in een PDF-document is voor de landelijke voorzieningen minder goed te hanteren; denk aan verwijzen naar specifieke onderdelen en muteren dat niet -of niet goed- mogelijk is. Daarom wordt het gebruik van PDF-documenten slechts in specifieke, in het toepassingsprofiel vastgelegde, gevallen toegestaan. In dit toepassingsprofiel is, in de norm van paragraaf 4.4.2.1, bepaald dat het aanleveren van een bijlage als PDF-document alleen is toegestaan als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als bijlage gezien kan worden.
    Een bijlage in de vorm van een PDF-document moet onveranderlijk zijn. Daarom moet het PDF-document voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet het worden gepubliceerd als informatieobject. Een beschrijving van beide publicatiemogelijkheden voor bijlagen staat in paragraaf 4.2.2. Een Bijlage wordt niet geannoteerd met OW-objecten.
    Een Bijlage kan worden afgesloten met het element Sluiting. Van die mogelijkheid zal naar verwachting niet vaak gebruik gemaakt worden.
    Een projectbesluit dat door een waterschap is vastgesteld behoeft goedkeuring van GS. Het besluit over goedkeuring wordt niet bekendgemaakt in het officiële publicatieblad maar door toezending aan het waterschap. Als het waterschap het wenselijk vindt dat inzichtelijk wordt gemaakt dat de volledige procedure is gevolgd en wat GS omtrent de goedkeuring hebben besloten, kan het (een PDF van) het goedkeuringsbesluit als bijlage bij het Besluit voegen.

  7. Toelichting: het gaat hier om een Toelichting bij het Besluit. Deze toelichting is onder andere vergelijkbaar met het voorstel-document waarmee het dagelijks bestuur van gemeente, provincie of waterschap een onderbouwing geeft voor het voorgestelde besluit dat het aan het algemeen bestuur voorlegt. In het geval van het projectbesluit is de toelichting vergelijkbaar met het voorstel-document waarmee de ambtelijke organisatie aan het bestuursorgaan voorstelt het projectbesluit vast te stellen. Omdat de toelichting bedoeld is voor gebruik in het interne besluitvormingsproces kan er ook voor gekozen worden de toelichting wel op te nemen in het besluit dat aan het bestuursorgaan ter vaststelling wordt aangeboden, maar niet in het bekend te maken besluit. Als de toelichting wel onderdeel is van het bekend te maken besluit, dan wordt het meegenomen in de publicatie.
    De STOP/TPOD-standaard biedt in de huidige versie voor zowel Besluit als Regeling een aantal mogelijkheden voor het indelen van toelichtingen. Er zijn de ‘hoofdelementen’ Toelichting en ArtikelgewijzeToelichting. Binnen het ‘hoofdelement’ Toelichting kan worden gekozen tussen enerzijds een vrije, niet nader gestructureerde opzet en anderzijds een gestructureerde opzet met de onderliggende elementen AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting. Deze mogelijkheden stellen medewerkers van bevoegde gezagen en adviesbureaus die de standaard in hun omgevingsdocumenten toepassen en bouwers van plansoftware voor lastige keuzes. Bovendien noodzaken ze de applicaties die de tekst tonen (officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV) om alle mogelijkheden te ondersteunen. Daarom zal in de toekomst de standaard zo worden aangepast dat er nog maar één modellering voor de toelichting als onderdeel van BesluitCompact is. Aangezien een artikelsgewijze toelichting bij een besluit een toelichting zou geven op de artikelen en wijzigartikelen in het lichaam van het besluit en het niet erg voor de hand ligt om dat te doen, zal de toekomstige modellering voor de toelichting als onderdeel van het besluit bestaan uit het ‘hoofdelement’ Toelichting met daarbinnen de vrije, niet nader gestructureerde opzet met Divisies en Divisieteksten. Aanbevolen wordt om voor de toelichting bij het besluit alleen de toekomstige modellering te gebruiken en geen gebruik te maken van het ‘hoofdelement’ ArtikelgewijzeToelichting en ook niet van de gestructureerde opzet met de onderliggende elementen AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting binnen het ‘hoofdelement’ Toelichting. Dit is een (dringende) aanbeveling. Op het moment van uitbrengen van deze versie van dit toepassingsprofiel is het namelijk nog niet mogelijk om de modellering in deze zin te wijzigen. NB: voor de toelichting op het tijdelijk regelingdeel geldt een andere aanbeveling, zie daarvoor onderdeel 4 van paragraaf 4.4.4.2.
    De daadwerkelijke inhoud van de toelichting staat in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Deze elementen van de Vrijetekststructuur en hun specificaties zijn beschreven in paragraaf 5.2. Het element Toelichting heeft verplicht een Kop.
    Een Toelichting kan worden afgesloten met het element Sluiting. Van die mogelijkheid zal naar verwachting niet vaak gebruik gemaakt worden. Aan een Toelichting kunnen een of meer Bijlagen worden toegevoegd.
    Een Toelichting wordt niet geannoteerd met OW-objecten. Een Toelichting op het Besluit wordt alleen bekendgemaakt en niet geconsolideerd. Deze Toelichting is dus wel te vinden op officielebekendmakingen.nl, maar niet in de regelingenbanken op overheid.nl en niet in DSO-LV. Vanuit de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV kan door middel van een link naar de officiële bekendmaking de Toelichting wel eenvoudig gevonden worden.

  8. ArtikelgewijzeToelichting: dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Daarom zijn in de norm in paragraaf 4.4.2.1 de subelementen van de ArtikelgewijzeToelichting niet opgenomen en wordt er in deze paragraaf geen nadere toelichting op gegeven.

  9. Motivering: dit is de motivering oftewel de inhoudelijke onderbouwing van het Besluit. In de STOP/TPOD-standaard is dit element de voorgeschreven plek voor de motivering als op het besluit afdeling 3.7 Awb van toepassing en het besluit derhalve op een deugdelijke motivering dient te berusten. Hierin wordt gemotiveerd hoe het projectbesluit bijdraagt aan het bereiken van de doelen van de Omgevingswet. Te denken valt aan de beschrijving van participatie en participatieproces, resultaten van de uitgevoerde verkenning en voorgedragen mogelijke oplossingen (zie paragraaf 2.3.2) en de uitkomsten van het onderzoek naar aspecten van de fysieke leefomgeving dat ten behoeve van het project is uitgevoerd. Voor zover het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor instemming van een ander bestuursorgaan nodig is of als besluit op een aanvraag waarover een ander bestuursorgaan of andere instantie in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen, kan in dit gedeelte worden beschreven dat dat proces is gevoerd en welke uitkomst het had.
    In het geval van een wijzigingsbesluit wordt in dit deel beschreven op welke onderdelen het projectbesluit wordt gewijzigd en waarom. Als het een uitwerking van een projectbesluit betreft, kan in dit deel worden aangegeven welke onderdelen van het projectbesluit worden uitgewerkt en kan worden gemotiveerd dat aan de randvoorwaarden voor de uitwerking wordt voldaan.
    De inhoud van een Motivering staat in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Deze elementen van de Vrijetekststructuur en hun specificaties zijn beschreven in paragraaf 5.2. De Motivering kan worden afgesloten met het element Sluiting. Dat dat bij een omgevingsdocument daadwerkelijk gebeurt, ligt niet voor de hand. Daarom wordt de Sluiting niet nader toegelicht. Ter ondersteuning van de motivering kunnen een of meer Bijlagen worden toegevoegd. Indien dat gebeurt, gelden daarvoor dezelfde specificaties als voor het ‘hoofdelement’ Bijlage; zie ook de toelichting bij nr. 6. Een Motivering wordt niet geannoteerd met OW-objecten. Een Motivering wordt alleen bekendgemaakt en niet geconsolideerd. De Motivering is dus wel te vinden op officielebekendmakingen.nl, maar niet in de regelingenbanken op overheid.nl en niet in DSO-LV. Vanuit de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV kan door middel van een link naar de officiële bekendmaking de Motivering wel eenvoudig gevonden worden.

  10. Inhoudsopgave: STOP maakt het mogelijk dat aan een Besluit een Inhoudsopgave wordt toegevoegd. Dat dat bij een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsdocument daadwerkelijk gebeurt, ligt niet voor de hand. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Om deze redenen zijn in de norm in paragraaf 4.4.2.1 de subelementen van de Inhoudsopgave niet opgenomen en wordt dit element niet nader toegelicht.

Veel van de hiervoor besproken elementen moeten worden voorzien van een Kop. Voor de Kop zijn de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift beschikbaar. Label is de aanduiding van het type tekstelement, zoals Hoofdstuk, Paragraaf of Artikel. Opschrift is de titel van het tekstelement, die aangeeft waar de tekst over gaat. Voor deze Koppen gelden niet de voorschriften voor Koppen van paragraaf 5.2.

In de schema’s van STOP komt in een aantal hoofd- en subelementen het element InleidendeTekst -bedoeld voor niet-juridische contextinformatie- voor. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Daarom is dit element hier niet opgenomen.

4.4.2.3 Voorbeeld

Door toepassing van model BesluitCompact ziet een besluit tot vaststelling, oftewel een initieel besluit dat een initiële Regeling instelt, van een projectbesluit met een vrijetekstgedeelte dat het project beschrijft en één tijdelijk regelingdeel dat een omgevingsplan wijzigt, er schematisch uit zoals aangegeven in Figuur 10. De nummers in deze figuur komen overeen met de nummering van de vorige twee paragrafen.

media/image11.png
Figuur 10Voorbeeld toepassing model BesluitCompact, RegelingVrijetekst en RegelingTijdelijkdeel op (initieel) projectbesluit
4.4.3 Regeling: RegelingVrijetekst voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit

In de Regeling van een omgevingsdocument staat welke regels of beleid gelden in de fysieke leefomgeving, dan wel, in het geval van een projectbesluit, wat er wordt gerealiseerd in de fysieke leefomgeving. De Regeling is te vinden in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV.

In paragraaf 4.4.3.1 is de norm voor het model RegelingVrijetekst vastgelegd: welke elementen moeten respectievelijk mogen worden gebruikt en hoe vaak kunnen ze voorkomen. Dit is het model dat moet worden gebruikt voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit waarmee het project wordt beschreven. Paragraaf 4.4.3.2 geeft een uitgebreide toelichting op de elementen van de Regeling, waaronder ook tips over het al dan niet gebruikelijk zijn van een bepaald element. In deze paragraaf wordt ook aangegeven welke onderdelen die het projectbesluit op grond van Omgevingswet en Omgevingsbesluit moet c.q. kan bevatten, in de RegelingVrijetekst thuishoren en in welk element van de RegelingVrijetekst. In paragraaf 4.4.3.3 worden norm en toelichting concreet gemaakt met een voorbeeld.

Opgemerkt wordt dat de modellen voor Besluit en Regeling XML-modellen zijn. Met de in de volgende paragrafen genoemde elementen worden dus (STOP-)XML-elementen bedoeld.

Omwille van de leesbaarheid en herkenbaarheid zijn de namen van de ‘hoofdelementen’ vetgedrukt en die van de ‘subelementen’ schuingedrukt. De ‘hoofdelementen’ zijn genummerd om er in de toelichting en het voorbeeld in de volgende paragrafen naar te kunnen verwijzen.

4.4.3.1 Norm

De (geconsolideerde) Regeling van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit, het deel dat het project beschrijft, is opgebouwd overeenkomstig het model RegelingVrijetekst. RegelingVrijetekst bevat de volgende elementen:

  1. RegelingOpschrift: STOP-element dat de officiële titel van de Regeling, oftewel het omgevingsdocument, bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor.

  2. Lichaam: STOP-element dat de inhoud van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit waarmee het project wordt beschreven, oftewel de tekst van de (geconsolideerde) Regeling van het omgevingsdocument, bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor[72] Het Lichaam is het belangrijkste onderdeel van de RegelingVrijetekst. Zie daarvoor de toelichting in de volgende paragraaf en vooral de beschrijving van de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2. Dit is het deel dat wordt geannoteerd met OW-objecten, zie daarvoor hoofdstuk 7
    . Het Lichaam wordt opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

  3. Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij de Regeling) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Een bijlage die onderdeel is van de Regeling wordt geconsolideerd.
    Hoofdregel is dat een bijlage is vormgegeven als onderdeel van de tekst in STOP-XML. In bijzondere gevallen is het toegestaan een bijlage als PDF-document aan te leveren. Een Bijlage die in STOP-XML wordt opgesteld, bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze elementen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • Gereserveerd: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien in een Bijlage het element Gereserveerd wordt gebruikt mag in die Bijlage geen van de elementen Vervallen, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • Vervallen: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Geeft aan dat de Bijlage de status ‘vervallen’ heeft; de Bijlage is niet langer juridisch geldig en heeft geen inhoud meer. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien in een Bijlage het element Vervallen wordt gebruikt mag in die Bijlage geen van de elementen Gereserveerd, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • De inhoud van de Bijlage, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Indien een Bijlage Inhoud bevat, mogen in die Bijlage de elementen Gereserveerd en Vervallen niet voorkomen. Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Bijlage afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    Een bijlage mag alleen als PDF-document worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden. Het PDF-document moet dan voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet worden gemodelleerd als informatieobject.

4.4.3.2 Toelichting

RegelingVrijetekst is het model dat het bevoegd gezag moet gebruiken voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit dat het project beschrijft, als het een nieuw, initieel projectbesluit instelt. RegelingVrijetekst is ook het model voor de geconsolideerde regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur.

In deze paragraaf worden de elementen toegelicht die moeten respectievelijk kunnen voorkomen in een Regeling overeenkomstig het model RegelingVrijetekst. Figuur 11 laat schematisch zien hoe het model RegelingVrijetekst voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit er uit ziet (de nummers voor de elementen verwijzen naar de nummering in de vorige paragraaf).

media/image12.png
Figuur 11Overzicht van model RegelingVrijetekst

In de hierna volgende toelichting wordt de nummering van paragraaf 4.4.3.1 gevolgd. In die paragraaf is van ieder element aangegeven of het moet (verplicht) of mag (optioneel) voorkomen; dat wordt in deze toelichting niet herhaald. De ‘hoofdelementen’ zijn weer vetgedrukt en de ‘subelementen’ schuingedrukt.

  1. RegelingOpschrift: de officiële titel van de Regeling. Bijvoorbeeld: Projectbesluit Rondweg Gemeentestad.

  2. Lichaam: het element dat de inhoud oftewel het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit bevat. Deze inhoud staat in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Hiervoor gelden de specificaties voor de Vrijetekststructuur van paragraaf 5.2. Dit is het onderdeel dat wordt geannoteerd met de OW-objecten die zijn beschreven in hoofdstuk 7.
    In dit Lichaam staan de beschrijving van het project, de maatregelen om het project te realiseren en de maatregelen gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving. Als het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning, besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maatwerkvoorschrift, verkeersbesluit of als onttrekking van een weg aan de openbaarheid of als bepaalde regels van een gemeente, waterschap of provincie buiten toepassing worden gelaten, wordt dat in dit gedeelte uitdrukkelijk benoemd, met inbegrip van de beschrijving van verkregen instemming en/of advies van een ander bestuursorgaan als dat daarvoor nodig is. Als voor die besluittypen nadere specificaties en voorschriften gesteld worden, kan dat in het Lichaam van de Regeling, maar indien die specificaties en voorschriften omvangrijk en/of complex van vormgeving zijn kunnen ze ook worden opgenomen in de hierna te bespreken Bijlagen.
    Met een goede hiërarchisch structurering van de tekst in Divisies kunnen al die onderwerpen overzichtelijk geordend worden. Er kan bij voorbeeld op het hoogste niveau een onderverdeling worden gemaakt in het juridische deel en het toelichtende deel.

  3. Bijlage: het gaat hier om een Bijlage bij de Regeling. Dit is een bijlage die informatie bevat die integraal onderdeel is van het omgevingsdocument maar om redenen van leesbaarheid en/of vormgeving (denk aan lange lijsten en complexe tabellen) niet goed in de tekst van het Lichaam van de Regeling kan worden opgenomen. Er kunnen zoveel bijlagen bij de Regeling worden gevoegd als nodig is. Bijlagen bij de Regeling worden bekendgemaakt én geconsolideerd. Dat laatste houdt in dat ze met een later wijzigingsbesluit gewijzigd kunnen worden. Deze bijlagen zijn zowel te vinden in het publicatieblad van het bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl als in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV.
    Uitgangspunt van de STOP/TPOD-standaard is dat elke tekst die onderdeel is van een officiële publicatie, zoals een besluit of regeling, wordt uitgewisseld in STOP-XML. Daarmee is gewaarborgd dat de teksten voldoen aan alle wettelijke eisen. De teksten kunnen dan juridisch rechtsgeldig gepubliceerd worden en de voorzieningen zorgen er voor dat ze volgens de richtlijnen van digitale toegankelijkheid worden ontsloten. Als de bijlage onderdeel is van de tekst in STOP-XML, staat de inhoud in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Deze elementen van de Vrijetekststructuur en hun specificaties zijn beschreven in paragraaf 5.2. Voorbeelden van regelingbijlagen in STOP-XML bij een projectbesluit zijn de bijlage met verwijzingen naar de GIO’s en een bijlage met vergunningvoorschriften als het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning. Voor de gevallen waarin het projectbesluit geldt als besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het vooralsnog toegestaan om de coördinaten en waarden waaruit die geluidproductieplafonds bestaan als tekst op te nemen in een bijlage in STOP-XML. Dit is geometrische informatie gecombineerd met normwaarden, waarvan het de bedoeling is dat ze in de vorm van geografische informatieobjecten worden vastgesteld en in het stelsel via een interactieve kaart op locatie geraadpleegd kunnen worden. Vanaf het moment dat binnen de B-release een volgende versie van dit toepassingsprofiel het mogelijk maakt om in het projectbesluit de geluidproductieplafonds te annoteren als omgevingswaarde zal het verplicht worden om dat op die manier te doen. Het is dan niet langer toegestaan om de coördinaten en waarden waaruit die geluidproductieplafonds bestaan als tekst op te nemen in een bijlage. Het is mogelijk om een bijlage in verschillende onderdelen op te delen. Voor die onderverdeling worden de vrijetekstelementen Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element) gebruikt.
    Tekst uitwisselen in STOP-XML is niet altijd mogelijk zonder de tekst te moeten overtypen. Daarom ondersteunt de STOP/TPOD-standaard ook het aanleveren van tekst als PDF-document. Een tekst in een PDF-document is voor de landelijke voorzieningen minder goed te hanteren; denk aan verwijzen naar specifieke onderdelen en muteren dat niet -of niet goed- mogelijk is. Daarom wordt het gebruik van PDF-documenten slechts in specifieke, in het toepassingsprofiel vastgelegde, gevallen toegestaan. In dit toepassingsprofiel is, in de norm van paragraaf 4.4.3.1, bepaald dat een bijlage alleen als PDF-document mag worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden. Dat de bijlage informatie moet bevatten die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden betekent dat het moet gaan om informatie die onlosmakelijk onderdeel is van de regeling maar om redenen van leesbaarheid en/of vormgeving niet in het Lichaam van de Regeling kan worden opgenomen. Het betekent ook dat niet de volledige inhoud van het Lichaam van de Regeling in een bijlage in PDF-formaat mag worden opgenomen. Een bijlage in de vorm van een PDF-document moet onveranderlijk zijn. Daarom moet het PDF-document voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet het worden gepubliceerd als informatieobject. Een beschrijving van beide publicatiemogelijkheden voor bijlagen staat in paragraaf 4.2.2.
    Bij een bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML is het mogelijk om met een later wijzigingsbesluit één of meer gedeelten van de bijlage te wijzigen. Bij een bijlage in de vorm van een PDF-document kan dat niet; in dat geval wordt het hele PDF-document vervangen.
    In een Bijlage bij de Regeling kan het element Gereserveerd worden gebruikt. Dit element maakt het mogelijk om alvast een structuur neer te zetten die is voorbereid op toekomstige aanvullingen. Het is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Met latere wijzigingsbesluiten kan het element Gereserveerd worden vervangen door een structuurelement met daadwerkelijke inhoud.
    Wanneer een bijlage vervalt kan in het element Bijlage het element Vervallen worden opgenomen. Op deze manier blijft zichtbaar dat er een bijlage was en dat die later is vervallen. Het voordeel daarvan is dat in de wetstechnische informatie de historie van het element kan worden teruggevonden. Een andere mogelijkheid bij het vervallen van een bijlage is om het element Bijlage met een wijzigingsbesluit te verwijderen. Dan is het element niet langer zichtbaar en is er ook geen wetstechnische informatie meer.
    Een Bijlage kan worden afgesloten met het element Sluiting. Van die mogelijkheid zal naar verwachting niet vaak gebruik gemaakt worden. Een Bijlage wordt niet geannoteerd met OW-objecten.

Een aantal van de hiervoor besproken elementen moet worden voorzien van een Kop. Voor de Kop zijn de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift beschikbaar. Label is de aanduiding van het type tekstelement, zoals Hoofdstuk, Paragraaf of Artikel. Opschrift is de titel van het tekstelement, die aangeeft waar de tekst over gaat.

In de schema’s van STOP komt in een aantal hoofd- en subelementen het element InleidendeTekst -bedoeld voor niet-juridische contextinformatie- voor. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Daarom is dit element hier niet opgenomen.

4.4.3.3 Voorbeeld

Door toepassing van model RegelingVrijetekst ziet het vrijetekstgedeelte van een projectbesluit er schematisch uit zoals aangegeven in Figuur 11. De nummers in deze figuur komen overeen met de nummering van de vorige twee paragrafen.

media/image13.png
Figuur 12Voorbeeld toepassing model RegelingVrijetekst op vrijetekstgedeelte projectbesluit
4.4.4 Regeling: RegelingTijdelijkdeel voor wijzigen omgevingsplan

In de Regeling van een omgevingsdocument staat welke regels of beleid gelden in de fysieke leefomgeving, dan wel, in het geval van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit, wat er wordt gerealiseerd in de fysieke leefomgeving. De Regeling is te vinden in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV.

In paragraaf 4.4.4.1 is de norm voor het model voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit vastgelegd: welke elementen moeten respectievelijk mogen worden gebruikt in een RegelingTijdelijkdeel en hoe vaak kunnen ze voorkomen. Paragraaf 4.4.4.2 geeft een uitgebreide toelichting op de elementen van de Regeling, waaronder ook tips over het al dan niet gebruikelijk zijn van een bepaald element. In paragraaf 4.4.4.3 worden norm en toelichting concreet gemaakt met een voorbeeld.

Opgemerkt wordt dat de modellen voor Besluit en Regeling XML-modellen zijn. Met de in de volgende paragrafen genoemde elementen worden dus (STOP-)XML-elementen bedoeld.

Omwille van de leesbaarheid en herkenbaarheid zijn de namen van de ‘hoofdelementen’ vetgedrukt en die van de ‘subelementen’ schuingedrukt. De ‘hoofdelementen’ zijn genummerd om er in de toelichting en het voorbeeld in de volgende paragrafen naar te kunnen verwijzen.

Vooralsnog ondersteunen de STOP/TPOD-standaard en de DSO-keten de ontwerpversie van het tijdelijk regelingdeel nog niet. Zolang dat het geval is, moeten daarom in een ontwerpversie van een projectbesluit dat beoogt een of meer omgevingsplannen te wijzigen, de wijzigingen die het projectbesluit in die omgevingsplannen aanbrengt, in het vrijetekstgedeelte worden beschreven. Om die tekst te kunnen koppelen aan locaties, waarmee wordt aangegeven waar de wijziging(en) van het omgevingsplan gaan gelden, moet die tekst worden opgenomen in het Lichaam van de Regeling.

Toekomstige functionaliteit

In de toekomst zal de DSO-keten de ontwerpversie van het tijdelijk regelingdeel waarmee een projectbesluit het omgevingsplan wijzigt, ondersteunen. In een toekomstige versie beschrijft de STOP/TPOD-standaard hoe dat gaat werken, hoe het er uitziet en wat het bevoegd gezag daarvoor moet doen.

Workaround

Zolang de ontwerpversie van het tijdelijk regelingdeel niet in de STOP/TPOD-standaard is gemodelleerd en beschreven en niet in de DSO-keten is geïmplementeerd, worden de wijzigingen die het projectbesluit in die omgevingsplannen aanbrengt, in het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit beschreven.

4.4.4.1 Norm

Een projectbesluit dat een of meer omgevingsplannen wijzigt met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project, voegt een tijdelijk regelingdeel aan dat of die omgevingsplannen toe. Zo’n tijdelijk regelingdeel vormt samen met de hoofdregeling (en eventuele andere tijdelijk regelingdelen) de geconsolideerde Regeling van een omgevingsplan. Per omgevingsplan dat door het projectbesluit wordt gewijzigd is er een tijdelijk regelingdeel. Het tijdelijk regelingdeel moet worden opgebouwd overeenkomstig het model RegelingTijdelijkdeel. RegelingTijdelijkdeel bevat de volgende elementen:

  1. RegelingOpschrift: STOP-element dat de officiële titel van het tijdelijk regelingdeel bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor.

  2. Lichaam: STOP-element dat de inhoud van het tijdelijk regelingdeel bevat[73] Het Lichaam is het belangrijkste onderdeel van de Regeling. Zie daarvoor de toelichting in de volgende paragraaf en de beschrijving van de Artikelstructuur in paragraaf 5.2. Dit is het deel dat wordt geannoteerd met OW-objecten, zie daarvoor hoofdstuk 7.15
    . Verplicht element. Komt 1 keer voor. Het Lichaam bevat de volgende elementen:

    • Conditie: STOP-element dat een Artikel bevat waarin de verhouding is vastgelegd tussen dit tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling van het omgevingsplan dat door het projectbesluit wordt gewijzigd. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Binnen de Conditie komt 1 Artikel voor. De Kop van het Artikel in dit element heeft geen Label of Nummer maar bestaat uitsluitend uit een Opschrift. Dit Artikel wordt niet in een Hoofdstuk of ander structuurelement ondergebracht.

    • Artikel: een of meer artikelen die de regels bevatten waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Verplicht element. Komt zo vaak voor als gewenst. De artikelen moeten voldoen aan de specificaties voor de Artikelstructuur in paragraaf 5.3. Het is verplicht om deze artikelen onder te brengen in een of meer hoofdstukken. Desgewenst kunnen de hoofdstukken worden gestructureerd met de structuurelementen die volgens paragraaf 5.2 zijn toegestaan.

  3. Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij het tijdelijk regelingdeel) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Een bijlage die onderdeel is van het tijdelijk regelingdeel wordt geconsolideerd.
    Hoofdregel is dat een bijlage is vormgegeven als onderdeel van de tekst in STOP-XML. In bijzondere gevallen is het toegestaan een bijlage als PDF-document aan te leveren. Een Bijlage die in STOP-XML wordt opgesteld, bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze elementen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • Gereserveerd: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien in een Bijlage het element Gereserveerd wordt gebruikt mag in die Bijlage geen van de elementen Vervallen, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • Vervallen: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Geeft aan dat de Bijlage de status ‘vervallen’ heeft; de Bijlage is niet langer juridisch geldig en heeft geen inhoud meer. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien in een Bijlage het element Vervallen wordt gebruikt mag in die Bijlage geen van de elementen Gereserveerd, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • De inhoud van de Bijlage, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Indien een Bijlage inhoud bevat, mogen in die Bijlage de elementen Gereserveerd en Vervallen niet voorkomen. Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Bijlage afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    Een bijlage mag alleen als PDF-document worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden. Het PDF-document moet dan voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet worden gemodelleerd als informatieobject.

  4. Toelichting: STOP-element dat de toelichting op het tijdelijk regelingdeel bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
    Een Toelichting als onderdeel van de Regeling bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Onder voorwaarde verplicht element: verplicht indien binnen het element Toelichting zowel het element AlgemeneToelichting als het element ArtikelgewijzeToelichting voorkomt, komt dan 1 keer voor; optioneel indien binnen het element Toelichting slechts één van de elementen AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting voorkomt, komt dan 0 of 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • AlgemeneToelichting: STOP-element dat de algemene toelichting op het tijdelijk regelingdeel bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
      Een AlgemeneToelichting bevat de volgende elementen:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

      • De inhoud van de AlgemeneToelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • ArtikelgewijzeToelichting: STOP-element dat de artikelsgewijze toelichting op het tijdelijk regelingdeel bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
      Een ArtikelgewijzeToelichting bevat de volgende elementen:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

      • De inhoud van de ArtikelgewijzeToelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element). Divisie en Divisietekst moeten voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • De inhoud van de Toelichting, opgebouwd met Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element), zonder de structurerende elementen AlgemeneToelichting en/of ArtikelgewijzeToelichting. Mogelijkheid die STOP biedt voor een toelichting die uitsluitend algemeen van aard is. Geadviseerd wordt om in RegelingTijdelijkdeel van deze mogelijkheid geen gebruik te maken. Indien toch gebruikt moeten Divisie en Divisietekst voldoen aan de specificaties voor de Vrijetekststructuur in paragraaf 5.2.

    • Sluiting: STOP-element dat de Toelichting afsluit. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. De tekst van de Sluiting staat in een of meer reguliere Alinea’s. Ook kan gebruik gemaakt worden van de optionele elementen Slotformulering, Dagtekening en Ondertekening.

    • Bijlage: STOP-element dat een bijlage (in dit geval bij de Toelichting) bevat. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Een bijlage bij de Toelichting wordt geconsolideerd. Voor een bijlage bij de Toelichting gelden dezelfde eisen als voor het ‘hoofdelement’ Bijlage.

  5. ArtikelgewijzeToelichting: STOP-element dat de artikelsgewijze toelichting, oftewel de toelichting op de artikelen in de Regeling, bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mogelijkheid die STOP biedt voor een toelichting die uitsluitend een toelichting op de artikelen in het tijdelijk regelingdeel is. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Indien toch gebruikt gelden voor deze ArtikelgewijzeToelichting dezelfde eisen als voor de ArtikelgewijzeToelichting binnen het element Toelichting onder 4 van deze paragraaf.

4.4.4.2 Toelichting

RegelingTijdelijkdeel is het model dat een bevoegd gezag moet gebruiken als het met een projectbesluit een of meer omgevingsplannen wil wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Ieder tijdelijk regelingdeel is daardoor opgebouwd conform het model RegelingTijdelijkdeel. Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven, vormt het tijdelijk regelingdeel (of, indien er meer tijdelijk regelingdelen zijn: alle tijdelijk regelingdelen) samen met de hoofdregeling de geconsolideerde versie van een omgevingsplan.

In deze paragraaf worden de elementen toegelicht die moeten respectievelijk kunnen voorkomen in het tijdelijk regelingdeel bij een projectbesluit, overeenkomstig het model RegelingTijdelijkdeel. Figuur 13 laat schematisch zien hoe het model RegelingTijdelijkdeel voor het projectbesluit er uit ziet (de nummers voor de elementen verwijzen naar de nummering in de vorige paragraaf).

media/image14.png
Figuur 13Overzicht van model RegelingTijdelijkdeel

In de hierna volgende toelichting wordt de nummering van paragraaf 4.4.4.1 gevolgd. In die paragraaf is van ieder element aangegeven of het moet (verplicht) of mag (optioneel) voorkomen; dat wordt in deze toelichting niet herhaald. De ‘hoofdelementen’ zijn weer vetgedrukt en de ‘subelementen’ schuingedrukt.

  1. RegelingOpschrift: de officiële titel van het tijdelijk regelingdeel. Het RegelingOpschrift is onderdeel van het tijdelijk regelingdeel dat, samen met de hoofdregeling en mogelijk ook andere tijdelijk regelingdelen, deel gaat uitmaken van de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Het verdient daarom aanbeveling om in het RegelingOpschrift aan te geven waar de regels over gaan. Bijvoorbeeld: Regels ter uitvoering en bescherming van hoogspanningsverbinding 380 kV Zuid-West, of Regels i.v.m. aanleg Rondweg Gemeentestad. Welk bestuursorgaan het projectbesluit heeft vastgesteld blijkt al uit de metadata, daarom wordt aanbevolen om dat niet in het RegelingOpschrift te vermelden.

  2. Lichaam: het element dat de inhoud van het tijdelijk regelingdeel bevat. In het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel zijn dat twee onderdelen: de Conditie en de Artikelen met regels waarmee het betreffende omgevingsplan wordt gewijzigd.
    De Conditie is het element waarin wordt beschreven wat de relatie is tussen het tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling van het omgevingsplan. Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven, vormen de hoofdregeling en alle daarbij behorende tijdelijk regelingdelen samen de geconsolideerde regeling van het omgevingsplan. Het zal vaak voorkomen dat de regels in het tijdelijk regelingdeel afwijken van de regels in de hoofdregeling. Dan zal in de Conditie worden beschreven dat het tijdelijk regelingdeel voorrang heeft op de hoofdregeling voor zover het daarvan afwijkt. STOP vereist dat de beschrijving van de relatie wordt opgenomen in een Artikel binnen het element Conditie. Binnen het element Conditie is slechts 1 Artikel toegestaan. Dit Artikel moet, net als alle andere artikelen, worden voorzien van een Kop. In dit specifieke geval bestaat die Kop uitsluitend uit een Opschrift; Label en Nummer komen dus niet voor. Een voorbeeld van het Opschrift van dit Artikel is ‘Voorrangsbepaling’. Het artikel waarin de tekst van de conditie staat, wordt niet in een structuurelement zoals een Hoofdstuk ondergebracht.
    Het tweede onderdeel van het Lichaam bestaat uit de Artikelen met regels waarmee het betreffende omgevingsplan wordt gewijzigd. Voor deze Artikelen gelden de specificaties voor de Artikelstructuur die zijn beschreven in paragraaf 5.3. Zoals daar is beschreven kunnen artikelen zijn opgenomen in een hiërarchische structuur, bestaande uit Hoofdstukken en andere structuurelementen. In het geval van een tijdelijk regelingdeel als onderdeel van een projectbesluit is het verplicht de artikelen in een of meer hoofdstukken te plaatsen.
    Deze Artikelen worden geannoteerd met de OW-objecten. Het annoteren met OW-objecten is beschreven in hoofdstuk 7.15. Een uitgebreide toelichting op het tijdelijk regelingdeel staat in paragraaf 2.4.

  3. Bijlage: het gaat hier om een Bijlage bij de Regeling. Dit is een bijlage die informatie bevat die integraal onderdeel is van het omgevingsdocument maar om redenen van leesbaarheid en/of vormgeving (denk aan lange lijsten en complexe tabellen) niet goed in de artikelen van het Lichaam van de Regeling kan worden opgenomen. Er kunnen zoveel bijlagen bij de Regeling worden gevoegd als nodig is. Bijlagen bij de Regeling worden bekendgemaakt én geconsolideerd. Dat laatste houdt in dat ze met een later wijzigingsbesluit gewijzigd kunnen worden. Deze bijlagen zijn zowel te vinden in het publicatieblad van het bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl als in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV.
    Uitgangspunt van de STOP/TPOD-standaard is dat elke tekst die onderdeel is van een officiële publicatie, zoals een besluit of regeling, wordt uitgewisseld in STOP-XML. Daarmee is gewaarborgd dat de teksten voldoen aan alle wettelijke eisen. De teksten kunnen dan juridisch rechtsgeldig gepubliceerd worden en de voorzieningen zorgen er voor dat ze volgens de richtlijnen van digitale toegankelijkheid worden ontsloten. Als de bijlage onderdeel is van de tekst in STOP-XML, staat de inhoud in een of meer Divisieteksten, die desgewenst hiërarchisch kunnen worden gestructureerd in Divisies. Deze elementen van de Vrijetekststructuur en hun specificaties zijn beschreven in paragraaf 5.2. Een voorbeeld van een bijlage in STOP-XML is de bijlage met verwijzingen naar de GIO’s. Een ander voorbeeld is de bijlage met begripsbepalingen, in het geval dat de begripsbepalingen niet in een artikel in de regeling worden geplaatst maar in een bijlage. Het is mogelijk om zo’n bijlage in verschillende onderdelen op te delen. Voor die onderverdeling worden de vrijetekstelementen Divisie (optioneel element) en Divisietekst (verplicht element) gebruikt.
    Tekst uitwisselen in STOP-XML is niet altijd mogelijk zonder de tekst te moeten overtypen. Daarom ondersteunt de STOP/TPOD-standaard ook het aanleveren van tekst als PDF-document. Een tekst in een PDF-document is voor de landelijke voorzieningen minder goed te hanteren; denk aan verwijzen naar specifieke onderdelen en muteren dat niet -of niet goed- mogelijk is. Daarom wordt het gebruik van PDF-documenten slechts in specifieke, in het toepassingsprofiel vastgelegde, gevallen toegestaan. In dit toepassingsprofiel is, in de norm van paragraaf 4.4.4.1, bepaald dat een bijlage alleen als PDF-document mag worden aangeleverd als het voor het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is om de bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML op te stellen én als de bijlage informatie bevat die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden. Dat de bijlage informatie moet bevatten die daadwerkelijk als (te consolideren) bijlage gezien kan worden betekent dat het moet gaan om informatie die onlosmakelijk onderdeel is van de regeling maar om redenen van leesbaarheid en/of vormgeving niet in het Lichaam van de Regeling kan worden opgenomen. Het betekent ook dat niet de volledige inhoud van het Lichaam van de Regeling in een bijlage in PDF-formaat mag worden opgenomen. Een bijlage in de vorm van een PDF-document moet onveranderlijk zijn. Daarom moet het PDF-document voldoen aan de eisen van PDF/A-1a of PDF/A-2a en moet het worden gepubliceerd als informatieobject. Een beschrijving van beide publicatiemogelijkheden voor bijlagen staat in paragraaf 4.2.
    Bij een bijlage als onderdeel van de tekst in STOP-XML is het mogelijk om met een later wijzigingsbesluit één of meer gedeelten van de bijlage te wijzigen. Bij een bijlage in de vorm van een PDF-document kan dat niet; in dat geval wordt het hele PDF-document vervangen.
    In een Bijlage bij de Regeling kan het element Gereserveerd worden gebruikt. Dit element maakt het mogelijk om alvast een structuur neer te zetten die is voorbereid op toekomstige aanvullingen. Het is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Met latere wijzigingsbesluiten kan het element Gereserveerd worden vervangen door een structuurelement met daadwerkelijke inhoud. Gezien het karakter van een tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit ligt het gebruik van dit element niet erg voor de hand.
    Wanneer een bijlage vervalt kan in het element Bijlage het element Vervallen worden opgenomen. Op deze manier blijft zichtbaar dat er een bijlage was en dat die later is vervallen. Het voordeel daarvan is dat in de wetstechnische informatie de historie van het element kan worden teruggevonden. Een andere mogelijkheid bij het vervallen van een bijlage is om het element Bijlage met een wijzigingsbesluit te verwijderen. Dan is het element niet langer zichtbaar en is er ook geen wetstechnische informatie meer.
    Een Bijlage kan worden afgesloten met het element Sluiting. Van die mogelijkheid zal naar verwachting niet vaak gebruik gemaakt worden. Een Bijlage wordt niet geannoteerd met OW-objecten.

  4. Toelichting: het gaat hier om de Toelichting op de Conditie en de artikelen in het tijdelijk regelingdeel. De STOP/TPOD-standaard biedt in de huidige versie voor zowel Besluit als Regeling een aantal mogelijkheden voor het indelen van toelichtingen. Er zijn de ‘hoofdelementen’ Toelichting en ArtikelgewijzeToelichting. Binnen het ‘hoofdelement’ Toelichting kan worden gekozen tussen enerzijds een gestructureerde opzet met de onderliggende elementen AlgemeneToelichting en/of ArtikelgewijzeToelichting en anderzijds een vrije, niet nader gestructureerde opzet. Deze mogelijkheden stellen medewerkers van bevoegde gezagen en adviesbureaus die de standaard in hun omgevingsdocumenten toepassen en bouwers van plansoftware voor lastige keuzes. Bovendien noodzaken ze de applicaties die de tekst tonen (officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV) om alle mogelijkheden te ondersteunen. Daarom zal in de toekomst de standaard zo worden aangepast dat er nog maar één modellering voor de toelichting van Regelingen is, namelijk het ‘hoofdelement’ Toelichting met daarbinnen de gestructureerde opzet. Op het moment van uitbrengen van deze versie van dit toepassingsprofiel is die aanscherping nog niet mogelijk. Het is uiteraard niet wenselijk dat er omgevingsdocumenten worden opgesteld met een toelichting-modellering die in de toekomst niet meer voldoet aan de dan aangescherpte standaard en dan moeten worden aangepast. Daarom wordt met klem geadviseerd om alleen de toekomstige modellering te gebruiken en geen gebruik te maken van het ‘hoofdelement’ ArtikelgewijzeToelichting en ook niet van de vrije, niet nader gestructureerde opzet met Divisies en Divisieteksten binnen het ‘hoofdelement’ Toelichting. NB: voor de toelichting op het besluit geldt een andere aanbeveling, zie daarvoor onderdeel 7 van paragraaf 4.4.2.
    De toekomstige modellering bestaat er uit dat alleen gebruik wordt gemaakt van het ‘hoofdelement’ Toelichting en daarbinnen de gestructureerde opzet met de elementen AlgemeneToelichting en/of ArtikelgewijzeToelichting. Een toelichting kan dan alleen een algemene toelichting bevatten, alleen een artikelsgewijze toelichting of allebei. De algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting hebben verplicht een kop. De kop van het element toelichting is verplicht wanneer de elementen AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting allebei voorkomen. Wanneer slechts een van beide elementen voorkomt is de kop van het element Toelichting optioneel: het bevoegd gezag mag dan zelf kiezen of het de toelichting al dan niet een kop geeft.

    Let op dat de hier besproken algemene toelichting een algemene toelichting geeft op het tijdelijk regelingdeel en niet op een besluit. In DSO-LV is de algemene toelichting aan het hele regelingsgebied gekoppeld. Het is niet mogelijk om onderdelen van de toelichting te koppelen aan specifieke locaties. In de artikelsgewijze toelichting wordt, waar nodig, een toelichting gegeven op de artikelen in het lichaam van het tijdelijk regelingdeel en desgewenst ook op de bijlage(n) die onderdeel zijn van die regeling.
    Een Toelichting kan worden afgesloten met het element Sluiting. Van die mogelijkheid zal naar verwachting niet vaak gebruik gemaakt worden. Aan een Toelichting kunnen een of meer Bijlagen worden toegevoegd.
    Een Toelichting bij het tijdelijk regelingdeel wordt bekendgemaakt én geconsolideerd. Deze toelichting is dus zowel te vinden op officielebekendmakingen.nl als in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV. Een Toelichting wordt niet geannoteerd met OW-objecten.

  5. ArtikelgewijzeToelichting: dit ‘hoofdelement’ zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Dringend wordt geadviseerd om alleen de toekomstige modellering te gebruiken. Dat houdt in dat geen gebruik gemaakt wordt van het ‘hoofdelement’ ArtikelgewijzeToelichting, maar van het bij nr 4 beschreven ‘hoofdelement’ Toelichting met daarbinnen de gestructureerde opzet met de elementen AlgemeneToelichting en/of ArtikelgewijzeToelichting. Daarom zijn in de norm in paragraaf 4.4.4.1 de subelementen van de ArtikelgewijzeToelichting niet opgenomen en wordt er in deze paragraaf geen nadere toelichting op gegeven.

Veel van de hiervoor besproken elementen moeten worden voorzien van een Kop. Voor de Kop zijn de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift beschikbaar. Label is de aanduiding van het type tekstelement, zoals Hoofdstuk, Paragraaf of Artikel. Opschrift is de titel van het tekstelement, die aangeeft waar de tekst over gaat. Voor de Koppen in het tijdelijk regelingdeel gelden extra eisen, die zijn beschreven in paragraaf 5.3.2.

In de schema’s van STOP komt in een aantal hoofd- en subelementen het element InleidendeTekst -bedoeld voor niet-juridische contextinformatie- voor. Dit element zal in een toekomstige versie van de standaard vervallen; gebruik daarvan wordt daarom nu afgeraden. Daarom is dit element hier niet opgenomen.

4.4.4.3 Voorbeeld

Door toepassing van model RegelingTijdelijkdeel ziet het tijdelijk regelingdeel waarmee een projectbesluit een omgevingsplan wijzigt met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project, er schematisch uit zoals aangegeven in Figuur 14. De nummers in deze figuur komen overeen met de nummering van de vorige twee paragrafen.

media/image15.png
Figuur 14Voorbeeld toepassing model RegelingTijdelijkdeel op deel van het projectbesluit waarmee een omgevingsplan wordt gewijzigd

5 Toepassing van de STOP-tekststructuren op omgevingsdocumenten

STOP benoemt tekstelementen en beschrijft de structuur waarin die tekstelementen toegepast kunnen worden. STOP geldt voor alle officiële overheidspublicaties. Specifieke typen publicaties hebben een eigen toepassingsprofiel op het STOP-model, dat nadere specificaties van STOP kan geven. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de STOP-tekststructuren in zijn algemeenheid op omgevingsdocumenten en vervolgens specifiek op het projectbesluit moeten worden toegepast.

5.1 Soorten tekststructuur

STOP onderscheidt twee tekststructuren:

  • Artikelstructuur: de tekststructuur voor het Lichaam van een Regeling als dat is opgebouwd uit één of meer artikelen;

  • Vrijetekststructuur:

    • de tekststructuur voor het Lichaam van een Regeling van juridisch authentieke documenten die geen artikelen bevat;

    • de tekststructuur voor onderdelen van Regeling en Besluit buiten het Lichaam.

Er zijn omgevingsdocumenten waarvan het Lichaam artikelen bevat en dus de Artikelstructuur heeft, zoals de omgevingsverordening, de waterschapsverordening en het omgevingsplan, en omgevingsdocumenten waarvan het Lichaam geen artikelen bevat en dus de Vrijetekststructuur heeft, zoals de omgevingsvisie. In het vervolg van dit toepassingsprofiel worden omgevingsdocumenten waarvan het Lichaam artikelen bevat ‘omgevingsdocument met Artikelstructuur’ genoemd en worden omgevingsdocumenten waarvan het Lichaam de Vrijetekststructuur heeft (oftewel geen artikelen bevat) ‘omgevingsdocument met Vrijetekststructuur’ genoemd.

Zoals in hoofdstuk 4 al is opgemerkt komen er ook in het Lichaam van een Besluit artikelen voor. Deze artikelen vallen echter niet onder het begrip Artikelstructuur. Dat de elementen van de Vrijetekststructuur worden gebruikt buiten het Lichaam geldt zowel voor omgevingsdocumenten met Artikelstructuur als voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, en zowel voor Regeling als Besluit. De specificatie van de STOP-Artikelstructuur is dus alleen van toepassing op het Lichaam van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur. De specificatie van de STOP-Vrijetekststructuur is van toepassing op alle omgevingsdocumenten.

5.2 Specificatie van de Vrijetekststructuur

Zoals in paragraaf 5.1 is beschreven is de Vrijetekststructuur:

  • de tekststructuur voor het Lichaam van een Regeling van juridisch authentieke documenten die geen artikelen bevat;

  • de tekststructuur voor onderdelen van Regeling en Besluit buiten het Lichaam: Bijlage, Toelichting, ArtikelgewijzeToelichting en Motivering[74] Zie voor uitleg en toepassing van de elementen Lichaam, Regeling, Bijlage, Toelichting, ArtikelgewijzeToelichting en Motivering hoofdstuk 4
    .

De specificaties voor de Vrijetekststructuur en de toepassing van die specificaties voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit worden in de navolgende paragrafen beschreven.

De elementen van de STOP-tekststructuren zijn onder te verdelen in structuurelementen, elementen met inhoud en de inhoud zelf. Structuurelementen zijn die elementen die de tekst structureren maar zelf geen inhoud bevatten. In de Vrijetekststructuur is dat het element Divisie. Elementen met inhoud zijn die elementen die inhoud bevatten maar niet zelf inhoud zijn. In de Vrijetekststructuur is dat het element Divisietekst. De inhoud zelf is dat wat in de Divisietekst staat. Voorbeelden van de vorm die de inhoud kan aannemen zijn Alinea, Tabel en Figuur. In de navolgende tekst gebruiken we ‘tekstelement’ als term voor de drie elementsoorten tezamen.

De opmaak van de tekst, waaronder die van de Koppen, wordt bepaald door de applicaties die de tekst tonen: officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV. Dit toepassingsprofiel bevat daarom geen voorschriften over de opmaak van de elementen en hun Koppen. Ten behoeve van de mensleesbare tekst in het proces van opstellen van en besluitvorming over het omgevingsdocument, voorafgaand aan de bekendmaking en consolidatie, kan de plansoftware -door leverancier of bevoegd gezag te bepalen- opmaak aan de tekst toevoegen.

In paragraaf 5.2.1 is de norm voor de toepassing van de Vrijetekststructuur op het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit vastgelegd: welke elementen moeten respectievelijk mogen worden gebruikt, hoe vaak kunnen ze voorkomen en in welke volgorde. Paragraaf 5.2.2 geeft daar een toelichting op.

5.2.1 Norm

De elementen van Besluit en Regeling van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat ze moeten worden opgebouwd volgens de Vrijetekststructuur, moeten voldoen aan de specificaties in deze paragraaf. De Vrijetekststructuur kent de volgende elementen:

  • Divisie: STOP-structuurelement dat gebruikt wordt voor de structurering van vrije tekst. Optioneel element. Komt zo vaak voor als gewenst. Divisie kan genest worden, oftewel hiërarchisch ingedeeld worden in verschillende niveaus van Divisie. Indien gebruik gemaakt wordt van Divisie, moet in ieder geval de Divisie van het laagste hiërarchische niveau een of meer elementen Divisietekst bevatten. De Divisies van de overige hiërarchische niveaus kunnen Divisietekst bevatten. In de hiërarchische indeling van de Divisies kunnen geen niveaus worden overgeslagen.
    Divisie bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Verplicht element. Komt 1 keer voor. Bevat ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze elementen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • Gereserveerd: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mag alleen voorkomen in een Divisie binnen de Regeling. Indien in een Divisie het element Gereserveerd wordt gebruikt mag in die Divisie geen van de elementen Divisie of Divisietekst voorkomen.

    • Vervallen: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Geeft aan dat de Divisie de status ‘vervallen’ heeft; het is niet langer juridisch geldig en heeft geen inhoud meer. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mag alleen voorkomen in een Divisie binnen de Regeling. Indien in een Divisie het element Vervallen wordt gebruikt mag in die Divisie geen van de elementen Gereserveerd, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • Wanneer binnen de Divisie de elementen Gereserveerd of Vervallen niet voorkomen: een verplichte keuze tussen:

      • Divisie (van een lagergelegen niveau)

      • Divisietekst

  • Divisietekst: STOP-element dat de inhoudelijke bouwsteen is voor de Vrijetekststructuur. Onder voorwaarde verplicht element: alleen te gebruiken wanneer binnen het bovenliggende element de elementen Gereserveerd en Vervallen niet voorkomen; is dan verplicht en komt dan ten minste 1 keer voor.
    Divisietekst bevat de volgende elementen:

    • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien Kop voorkomt bevat het ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd.

    • Gereserveerd: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mag alleen voorkomen in een Divisietekst binnen de Regeling. Indien in een Divisietekst het element Gereserveerd wordt gebruikt mag in die Divisie geen van de elementen Divisie of Divisietekst voorkomen.

    • Vervallen: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Geeft aan dat de Divisietekst de status ‘vervallen’ heeft; het is niet langer juridisch geldig en heeft geen inhoud meer. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Mag alleen voorkomen in een Divisietekst binnen de Regeling. Indien in een Divisietekst het element Vervallen wordt gebruikt mag in die Divisie geen van de elementen Gereserveerd, Divisie en Divisietekst voorkomen.

    • Inhoud: STOP-element voor de inhoud. Onder voorwaarde verplicht element: alleen te gebruiken wanneer binnen de Divisietekst de elementen Gereserveerd en Vervallen niet voorkomen; is dan verplicht en komt dan (per Divisietekst) ten minste 1 keer voor. Het element Inhoud bevat ten minste één van de inhoud-elementen Alinea, Begrippenlijst, Citaat, Figuur, Formule, Groep, Lijst, Tabel en Tussenkop. Deze elementen zijn desgewenst binnen het element Kadertekst te plaatsen.

Voor het inhoud-element Lijst kan gekozen worden tussen Lijst van het type expliciet en Lijst van het type ongemarkeerd.

5.2.2 Toelichting

De Artikelstructuur wordt alleen toegepast in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur. De Vrijetekststructuur is de tekststructuur voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, zoals de omgevingsvisie en het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. Dit is het deel dat de (beleids)tekst met de inhoud van het omgevingsdocument bevat. Daarnaast is de Vrijetekststructuur de tekststructuur die wordt gebruikt in diverse delen van Regeling en Besluit buiten het Lichaam: Bijlage, Toelichting, ArtikelgewijzeToelichting en Motivering. Dat geldt zowel voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur als voor omgevingsdocumenten met Artikelstructuur.

In de Artikelstructuur wordt structuur aangebracht met specifiek benoemde structuurelementen zoals Hoofdstuk, Afdeling en Paragraaf. Die structuur toont direct -mens- en machineleesbaar- de positie van een element in het geheel. In de Vrijetekststructuur komt slechts één structuurelement voor, namelijk Divisie. Divisies kunnen genest worden: de opsteller kan desgewenst de tekst naar eigen inzicht hiërarchisch indelen in verschillende niveaus van Divisie. De positie van een Divisie in de hiërarchie bepaalt het niveau van die Divisie. De indeling in Divisies is de structuur zoals die kan worden weergegeven in een inhoudsopgave. Figuur 15 toont een voorbeeld van een tekst met Divisie in drie hiërarchische niveaus.

media/image16.png
Figuur 15Divisie in drie hiërarchische niveaus

In het Label van de Kop van de Divisie kan uiteraard gebruik gemaakt worden van de termen hoofdstuk, afdeling en paragraaf. Dat wordt getoond in Figuur 16.

media/image17.png
Figuur 16Divisie in drie hiërarchische niveaus met de termen hoofdstuk, afdeling en paragraaf als Label in de Kop

Divisie is dus het structuurelement van de Vrijetekststructuur, vergelijkbaar met structuurelementen als Hoofdstuk en Paragraaf in de Artikelstructuur. Divisie is een optioneel element: het is dus niet verplicht om tekstdelen met Vrijetekststructuur te structureren met Divisies. In de praktijk zal dat vaak wel gebeuren en zal Divisie in ten minste één niveau voorkomen. Iedere Divisie moet worden voorzien van een Kop. In de Vrijetekststructuur worden slechts beperkte eisen aan Kop gesteld: er moet ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer of Opschrift zijn. Hoe die worden ingevuld is aan de opsteller. Figuur 17 geeft een voorbeeld van een tekst met Divisies in drie niveaus waarbij in de Kop alleen gebruik wordt gemaakt van het Kop-element Opschrift.

media/image18.png
Figuur 17Divisie in drie hiërarchische niveaus met een Kop die alleen bestaat uit Opschrift

In de Vrijetekststructuur is Divisietekst het element met inhoud: het element dat inhoud bevat maar niet zelf inhoud is. Divisietekst is het verplichte element: het moet in iedere tekst met Vrijetekststructuur voorkomen. Het element Divisietekst van de Vrijetekststructuur komt overeen met Artikel (en Lid) van de Artikelstructuur. Divisietekst kan niet genest worden en is dus niet in te delen in hiërarchische niveaus. Divisietekst is de kleinste mutatie-eenheid. Dit betekent dat het de eenheid is die, ongeacht hoeveel wijzigingen met een wijzigingsbesluit in die Divisietekst worden aangebracht, als geheel vervangen wordt bij consolidatie. Bij gebruik van de wijzigingsmethode renvooi wordt door de renvooi-weergave van de wijzigingen zichtbaar wat er door het wijzigingsbesluit in de Divisietekst gewijzigd is. De Divisietekst is ook de eenheid waarover in de wetstechnische informatie in de regelingenbanken de juridische verantwoording wordt bijgehouden.

Divisietekst is in STOP gedefinieerd als een zelfstandig leesbaar stuk tekst met een interne inhoudelijke samenhang. De opsteller bepaalt zelf wat tot een Divisietekst behoort. Dat kunnen een of meer alinea’s zijn, maar ook de volledige tekst binnen een Divisie.

Bij Divisietekst is de Kop optioneel: de opsteller kan een Divisietekst voorzien van een Kop, maar dat is niet verplicht. Als een Divisietekst een Kop heeft, geldt ook daarvoor de beperkte eis dat de Kop uit ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer of Opschrift moet bestaan. Hoe die worden ingevuld is aan de opsteller.

media/image19.png
Figuur 18Een structuur met Divisie in twee hiërarchische niveaus, met daaronder Divisietekst
media/image20.png
Figuur 19Een structuur met Divisie in twee hiërarchische niveaus met de termen hoofdstuk en afdeling als Label in de Kop, met daaronder Divisietekst met een Kop met als label paragraaf

Binnen de Divisietekst wordt Inhoud opgenomen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van alle Inhoud-elementen die STOP kent. We lichten hier de Inhoud-elementen Tussenkop en Lijst toe. Met het element Tussenkop kan een niet-structurerende ordening in de tekst worden aangebracht. Tussenkop is geen structuurelement en komt dan ook niet in een inhoudsopgave voor. Voor Lijst kent STOP twee typen: expliciet en ongemarkeerd. Bij gebruik van het type expliciet levert het bevoegd gezag de opsommingstekens mee; ze staan dus hard in de tekst. Bij gebruik van het type ongemarkeerd levert het bevoegd gezag niet de opsommingstekens aan. De applicaties die de tekst tonen (officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV) tonen de lijstitems in de door het bevoegd gezag aangeleverde volgorde en bepalen zelf met welke opsommingstekens de lijstitems worden weergegeven. Voor een tekst met Vrijetekststructuur is niet voorgeschreven welk type Lijst gebruikt moet worden: het is aan het bevoegd gezag om een keuze tussen de twee types te maken. Wanneer het bevoegd gezag zelf wil bepalen met welke opsommingstekens lijstitems worden weergegeven, kiest het voor de Lijst van het type expliciet. Als het bevoegd gezag het aan de applicaties wil overlaten, kiest het voor de Lijst van type ongemarkeerd.

media/image21.png
Figuur 20Toepassing van de Vrijetekststructuur in het Lichaam van de Regeling van een omgevingsvisie

In Figuur 20 is te zien dat Divisietekst kan voorkomen onder een Divisie van ieder niveau, ook als er Divisies van lagere niveaus zijn. De Vrijetekststructuur geeft dus meer vrijheid dan de artikelstructuur, waar een artikel alleen onder het structuurelement van het laagste niveau kan voorkomen.

Zowel in Divisie als in Divisietekst die voorkomen in de Regeling kunnen de elementen Gereserveerd en Vervallen geplaatst worden. Het element Gereserveerd is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Dit element maakt het mogelijk om alvast een structuur neer te zetten die is voorbereid op toekomstige aanvullingen. Met latere wijzigingsbesluiten kan het element Gereserveerd worden vervangen door een structuurelement met daadwerkelijke inhoud. Dat verklaart ook waarom het element Gereserveerd niet in Divisie en Divisietekst in het Besluit kan voorkomen. Het Besluit zelf wordt immers niet gewijzigd en daardoor zou het element Gereserveerd nooit vervangen worden door daadwerkelijke inhoud. Ook inhoudelijk zou een element Gereserveerd in een Besluit een wonderlijke keuze zijn.

Het element Vervallen is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Wanneer een Divisie of Divisietekst vervalt kan het worden vervangen door het element Vervallen. Op deze manier blijft zichtbaar dat er een Divisie of Divisietekst was en dat die later is vervallen. Het voordeel daarvan is dat in de wetstechnische informatie de historie van het element kan worden teruggevonden. Het element Vervallen kan niet in Divisie en Divisietekst in het Besluit voorkomen. Het Besluit zelf wordt immers niet gemuteerd en daardoor zijn er geen Besluit-onderdelen die vervallen. Het werken met het element Vervallen is niet verplicht: het is ook mogelijk om de betreffende Divisie of Divisietekst met een wijzigingsbesluit volledig te verwijderen. Dan is het element niet langer zichtbaar. Het nadeel hiervan is dat er van het element geen wetstechnische informatie meer is.

Opgemerkt wordt dat waar in deze paragraaf Divisie en Divisietekst worden genoemd, het gaat over de STOP-structuurelementen Divisie en Divisietekst. Het gaat niet over de OW-objecten Divisie en Divisietekst. Zoals hiervoor al gezegd komen de STOP-structuurelementen Divisie en Divisietekst voor in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, maar ook in onderdelen van Besluit en Regeling daarbuiten, zowel in omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur als in omgevingsdocumenten met Artikelstructuur. In IMOW komen Divisie en Divisietekst voor als objecttypen, die alleen gebruikt kunnen worden in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur.

5.3 Specificatie van de Artikelstructuur

Zoals in paragraaf 5.1 is beschreven is de Artikelstructuur de tekststructuur voor het Lichaam van de Regeling[75] Zie voor de begrippen Lichaam en Regeling ook hoofdstuk 4
van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur, zoals de omgevingsverordening, de waterschapsverordening en het omgevingsplan. Dit is het deel dat de artikelen met de inhoud van het omgevingsdocument bevat. De specificaties voor de Artikelstructuur en de toepassing van die specificaties voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit worden in de navolgende paragrafen beschreven.

De opmaak van de tekst, waaronder die van de Koppen, wordt bepaald door de applicaties die de tekst tonen: officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV. Dit toepassingsprofiel bevat daarom geen voorschriften over de opmaak van de elementen en hun Koppen. Ten behoeve van de mensleesbare tekst in het proces van opstellen van en besluitvorming over het omgevingsdocument, voorafgaand aan de bekendmaking en consolidatie, kan de plansoftware -door leverancier of bevoegd gezag te bepalen- opmaak aan de tekst toevoegen.

5.3.1 Gebruik van tekstelementen en hun volgorde in het tijdelijk regelingdeel bijhet projectbesluit

De elementen van de STOP-Artikelstructuur zijn onder te verdelen in structuurelementen, elementen met inhoud en de inhoud zelf. Structuurelementen zijn die elementen die de tekst structureren maar zelf geen inhoud bevatten: Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf en Subsubparagraaf. Elementen met inhoud zijn die elementen die inhoud bevatten maar niet zelf inhoud zijn: Artikel en Lid. De inhoud zelf is dat wat in Artikel of Lid staat. Voorbeelden van de vorm die de inhoud kan aannemen zijn Alinea, Tabel en Figuur. In de navolgende tekst gebruiken we ‘tekstelement’ als term voor de drie elementsoorten tezamen.

In paragraaf 5.3.1.1 is de norm voor de toepassing van de Artikelstructuur op het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit vastgelegd: welke elementen moeten respectievelijk mogen worden gebruikt, hoe vaak kunnen ze voorkomen en in welke volgorde. Paragraaf 5.3.1.2 geeft daar een toelichting op.

5.3.1.1 Norm

Het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit heeft de Artikelstructuur. Voor de indeling van het Lichaam van ieder tijdelijk regelingdeel gelden de volgende regels:

  1. Boek en Deel mogen niet gebruikt worden.

  2. Hoofdstuk en Artikel komen altijd voor.

  3. Als er behoefte is om in een Hoofdstuk Artikelen te groeperen wordt Afdeling gebruikt.

  4. In hoofdstukken waarin een onderverdeling in Afdelingen niet volstaat (bijvoorbeeld vanwege de omvang van het hoofdstuk of de verscheidenheid aan onderwerpen in het hoofdstuk) wordt Paragraaf gebruikt; dit tekstelement komt tussen Afdeling en Artikel.

  5. Een volgende onderverdeling ontstaat door Subparagraaf te gebruiken; dit tekstelement komt tussen Paragraaf en Artikel.

  6. Bij behoefte aan nog verder gaande onderverdeling wordt Subsubparagraaf gebruikt; dit tekstelement komt tussen Subparagraaf en Artikel.

  7. Als er behoefte is om in een Hoofdstuk Afdelingen te groeperen kan Titel worden gebruikt; dit tekstelement komt dan tussen Hoofdstuk en Afdeling.

  8. Een tekstelement mag slechts één lagerliggend type tekstelement bevatten.

  9. Artikelen kunnen worden onderverdeeld in Leden.

  10. Leden kunnen niet worden onderverdeeld in Subleden.

  11. Concrete tekst kan alleen voorkomen onder Artikel en Lid: de Inhoud. Wanneer een Artikel is onderverdeeld in Leden bevatten alleen de Leden Inhoud; het Artikel zelf brengt in dat geval structuur aan en kent zelf geen tekst oftewel Inhoud.

  12. Het element Inhoud bevat ten minste één van de inhoud-elementen Alinea, Begrippenlijst, Figuur, Formule, Groep, Lijst en Tabel; deze kunnen alleen voorkomen onder Artikel en Lid. Het is niet toegestaan om het element Tussenkop te gebruiken.

  13. Onder ieder structuurelement en onder Artikel kan het element Gereserveerd worden geplaatst: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd.

  14. Onder ieder structuurelement en onder Artikel kan het element Vervallen worden geplaatst: leeg STOP-element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Geeft aan dat het element de status ‘vervallen’ heeft; het is niet langer juridisch geldig en heeft geen inhoud meer.

  15. Het element Redactioneel is niet toegestaan.

  16. Voet- en eindnoten zijn niet toegestaan.

Voor tekstelementen in het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit gelden de regels uit Tabel 4. Daarbij geldt dat een tekstelement uit de kolom ‘Type tekstelement’ slechts één type tekstelement van de in de kolom ‘Mag bevatten’ genoemde typen tekstelementen mag bevatten.

Tabel 4Regels voor tekstelementen en hun invulling - Artikelstructuur

Type tekstelement

Aantal

Mag voorkomen onder

Mag bevatten

Mag niet bevatten

Hoofdstuk

1..n

Lichaam

Titel, Afdeling, Artikel, element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Inhoud

Titel

0..n

Hoofdstuk

Afdeling, element Gereserveerd, element Vervallen

Titel, Hoofdstuk, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel, Inhoud

Afdeling

0..n

Hoofdstuk, Titel

Paragraaf, Artikel, element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Inhoud

Paragraaf

0..n

Afdeling

Subparagraaf, Artikel, element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Inhoud

Subparagraaf

0..n

Paragraaf

Subsubparagraaf, Artikel,

element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Inhoud

Subsubparagraaf

0..n

Subparagraaf

Artikel, element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Inhoud

Artikel

1..n

Hoofdstuk, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf

Lid, Inhoud, element Gereserveerd, element Vervallen

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel

Inhoud, in het geval het Artikel is onderverdeeld in Leden

Lid

0..n

Artikel

Inhoud, Gereserveerd

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Artikel, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel, Lid, element Gereserveerd, element Vervallen

Inhoud: Alinea

1..n

Artikel, Lid

-

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Artikel, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel, Lid, element Gereserveerd, element Vervallen

Inhoud: Begrippenlijst, Figuur, Formule, Groep, Lijst en Tabel; element Tussenkop is niet toegestaan

0..n

Artikel, Lid

-

Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Artikel, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel, Lid, element Gereserveerd, element Vervallen

5.3.1.2 Toelichting

De tekstelementen die kunnen worden gebruikt in het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit, oftewel het onderdeel dat de artikelen bevat en dat geannoteerd kan worden met de OW-objecten die in hoofdstuk 7.15 zijn beschreven, zijn Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel en Lid. Deze tekstelementen zijn ontleend aan de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzingen 3.54, 3.56, 3.57, 3.58, 3.59), met enige nadere specificaties en toevoegingen. Artikel en Lid zijn de tekstelementen die de daadwerkelijke inhoud bevatten. Figuur 21 laat zien dat als een Artikel is onderverdeeld in Leden, het Artikel zelf geen Inhoud bevat.

media/image22.png
Figuur 21Voorbeeld van een Artikel dat is onderverdeeld in Leden

In de norm staat dat een tekstelement slechts één lagerliggend type tekstelement mag bevatten (nr 8 en boven Tabel 4). Een voorbeeld om dat te verduidelijken: als een Paragraaf Subparagrafen bevat, moeten de Artikelen in de Subparagrafen staan; de Paragraaf kan dus niet eerst een aantal Artikelen bevatten en daarna Subparagrafen.

Figuur 22 toont de juiste plaatsing van de Artikelen, de plaatsing van de artikelen 2.1 en 2.2 in het voorbeeld van Figuur 23 is niet toegestaan.

media/image23.png
Figuur 22Juiste plaatsing van Artikelen in Subparagraaf
media/image24.png
Figuur 23Onjuiste plaatsing van Artikelen in een Paragraaf die ook Subparagrafen bevat

Onder ieder structuurelement en onder Artikel kunnen de elementen Gereserveerd en Vervallen geplaatst worden. Het element Gereserveerd is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Gereserveerd’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Dit element maakt het mogelijk om alvast een structuur neer te zetten die is voorbereid op toekomstige aanvullingen. Met latere wijzigingsbesluiten kan het element Gereserveerd worden vervangen door een structuurelement met daadwerkelijke inhoud.

Het element Vervallen is een leeg element waarmee bij weergave op overheid.nl en in DSO-LV de tekst ‘Vervallen’ wordt gegenereerd. Het bevoegd gezag kan het element niet zelf vullen met eigen tekst. Wanneer een structuurelement of artikel vervalt kan het worden vervangen door het element Vervallen. Op deze manier blijft zichtbaar dat er een structuurelement of artikel was en dat dat later is vervallen. Het voordeel daarvan is dat in de wetstechnische informatie de historie van het element kan worden teruggevonden. Het werken met het element Vervallen is niet verplicht: het is ook mogelijk om het betreffende structuurelement of artikel met een wijzigingsbesluit volledig te verwijderen. Dan is het element niet langer zichtbaar. Het nadeel hiervan is dat er van het element geen wetstechnische informatie meer is.

In de tabel komt het Inhoud-element Begrippenlijst voor. Dit element kan in slechts een paar gevallen gebruikt worden. Dat is gespecificeerd in paragraaf 10.3.

Artikel is de kleinste mutatie-eenheid. Dit betekent dat het de eenheid is die, ongeacht hoeveel wijzigingen met een wijzigingsbesluit in dat artikel of in de leden van dat artikel worden aangebracht, als geheel vervangen wordt bij consolidatie. Bij gebruik van de wijzigingsmethode renvooi wordt door de renvooi-weergave van de wijzigingen zichtbaar wat er door het wijzigingsbesluit in het artikel gewijzigd is. Het artikel is ook de eenheid waarover in de wetstechnische informatie in de regelingenbanken de juridische verantwoording wordt bijgehouden.

5.3.2 Gebruik van Koppen en Lijsten in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit

Ten behoeve van de leesbaarheid en de oriëntatie in de tekst moet een groot deel van de tekstelementen in het Lichaam van de Regeling van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit worden voorzien van een Kop. STOP kent voor de Kop de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift en stelt het verplicht om ten minste één van die Kop-elementen te gebruiken. Dit toepassingsprofiel stelt striktere eisen aan Kop. Daarnaast stelt dit toepassingsprofiel eisen aan het gebruik van Lijsten in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit.

In paragraaf 5.3.2.1 is de norm voor de toepassing van Koppen en Lijsten in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit vastgelegd. Paragraaf 5.3.2.2 geeft daar een toelichting op.

5.3.2.1 Norm

5.3.2.1.1 Koppen

De in het navolgende overzicht genoemde tekstelementen moeten worden voorzien van een Kop. Een Kop bevat de volgende Kop-elementen:

  • Label: de tekstuele aanduiding van het type van het tekstelement

  • Nummer: de identificatie van het tekstelement met een nummer of andere aanduiding

  • Opschrift: de titel van het tekstelement, waarmee de inhoud van het onderdeel beknopt wordt aangeduid[76] Ontleend aan Aanwijzing 3.57 van de Aanwijzingen voor de regelgeving
    .

Gebruik van het element Subtitel, het vierde (optionele) Kop-element dat STOP kent, is in omgevingsdocumenten met Artikelstructuur niet toegestaan.

Voor de Kop van de tekstelementen die in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit zijn toegestaan, gelden de onderstaande regels, waarbij geldt dat alle Kopelementen verplicht zijn, tenzij expliciet anders is vermeld.

  • Hoofdstuk:

    • Label: Hoofdstuk

    • Nummer: Hoofdstukken worden oplopend genummerd in Arabische cijfers. Achter het cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Titel:

    • Label: Titel

    • Nummer: De nummering van Titels begint met het volledige nummer van het Hoofdstuk waarin de Titel voorkomt, waar nodig inclusief de aan het cijfer toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Titels in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Afdeling:

    • Label: Afdeling

    • Nummer:

      • In het geval dat tussen Hoofdstuk en Afdeling Titel voorkomt: De nummering van Afdelingen begint met het volledige samengestelde nummer van de Titel waarin de Afdeling voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Afdelingen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

      • In het geval dat tussen Hoofdstuk en Afdeling geen Titel voorkomt: De nummering van Afdelingen begint met het volledige nummer van het Hoofdstuk waarin de Afdeling voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Afdelingen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Paragraaf:

    • Label: Paragraaf; in plaats daarvan kan het paragraafteken (§) gebruikt worden

    • Nummer: De nummering van Paragrafen begint met het volledige samengestelde nummer van de Afdeling waarin de Paragraaf voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Paragrafen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Subparagraaf:

    • Label: Subparagraaf; in plaats daarvan kan het paragraafteken (§) gebruikt worden

    • Nummer: De nummering van Subparagrafen begint met het volledige samengestelde nummer van de Paragraaf waarin de Subparagraaf voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Subparagrafen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Subsubparagraaf:

    • Label: Subsubparagraaf; in plaats daarvan kan het paragraafteken (§) gebruikt worden

    • Nummer: De nummering van Subsubparagrafen begint met het volledige samengestelde nummer van de Subparagraaf waarin de Subsubparagraaf voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Subsubparagrafen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Artikel:

    • Label: Artikel

    • Nummer: De nummering van Artikelen begint met het volledige nummer van het Hoofdstuk waarin het Artikel voorkomt, waar nodig inclusief de toegevoegde letter, gevolgd door een punt, daarna oplopende nummering van de Artikelen in Arabische cijfers. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter en achter het laatste karakter komt geen punt. NB: De nummering van Artikel wordt dus alleen bepaald door de plaats van het Artikel in het Hoofdstuk en niet door de positie van het Artikel in Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf of Subsubparagraaf.

    • Opschrift: Door het bevoegd gezag zelf te kiezen.

  • Lid:

    • Label: n.v.t., Lid heeft geen Label

    • Nummer: Leden worden per artikel oplopend genummerd in Arabische cijfers, waarbij het eerste lid van ieder artikel het nummer 1 krijgt. Achter het laatste cijfer mag een letter worden toegevoegd. Tussen cijfer en letter komt geen punt. Achter het laatste karakter komt een punt.

    • Opschrift: n.v.t., Lid heeft geen Opschrift

5.3.2.1.2 Lijsten

Voor Lijsten gelden de volgende regels:

  • Lijsten mogen voorkomen onder Artikel en Lid.

  • Een Lijst wordt altijd voorafgegaan door een inleidende tekst, oftewel de aanhef. Voor de aanhef moet verplicht gebruik gemaakt worden van het element Alinea uit de STOP-elementen voor Inhoud.

  • Lijsten mogen in ten hoogste drie niveaus gebruikt worden.

  • De onderdelen van de Lijst op het eerste niveau worden aangegeven met letters, op het tweede niveau met Arabische cijfers en op het derde niveau met Romeinse cijfers.
    Voor deze lijsten moet gebruik gemaakt worden van het STOP-element Lijst van het type expliciet: de opsommingstekens worden expliciet meegeleverd.

  • Het aantal Lijstitems per niveau is onbeperkt.

  • Een Lijst heeft geen opschrift.

5.3.2.2 Toelichting

Alle structuurelementen en Artikel worden voorzien van een Kop die bestaat uit alle drie de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift. Over het algemeen kan het bevoegd gezag (de tekst van) het Opschrift zelf kiezen.

Lijsten kunnen voorkomen in Artikelen en Leden. Een Lijst wordt altijd voorafgegaan door een inleidende tekst, oftewel de aanhef. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het STOP-tekstelement Alinea. Er gelden regels voor het maximum aantal niveaus in Lijsten en de te gebruiken opsommingstekens in Lijsten. Het is goed gebruik dat achter het nummer of cijfer van lijstitems een punt wordt geplaatst.

STOP kent twee typen voor Lijst: expliciet en ongemarkeerd. Bij gebruik van het type expliciet levert het bevoegd gezag de opsommingstekens mee; ze staan dus hard in de tekst. Bij gebruik van het type ongemarkeerd wordt per lijstitem niet het opsommingsteken maar de positie van dat item in de totale lijst aangegeven. De applicaties die de tekst tonen (officielebekendmakingen.nl, de regelingenbanken op overheid.nl en DSO-LV) bepalen dan met welke opsommingstekens de lijstitems worden weergegeven. Voor de hier bedoelde lijsten in artikelen en leden in het Lichaam van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur is het verplicht om Lijst van het type expliciet te gebruiken.

media/image25.png
Figuur 24Artikel met Leden, Lijst met aanhef

Figuur 24 geeft een voorbeeld van een Artikel met Leden. Lid 1 bevat een Lijst, voorafgegaan door een aanhef direct achter het nummer van het Lid.

Zoals uit de norm van paragraaf 5.3.2.1 blijkt, bestaat de nummering van Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel en Lid uit Arabische cijfers. Bij ieder tekstelement is het toegestaan om aan die nummering letters toe te voegen.

Wanneer met een wijzigingsbesluit een nieuw tekstelement wordt ingevoegd tussen al bestaande tekstelementen, bijvoorbeeld een nieuw artikel tussen de artikelen 2.5 en 2.6, zijn daar twee methoden voor:

  1. het ingevoegde tekstelement krijgt het nummer dat volgt op dat van het tekstelement waarna het wordt ingevoegd; de daaropvolgende tekstelementen worden vernummerd (in het voorbeeld: het nieuwe artikel krijgt het nummer 2.6, de daaropvolgende artikelen worden vernummerd naar 2.7 etc.);

  2. het ingevoegde tekstelement krijgt hetzelfde nummer als het tekstelement waarna het wordt ingevoegd met daarachter (de eerstvolgende beschikbare) letter (in het voorbeeld: het nieuwe artikel krijgt het nummer 2.5a, de daaropvolgende artikelen behouden hun oorspronkelijke nummering).

Het voordeel van methode 1 is dat de nummering van tekstelementen volledig geautomatiseerd door software kan worden uitgevoerd. Nadelen zijn dat het met een wijzigingsbesluit invoegen van een tekstelement kan leiden tot een omvangrijke vernummering met als gevolg een omvangrijke aanlevering van gewijzigde onderdelen in renvooiweergave en tot mogelijke problemen wanneer meerdere wijzigingsbesluiten tegelijk in procedure zijn.

Voordelen van methode 2 zijn dat het invoegen van een tekstelement niet leidt tot een omvangrijker aanlevering bij een wijzigingsbesluit dan vanwege inhoudelijke wijzigingen nodig is en dat zich minder nummeringsconflicten zullen voordoen in het geval meerdere wijzigingsbesluiten tegelijk in procedure zijn. Nadeel van deze methode is, naast het wellicht meer visuele aspect van een ondoorzichtige nummering door het toevoegen van letters, dat de nummering van tekstelementen niet volledig geautomatiseerd door software kan worden uitgevoerd; dat kan leiden tot fouten.

6 Inleiding op het Informatiemodel Omgevingswet

Het Informatiemodel Omgevingswet, verder afgekort tot IMOW, beschrijft vanuit informatiekundig én domeininhoudelijk perspectief de aspecten die van belang zijn voor het annoteren bij het opstellen van omgevingsdocumenten en ten behoeve van de informatieverschaffing in DSO-LV.

Dit hoofdstuk geeft een introductie op IMOW. Paragraaf 6.1 beschrijft de drie hoofdcomponenten van IMOW: tekst, locatie en annotatie. Voordat daar in hoofdstuk 7.15 gedetailleerd wordt ingegaan, wordt in paragraaf 6.2 beschreven hoe het annoteren met OW-objecten vanuit de standaard is bedoeld.

6.1 De drie hoofdcomponenten van IMOW: tekst, locatie en annotatie

media/image26.png
Figuur 25De hoofdcomponenten van IMOW

Bovenstaande figuur toont de drie hoofdcomponenten van IMOW in hun samenhang. IMOW is een model waarmee van tekst kan worden vastgelegd op welke locatie deze geldig is en aan tekst en locatie met behulp van annotaties gegevens kunnen worden toegevoegd. Die gegevens maken tekst en locatie machineleesbaar waardoor ze bekendgemaakt kunnen worden, herkenbaar in een viewer weergegeven kunnen worden en waardoor onderdelen geselecteerd en bevraagd kunnen worden. Het vervolg van deze paragraaf beschrijft deze drie componenten in grote lijnen. In hoofdstuk 7.15 worden ze in detail beschreven.

Benadrukt wordt dat IMOW alleen van toepassing is op het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten, oftewel het onderdeel dat de artikelen respectievelijk de (beleids)teksten bevat.

6.1.1 Tekst

Zoals in hoofdstuk 5 al is beschreven kent STOP twee soorten tekststructuur: Artikelstructuur en Vrijetekststructuur. In het STOP-tekstmodel is Artikelstructuur de tekststructuur voor het Lichaam van een Regeling die is opgebouwd uit één of meer artikelen. Vrijetekststructuur is de tekststructuur die wordt gebruikt voor het Lichaam van een Regeling van juridisch authentieke documenten die geen artikelen bevat én voor diverse onderdelen van Regeling en Besluit buiten het Lichaam, waaronder Bijlage en Toelichting.

IMOW maakt eveneens onderscheid tussen de Artikelstructuur en de Vrijetekststructuur. Het verschil met STOP is dat IMOW alleen wordt toegepast op het lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten, oftewel het onderdeel dat de artikelen respectievelijk de (beleids)teksten bevat. IMOW wordt dus niet toegepast op de overige onderdelen van de Regeling, zoals motivering, artikelsgewijze toelichting en bijlagen, en niet op de onderdelen van het Besluit. Twee voorbeelden: IMOW wordt wel toegepast op de artikelen met regels van het omgevingsdocument maar niet op bijlagen bij die regels en ook niet op de motivering die onderdeel vormt van het besluit, wel op de beleidsteksten in de omgevingsvisie maar niet op een eventuele bijbehorende zienswijzennota of participatieverslag.

Voor tekst met Artikelstructuur onderscheidt IMOW de objecten Regeltekst en Juridische regel (beschreven in subparagraaf 6.1.1.1), voor het lichaam van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur heeft IMOW de objecten Divisie, Divisietekst en Tekstdeel (de onderwerpen van subparagraaf 6.1.1.2).

6.1.1.1 Regeltekst en Juridische regel

Voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur onderscheidt IMOW de objecttypen Regeltekst en Juridische regel.

Regeltekst is de IMOW-term voor de kleinste zelfstandige eenheid van (een of meer) bij elkaar horende Juridische regels in een omgevingsdocument met Artikelstructuur: artikel en lid. Het OW-objecttype Regeltekst is het koppelobject naar de STOP-elementen Artikel en Lid. Zoals in paragraaf 5.2 is beschreven zijn Artikel en Lid in STOP elementen met inhoud en geen structuurelementen. De Regeltekst is in een tekst concreet aan te wijzen.

Het OW-objecttype Juridische regel staat voor een abstract concept waarmee een regel met juridische werkingskracht wordt beschreven. Juridische regel wordt gebruikt om aan verschillende onderdelen van een Regeltekst locaties en annotaties met de domeinspecifieke OW-objecten (zie daarvoor hoofdstuk 7.15) te kunnen koppelen.

Regeltekst bevat altijd ten minste één Juridische regel; wanneer dat gewenst is kan Regeltekst meerdere Juridische regels bevatten. De individuele Juridische regels in een Regeltekst met meerdere Juridische regels zijn niet als zelfstandige eenheden te identificeren. Bij bevraging in bijvoorbeeld DSO-LV zal altijd de volledige Regeltekst als resultaat worden weergegeven en niet de individuele Juridische regel. Het is niet verplicht om een Regeltekst in meerdere Juridische regels onder te verdelen.

6.1.1.2 Divisie, Divisietekst en Tekstdeel

Voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur onderscheidt IMOW de objecttypen Divisie, Divisietekst en Tekstdeel.

De OW-objecttypen Divisie en Divisietekst zijn de koppelobjecten naar de Divisie en Divisietekst van STOP. Zoals in paragraaf 5.2 is beschreven is Divisie in STOP het structurerende element dat ingedeeld kan worden in verschillende hiërarchische niveaus. De STOP-Divisie is dus vergelijkbaar met Hoofdstuk, Afdeling en Paragraaf et cetera van de Artikelstructuur. In STOP is Divisietekst het element dat de inhoud bevat, het is de inhoudelijke bouwsteen van de Vrijetekststructuur. De STOP-Divisietekst is vergelijkbaar met Artikel (en Lid) van de Artikelstructuur.

Het OW-objecttype Tekstdeel staat voor een abstract concept waarmee een deel van een tekst wordt beschreven. Tekstdeel wordt gebruikt om aan verschillende onderdelen van een Divisie of Divisietekst Locaties en annotaties met de domeinspecifieke OW-objecten (zie daarvoor hoofdstuk 7.15) te kunnen koppelen. Een Divisie of Divisietekst bevat altijd ten minste één Tekstdeel; wanneer dat gewenst is kan een Divisie of Divisietekst meerdere Tekstdelen bevatten.

Let op dat het STOP-tekstmodel de elementen Divisie en Divisietekst kent en IMOW de objecttypen Divisie en Divisietekst. Ze zijn niet hetzelfde. De STOP-elementen Divisie en Divisietekst worden gebruikt voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, maar ook voor diverse andere onderdelen van Besluit en Regeling. Dat is ruimer dan de OW-objecten Divisie en Divisietekst, die alleen kunnen voorkomen in het Lichaam van de Regeling van een omgevingsdocument met Vrijetekststructuur.

6.1.2 Locatie
6.1.2.1 Juridisch vastleggen van Locatie met geografisch informatieobject

In regelingen kan informatie worden vastgelegd die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is. De geometrische begrenzing van Locatie is daar een voorbeeld van; gedacht kan ook worden aan een geluidsfragment. STOP gebruikt het informatieobject als bedoeld in Aanwijzing 3.50 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (waarin de voorwaarden staan waar verwijzingen naar informatie op internet aan moeten voldoen) om dergelijke informatie op een juridisch juiste manier vast te leggen en er vanuit de tekst van een regeling naar te verwijzen. Een informatieobject dat de geometrische begrenzing van een of meer Locaties vastlegt wordt een geografisch informatieobject genoemd. (Zoals al eerder gemeld wordt de term geografisch informatieobject afgekort tot GIO.) Feitelijk is een GIO een GML-bestand met een of meer geometrieën, voorzien van metadata conform de STOP-specificatie voor een GIO.

Een GIO is een technische voorziening voor het accuraat specificeren en juridisch borgen van een gebied. Het is onderdeel van het besluit als informatie die niet uit tekst bestaat als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Bekendmakingswet. Het wordt tegelijk met de tekst van het besluit in het publicatieblad van het betreffende bevoegd gezag op officielebekendmakingen.nl gepubliceerd.

De tekst van de Regeling moet minimaal één keer met een tekstuele aanduiding verwijzen naar ieder GIO. Daardoor wordt de inhoud ervan onderdeel van besluit en regeling. Voor die tekstuele aanduiding wordt de naam van het GIO gebruikt. De vermelding van de naam van het GIO in de tekst heeft als doel dat een lezer begrijpt op welke locatie de tekst betrekking heeft. De systematiek waarmee informatieobjecten machineleesbaar worden vastgelegd en de manier waarop de tekst van de Regeling verwijst naar het informatieobject zorgen ervoor dat:

  • de informatie permanent via de verwijzing is terug te vinden;

  • de informatie met algemeen beschikbare software op een voor de mens begrijpelijke manier weergegeven kan worden;

  • de onveranderlijkheid van het informatieobject voldoende is gewaarborgd.

STOP bevat de eisen waaraan een GIO moet voldoen. Deze eisen zorgen voor de borging van de juridische bestendigheid van de GIO’s. Aan een GIO kan een module worden toegevoegd met daarin de GIO-symbolisatie: informatie over hoe een GIO (op overheid.nl) wordt afgebeeld op een kaart. In het geval van een GIO met normwaarden is dat verplicht.

Voor de bekendmaking van omgevingsdocumenten is het verplicht om de geometrische begrenzing van onderdelen van de regeling vast te leggen in een GIO. Een uitzondering daarop is een regel die geldt voor het hele ambtsgebied van het bevoegd gezag: in dat geval wordt de Locatie, oftewel het ambtsgebied, niet vastgelegd met een GIO. Zie hiervoor verder paragraaf 8.4.5.

Het in omgevingsdocumenten juridisch juist werken met GIO’s gebeurt als volgt:

  • In de tekst van de Regeling moet de (mensleesbare) naam van ieder GIO minimaal één keer voorkomen, voorzien van een (machineleesbare) verwijzing naar het betreffende onderdeel in de bijlage Informatieobjecten.

  • De coördinaten van iedere Locatie moeten zijn vastgelegd in een GIO.

  • In de bijlage Informatieobjecten wordt de naam van het GIO opgenomen op een manier vergelijkbaar met een begrip en zijn definitie: bij wijze van definitie komt achter de naam de volledige identificatie van het GIO.

De constructie met de naam van het GIO in de lopende tekst waarna in de bijlage die naam wordt gekoppeld aan de volledige identificatie van het GIO zorgt ervoor dat de lopende tekst goed leesbaar blijft, maar dat tevens de unieke identificatie van het GIO, waarmee de inhoud van het GIO wordt ontsloten, leesbaar in de regeling te vinden is.

Figuur 26 laat een voorbeeld van deze verwijzing zien in een Juridische regel; Figuur 27 laat een voorbeeld zien van deze verwijzing in een Tekstdeel:

media/image27.png
Figuur 26Tekstuele aanduiding en informatieobject in omgevingsdocument met Artikelstructuur
media/image28.png
Figuur 27Tekstuele aanduiding en informatieobject in omgevingsdocument met Vrijetekststructuur
6.1.2.2 OW-Locatie en werkingsgebied

In de toelichtingen op Omgevingswet en Omgevingsbesluit wordt de term werkingsgebied gebruikt voor het gebied waar een regel zijn werking heeft. In de praktijk bestaat het werkingsgebied van een Regeltekst niet altijd uit één aaneengesloten gebied, maar vaak uit meerdere gebieden en soms ook uit punten of lijnen. IMOW gebruikt voor de afzonderlijke onderdelen van het juridische werkingsgebied van een Regeltekst het object Locatie, dat de coördinaten bevat die het gebied begrenzen. Het werkingsgebied van de Regeltekst bestaat uit de optelling van alle Locaties van de Juridische regels die samen de Regeltekst vormen. Uit het juridisch systeem volgt dat van iedere Regeltekst duidelijk moet zijn waar deze geldt. Iedere Regeltekst heeft daarom een werkingsgebied en dus ook één of meer Locaties. In IMOW is het werkingsgebied de relatie tussen de Regeltekst en de Locatie(s) van die Regeltekst, of, als de Regeltekst uit meerdere Juridische regels bestaat, alle Locaties van de Juridische regels in de Regeltekst. Deze relatie wordt in DSO-LV afgeleid, het bevoegd gezag hoeft geen afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied aan te leveren.

Het OW-object Locatie heeft twee functies. De eerste functie is het (impliciet) juridisch vastleggen van het werkingsgebied van de Regeltekst. Dit maakt de ‘klik op de kaart’ mogelijk: door een klik op de kaart worden de op die plek geldende regels (of het geldende beleid) getoond. Het maakt ook het omgekeerde mogelijk: vanuit de tekst laten zien waar die tekst geldt. De tweede functie van Locatie is dat het vastlegt waar de domeinspecifieke objecttypen Activiteit (via ActiviteitLocatieaanduiding), Omgevingswaarde, Omgevingsnorm en de verschillende typen Gebiedsaanwijzing van toepassing zijn.

Gebieden, punten en lijnen kunnen worden gegroepeerd tot respectievelijk gebiedengroep, puntengroep of lijnengroep, in welk geval de groep een Locatie vormt. Soms komt de groep overeen met het GIO en soms de losse Locatie. Het OW-object Locatie heeft het optionele attribuut noemer. Dit maakt het mogelijk om een mensleesbare relatie te leggen tussen de OW-Locatie en de naam van het GIO die in de tekst van de regel voorkomt (zie hiervoor verder paragraaf 6.1.2.1). Iedere OW-locatie moet in een GIO voorkomen.

Locatie komt ook voor in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur. Het wordt gebruikt om het gebied vast te leggen waarover een Tekstdeel iets zegt. Net als bij de Regeltekst wordt de optelling van alle Locaties van de Tekstdelen die samen de Divisie of de Divisietekst vormen werkingsgebied genoemd. Ook hier geldt dat de relatie door LVBB en in DSO-LV wordt afgeleid en het bevoegd gezag geen afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied hoeft aan te leveren. Anders dan bij Juridische regel is het niet verplicht om aan ieder Tekstdeel een Locatie te koppelen.

Figuur 28 laat een voorbeeld zien: een artikel uit een omgevingsdocument met Artikelstructuur respectievelijk een Divisie of Divisietekst uit een omgevingsdocument met Vrijetekststructuur heeft drie Locaties die samen het werkingsgebied van dat artikel of Divisie c.q. Divisietekst vormen.

media/image29.png
Figuur 28Drie Locaties die samen een werkingsgebied vormen

In paragraaf 6.1.2.1 is al beschreven dat de naam van ieder GIO minimaal één keer in de tekst van de Regeling moet voorkomen. Meer algemeen geldt dat uit de tekst duidelijk moet blijken waar een Juridische regel of Tekstdeel geldt. Voorbeelden daarvan zijn (de term waaruit blijkt waar de tekst geldt is cursief weergegeven): “In het ‘Stiltegebied’ is het verboden om een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren.” “Ter plaatse van de locatie ‘Duurzame energie’ wordt ernaar gestreefd om in 2025 18 hectare zonnepanelen gerealiseerd te hebben.” Als de locatie steeds dezelfde is, is het niet nodig om zo’n verwijzing in ieder artikel of lid op te nemen. Een oplossing kan zijn om in het begin van bij voorbeeld een afdeling of paragraaf een artikel op te nemen dat aangeeft wat het werkingsgebied van de artikelen in die afdeling of paragraaf is. Een voorbeeld: “Deze paragraaf geldt ter plaatse van de functie ‘wonen’.” Het is niet de bedoeling om alleen in het artikel of de bijlage met begripsbepalingen alle mensleesbare namen van de GIO’s en hun (machineleesbare) verwijzingen naar de betreffende onderdelen in de bijlage Informatieobjecten op te nemen en dat in de lopende tekst van de regeling niet te doen.

Met het OW-objecttype Locatie wordt de begrenzing vastgelegd van het gebied waarover een Juridische regel of een Tekstdeel gaat. Het kan wenselijk zijn om in de tekst een onderdeel van zo’n gebied in woorden te beschrijven, bijvoorbeeld met een geografische of vergelijkbare term (in het Stadspark, op de Veluwe, in ieder hoekpand), zonder de begrenzing van zo’n onderdeel vast te leggen. LVBB en DSO-LV kunnen de ligging van zo’n in woorden beschreven gebied niet afleiden en ook niet tonen. Zij weten immers niet waar het Stadspark is of waar de hoekpanden zijn. In zo’n geval worden de Locaties getoond die het werkingsgebied vormen van de Regeltekst of de Divisie of Divisietekst waarin die Juridische regel of dat Tekstdeel voorkomt. Het wordt dan aan de lezer overgelaten om te interpreteren waar de regel wel en niet werking heeft.

Locatie en de toepassing ervan worden in detail beschreven in paragraaf 7.6

6.1.3 Annotatie

De STOP/TPOD-standaard maakt het voor bevoegde gezagen mogelijk om zich te beperken tot het verbinden van Juridische regels of Tekstdelen met Locaties. Een computer weet dan dat beide bij elkaar horen maar kan geen verdere betekenis aan die relatie geven en kan de Locaties ook niet op een voor de mens herkenbare manier op een kaart weergeven.

Dat kan wel met het in paragraaf 3.4 al kort beschreven mechanisme annoteren: het toevoegen van gegevens aan (onderdelen van) een omgevingsdocument die de inhoud van het omgevingsdocument voor de computer vertalen. Door het annoteren kan een viewer locaties en andere gegevens op een kaart en bij een tekst weergeven. Het annoteren zorgt er ook voor dat een omgevingsdocument op bepaalde kenmerken doorzoekbaar is. Het annoteren kan, in omgevingsdocumenten met artikelstructuur waarin regels over activiteiten worden gesteld, ook helpen bij het verbinden van toepasbare regels, oftewel vragenbomen, aan regels en Locaties. In paragraaf 6.2 wordt de bedoeling van het annoteren van omgevingsdocumenten met OW-objecten toegelicht. In hoofdstuk 7.15 worden de OW-objecten in detail gespecificeerd en toegelicht.

6.2 De bedoeling van het annoteren met OW-objecten

Zoals hiervoor al is beschreven maakt IMOW het mogelijk om vast te leggen op welke Locatie een bepaalde tekst geldig is en om daar nadere gegevens aan toe te voegen. Het doel daarvan is om die Locaties herkenbaar op een kaart weer te geven en om de informatie in het omgevingsdocument raadpleegbaar te maken: met behulp van die informatie kunnen bepaalde onderdelen geselecteerd worden. Een voorbeeld daarvan is het annoteren met de activiteit zwemmen. Door in een zoekscherm de activiteit zwemmen te selecteren, worden in DSO-LV de artikelen getoond waarin Juridische regels zijn geannoteerd met die Activiteit. Ook worden in het bijbehorende kaartbeeld alle Locaties getoond die bij die artikelen en die Activiteit-annotatie horen.

De bedoeling van het annoteren met IMOW is dat de Locaties en de nadere gegevens een letterlijke vertaling of vastlegging van de regels respectievelijk de beleidstekst zijn. IMOW is niet bedoeld voor interpretaties, nadere afleidingen of het toevoegen van niet door regels of beleidsteksten vastgelegde gebieden. Ook is IMOW niet bedoeld voor a contrario-redeneringen, bijvoorbeeld dat het gebruik van een annotatie op de ene plek een betekenis geeft aan het ontbreken van die annotatie (of juist zijn tegenhanger) op een andere plek.

Dit wordt toegelicht aan de hand van twee voorbeelden, het eerste voor een omgevingsdocument met Artikelstructuur en het tweede voor een omgevingsdocument met Vrijetekststructuur. De afbeeldingen in de voorbeelden zijn bedoeld om het principe uit te leggen, niet om de werking van een specifiek instrument te tonen. De weergave is willekeurig gekozen, het Presentatiemodel is niet toegepast.

media/image30.png
Figuur 29Voorbeeld bedoeling van IMOW, activiteit in omgevingsplan

Bovenstaande afbeelding toont het grondgebied van een gemeente en de Locatie, bestaande uit drie Gebieden (eventueel gegroepeerd in één Gebiedengroep), die hoort bij de Juridische regel van artikel 2.10. Ter plaatse van deze Locatie is het -kort gezegd- toegestaan om zonder vergunning of melding een kinderopvanginstelling te exploiteren. De OW-objecten zijn niet bedoeld om vervolgens af te leiden dat in de rest van het grondgebied van deze gemeente het exploiteren van een kinderopvanginstelling verboden is, of dat daar voor die activiteit een vergunningplicht of meldingsplicht geldt. Dat is alleen zo wanneer het bevoegd gezag dat expliciet heeft bepaald, bijvoorbeeld door een Locatie voor de rest van het grondgebied op te nemen en daaraan een Juridische regel met een verbod, vergunningplicht of meldingsplicht te koppelen, met de bijbehorende annotatie.

media/image31.png
Figuur 30Voorbeeld bedoeling van IMOW, omgevingsvisie

Bovenstaande afbeelding toont het grondgebied van een provincie en de Locatie, bestaande uit drie Gebieden (eventueel gegroepeerd in één Gebiedengroep), die hoort bij een hoofdstuk in de omgevingsvisie over kantoorontwikkelingslocaties. In haar omgevingsvisie legt de provincie vast dat zij de haar ter beschikking staande middelen wil inzetten om deze gebieden te ontwikkelen tot kantoorlocaties. De OW-objecten zijn niet bedoeld om vervolgens af te leiden dat er in de rest van het grondgebied van deze provincie geen kantoren aanwezig zijn of geen nieuwe kantoren kunnen komen. Dat is alleen zo wanneer het bevoegd gezag dat expliciet heeft bepaald, bijvoorbeeld door een Locatie voor de rest van het grondgebied op te nemen en daarvoor als beleidsvoornemen te formuleren dat bestaande leegstaande kantoorruimte wordt omgevormd tot woonruimte en dat geen nieuwe kantoorgebouwen worden toegestaan.

7 Annoteren van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit met OW-objecten: productmodel, objecten en attributen

Dit hoofdstuk beschrijft de toepassing van het annoteren met OW-objecten op het projectbesluit. De objecten, de bijbehorende attributen en waardelijsten worden gedetailleerd toegelicht. Paragraaf 8.1 bevat het productmodel voor het projectbesluit in de vorm van een IMOW-UML-klassediagram, met een korte toelichting op het diagram. In de paragrafen 8.2 tot en met 8.9 worden in detail de OW-objecten en hun attributen en de toepassing van het annoteren met die objecten op het projectbesluit beschreven. Ieder onderdeel wordt volgens een vast stramien beschreven. Het begint met een toelichting op de toepassing: waarvoor en wanneer wordt het object of attribuut in de praktijk gebruikt. Daarna volgt een definitie van het object, om precies aan te geven waar het over gaat. In de volgende subparagraaf wordt aangegeven wat het doel van het objecttype is, met andere woorden: wat is het resultaat, wat levert de extra inspanning van het annoteren met dit object op? Vervolgens wordt de norm gesteld. Deze subparagraaf begint steeds met een uitsnede van het IMOW-diagram met daarin die objecten en relaties die relevant zijn. De norm somt de attributen op die horen bij dit OW-object, waarbij wordt aangegeven of het attribuut verplicht of optioneel is, hoe vaak het attribuut kan of moet voorkomen, of er een waardelijst voor het attribuut bestaat en of er constraints, oftewel voorwaarden voor de toepassing, gelden. De daaropvolgende subparagraaf geeft een toelichting op de attributen, de waardelijsten en de eventuele constraints die samen de norm vormen.

In paragraaf 9.3 is beschreven hoe het wijzigen van OW-objecten werkt. In paragraaf 7.13 zijn regels gegeven voor het hergebruiken van OW-objecten die horen bij een andere regeling en voor het verwijzen van OW-objecten naar OW-objecten in andere regelingen. Die regels zijn van toepassing op ieder in dit hoofdstuk beschreven objecttype.

In de laatste twee paragrafen van dit hoofdstuk wordt beschreven op welk niveau annotaties worden geplaatst en wordt aangegeven hoe het annoteren wordt toegepast wanneer een deel van norm of beleid in een bijlage staat.

Daar waar in dit hoofdstuk de naam van een OW-object gebruikt wordt, wordt die naam met een hoofdletter geschreven. De namen van attributen van objecten worden cursief gedrukt.

7.1 Productmodel: het IMOW-UML-diagram voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit

Figuur 31 toont het volledige IMOW-diagram in UML voor het Lichaam van de RegelingVrijetekst, oftewel het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. Dit is het deel dat de onderdelen van het projectbesluit bevat die in paragraaf 2.3.2 zijn opgesomd onder de nummers 1 en 2 van de beschrijving van de inhoud van het projectbesluit.

media/image33.svg
Figuur 31IMOW-UML-klassediagram voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit

In het diagram zijn in blauw de tekstobjecten weergegeven: Divisie, Divisietekst en Tekstdeel. Divisie en Divisietekst (in de donkerblauwe blokjes) zijn de koppelelementen naar STOP. In roze is Locatie met zijn verschijningsvormen weergegeven. Het groene blokje staat voor het domeinspecifieke annotatie-object Gebiedsaanwijzing. Tekst, Locatie en Annotatie zijn de hoofdcomponenten van IMOW die in paragraaf 6.1 al zijn beschreven. Het witte blokje is het Regelingsgebied. In het model is aangegeven welke waardelijsten van toepassing zijn. Het model bevat ook de attributen die nodig zijn om domeinspecifieke annotaties op een kaart weer te kunnen geven. In de navolgende paragrafen worden de objecten in detail beschreven.

7.2 Objecttype Divisie

7.2.1 Toelichting op de toepassing

In het STOP-tekstmodel is Divisie het structurerende hiërarchische element voor alle elementen die zijn opgebouwd volgens de Vrijetekststructuur: het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur maar ook diverse onderdelen van Besluit en Regeling buiten het Lichaam, zoals Bijlage en Toelichting. Divisie is in STOP een structuurelement: het structureert de tekst maar bevat zelf geen inhoud. In STOP kan Divisie een verzameling van (lagergelegen) Divisie-, Divisietekst- en/of Tekstdeel-objecten bevatten.

In IMOW komt het objecttype Divisie alleen voor in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur: het deel dat de (beleids)tekst met de inhoud van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit bevat. Divisie en de in paragraaf 7.3 besproken Divisietekst zijn in IMOW de koppelobjecten naar STOP.

Opgemerkt wordt dat het OW-object Tekstdeel, het objecttype dat geannoteerd wordt met de overige OW-objecten, via de koppelobjecten Divisie of Divisietekst wordt gekoppeld aan de STOP-elementen Divisie respectievelijk Divisietekst. In STOP is Divisie een structuurelement en is Divisietekst een element dat inhoud bevat. In omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur is het daardoor mogelijk om te annoteren op het niveau van het element dat inhoud bevat én op het niveau van structuurelementen. Dat is anders dan bij omgevingsdocumenten met Artikelstructuur, waar alleen geannoteerd kan worden op het niveau van het element dat inhoud bevat, te weten Regeltekst. Wanneer het bevoegd gezag het omgevingsdocument met Vrijetekststructuur wil annoteren op het niveau van structuurelementen (bijvoorbeeld op de Divisie van het niveau dat vergelijkbaar is met een heel hoofdstuk of paragraaf), moet het de tekst structureren met het STOP-element Divisie en uiteraard het te annoteren Tekstdeel koppelen aan het OW-objecttype Divisie. Als het bevoegd gezag het omgevingsdocument met Vrijetekststructuur wil annoteren op het niveau van het element dat inhoud bevat, moet het het te annoteren Tekstdeel koppelen aan het OW-objecttype Divisietekst. Annoteren op het niveau van structuurelementen (Divisie) ligt het meest voor de hand bij annotaties met het objecttype Hoofdlijn en eventueel met het attribuut thema. Het ligt niet voor de hand om dat te doen bij annotaties met het objecttype Gebiedsaanwijzing. Gebiedsaanwijzing is sterk verbonden aan de tekst waarin het gebied wordt aangewezen en benoemd. Daarom ligt het annoteren met het objecttype Gebiedsaanwijzing het meest voor de hand op het niveau van het element dat inhoud bevat: Divisietekst. Divisietekst kan ook goed geannoteerd worden met het attribuut thema en met het objecttype Hoofdlijn.

Een annotatie op een Divisie geldt voor alle onderliggende Divisies, Divisieteksten en Tekstdelen. Als voorbeeld: een annotatie met een Hoofdlijn op een Divisie van het hoogste niveau, bijvoorbeeld het hoofdstuk, geldt ook voor de onderliggende afdelingen, paragrafen en de tekst in die paragrafen, Als dat niet de bedoeling is, moet de annotatie worden toegevoegd op het niveau waar deze van toepassing is. Figuur 32 en Figuur 33 laten schematische voorbeelden zien van deze doorwerking.

media/image34.png
Figuur 32Doorwerking van een annotatie op onderliggende Divisies. Divisieteksten en inhoud
media/image35.png
Figuur 33Doorwerking annotaties op verschillende niveaus

Door dit principe zal een viewer als de DSO-viewer bij het filteren op bijvoorbeeld een Hoofdlijn, de Divisie die met die specifieke Hoofdlijn is geannoteerd én alle onderliggende Divisies, Divisieteksten en Tekstdelen als resultaat geven.

7.2.2 Definitie

Het OW-objecttype Divisie is een zelfstandige eenheid van (een of meer) bij elkaar horende beleidsteksten waarnaar kan worden verwezen in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur.

7.2.3 Doel

Doel van het objecttype Divisie is het leggen van de verbinding tussen het Tekstdeel uit het OW-domein en de Divisie uit STOP.

7.2.4 Norm
media/image37.svg
Figuur 34Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Divisie

Divisie kent het volgende attribuut:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform NEN3610. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

Divisie kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.2.5 Toelichting op de norm

Het attribuut identificatie behoeft geen toelichting.

In de uitsnede van het diagram is ook het attribuut werkingsgebied te zien. Dit attribuut is de verwijzing van een specifieke Divisie naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s). De relatie is in een onderbroken lijn weergegeven omdat het een conceptuele relatie is. De relatie is impliciet inbegrepen in de relatie tussen Divisie, Tekstdeel en Locatie en geeft aan wat het werkingsgebied van de Divisie is: het gebied waar het Tekstdeel zijn werking heeft. De relatie wordt afgeleid door LVBB en in DSO-LV waarbij de som van de locaties van de onderliggende Tekstdelen wordt gebruikt. Het is dus niet zo dat het bevoegd gezag ook nog een afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied moet aanleveren.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.3 Objecttype Divisietekst

7.3.1 Toelichting op de toepassing

In het STOP-model voor de Vrijetekststructuur is Divisietekst het element dat inhoud bevat maar niet zelf inhoud is. Het is de inhoudelijke bouwsteen voor alle elementen die zijn opgebouwd volgens de Vrijetekststructuur: het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur maar ook diverse onderdelen van Besluit en Regeling buiten het Lichaam, zoals Bijlage en Toelichting.

In IMOW komt het objecttype Divisietekst alleen voor in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur: het deel dat de (beleids)tekst met de inhoud van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit bevat. Divisietekst en de in paragraaf 7.2 besproken Divisie zijn in IMOW de koppelobjecten naar STOP. Divisietekst kan een verzameling van Tekstdeel-objecten bevatten.

Opgemerkt wordt dat het OW-object Tekstdeel, het objecttype dat geannoteerd wordt met de overige OW-objecten, via de koppelobjecten Divisie of Divisietekst wordt gekoppeld aan de STOP-elementen Divisie respectievelijk Divisietekst. In STOP is Divisie een structuurelement en is Divisietekst een element dat inhoud bevat. In omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur is het daardoor mogelijk om te annoteren op het niveau van het element dat inhoud bevat én op het niveau van structuurelementen. Dat is anders dan bij omgevingsdocumenten met Artikelstructuur, waar alleen geannoteerd kan worden op het niveau van het element dat inhoud bevat, te weten Regeltekst. Wanneer het bevoegd gezag het omgevingsdocument met Vrijetekststructuur wil annoteren op het niveau van structuurelementen (bijvoorbeeld op de Divisie van het niveau dat vergelijkbaar is met een heel hoofdstuk of paragraaf), moet het de tekst structureren met het STOP-element Divisie en uiteraard het te annoteren Tekstdeel koppelen aan het OW-objecttype Divisie. Als het bevoegd gezag het omgevingsdocument met Vrijetekststructuur wil annoteren op het niveau van het element dat inhoud bevat, moet het het te annoteren Tekstdeel koppelen aan het OW-objecttype Divisietekst. Annoteren op het niveau van structuurelementen (Divisie) ligt het meest voor de hand bij annotaties met het objecttype Hoofdlijn en eventueel met het attribuut thema. Het ligt niet voor de hand om dat te doen bij annotaties met het objecttype Gebiedsaanwijzing. Gebiedsaanwijzing is sterk verbonden aan de tekst waarin het gebied wordt aangewezen en benoemd. Daarom ligt het annoteren met het objecttype Gebiedsaanwijzing het meest voor de hand op het niveau van het element dat inhoud bevat: Divisietekst. Divisietekst kan ook goed geannoteerd worden met het attribuut thema en met het objecttype Hoofdlijn. Een annotatie op een Divisietekst geldt voor alle Tekstdelen, oftewel alle tekst, in die Divisietekst.

7.3.2 Definitie

Het OW-objecttype Divisietekst is de diepste zelfstandige eenheid van (een of meer) bij elkaar horende beleidsteksten waarnaar kan worden verwezen in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur.

7.3.3 Doel

Doel van het objecttype Divisietekst is het leggen van de verbinding tussen het Tekstdeel uit het OW-domein en de Divisietekst uit STOP.

7.3.4 Norm
media/image39.svg
Figuur 35Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Divisietekst

Divisietekst kent het volgende attribuut:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform NEN3610. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

Divisietekst kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.3.5 Toelichting op de norm

Het attribuut identificatie behoeft geen toelichting.

In de uitsnede van het diagram is ook het attribuut werkingsgebied te zien. Dit attribuut is de verwijzing van een specifieke Divisietekst naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s). De relatie is in een onderbroken lijn weergegeven omdat het een conceptuele relatie is. De relatie is impliciet inbegrepen in de relatie tussen Divisietekst, Tekstdeel en Locatie en geeft aan wat het werkingsgebied van de Divisietekst is: het gebied waar het Tekstdeel zijn werking heeft. De relatie wordt afgeleid door LVBB en in DSO-LV waarbij de som van de locaties van de onderliggende Tekstdelen wordt gebruikt. Het is dus niet zo dat het bevoegd gezag ook nog een afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied moet aanleveren.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.4 Objecttype Tekstdeel

7.4.1 Toelichting op de toepassing

Tekstdeel is een conceptuele constructie, die in IMOW wordt gebruikt om verschillende onderdelen van een Divisie of Divisietekst in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur een eigen Locatie te kunnen geven. Ook maakt Tekstdeel het mogelijk om verschillende onderdelen van een Divisie of Divisietekst een eigen thema te geven en/of te annoteren met verschillende domeinspecifieke annotaties van het objecttype Gebiedsaanwijzing. Tekstdeel is altijd onderdeel van een Divisie of Divisietekst. Divisie en Divisietekst kunnen meerdere Tekstdelen bevatten. Voor Tekstdeel geldt, net als voor Divisie en Divisietekst, dat het alleen gebruikt kan worden in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur.

7.4.2 Definitie

Tekstdeel is het objecttype, te gebruiken in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, dat de relatie vormt tussen een beleids- of realisatietekst en de daarmee samenhangende annotaties.

7.4.3 Doel

Doel van het objecttype Tekstdeel is:

  • het kunnen verbinden van verschillende onderdelen van een Divisie of Divisietekst met eigen Locaties;

  • het kunnen annoteren van verschillende onderdelen van een Divisie of Divisietekst met thema, Hoofdlijn en de verschillende typen Gebiedsaanwijzing;

  • het kunnen leggen van de relaties tussen de domeinspecifieke annotaties, waardoor het Tekstdeel als geheel machineleesbaar wordt;

  • het, door middel van het attribuut thema, in samenhang kunnen tonen van verschillende Tekstdelen binnen hetzelfde omgevingsdocument;

  • het kunnen leggen van verbindingen tussen onderdelen van verschillende omgevingsdocumenten, bijvoorbeeld een omgevingsvisie en een omgevingsverordening, die met hetzelfde thema zijn geannoteerd.

7.4.4 Norm
media/image41.svg
Figuur 36Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Tekstdeel

Tekstdeel kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform NEN3610. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • idealisatie: attribuut dat vastlegt op welke manier de begrenzing van Locatie voor dit Tekstdeel geïnterpreteerd moet worden en door het bevoegd gezag bedoeld is. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Idealisatie’. Onder voorwaarde verplicht attribuut: alleen te gebruiken wanneer Tekstdeel Locatie of Locaties heeft; dan verplicht. Komt dan 1 keer voor.

  • thema: de naam van het thema van het Tekstdeel, te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Thema’. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • divisieaanduiding: de verwijzing van een specifiek Tekstdeel naar de Divisie of de Divisietekst waar het Tekstdeel onderdeel van is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De keuze tussen Divisie en Divisietekst wordt aangegeven met het keuze-element DivisieOfDivisietekst.

  • hoofdlijnaanduiding: de verwijzing van een specifiek Tekstdeel naar (de identificatie van) de bijbehorende Hoofdlijn(en). Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifiek Tekstdeel naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s); attribuut dat een of meer specifieke Locatie(s) aanduidt waar dit Tekstdeel van toepassing is. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • gebiedsaanwijzing: de verwijzing van een specifiek Tekstdeel naar (de identificatie van) een Gebiedsaanwijzing. Attribuut dat vastlegt dat het Tekstdeel met (één van de typen van) het object Gebiedsaanwijzing geannoteerd is. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • kaartaanduiding: de verwijzing van een specifiek Tekstdeel naar (de identificatie van) de Kaart waarop de Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij het betreffende Tekstdeel. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Tekstdeel kent de volgende constraint:

  • idealisatie verplicht als Tekstdeel een Locatie heeft.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Het attribuut idealisatie moet voor alle Tekstdelen in een Divisie of een Divisietekst dezelfde waarde hebben.

7.4.5 Toelichting op de norm

Attributen

  • idealisatie: attribuut dat aangeeft op welke manier de begrenzing van Locatie voor een Tekstdeel door het bevoegd gezag bedoeld is: is het een exacte of een indicatieve afbakening? Het attribuut idealisatie is in IMOW gepositioneerd als attribuut van Tekstdeel. Dat lijkt misschien vreemd omdat het informatie geeft over de gewenste interpretatie van Locatie. Toch hoort idealisatie bij Tekstdeel omdat het vertelt hoe de Locatie voor dít Tekstdeel geïnterpreteerd moet worden. Op deze manier is het mogelijk om dezelfde Locatie ook voor een ander Tekstdeel te (her)gebruiken en voor dat Tekstdeel een andere idealisatie te geven. De waardelijst ‘Idealisatie’ kent twee waarden: exact en indicatief. Hiermee kan worden aangegeven of de begrenzing van Locatie voor dit Tekstdeel exact of indicatief bedoeld is. Wanneer wordt gekozen voor de waarde indicatief geeft dat alleen aan dat de begrenzing indicatief bedoeld is. Met idealisatie wordt niet vastgelegd met welke marge de indicatieve begrenzing bedoeld is. Bij Tekstdeel is het attribuut idealisatie alleen verplicht wanneer het Tekstdeel een Locatie heeft. Zie verder de constraint die hierna wordt besproken.

  • thema: attribuut dat kernachtig de grondgedachte van het Tekstdeel weergeeft. Het thema is een aanduiding van het aspect van de fysieke leefomgeving waar de Juridische regel over gaat. Om harmonisatie tussen bevoegde gezagen en tussen instrumenten te bevorderen is er een waardelijst voor thema. Het overgrote deel van de waarden van deze waardelijst is rechtstreeks ontleend aan artikel 1.2 Ow, waarin is aangegeven welke aspecten de fysieke leefomgeving omvat. In Bijlage 1 wordt de relatie tussen artikel 1.2 Ow en de waarden van de waardelijst gelegd.
    Per Tekstdeel kunnen net zoveel thema’s worden toegevoegd als gewenst is. thema is een attribuut en geen object. Het kent daardoor geen eigen weergave.
    Met het attribuut thema kan het thema van een Tekstdeel worden aangegeven. thema kan bijvoorbeeld worden gebruikt om alle Tekstdelen over een bepaald thema in eenzelfde omgevingsdocument te selecteren, of om van verschillende omgevingsdocumenten de Tekstdelen en/of Juridische regels met hetzelfde thema te selecteren. Afhankelijk van de functionaliteit die een viewer biedt is het vervolgens ook mogelijk om de Locaties van alle Tekstdelen en/of Juridische regels met hetzelfde thema op een kaartbeeld weer te geven.
    Overwogen wordt om aan het objecttype Tekstdeel een attribuut subthema toe te voegen waarmee het bevoegde gezag desgewenst binnen een thema een nadere specialisatie kan aanbrengen.

  • divisieaanduiding: attribuut voor de verwijzing van een Tekstdeel naar de identificatie van de Divisie of Divisietekst waarin het Tekstdeel voorkomt. Tekstdeel wordt via de koppelobjecten Divisie respectievelijk Divisietekst gekoppeld aan de STOP-elementen Divisie of Divisietekst. Bij ieder Tekstdeel moet bepaald worden of het hoort bij een Divisie of een Divisietekst. Deze keuze wordt gemaakt met het keuze-element DivisieOfDivisietekst. Het STOP-element Divisie is een structuurelement en het STOP-element Divisietekst is een element dat inhoud bevat. In omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur is het daardoor mogelijk om te annoteren op het niveau van het element dat inhoud bevat én op het niveau van structuurelementen. In het geval van een annotatie op het niveau van structuurelementen (bijvoorbeeld op de Divisie van het niveau dat vergelijkbaar is met een heel hoofdstuk of paragraaf), wordt bij het keuze-element DivisieOfDivisietekst gekozen voor het OW-objecttype Divisie. Bij een annotatie op het niveau van het element dat inhoud bevat, wordt bij het keuze-element DivisieOfDivisietekst gekozen voor het OW-objecttype Divisietekst. Annoteren op het niveau van structuurelementen (Divisie) ligt het meeste voor de hand bij annotaties met het attribuut thema en met het objecttype Hoofdlijn. Het ligt niet voor de hand om dat te doen bij annotaties met het objecttype Gebiedsaanwijzing. Het annoteren met het objecttype Gebiedsaanwijzing ligt het meeste voor de hand op het niveau van het element dat inhoud bevat: Divisietekst. Divisietekst kan ook goed geannoteerd worden met het attribuut thema en met het objecttype Hoofdlijn.

  • hoofdlijnaanduiding: attribuut dat de verwijzing bevat van Tekstdeel naar de identificatie(s) van het daarbij behorende object Hoofdlijn. Het object Hoofdlijn wordt beschreven in paragraaf 7.5. Dit attribuut geeft aan dat het Tekstdeel hoort bij een bepaalde Hoofdlijn.

  • locatieaanduiding: attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de Locatie(s) die bij het Tekstdeel horen én aangeeft wat de betekenis van die Locatie(s) is voor het object waar het bij hoort; in dit geval voor Tekstdeel. Wanneer bij een Tekstdeel Locatie wordt gebruikt legt dit attribuut dus vast dat deze Locatie(s) de locatie(s) is (zijn) waar dit Tekstdeel van toepassing is.
    Het annoteren van Locatie bij een Tekstdeel is optioneel. Let op dat het niet annoteren van Locatie bij een Tekstdeel tot gevolg heeft dat het niet mogelijk is om in een viewer met een klik op de kaart de daar relevante onderdelen van de tekst te vinden.

  • gebiedsaanwijzing: attribuut dat de verwijzing bevat van Tekstdeel naar de identificatie van het specifieke voorkomen van een bepaald type Gebiedsaanwijzing. Samen met die domeinspecifieke annotatie duidt dit attribuut aan dat het Tekstdeel gaat over een van de typen gebiedsaanwijzing.

  • kaartaanduiding: attribuut dat de verwijzing bevat van het Tekstdeel naar de identificatie van een specifiek Kaartobject. Met het objecttype Kaart kan bij een Tekstdeel een specifieke kaart worden gegenereerd waarop alle bij dat Tekstdeel behorende Locaties en OW-objecten worden weergegeven. Het is ook mogelijk om vanuit meerdere Tekstdelen te verwijzen naar dezelfde Kaart. Daardoor ontstaat een gecombineerd kaartbeeld met alle kaartgerelateerde informatie uit alle Tekstdelen die naar dezelfde Kaart verwijzen. Zie voor het objecttype Kaart paragraaf 8.10.

Constraints

idealisatie verplicht als Tekstdeel een Locatie heeft: deze constraint betekent dat áls Tekstdeel een Locatie heeft, het verplicht is om idealisatie te gebruiken. Bij Tekstdeel is, anders dan bij Juridische regel, het attribuut idealisatie slechts onder voorwaarde verplicht. Het moet gebruikt worden wanneer het Tekstdeel een Locatie heeft. Dat is namelijk niet verplicht.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

Toelichting op werkafspraak

idealisatie is het attribuut van Tekstdeel dat aangeeft op welke manier het bevoegd gezag de begrenzing van de Locatie(s) voor dat Tekstdeel bedoeld heeft: is het een exacte of een indicatieve afbakening? Bij een Divisie of Divisietekst kunnen 1 of meer Tekstdelen horen. Modelmatig is het toegestaan dat bij een Divisie of Divisietekst zowel Tekstdelen met een exacte als Tekstdelen met een indicatieve idealisatie horen. Tekstdeel is echter een abstract concept, waardoor in de tekst niet is aan te wijzen welke delen van de tekst horen bij welk Tekstdeel en ook niet is aan te wijzen welke Locatie hoort bij welk deel van de tekst. Als bij een Divisie of Divisietekst zowel Tekstdelen met een exacte als Tekstdelen met een indicatieve idealisatie horen kunnen viewers daardoor niet laten zien voor welk deel van de tekst de begrenzing van de Locatie exact of juist indicatief bedoeld is.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Het attribuut idealisatie moet voor alle Tekstdelen in een Divisie of een Divisietekst dezelfde waarde hebben.’

7.5 Objecttype Hoofdlijn

7.5.1 Toelichting op toepassing

Hoofdlijn biedt aan de hand van de attributen soort en naam de mogelijkheid Tekstdeel extra informatie mee te geven waardoor informatie in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur volgens een door het bevoegd gezag gekozen indeling te structureren is. Voor het attribuut soort kan het bevoegd gezag een herkenbare term kiezen die in het document terugkomt, zoals ‘ambitie’, ‘doelstelling’ of ‘pijler’. Met het attribuut naam kan vervolgens een meer specifieke naam opgenomen worden die correspondeert met de inhoud of het opschrift van het gekozen deel van de tekst. Omdat er geen gebruik gemaakt wordt van waardelijsten biedt dit de grootst mogelijk flexibiliteit voor het naar eigen inzicht inrichten van visie-achtige omgevingsdocumenten.

Bij de Hoofdlijn kan als extra informatie worden aangegeven of de Hoofdlijn een relatie met een andere Hoofdlijn in het omgevingsdocument heeft.

In de paragrafen 7.2, 7.3 en 7.4 over de objecttypen Divisie, Divisietekst en Tekstdeel is al aangegeven dat het in omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur mogelijk is om te annoteren op het niveau van het (STOP-)element dat inhoud bevat (Divisietekst) én op het niveau van het (STOP-)structuurelement (Divisie). Daar is ook aangegeven dat het annoteren op het niveau van het structuurelement Divisie het meest voor de hand ligt bij annotaties met het objecttype Hoofdlijn (en met het attribuut thema). Dat laat onverlet dat het annoteren met Hoofdlijn ook goed toe te passen is op het niveau van Divisietekst.

7.5.2 Definitie

Hoofdlijn is het objecttype, te gebruiken in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, dat machineleesbaar maakt dat in een bepaald Tekstdeel een hoofdlijn van de kwaliteit, ontwikkeling of staat van of het beleid voor de fysieke leefomgeving is vastgelegd.

7.5.3 Doel

Doel van het objecttype Hoofdlijn is het mogelijk maken om:

  • in een omgevingsdocument met Vrijetekststructuur verschillende onderdelen met eenzelfde Hoofdlijn te selecteren;

  • in verschillende omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur onderdelen dezelfde Hoofdlijn te geven of dezelfde Hoofdlijn-systematiek toe te passen.

7.5.4 Norm
media/image43.svg
Figuur 37Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Hoofdlijn

Hoofdlijn kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van deze specifieke Hoofdlijn. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam van de Hoofdlijn. Verplicht attribuut, komt 1 keer voor.

  • soort: de soort waartoe deze Hoofdlijn behoort. Het bevoegd gezag is vrij in het kiezen van een benaming voor soort. Verplicht attribuut, komt 1 keer voor.

  • gerelateerdeHoofdlijn: de verwijzing van een specifieke Hoofdlijn naar een andere Hoofdlijn die aangeeft dat er een bijzondere relatie bestaat tussen die twee Hoofdlijnen. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Hoofdlijn kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.5.5 Toelichting op de norm
  • naam: door het bevoegd gezag zelf te kiezen, er is geen waardelijst voor de naam van de Hoofdlijn. Voorbeelden zijn: ‘Een klimaatbestendige delta’, ‘Duurzaam, concurrerend en circulair’.

  • soort: door het bevoegd gezag zelf te kiezen, er is geen waardelijst voor de soort van de Hoofdlijn. Het attribuut soort maakt het mogelijk om Hoofdlijnen te groeperen. Voorbeelden zijn: ambitie, doel, opgave, toekomstperspectief, prioriteit, beleidskeuze.

  • gerelateerdeHoofdlijn: een Hoofdlijn kan in een bijzondere relatie tot een andere Hoofdlijn staan waardoor het van belang is dat de gebruiker ook op de andere Hoofdlijn wordt geattendeerd. Dat kan worden aangegeven met het attribuut gerelateerdeHoofdlijn.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.6 Objecttype Locatie

7.6.1 Toelichting op de toepassing

Het OW-object Locatie geeft aan waar een Juridische regel of Tekstdeel en de domeinspecifieke annotaties Activiteit, Omgevingswaarde, Omgevingsnorm, de verschillende typen Gebiedsaanwijzing en de bijbehorende waarden van toepassing zijn. De optelling van alle Locaties van alle Juridische regels in een Regeltekst vormt het werkingsgebied van de Regeltekst; de optelling van alle Locaties van alle Tekstdelen in een Divisie of Divisietekst vormt het werkingsgebied van de Divisie of Divisietekst. Locatie wordt altijd vastgelegd in een GIO.

Locatie heeft zeven verschijningsvormen: Gebied, Gebiedengroep, Lijn, Lijnengroep, Punt, Puntengroep en Ambtsgebied. Optioneel kan de hoogteligging van het Gebied, de Lijn of de Punt worden vastgelegd. Toegestane geometrieën bij een Gebied zijn Surface en MultiSurface (de termen die de GML-standaard gebruikt voor Vlak en Multivlak); bij een Lijn zijn dat Curve en MultiCurve (GML-termen voor Lijn en Multilijn) en bij Punt tenslotte zijn toegestaan Point en MultiPoint (de GML-termen voor Punt en Multipunt). Bij MultiSurface worden meerdere vlakken samengevoegd tot één onlosmakelijk geheel. Wanneer slechts een onderdeel gewijzigd moet worden, leidt dat toch tot een wijziging van de hele MultiSurface. Datzelfde geldt voor MultiCurve en MultiPoint. Aanbevolen wordt om MultiSurface, MultiCurve en MultiPoint alleen te gebruiken wanneer het daadwerkelijk de bedoeling is dat er één onlosmakelijk geheel ontstaat. Een andere manier van groepering is het samenvoegen van twee of meer Gebieden, Lijnen of Punten tot een Gebiedengroep, Lijnengroep respectievelijk Puntengroep. Op deze manier is het mogelijk om één van de Gebieden van een Gebiedengroep, één van de Lijnen van een Lijnengroep of één van de Punten van een Puntengroep te wijzigen. Punt is noodzakelijk voor het als omgevingswaarde vaststellen van geluidproductieplafonds; die hebben de vorm van een puntlocatie. Lijn wordt onder andere in het omgevingsplan gebruikt voor het aangeven van rooilijnen bij het stellen van regels over het situeren van bouwwerken. Voor het overige is het aan te bevelen om Punt en Lijn als Geometrie zoveel mogelijk te vermijden omdat bij raadplegen in een viewer een punt en een lijn lastig te vinden zijn.

Locaties kunnen onbeperkt gestapeld worden, dat wil zeggen dat Locaties elkaar geheel of gedeeltelijk kunnen overlappen. Dat geldt zowel voor Locaties met eenzelfde annotatie oftewel OW-object als voor Locaties met verschillende annotaties c.q. OW-objecten. Het is dus mogelijk om op exact dezelfde plek bijvoorbeeld de Locaties van verschillende Juridische regels of Tekstdelen, van een aantal Activiteiten, van een Omgevingswaarde, van een aantal Omgevingsnormen en diverse typen Gebiedsaanwijzing neer te leggen. Ook kunnen die Locaties elkaar gedeeltelijk overlappen. De navolgende figuren laten daarvan voorbeelden zien. De figuren laten mogelijke toepassingen in het omgevingsplan zien, maar zijn bedoeld om generiek voor omgevingsdocumenten het principe te illustreren.

media/image44.png
Figuur 38Voorbeelden van stapeling van Locaties
7.6.2 Definitie

Locatie is het objecttype dat machineleesbaar vastlegt waar een Juridische regel, Tekstdeel en/of de domeinspecifieke objecttypen van toepassing zijn.

7.6.3 Doel

Doel van het objecttype Locatie is het met coördinaten vastleggen waar een Juridische regel, Tekstdeel, Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde, type Gebiedsaanwijzing en bij Omgevingsnorm en Omgevingswaarde behorende waarden van toepassing zijn.

7.6.4 Norm
media/image46.svg
Figuur 39Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Locatie

Locatie kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • noemer: de mensleesbare term of frase waarmee een Locatie wordt aangeduid. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

Locatie kent zeven verschijningsvormen:

  • Gebied: op zichzelf staande geometrisch afgebakende ‘ruimte’ in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Gebied heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop het Gebied ligt of de hoogte binnen het Gebied waarop de Juridische regel of het Tekstdeel van toepassing is. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifiek Gebied naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Gebiedengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Gebieden, die samen de Locatie vormen. Gebiedengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Gebiedengroep naar de Gebieden die samen de Gebiedengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Lijn: op zichzelf staande geometrisch afgebakende lijnlocatie in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Lijn heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop de Lijn ligt. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifieke Lijn naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Lijnengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Lijnen, die samen de Locatie vormen. Lijnengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Lijnengroep naar de Lijnen die samen de Lijnengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Punt: op zichzelf staande geometrisch afgebakende puntlocatie in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Punt heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop de Punt ligt. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst ‘Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifieke Punt naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Puntengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Punten, die samen de Locatie vormen. Puntengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Puntengroep naar de Punten die samen de Puntengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Ambtsgebied: bijzondere vorm van Gebied, zijnde een op zichzelf staande geometrisch afgebakende ‘ruimte’ in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving, die samenvalt met het ambtsgebied van een bepaald bevoegd gezag: het gebied waarover dat bevoegd gezag de bevoegdheid tot regeling en bestuur heeft. Ambtsgebied heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • bestuurlijkeGrenzenVerwijzing: attribuut dat de gegevens voor het doen van een verwijzing naar de bestuurlijkeGrenzen-voorziening bevat.
      bestuurlijkeGrenzenVerwijzing wordt ingevuld met de gegevensgroep BestuurlijkeGrenzenVerwijzing die de volgende attributen kent:

      • bestuurlijkeGrenzenID: de identificatie van het gebied in de bestuurlijkegrenzenvoorziening: de CBS-code respectievelijk de RVIG-code van het bevoegd gezag, inclusief de letteraanduiding in hoofdletters van de bestuurslaag;

      • domein: het onderdeel van de bestuurlijkeGrenzen-voorziening waarin de ambtsgebieden worden bijgehouden. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Wordt ingevuld met de verplichte waarde ‘NL.BI.BestuurlijkGebied’.

      • geldigOp: de datum waarop Ambtsgebied geldig is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De verwijzing is altijd statisch: met de Locatie Ambtsgebied wordt bedoeld het ambtsgebied zoals dat gold op de ingevulde datum.

Locatie kent geen waardelijsten.

Locatie kent de volgende constraints:

  • (bij Gebied): geometrie is van type Surface of MultiSurface;

  • (bij Lijn): geometrie is van type Curve of MultiCurve;

  • (bij Punt): geometrie is van type Point of MultiPoint.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Gebruik het attribuut hoogte niet.

7.6.5 Toelichting op de norm
  • noemer: de mensleesbare term of frase waarmee de Locatie wordt aangeduid en beschreven, waardoor er, indien relevant, naar de Locatie kan worden verwezen. Let op: de noemer is niet altijd gelijk aan de naam van het GIO. Het gebruik van noemer is optioneel omdat een noemer niet altijd zinvol is en omdat er Locaties zijn die niet met een term of frase te benoemen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de losse Locaties binnen een Gebiedengroep. Voorbeelden van noemer voor omgevingsplan respectievelijk omgevingsverordening, waarbij de noemer in cursieve tekst is weergegeven, zijn: Ter plaatse van de functie Levendig stadscentrum zijn de volgende activiteiten toegestaan. Nieuwe luidruchtige activiteiten en gedragingen zijn in een stiltegebied verboden.
    Locatie kan de locatie zijn van een Juridische regel of Tekstdeel (en daarmee, al dan niet samen met andere Locaties, het werkingsgebied van de Regeltekst, de Divisie of de Divisietekst), en/of de Locatie van een van de domeinspecifieke annotaties Activiteit, Gebiedsaanwijzing, Omgevingsnorm en Omgevingswaarde. Het hangt af van het objecttype waarmee de Locatie wordt gecombineerd of het gebruik van het attribuut noemer zinvol is of niet. Bij de beschrijving van die objecttypen wordt dit aangegeven.

  • hoogte: optioneel attribuut waarmee voor Gebied, Lijn en Punt de hoogteligging kan worden vastgelegd. hoogte wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de elementen waarde en eenheid. waarde legt de hoogte in een getal vast, eenheid geeft aan in welke grootheid de hoogte moet worden gemeten. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Het gebruik van het attribuut hoogte maakt een (zeer beperkte) benadering van 3D mogelijk. hoogte kan bijvoorbeeld worden gebruikt om van (de omgevingswaarde) geluidproductieplafonds aan te geven op welke hoogte ze gelden; in dat geval wordt de eenheid meter gekozen.

  • geometrie: attribuut dat de verwijzing bevat van een specifiek Gebied, Lijn of Punt naar de identificatie van de bijbehorende Geometrie. Dit attribuut legt dus vast dat deze Geometrie bij het betreffende Gebied, Lijn of Punt hoort. Bij Ambtsgebied kan er geen geometrie worden meegeleverd.

  • bestuurlijkeGrenzenVerwijzing: attribuut waardoor DSO-LV weet dat de inhoud van dit object te vinden is in een andere voorziening, alleen te gebruiken bij Ambtsgebied. Het bijhouden van het Ambtsgebied gebeurt in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het attribuut bestuurlijkeGrenzenVerwijzing maakt gebruik van de gegevensgroep BestuurlijkeGrenzenVerwijzing. In het navolgende worden de attributen van BestuurlijkeGrenzenVerwijzing toegelicht.

    • bestuurlijkeGrenzenID: de identificatie van het Ambtsgebied. Deze is gelijk aan de bevoegd-gezag-code. Voor gemeenten, provincies en waterschappen is dat de CBS-code, inclusief de letteraanduiding van de bestuurslaag. Een voorbeeld daarvan is GM0297 voor de gemeente Zaltbommel. Voor het Rijk wordt de RVIG-code gehanteerd. Aan de hand van deze code weet DSO-LV van welk bevoegd gezag het ambtsgebied uit de bestuurlijkeGrenzen-voorziening getoond moet worden

    • domein: attribuut dat aangeeft welke van de onderdelen van de bestuurlijkeGrenzen-voorziening moet worden bevraagd: het bestuurlijk gebied;

    • geldigOp: attribuut waardoor DSO-LV weet welke versie van het ambtsgebied getoond moet worden: het Ambtsgebied zoals dat geldig was op de ingevulde datum. Wanneer naar aanleiding van een bestuurlijke herindeling of andere grenscorrectie het ambtsgebied is gewijzigd, kan met een wijzigingsbesluit het Ambtsgebied-object gewijzigd worden door de geldigOp-datum van de bestuurlijkeGrenzenVerwijzing te wijzigen.

Met uitzondering van Locatie in de verschijningsvorm van Ambtsgebied wordt Locatie altijd vastgelegd in een GIO.

Ambtsgebied

Het Ambtsgebied-object wordt alleen aangeleverd als dat noodzakelijk is: de eerste keer dat in een Regeling het Ambtsgebied de Locatie is van een regel én wanneer naar aanleiding van een bestuurlijke herindeling of andere grenscorrectie in een wijzigingsbesluit het Ambtsgebied wordt gewijzigd naar een nieuwe versie van dat Ambtsgebied.

Uitgangspunt van regelgeving over de bekendmaking van besluiten is dat informatie die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is, wordt vastgelegd in een informatieobject. Daarom wordt de locatie waar een regel (of beleid) geldig is, vastgelegd met een GIO. Op deze manier is de locatie permanent terug te vinden en is de onveranderlijkheid van de locatie gewaarborgd (zie ook paragraaf 6.1.2.1). Door het nemen van het besluit stelt het bevoegd gezag het GIO vast en ‘ontstaat’ de locatie. Wanneer een regel geldt voor het hele ambtsgebied van het bevoegd gezag wordt het niet passend geacht als het bevoegd gezag dat ambtsgebied in de vorm van een GIO vast zou stellen. Ambtsgebieden worden immers door andere wetgeving (en in de meeste gevallen door een ander bevoegd gezag) vastgesteld. Daarom wordt Ambtsgebied als verschijningsvorm van Locatie niet vastgelegd met het object Geometrie en niet vastgesteld in de vorm van een GIO, maar neemt het bevoegd gezag een verwijzing op naar het eigen ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Dit is de voorziening waarin de door die andere wetgeving vastgestelde bestuurlijke grenzen worden vastgelegd en beheerd. Aangezien Ambtsgebied niet wordt vastgelegd met het object Geometrie en niet door het bevoegd gezag wordt vastgesteld, kent het niet de attributen geometrie en hoogte.

Bij het gebruik van Ambtsgebied als Locatie van een regel of beleid wordt altijd statisch verwezen naar het Ambtsgebied. Dat is nodig om bij een eventuele toekomstige bestuurlijke herindeling de overgang naar de nieuwe indeling te kunnen maken.

Aanbevolen wordt om, als het de bedoeling is dat een regel of (beleids)tekst geldt voor het hele ambtsgebied, vanuit de Juridische regel of het Tekstdeel te verwijzen naar (de identificatie van) het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het is echter mogelijk om in zo’n geval gebruik te maken van een zelf gecreëerde Locatie. Het is dan aan het bevoegd gezag om er voor te zorgen dat de geometrie van die zelf gecreëerde Locatie exact samenvalt met de geometrie van het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Dat kan door een kopie te maken van de geometrie van het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het aanleveren van een onjuiste geometrie heeft gevolgen voor de vindbaarheid van regels op locatie in DSO-LV.

Locatie kent geen waardelijsten.

Constraints

Locatie heeft drie constraints:

  • (bij Gebied): geometrie is van type Surface of MultiSurface;

  • (bij Lijn): geometrie is van type Curve of MultiCurve;

  • (bij Punt): geometrie is van type Point of MultiPoint.

Deze constraints betekenen enerzijds -tamelijk voor de hand liggend- dat de Locatieverschijningsvorm Gebied alleen mag verwijzen naar vlak-geometrieën en niet naar punt- of lijn-geometrieën, dat de Locatieverschijningsvorm Lijn alleen mag verwijzen naar lijn-geometrieën en niet naar punt- of vlak-geometrieën en dat de Locatieverschijningsvorm Punt alleen mag verwijzen naar punt-geometrieën en niet naar vlak- of lijn-geometrieën. Anderzijds betekenen de constraints dat gekozen moet worden tussen de enkelvoudige en de multivariant van de geometrietypen. Zoals in paragraaf 8.4.1 al is beschreven, worden bij de multivarianten meerdere vlakken (of lijnen of punten) samengevoegd tot één onlosmakelijk geheel en moeten de multivarianten alleen gekozen worden als het daadwerkelijk de bedoeling is dat er één onlosmakelijk geheel ontstaat.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

Toelichting op werkafspraak

hoogte is het attribuut van Locatie waarmee voor Gebied, Lijn en Punt de hoogteligging kan worden vastgelegd. STOP kent hoogte niet, het is geen kenmerk van het GIO. Daardoor kan de hoogte niet bekendgemaakt worden en heeft het geen juridische werking.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Gebruik het attribuut hoogte niet’.

7.7 Objecttype Geometrie

7.7.1 Toelichting op de toepassing

Met uitzondering van Ambtsgebied worden de in de vorige paragraaf besproken typen van Locatie vastgelegd met Geometrie. Het object Geometrie legt de positie en vorm van een Gebied, Lijn of Punt vast door middel van coördinaten om het te kunnen begrenzen en op een kaart op de juiste positie te kunnen weergeven. Geometrie wordt door zowel IMOW als STOP gebruikt. Geometrie wordt vastgelegd in de vorm van een GML-bestand dat in het GIO wordt opgenomen.

7.7.2 Definitie

Geometrie is het object dat de geometrische bepaling van een Gebied, Lijn of Punt door middel van coördinaten bevat.

7.7.3 Doel

Doel van het objecttype Geometrie is:

  • het vastleggen en begrenzen van Locatie door middel van coördinaten ten behoeve van het publiceren van geo-informatieobjecten;

  • het op een kaart of in een viewer op de juiste positie weergeven van Locaties.

7.7.4 Norm
media/image47.png
Figuur 40Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Geometrie

Geometrie kent de volgende attributen:

  • id: het identificerend attribuut dat gebruikt wordt om naar de Geometrie te verwijzen. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • geometrie: het attribuut dat de coördinaten van de Geometrie bevat. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

Geometrie kent geen waardelijsten en constraints.

7.7.5 Toelichting op de norm

geometrie: dit attribuut bevat de coördinaten van de Geometrie. De geometrische typen die gebruikt worden binnen dit attribuut dienen overeen te komen met de gekozen verschijningsvorm van Locatie. Zie hiervoor de constraints bij het objecttype Locatie. Deze constraints zijn beschreven in paragraaf 8.4.4 en toegelicht in paragraaf 8.4.5.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.8 Objecttype Gebiedsaanwijzing

7.8.1 Toelichting op de toepassing

In omgevingsdocumenten worden gebieden benoemd waarover regels worden gesteld respectievelijk beleids- of uitvoeringsaspecten worden vastgelegd. Met het objecttype Gebiedsaanwijzing kunnen die gebieden op een kaart worden weergeven, op een zodanige manier dat duidelijk is waar de regel of het beleids- of uitvoeringsaspect over gaat. Ook maakt Gebiedsaanwijzing het mogelijk om in een viewer een selectie te maken van bepaalde gebieden.

Het objecttype Gebiedsaanwijzing is een generiek objecttype. Het is generiek gemodelleerd om voldoende flexibiliteit te bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Het wordt specifiek gemaakt door het attribuut type, dat gekozen wordt uit een limitatieve waardelijst. Nieuwe typen gebieden kunnen worden aangewezen doordat (na een wijzigingsproces) nieuwe waarden aan de waardelijst voor type worden toegevoegd; het is dus niet nodig om extra objecttypen aan het informatiemodel toe te voegen.

De waardelijst voor de Gebiedsaanwijzingtypen bevat nu 19 waarden. Ze zijn onder te verdelen in sectorale en niet-sectorale typen, zoals is aangegeven in Tabel 8.

Tabel 5De Gebiedsaanwijzingtypen, onderverdeeld in sectoraal en niet-sectoraal

Sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Niet-sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Bodem

Landschap

Beperkingengebied

Bouw

Leiding

Functie

Defensie

Lucht

Ruimtelijk gebruik

Energievoorziening

Mijnbouw

Erfgoed

Natuur

Externe veiligheid

Recreatie

Geluid

Verkeer

Geur

Water en watersysteem

7.8.1.1 Onderscheid tussen sectorale en niet-sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Met de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen wordt aangegeven voor welk aspect van de fysieke leefomgeving een gebied wordt aangewezen. Ze zijn bedoeld om gebieden waarover regels respectievelijk beleidsuitspraken met een sterk sectoraal karakter worden gesteld c.q. gedaan, in een viewer op een kaartbeeld weer te kunnen geven en er zoek- en selecteeracties mee te kunnen doen.

De drie typen Functie, Beperkingengebied en Ruimtelijk gebruik zijn niet bedoeld om een gebied voor een aspect van de fysieke leefomgeving aan te wijzen, maar hebben een ander karakter. De Gebiedsaanwijzing van het type Functie is bedoeld voor de situatie waarin het bevoegd gezag ervoor kiest om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen als abstract criterium te hanteren maar om het resultaat daarvan ook (geheel of gedeeltelijk) op een kaart weer te geven, vergelijkbaar met het in het bestemmingsplan aanwijzen van de bestemming van gronden op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Dit type kan alleen in het omgevingsplan en de omgevingsverordening toegepast worden. Het Gebiedsaanwijzingtype Beperkingengebied is specifiek bedoeld voor het aanwijzen van beperkingengebieden: gebieden waar regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor een bepaald, in dat gebied aanwezig, werk of object. Dit type kan alleen toegepast worden in omgevingsdocumenten waarvan in de Omgevingswet is bepaald dat ze beperkingengebieden kunnen aanwijzen en/of regels over beperkingengebiedactiviteiten kunnen bevatten. Het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijk gebruik is enerzijds bedoeld om provincies in staat te stellen om hun niet-sectorale regels in een viewer op een kaartbeeld weer te geven. Anderzijds sluit het aan bij de door de VNG ontwikkelde staalkaarten voor het omgevingsplan en stelt het gemeenten in staat om tot een ordening van (combinaties van) activiteiten te komen, als alternatief voor het werken met functies.

7.8.1.2 Gebruik van Gebiedsaanwijzingtypen per omgevingsdocument

Niet ieder type Gebiedsaanwijzing kan in ieder omgevingsdocument worden gebruikt, zie bijvoorbeeld wat hiervoor al is aangegeven over het type Beperkingengebied. Daarnaast zijn er Gebiedsaanwijzingtypen waarvan het gebruik in het ene omgevingsdocument meer voor de hand ligt dan in het andere. Provincies worden geacht terughoudend te zijn met het toedelen van functies. Wanneer Rijk en provincies zelf gebiedsgerichte regels stellen, gebruiken ze daarvoor primair de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen. Dat geldt ook voor de waterschappen. Omgekeerd ligt het in de rede dat gemeenten in het omgevingsplan terughoudend zijn bij het gebruik van de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen. Hen wordt aangeraden voor dat instrument primair gebruik te maken van de Gebiedsaanwijzingtypen Functie en Ruimtelijk gebruik. Tabel 9 geeft inzicht in het beoogde gebruik van de Gebiedsaanwijzingtypen.

Tabel 6Gebruik van de Gebiedsaanwijzingtypen in de verschillende omgevingsdocumenten

Omgevingsdocument / soort regeling

AMvB/ MR

Omgevingsverordening

Waterschapsverordening

Omgevingsplan

Omgevingsvisie

Projectbesluit vrijetekstdeel

Omgevingsplanregels uit een projectbesluit[77] Dit zijn de regels in het tijdelijk regelingdeel waarmee het projectbesluit een omgevingsplan wijzigt

Voorbeschermingsregels omgevingsverordening

Voorbeschermingsregels omgevingsplan

Programma

Natura 2000-besluiten

Gebiedsaanwijzingtype

Beperkingengebied

X

X

X

X

Bodem

T

T

T

T

X

Bouw

X

X

X

X

X

X

X

X

Defensie

X

T

T

T

X

Energievoorziening

T

T

T

T

X

Erfgoed

T

T

T

T

X

Externe veiligheid

X

X

Functie

X

T

X

X

X

T

X

X

Geluid

T

X

Geur

X

X

Landschap

T

T

T

T

X

Leiding

T

T

T

T

X

Lucht

X

T

T

T

X

Mijnbouw

X

T

T

T

X

Natuur

T

Recreatie

X

T

T

T

X

Ruimtelijk gebruik

X

X

Verkeer

T

T

T

T

X

Water en watersysteem

T

T

T

X

Tabel 7Legenda

Kan gebruikt worden in dit omgevingsdocument

T

Terughoudend gebruik

X

Kan niet gebruikt worden in dit omgevingsdocument

7.8.1.3 Combinatie van Gebiedsaanwijzing met objecttypen voor tekst

Het objecttype Gebiedsaanwijzing worden altijd toegepast in combinatie met een locatie en tekst. In het geval van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur wordt de Gebiedsaanwijzing gecombineerd met het tekst-object Tekstdeel. In omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur kan geannoteerd worden op het niveau van het element dat inhoud bevat (Divisietekst) én op het niveau van het structuurelement (Divisie). Het annoteren met het objecttype Gebiedsaanwijzing ligt het meeste voor de hand op het niveau van het element dat inhoud bevat: Divisietekst. Het annoteren van Locatie bij een Tekstdeel is optioneel. Let op dat het niet annoteren van Locatie bij een Tekstdeel tot gevolg heeft dat het ook niet mogelijk is om dat Tekstdeel te annoteren met Gebiedsaanwijzing. Bij omgevingsdocumenten met Artikelstructuur wordt de Gebiedsaanwijzing gecombineerd met het tekst-object Juridische regel. De Gebiedsaanwijzing kan gecombineerd worden met alle typen Juridische regel. Dat maakt het mogelijk om met een Gebiedsaanwijzing een gebied aan te wijzen waarvoor een rechtstreeks werkende regel (dus een Juridische regel van het type Regel voor iedereen) wordt gesteld. Ook kan Gebiedsaanwijzing worden gebruikt om duidelijk te maken dat een instructieregel over een bepaald type gebied gaat waarbij dat gebied ook in de Juridische regel van de instructieregel wordt benoemd. Tot slot is het ook mogelijk om een omgevingswaarderegel, naast de annotatie met Omgevingswaarde, ook te annoteren met een Gebiedsaanwijzing.

7.8.1.4 Weergave op de kaart

Op voorhand is niet te zeggen hoeveel en welke specifieke vormen van een bepaald Gebiedsaanwijzingtype in de verschillende omgevingsdocumenten begrensd zullen worden, het is mogelijk dat het er veel verschillende zullen zijn. Er is geen symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) voorhanden die een grote hoeveelheid verschillende specifieke vormen van een type kan weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is. Daarom heeft niet iedere individuele Gebiedsaanwijzing een eigen symbolisatie, maar is er een (standaard)symbolisatie per groep bij elkaar horende Gebiedsaanwijzingen van een bepaald type. Daarvoor heeft Gebiedsaanwijzing het attribuut groep en is er voor ieder Gebiedsaanwijzingtype een (limitatieve) waardelijst voor de groep. Het bevoegd gezag kiest een eigen naam voor de individuele Gebiedsaanwijzing van een bepaald type en kiest voor het attribuut groep uit de waardelijst de waarde die het meest overeenkomt met de bedoeling van die Gebiedsaanwijzing. Hierdoor kunnen de Locaties van alle specifieke vormen van dat type Gebiedsaanwijzing in een (interactieve) viewer met de standaardweergave worden weergegeven op een kaart. Een voorbeeld van het Gebiedsaanwijzingtype Functie om het gebruik van Gebiedsaanwijzing te verduidelijken: De functie supermarkt (naam) hoort tot de functiegroep detailhandel (groep) van het Gebiedsaanwijzingtype Functie (type).

7.8.2 Definitie

Gebiedsaanwijzing is het objecttype voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een specifiek type gebied aanwijzen of over een specifiek type gebied gaan.

7.8.3 Doel

Doel van het generieke objecttype Gebiedsaanwijzing is het bieden van modelmatige flexibiliteit waardoor het toevoegen van nieuwe typen mogelijk is zonder modelwijziging.

Doel van de verschillende typen Gebiedsaanwijzing is:

  • machineleesbaar vastleggen dat een Juridische regel of Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een specifiek type gebied;

  • zodanig op een kaart weergeven van de Locaties waar de regels of het beleid over dat type gebied gelden, dat herkenbaar is over welk aspect ze gaan en er een legenda gemaakt kan worden;

  • kunnen filteren in een viewer of op een kaart.

7.8.4 Norm
media/image48.png
Figuur 41Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Gebiedsaanwijzing
media/image49.png
Figuur 42Groepen bij een aantal van de verschillende typen Gebiedsaanwijzing

Gebiedsaanwijzing kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • type: het type Gebiedsaanwijzing. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘TypeGebiedsaanwijzing’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • naam: de naam van de specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • groep: de categorie waartoe de specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing behoort; attribuut dat de koppeling legt naar de standaardsymbolisatie van die categorie van de Gebiedsaanwijzing. Te kiezen uit de voor het betreffende type Gebiedsaanwijzing van toepassing zijnde limitatieve waardelijst ‘[TypeGebiedsaanwijzing]groep’ (waarbij op de plaats van [TypeGebiedsaanwijzing] het betreffende type Gebiedsaanwijzing wordt ingevuld). Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing naar de bijbehorende Locatie door middel van de identificatie van; attribuut waarmee de Locatie wordt aangeduid waar deze annotatie Gebiedsaanwijzing van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor. Gebiedsaanwijzing heeft één of meer Locaties en één of meer locatieaanduiding-relaties met Locatie.

Gebiedsaanwijzing kent geen constraints.

7.8.5 Toelichting op de norm
  • type: Gebiedsaanwijzing is een generiek objecttype dat gespecificeerd wordt naar type. Het type wordt vastgelegd met het attribuut type. De typen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen in de limitatieve waardelijst ‘TypeGebiedsaanwijzing’. Voorbeelden zijn: Beperkingengebied, Externe veiligheid en Functie.

  • naam: door het bevoegd gezag zelf te kiezen, er is geen waardelijst voor de naam van de gebiedsaanwijzingen. Het gaat hier om de naam van een specifiek voorkomen van een bepaald type gebiedsaanwijzing, bijvoorbeeld ‘Centrumgebied’ als voorkomen van het Gebiedsaanwijzingtype Functie of ‘Kantoorlocatie’ als voorkomen van het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijk gebruik.

  • groep: om een groot aantal verschillende gebiedsaanwijzingen van een bepaald type op een kaartbeeld te kunnen weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is, wordt ieder type Gebiedsaanwijzing gebundeld in groepen. De groep vormt het kenmerk waarop de symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) van de standaardweergave wordt georganiseerd. Ieder type Gebiedsaanwijzing heeft een eigen, limitatieve, waardelijst voor de groepen. Afhankelijk van het type wordt de bijbehorende waardelijst gekozen. Zie hiervoor ook de uitgebreidere toelichting in paragraaf 8.8.1.4.

  • locatieaanduiding: attribuut dat vastlegt dat deze Locatie de locatie is waar deze specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing van toepassing is. Bij een specifieke vorm van een bepaald Gebiedsaanwijzingtype horen één of meer Locaties; per Locatie is er een locatieaanduiding.
    Uitgangspunt is dat het objecttype Gebiedsaanwijzing wordt gebruikt voor het aanwijzen van gebieden. In principe verwijst de locatieaanduiding van een Gebiedsaanwijzing altijd naar Locaties van de verschijningsvorm Gebied of Gebiedengroep (of eventueel Ambtsgebied). Er zijn echter gevallen waarin het wenselijk kan zijn om een Gebiedsaanwijzing te gebruiken voor het herkenbaar weergeven van lijnen. Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de Gebiedsaanwijzing Bouw om in het omgevingsplan rooilijnen weer te geven. Het gebruik van het object Gebiedsaanwijzing in combinatie met punten ligt minder voor de hand, maar wordt niet uitgesloten.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.8.6 Aanbevelingen voor Locatie, noemer en naam GIO bij annoteren met Gebiedsaanwijzing

Een Gebiedsaanwijzing wordt aan de bijbehorende Locatie gekoppeld. De locaties verwijzen steeds naar één Geometrie, dit kan een Surface (vlak) maar ook een MultiSurface (multivlak) zijn. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

  • de Locatie is een Gebiedengroep;

  • de Locatie heeft een noemer;

  • de naam van de Gebiedsaanwijzing is hetzelfde als de naam van het GIO;

  • de naam van de Gebiedsaanwijzing (en daarmee ook van het GIO) moet in de tekst van de regel voorkomen;

  • de noemer van de Locatie is hetzelfde als de naam van de Gebiedsaanwijzing.

7.8.7 De typen Gebiedsaanwijzing
7.8.7.1 Bodem

7.8.7.1.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels met het oog op de bescherming van de bodemkwaliteit gelden, zoals bodembeheergebieden en stortplaatsen. De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de kwaliteit van de bodem, inclusief bodemdaling.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Bodem onder andere gebruiken voor bodembeheergebieden, veenkoloniaal gebied, gesloten of voormalige stortplaatsen, bodemdalingsgebieden en zones die vrij moeten blijven van boringen en/of warmte-koude-opslag. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over bodemaspecten opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Bodem. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.1.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van de bodemkwaliteit.

7.8.7.2 Defensie

7.8.7.2.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie wordt gebruikt voor militaire gebieden, militaire objecten, (de omgeving van) schietterreinen en voor gebieden waar verstoring van radarapparatuur en zend- en ontvangstinstallaties moet worden voorkomen. Voor deze locaties worden bijzondere regels gesteld, onder andere door het Rijk. De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor defensie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over defensie opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Defensie. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.2.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de effecten, de bescherming en het tegengaan van verstoring van militaire gebieden en objecten.

7.8.7.3 Energievoorziening

7.8.7.3.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels gelden met het oog op de energievoorziening, bijvoorbeeld locaties voor kernenergie of hoogspanningsverbindingen. De Gebiedsaanwijzing Energievoorziening kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de energievoorziening, zoals zoeklocaties voor windenergie.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Energievoorziening onder andere gebruiken voor gebieden voor bodemenergie, windturbines, zonne-energie en duurzame energie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over de energievoorziening opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.3.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming en bevordering van de energievoorziening.

7.8.7.4 Erfgoed

7.8.7.4.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed wordt gebruikt voor het weergeven van gebieden en objecten waar specifieke regels gelden met het oog op de bescherming van (cultureel) erfgoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om werelderfgoederen, beschermde stads- en dorpsgezichten, monumenten en waardevolle cultuurlandschappen. De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor het erfgoed.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Erfgoed onder andere gebruiken voor archeologie, buitenplaatsen, cultuurhistorie, werelderfgoed en cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over erfgoed opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen). Dat geldt in het bijzonder voor beschermde stads- en dorpsgezichten en voor (al dan niet voorbeschermde) gemeentelijke en provinciale monumenten. Die moeten worden geannoteerd met de Gebiedsaanwijzing van het type Functie, omdat uit Omgevingswet en Bbl blijkt dat de wetgever er van uitgaat dat daarvoor de systematiek van functie-aanduiding in het omgevingsplan wordt toegepast. Zie hiervoor verder de beschrijving van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie in paragraaf 8.8.7.8.

7.8.7.4.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van cultureel erfgoed.

7.8.7.5 Externe veiligheid

7.8.7.5.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Externe veiligheid wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het waarborgen van de veiligheid specifieke regels gelden. Het gaat hierbij met name om de aandachtsgebieden externe veiligheid (groepsrisico) en de afstanden voor het plaatsgebonden risico. Dit zijn gebieden rond risicovolle activiteiten waarvoor het rijk instructieregels heeft gesteld. De Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de externe veiligheid.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid vooral gebruiken voor belemmeringengebieden en risicogebieden. Ook gemeenten zullen in omgevingsvisie en omgevingsplan beleid en regels over de externe veiligheid opnemen en kunnen daarvoor gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid, bijvoorbeeld voor het in het omgevingsplan opnemen van bouwvoorschriftengebieden en aandachtsgebieden externe veiligheid. Voor het overige is uitgangspunt dat zij in het omgevingsplan bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.5.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Externe veiligheid is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het waarborgen van de veiligheid.

7.8.7.6 Geluid

7.8.7.6.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het tegengaan van geluidhinder specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor geluid.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Geluid vooral gebruiken voor het aanwijzen van stiltegebieden. Ook gemeenten zullen in omgevingsvisie en omgevingsplan beleid en regels over geluid opnemen en kunnen daarvoor gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Geluid. Dat geldt in ieder geval voor het in het omgevingsplan aanwijzen van stille gebieden. Wanneer alle bestuurslagen voor het reguleren van stilte- en stille gebieden gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing Geluid en de groep ‘stiltegebied’ kan dat de vindbaarheid van stilte- en stille gebieden bevorderen. Voor het overige is uitgangspunt dat in het omgevingsplan bij voorkeur gebruik gemaakt wordt van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.6.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het tegengaan van geluidhinder.

7.8.7.7 Geur

7.8.7.7.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Geur wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het tegengaan van geurhinder specifieke regels gelden. Het gaat hierbij met name om de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour geur en om de reconstructiegebieden voor veehouderijen. De Gebiedsaanwijzing van het type Geur kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor geur.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over geur opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Geur. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.7.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Geur is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het tegengaan van geurhinder.

7.8.7.8 Landschap

7.8.7.8.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op de bescherming en de ontwikkeling van het landschap specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor het landschap. Daar waar Landschap beschouwd en beschermd moet worden als Erfgoed wordt gebruik gemaakt van de Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over landschappen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Landschap. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.8.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming en de ontwikkeling van het landschap vanuit ander perspectief dan natuur en erfgoed.

7.8.7.9 Leiding

7.8.7.9.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding wordt gebruikt voor het weergeven van gebieden waar met het oog op het waarborgen van de goede staat en instandhouding van hoogspanningsverbindingen en (buis)leidingen specifieke regels gelden. Het kan ook gaan om het behouden van ruimte voor toekomstige verbindingen. De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de leiding, bijvoorbeeld als zoekgebied voor toekomstige tracés.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over kabels en leidingen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Leiding. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.9.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het waarborgen van de goede staat en instandhouding van leidingen.

7.8.7.10 Lucht

7.8.7.10.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de buitenlucht specifieke regels gelden. Het gaat hierbij in elk geval om de gebieden die in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als gebieden waar niet kan worden uitgesloten dat er sprake is een van dreigende overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de kwaliteit van de buitenlucht.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Lucht vooral gebruiken bij het stellen van regels over varend ontgassen. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid en regels over (de kwaliteit van) lucht opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Lucht. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.10.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht.

7.8.7.11 Mijnbouw

7.8.7.11.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het kunnen uitvoeren van mijnbouwactiviteiten specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de mijnbouw.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw onder andere gebruiken voor beleid en het stellen van regels over de winning van schaliegas. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over de mijnbouw opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.11.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het kunnen verrichten van mijnbouwactiviteiten.

7.8.7.12 Natuur

7.8.7.12.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels respectievelijk beleid voor de bescherming van de natuur gelden. De Omgevingswet verplicht ertoe om bepaalde gebieden en landschappen aan te wijzen. Het gaat dan bijvoorbeeld om Natura 2000-gebieden, gebieden behorend tot het natuurnetwerk Nederland, nationale parken en bijzondere nationale en provinciale natuurgebieden. Doelen van die aanwijzingen zijn het behoud of herstel van dier- en plantensoorten, van hun biotopen en (natuurlijke) habitats en de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Deze gebieden zullen worden aangewezen bij specifieke aanwijzingsbesluiten respectievelijk bij omgevingsverordening. In de omgevingsvisies en programma’s van het Rijk en de provincies zullen de beleidsuitgangspunten en doelstellingen voor de aanwijzing van die gebieden beschreven worden. Ook voor andere gebieden zal, ter bescherming van de natuur, beleid geformuleerd worden en regels gesteld worden. Dat doen in ieder geval Rijk en provincie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over natuur opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Natuur. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.12.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Natuur is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van natuur en landschap.

7.8.7.13 Recreatie

7.8.7.13.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels gelden met het oog op recreatie, bijvoorbeeld locaties waar verblijfsrecreatie wel of juist niet is toegestaan. De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor recreatie.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie onder andere gebruiken voor beleid en regels over verblijfsrecreatie en kleinschalige vormen van recreatie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over recreatie opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.13.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de beheersing en ontwikkeling van recreatie.

7.8.7.14 Ruimtelijk gebruik

7.8.7.14.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik wordt gebruikt voor gebieden waarvoor beleid en regels gesteld worden over die vormen van ruimtelijk gebruik die niet onder een van de andere Gebiedsaanwijzingtypen te vatten zijn. Het gaat hierbij met name om specifieke stedelijke, landelijke, en recreatieve gebieden waar beperkingen gelden, maar eventueel ook ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is. De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden waarvoor het ruimtelijk gebruik beleidsmatig bijzondere aandacht vereist.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik met name benutten voor het aangeven van specifieke vormen van ruimtelijk gebruik, zoals bebouwingscontouren, bedrijventerreinen, detailhandel, kantoorlocaties, landbouw en veehouderij. Voor gemeenten biedt de Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik de mogelijkheid om een generalisatie van het feitelijke ruimtelijke gebruik weer te geven voor het gemeentelijke grondgebied of delen daarvan. Dit type Gebiedsaanwijzing geeft ook aansluiting bij de door de VNG ontwikkelde staalkaarten voor het omgevingsplan. Een voorbeeld daarvan is ‘stedelijk gebied-buiten centrum’.

7.8.7.14.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op die vormen van ruimtelijk gebruik die niet onder een van de andere Gebiedsaanwijzingtypen te vatten zijn.

7.8.7.15 Verkeer

7.8.7.15.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer wordt gebruikt voor gebieden waar mobiliteit een belangrijk aspect is. Het kan hier bij gaan om spoorwegen, wegen en luchthavens en de gebieden daaromheen waar specifieke regels gelden over beheer, onderhoud en ontwikkeling van deze gebieden, maar ook bijvoorbeeld over het plaatsen van reclame-uitingen. De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor verkeer.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer onder andere gebruiken voor luchtvaart, wegen en spoorwegen. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over verkeersaspecten opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.15.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op beheer, onderhoud en ontwikkeling van verkeer en mobiliteit.

7.8.7.16 Water en watersysteem

7.8.7.16.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem wordt gebruikt voor gebieden en waterstaatswerken die van belang zijn voor het beheer van water en watersystemen. Voorbeelden zijn de ligging van oppervlaktewateren en waterstaatswerken en de begrenzing van het kustfundament, zwemlocaties, grondwaterbeschermingsgebieden en voor de reserveringsgebieden van grote rivieren. De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor water en watersysteem.

Provincies en waterschappen zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem vooral gebruiken voor waterbergingsgebieden, grondwater en grondwaterbeschermingsgebieden, oppervlaktewateren en (primaire en regionale) keringen. Voor de waterschapsverordening zal het Gebiedsaanwijzingtype Water en watersystemen het belangrijkste objecttype zijn. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over water en watersystemen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

7.8.7.16.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het beheer van water en watersystemen.

7.9 Objecttype SymbolisatieItem

7.9.1 Toelichting op de toepassing

Zoals in paragraaf 3.6 is beschreven, heeft het bevoegd gezag twee methoden om zelf invloed uit te oefenen op de weergave van objecten, Locaties en waarden op een kaart. De eerste methode bestaat uit het kiezen van een eigen, specifieke symbolisatie voor een aantal objecttypen. Het bevoegd gezag kan de symbolisatie zelf kiezen uit de lijst van gestandaardiseerde symboolcodes, te vinden in de symbolenbibliotheek. Daarvoor wordt het objecttype SymbolisatieItem gebruikt.

Met SymbolisatieItem kan het bevoegd gezag een eigen, specifieke symbolisatie geven aan ActiviteitLocatieaanduiding, Normwaarde en (de verschillende typen) Gebiedsaanwijzing.

De tweede methode, het zelf samenstellen van kaarten en kaartlagen, is beschreven in de paragrafen 8.10 en 8.11.

7.9.2 Definitie

SymbolisatieItem is het objecttype waarmee een bevoegd gezag zelf de symbolisatie van domeinspecifieke objecten kan bepalen, die daarmee voorrang krijgt boven de standaardsymbolisatie.

7.9.3 Doel

Doel van het objecttype SymbolisatieItem is om het bevoegd gezag de mogelijkheid te bieden om zelf de symbolisatie van objecten te bepalen.

7.9.4 Norm
media/image50.png
Figuur 43Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype SymbolisatieItem

SymbolisatieItem kent de volgende attributen:

  • symboolcode: een waarde uit de lijst van gestandaardiseerde symboolcodes, te vinden in de symbolenbibliotheek. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie: de Activiteitlocatieaanduiding die weergegeven dient te worden met de symbolisatie die door het bevoegd gezag is bepaald en afwijkt van de standaardsymbolisatie. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • gebiedsaanwijzingSymbolisatie: de Gebiedsaanwijzing die weergegeven dient te worden met de stijl behorende bij de symboolcode. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • normwaardeSymbolisatie: de normwaarde die weergegeven dient te worden met de stijl behorende bij de symboolcode. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

SymbolisatieItem kent geen constraints.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet.

7.9.5 Toelichting op de norm
  • symboolcode: het attribuut waarmee de gekozen symboolcode wordt vastgelegd. Het bevoegd gezag kiest de symboolcode uit de symbolenbibliotheek die hoort bij de symbolisatie die overeenkomt met de wijze waarop het bevoegd gezag de objecten wil weergeven. Wanneer het object SymbolisatieItem wordt gebruikt, is dat het object dat voor de weergave zorgt. Het gaat dan dus boven de weergave-werking van het attribuut groep.

  • activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie, gebiedsaanwijzingSymbolisatie, normwaardeSymbolisatie: de attributen die de verwijzing bevatten van het SymbolisatieItem naar de identificatie van een specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing of Normwaarde. Dit attribuut geeft aan welke van die objecten weergegeven wordt met de symboolcode uit het SymbolisatieItem. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de ActiviteitLocatieaanduidingen, Gebiedsaanwijzingen Normwaarden waarnaar niet verwezen wordt met SymbolisatieItem, worden weergegeven met de standaardweergave van de groep die bij die objecten hoort.
    Met activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie is het mogelijk om de activiteiten ‘het exploiteren van een discotheek’ en ‘het exploiteren van daghoreca’ ieder op een eigen manier weer te geven in plaats van met de standaardweergave die hoort bij de Activiteitengroep ‘exploitatieactiviteit horeca’. Ook is het hiermee mogelijk om de symbolisatie af te stemmen op de ‘instantie’ van de activiteit, oftewel de activiteitregelkwalificatie. De Locaties waar voor een bepaalde activiteit een vergunningplicht geldt worden dan bijvoorbeeld in een rode kleur weergegeven en de locaties waar die activiteit zonder vergunning of melding is toegestaan worden in een groene kleur weergegeven. Met gebiedsaanwijzingSymbolisatie kunnen specifieke voorkomens van een type Gebiedsaanwijzing die tot dezelfde groep behoren, ieder op een manier worden weergegeven in plaats van met de standaardweergave die hoort bij de betreffende groep.
    Met normwaardeSymbolisatie is het bijvoorbeeld mogelijk om van een omgevingsnorm of omgevingswaarde alle waarden die liggen tussen 0 en 5 met een rode kleur weer te geven en alle waarden die liggen tussen 6 en 10 met een blauwe kleur.

Toelichting op werkafspraak

Geconstateerd is dat het objecttype SymbolisatieItem niet goed gemodelleerd is. Het heeft geen identificatie waardoor het niet op de gebruikelijke wijze gewijzigd kan worden. Het is mogelijk om meer dan 1 SymbolisatieItem aan een object te koppelen. In dat geval is niet gedefinieerd welke symbolisatie gebruikt moet worden voor de weergave van het object. Bovendien is de methode van symbolisatie van OW-objecten conceptueel anders dan de symbolisatie van GIO’s waardoor symbolisatie twee keer én net anders moet worden uitgewisseld.

Er wordt een verbeterde methode voor de eigen symbolisatie ontwikkeld. Om te voorkomen dat als dat gereed is, alle omgevingsdocumenten waarin SymbolisatieItem is gebruikt moeten worden aangepast of gemigreerd, ook als er geen inhoudelijke reden is om het omgevingsdocument nog te wijzigen, is het wenselijk dat het objecttype SymbolisatieItem niet wordt toegepast.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet’.

7.10 Objecttype Kaart

7.10.1 Toelichting op de toepassing

Zoals in paragraaf 3.6 is beschreven, heeft het bevoegd gezag twee methoden om zelf invloed uit te oefenen op de weergave van objecten, Locaties en waarden op een kaart. De eerste methode, die bestaat uit het kiezen van een eigen symbolisatie met behulp van het objecttype SymbolisatieItem, is beschreven in paragraaf 8.9.

De tweede methode die bevoegde gezagen ter beschikking staat, is het zelf samenstellen van kaarten en kaartlagen. Met deze methode kan het bevoegd gezag zelf aangeven dat bepaalde informatie, of een set van informatie, op een afzonderlijke kaart of kaartlaag moet worden weergegeven. Die tweede methode wordt beschreven in deze en in de volgende paragraaf.

Het objecttype Kaart kan gebruikt worden om vast te leggen dat een Juridische regel of een Tekstdeel wordt weergegeven op een specifieke kaart. Daarmee is het mogelijk om een kaart te genereren waarop alle Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij Juridische regels respectievelijk Tekstdelen die met het objecttype Kaart zijn geannoteerd.

Deze eigen weergavemogelijkheden gelden alleen voor DSO-LV en een eventuele eigen viewer van het bevoegd gezag, niet op overheid.nl.

7.10.2 Definitie

Het objecttype Kaart is het objecttype waarmee een bevoegd gezag aan kan geven dat bij een specifieke Juridische regel respectievelijk een specifiek Tekstdeel de domeinspecifieke OW-objecten moeten worden weergegeven op een afzonderlijke kaart.

7.10.3 Doel

Doel van het objecttype Kaart is het kunnen genereren van een kaart waarop de Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij één of meer bepaalde Juridische regels of Tekstdelen zodat die in samenhang kunnen worden getoond.

7.10.4 Norm
media/image51.png
Figuur 44Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Kaart

Kaart kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de kaart. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • nummer: het nummer van de kaart. Door het bevoegd gezag te kiezen. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

  • uitsnede: de ligging van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Het attribuut uitsnede wordt ingevuld met de gegevensgroep Kaartextent die de volgende attributen kent:

    • minX: de laagste X-coördinaat, bepaalt de linkergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • minY: de laagste Y-coördinaat, bepaalt de ondergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • maxX: de hoogste X-coördinaat, bepaalt de rechtergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • maxY: de hoogste Y-coördinaat, bepaalt de bovengrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • kaartlagen: de verwijzing van een specifieke Kaart naar (de identificatie van) de kaartlagen die deze kaart vormen. Verplicht attribuut. Komt 1 of meerdere keren voor.

Wanneer Kaart wordt gebruikt, moet aan de bijbehorende Juridische regel dan wel het bijbehorende Tekstdeel het attribuut kaartaanduiding worden toegevoegd, dat aangeeft op welke Kaart de Juridische regel dan wel het Tekstdeel wordt weergegeven.

Kaart kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.10.5 Toelichting op de norm

kaartuitsnede: met het attribuut kaartuitsnede kan het bevoegd gezag de exacte grenzen van een specifieke kaart aangeven. DSO-LV kan dit gebruiken in de weergave.

kaartlagen: het attribuut dat de verwijzing bevat van een specifieke kaart naar de identificatie van de afzonderlijke kaartlagen die de kaart opbouwen. De volgorde waarmee verwezen wordt naar de afzonderlijke kaartlagen heeft geen invloed aangezien de opbouw van de kaart bepaald wordt door het attribuut niveau van het object Kaartlaag.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.11 Objecttype Kaartlaag

7.11.1 Toelichting op de toepassing

Op een kaart kan veel informatie voorkomen. Wanneer die informatie in verschillende kaartlagen wordt vastgelegd is het mogelijk om alle informatie van de kaart tegelijk weer te geven, om de informatie van één van de kaartlagen weer te geven en om de informatie van een deel van de kaartlagen in samenhang weer te geven.

7.11.2 Definitie

Kaartlaag is het objecttype waarmee de lagen worden gedefinieerd waaruit een kaart wordt opgebouwd.

7.11.3 Doel

Doel van het objecttype Kaartlaag is om het mogelijk te maken dat een kaart kan worden opgebouwd uit verschillende, door het bevoegd gezag te bepalen lagen en dat geselecteerd kan worden welke informatie van een kaart op die kaartlaag wordt weergegeven.

7.11.4 Norm
media/image51.png
Figuur 45Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Kaartlaag

Kaartlaag kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de Kaartlaag. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

  • niveau: de plaats van een specifieke Kaartlaag in de volgorde van Kaartlagen waarmee een Kaart moet worden opgebouwd. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Wordt vastgelegd door middel van een positief geheel getal.

  • gebiedsaanwijzingweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een Gebiedsaanwijzing die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • normweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een Omgevingsnorm of Omgevingswaarde die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • activiteitlocatieweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een ActiviteitLocatieaanduiding die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Kaartlaag kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.11.5 Toelichting op de norm
  • niveau: het niveau bepaalt de volgorde waarin de kaartlagen worden opgebouwd. Niveau 1 is de onderste Kaartlaag, de hier op volgende kaartlagen worden daarboven geprojecteerd.

  • activiteitlocatieweergave, gebiedsaanwijzingweergave, normweergave: de attributen die de verwijzing bevatten van de Kaartlaag naar de identificatie van een specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing, Omgevingswaarde of Omgevingsnorm. Dit attribuut geeft aan welke van die objecten moet worden weergegeven op een bepaalde kaartlaag.
    Wanneer aan de specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing, Omgevingswaarde of Omgevingsnorm het object SymbolisatieItem is gekoppeld, wordt het object op de kaartlaag weergegeven met de door het bevoegd gezag gekozen symbolisatie. Wanneer er geen object SymbolisatieItem is gekoppeld, wordt het object op de kaartlaag weergegeven met de standaardweergave van de groep die bij het specifieke object is aangegeven.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.12 Objecttype Regelingsgebied

7.12.1 Toelichting op de toepassing

Het objecttype Regelingsgebied is bedoeld om het volledige gebied waar de Regeling over gaat aan te geven. Dat volledige gebied wordt gevormd door de optelling van alle Locaties van de Juridische regels of Tekstdelen die in de Regeling voorkomen. Het object Regelingsgebied bestaat uit één Locatie die de buitengrens of buitengrenzen van de optelling van alle Locaties vormt. Wanneer het Regelingsgebied niet één aaneengesloten geheel vormt, kan de Locatie uiteraard bestaan uit de samenvoeging van twee of meer Gebieden tot een Gebiedengroep. Aan de hand van dit object kan DSO-LV bepalen welke regelingen op welke gebieden van toepassing zijn. Het objecttype Regelingsgebied is noodzakelijk voor DSO-LV om het omgevingsdocument te kunnen tonen. Door dit object kan de DSO-viewer de begrenzing laten zien van het volledige gebied waar de Regeling over gaat én kan die viewer bij een klik op de kaart laten zien welke omgevingsdocumenten op die plek van toepassing zijn.

Het bevoegd gezag dient per Regeling het Regelingsgebied aan te leveren. In principe is dit een eenmalige aanlevering. Voor omgevingsplan en waterschapsverordening zal het Regelingsgebied samen met de bruidsschat door het Rijk worden aangeleverd en hoeven gemeenten en waterschappen dat niet zelf te doen. Mocht gedurende de levensloop van de Regeling het Regelingsgebied wijzigen, dan moet het bevoegd gezag uiteraard de Locatie behorend bij het Regelingsgebied wijzigen.

In veel gevallen valt het Regelingsgebied samen met het ambtsgebied van het bevoegd gezag. Dat is in ieder geval zo bij AMvB, ministeriële regeling, omgevingsverordening, waterschapsverordening, omgevingsplan en omgevingsvisie.

Let op dat bij het omgevingsplan en de waterschapsverordening het Regelingsgebied óók het ambtsgebied is wanneer in omgevingsplan of waterschapsverordening als bodembeheergebied als bedoeld in artikel 5.89o respectievelijk 6.3 Besluit kwaliteit leefomgeving een gebied wordt aangewezen dat groter is dan het ambtsgebied van de aanwijzende gemeente respectievelijk waterschap[78] Artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving geeft gemeenten de bevoegdheid om in het omgevingsplan een bodembeheergebied aan te wijzen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van bepaalde kwaliteitseisen van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het toepassen van grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de landbodem. Blijkens de Nota van Toelichting op het Aanvullingsbesluit Bodem (Staatsblad 2021, nr 98, pag. 427-428) mag de gemeente daarbij een groter gebied aanwijzen dan de eigen gemeente. De gemeente kan het gebied buiten de eigen gemeente alleen aanwijzen als herkomstgebied en niet als toepassingsgebied. Artikel 6.3 Besluit kwaliteit leefomgeving geeft waterschappen een vergelijkbare bevoegdheid voor de waterschapsverordening.
. Het gebied buiten het ambtsgebied valt dan buiten het Regelingsgebied.

Bij het projectbesluit en het Natura 2000-besluit valt het Regelingsgebied niet samen met het ambtsgebied, maar is het Regelingsgebied gelijk aan het gebied waar het project (met inbegrip van eventuele (compensatie)maatregelen) wordt uitgevoerd, het Natura 2000-gebied dat wordt aangewezen respectievelijk het deel daarvan waar een beperking aan de toegang wordt gesteld. Bij programma, instructie, reactieve interventie en voorbereidingsbesluit is het sterk afhankelijk van de inhoud of het Regelingsgebied gelijk is aan het ambtsgebied of niet.

Regelingsgebied is een objecttype dat hoort bij de Regeling. Voor de relatie tussen Regelingsgebied, Locatie, GIO en tekst geldt één van de volgende opties:

  1. In de situatie waarin het Regelingsgebied gelijk is aan het ambtsgebied:
    De geometrie van het Regelingsgebied wordt niet in een GIO vastgelegd. Het Regelingsgebied wordt als los OW-object meegeleverd dat verwijst naar het ambtsgebied in de BestuurlijkeGrenzenVoorziening. Het Regelingsgebied wordt niet gekoppeld aan een Juridische regel of Tekstdeel en het is niet nodig (en ook niet de bedoeling) om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied instelt of benoemt.

  2. In de situatie waarin het Regelingsgebied niet gelijk is aan het ambtsgebied:
    De geometrie waarvan het Regelingsgebied gebruikt maakt moet in een GIO vastgelegd zijn. Er zijn twee situaties te onderscheiden:

    1. Het omgevingsdocument heeft al vanuit de inhoud een specifieke Locatie waar het Regelingsgebied naar kan verwijzen
      Voorbeelden daarvan zijn het in het projectbesluit benoemde projectgebied en het door een aanwijzingsbesluit Natura 2000 aangewezen Natura 2000-gebied. Het Regelingsgebied wordt als los OW-object meegeleverd dat verwijst naar de betreffende specifieke Locatie. Het Regelingsgebied zelf wordt niet gekoppeld aan een Juridische regel of Tekstdeel en het is niet nodig om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied instelt of benoemt en de verwijzing naar een GIO bevat. Het Regelingsgebied verwijst immers naar een bestaande specifieke Locatie; in de tekst is die specifieke Locatie al benoemd en die tekst bevat ook al de GIO-verwijzing.

    2. Het omgevingsdocument heeft niet vanuit de inhoud een specifieke Locatie waar het Regelingsgebied naar kan verwijzen
      Een voorbeeld hiervan is een reactieve interventie die bepaalt dat een aantal onderdelen, met eigen Locaties, van een besluit tot wijziging van een omgevingsplan geen deel van het omgevingsplan uitmaken. In dit geval moet voor het Regelingsgebied een Locatie worden gecreëerd die de buitengrens vormt van de optelling van alle Locaties van de Juridische regels of Tekstdelen die in de Regeling voorkomen. Het is in deze situatie wel nodig om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied benoemt en de verwijzing naar een GIO bevat. Het OW-object Regelingsgebied wordt gekoppeld aan de Juridische regel of het Tekstdeel van dat artikel of stuk tekst.

7.12.2 Definitie

Regelingsgebied is het objecttype dat machineleesbaar vastlegt waar de volledige Regeling van toepassing is.

7.12.3 Doel

Doel van het objecttype Regelingsgebied is het geheel van Locaties aan te geven waarover in een bepaalde Regeling regels dan wel beleid zijn vastgesteld.

7.12.4 Norm
media/image52.png
Figuur 46Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Regelingsgebied

Regelingsgebied kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een Regelingsgebied naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie; attribuut dat de specifieke Locatie aanduidt waar dit Regelingsgebied van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

Regelingsgebied kent geen waardelijsten en geen constraints.

7.12.5 Toelichting op de norm

locatieaanduiding: het attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de specifieke Locatie die bij het Regelingsgebied hoort. Voor Regelingsgebied bevat Locatie (de verwijzingen naar) de geometrie(ën) die de buitengrens of buitengrenzen van de regeling vormen.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

7.13 Hergebruik van en verwijzen naar OW-objecten in een andere Regeling

In het kader van enkelvoudige opslag, meervoudig gebruik kan de wens bestaan om in een omgevingsdocument gebruik te maken van een OW-object uit een ander omgevingsdocument, oftewel een andere Regeling. Doorgaans zal dat gaan om het verwijzen naar Locaties in een andere Regeling. Dat kan op twee manieren:

  1. door een kopie van een OW-object te maken en die in een andere Regeling te gebruiken;

  2. door te verwijzen naar een OW-object in een andere Regeling.

Deze methoden worden in de volgende paragrafen beschreven, met regels over de toepassing.

7.13.1 Hergebruik door het kopiëren van OW-objecten

Bij deze methode wordt een kopie gemaakt van een OW-object in Regeling A en wordt die kopie in Regeling B gebruikt. Dit kan als Regelingen A en B van hetzelfde bevoegd gezag zijn, maar ook als ze van verschillende bevoegde gezagen zijn. De kopie moet een andere identificatie krijgen dan het origineel. Dat is omdat iedere identificatie uniek moet zijn en (relevant bij een kopie van een OW-object van een ander bevoegd gezag) omdat in de OW-object-identificatie de bevoegdgezag-code verweven is. Door hergebruik door het kopiëren van een OW-object hoort het gekopieerde OW-object bij de Regeling waarin het wordt gebruikt. Deze methode is zonder meer toegestaan. Het hergebruik zal doorgaans (mede) betrekking hebben op een of meer Locaties. Dan zal ook het GIO waarin die Locaties zijn vastgelegd, gekopieerd worden. Voor het kopiëren van OW-Locaties en GIO’s kan gebruik gemaakt worden van de downloadservice die het stelsel ter beschikking stelt.

7.13.2 Hergebruik door te verwijzen naar een OW-object in een andere Regeling

In de tekst van omgevingsdocumenten en bij het annoteren ervan wordt verwezen naar (de identificatie van) GIO’s en OW-objecten. Bij deze methode van hergebruik wordt in Regeling B niet verwezen naar een OW-object dat behoort bij die Regeling, maar wordt verwezen naar (de identificatie van) een OW-object dat behoort bij Regeling A. Ook deze vorm van hergebruik zal doorgaans betrekking hebben op een of meer Locaties. Er zal dan ook sprake zijn van verwijzen naar GIO’s in de andere Regeling. Het verwijzen naar GIO’s volgt dan ook de regels van de Norm van paragraaf 7.13.2.1

7.13.2.1 Norm

Voor het verwijzen van OW-objecten naar andere OW-objecten gelden de volgende regels:

  • een OW-object behorend bij een Regeling niet zijnde een tijdelijk regelingdeel mag alleen verwijzen naar een OW-object behorend bij een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag, met uitzondering van de relatie bovenliggendeActiviteit van het OW-object Activiteit, waarvoor specifieke regels gelden;

  • een OW-object behorend bij een Regeling niet zijnde een tijdelijk regelingdeel mag niet verwijzen naar een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel;

  • een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel mag alleen verwijzen naar een OW-object behorend bij hetzelfde tijdelijk regelingdeel, met uitzondering van de relatie bovenliggendeActiviteit van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel, waarvoor specifieke regels gelden.

7.13.2.2 Toelichting op de norm

Inleiding en achtergrond

Als een OW-object behorend bij Regeling A kan verwijzen naar een OW-object in Regeling B, kan het gebeuren dat op een gegeven moment het OW-object in Regeling B wordt beëindigd omdat het niet meer van toepassing is. Bij de huidige stand van TPOD-standaard en implementatie in de DSO-keten kan naar een OW-object alleen dynamisch worden verwezen; er wordt verwezen naar de actuele versie en het is niet mogelijk om te verwijzen naar een specifieke versie van een OW-object. In Regeling A zou dan worden verwezen naar een niet meer bestaand OW-object. DSO-LV kan niet omgaan met verwijzingen naar niet meer bestaande OW-objecten, omdat er dan een dode link is en DSO-LV geen resultaat kan teruggeven. Daarom geldt de regel dat een OW-object niet mag worden beëindigd als er naar wordt verwezen.

Het verwijzen naar OW-objecten in andere Regelingen levert technische en juridische problemen en risico’s op. De volgende voorbeelden illustreren dat:

  • De provincie verwijst in de omgevingsverordening naar de locatie van een Natura 2000-gebied dat het Rijk in een Regeling heeft aangewezen. Als het Rijk later de Regeling intrekt, kan het Rijk -op grond van de eerder genoemde regel- de Locatie van het Natura 2000-gebied niet beëindigen omdat er vanuit de omgevingsverordening naar wordt verwezen. De Locatie van het Natura 2000-gebied blijft, als enige onderdeel van de ingetrokken Regeling, in DSO-LV achter. Door het intrekken van de Regeling is de juridische grondslag voor die Locatie vervallen. De verwijzing vanuit de omgevingsverordening naar die Locatie verdwijnt niet automatisch. De provincie krijgt geen melding dat de Regeling van het Rijk waar die Locatie bij hoorde niet meer bestaat. Vanuit de omgevingsverordening wordt nog steeds naar die Locatie verwezen waarvan de juridische grondslag is vervallen.

  • In een omgevingsplan is voor het werkingsgebied van een artikel verwezen naar een Locatie in de omgevingsverordening. Als de provincie later die Locatie wijzigt, is daardoor ook het werkingsgebied van het artikel in het omgevingsplan gewijzigd, zonder dat de gemeente daarover een besluit heeft genomen. Voor die wijziging is niet de juiste procedure van ter inzage leggen van ontwerpbesluit en van definitief besluit gevolgd, met de bijbehorende mogelijkheden van zienswijzen en beroep. Bovendien bestaat er het risico dat de provincie de Locatie zo wijzigt dat deze de gemeentegrens overschrijdt. Door de verwijzing zou de Locatie in het omgevingsplan automatisch meewijzigen en zou de gemeente regels stellen in een gebied waar ze niet bevoegd is dat te doen.

Hoofdregel

Om de technische en juridische problemen en risico’s te voorkomen is de hoofdregel dat een OW-object alleen mag verwijzen naar een OW-object behorend bij een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag. Het is dus wel toegestaan dat OW-objecten in de omgevingsvisie van provincie A verwijzen naar OW-objecten in de omgevingsverordening van diezelfde provincie, maar het is niet toegestaan dat OW-objecten in een waterschapsverordening verwijzen naar OW-objecten in een omgevingsverordening. Uitgangspunt bij het wel toestaan van verwijzingen naar een OW-object in een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag is dat het bevoegd gezag zich bewust zal zijn van dergelijke verwijzingen. Het kan dan zelf maatregelen treffen om de hiervoor genoemde technische en juridische onwenselijke situatie te voorkomen. Als het bevoegd gezag dat nog niet heeft gedaan voorafgaand aan de aanlevering van de beëindiging van een object, krijgt het zelf de melding van het stelsel dat het beëindigen van het OW-object niet mogelijk is omdat er (vanuit een andere Regeling) naar dat object wordt verwezen.

Specifieke regels

Op de regel dat OW-objecten alleen mogen verwijzen naar OW-objecten die horen bij een andere Regeling als dat een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag is, geldt een aantal uitzonderingen. Voor die uitzonderingen gelden specifieke regels.

De eerste uitzondering betreft tijdelijk regelingdelen. Het tijdelijk regelingdeel moet zoveel als maar mogelijk is autonoom zijn. Dat maakt het mogelijk dat bij het intrekken van een tijdelijk regelingdeel automatisch alle OW-objecten behorend bij dat tijdelijk regelingdeel worden beëindigd. Daarom mag een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel alleen verwijzen naar een OW-object in hetzelfde tijdelijk regelingdeel en mag omgekeerd een OW-object behorend bij een andere Regeling niet verwijzen naar OW-objecten in een tijdelijk regelingdeel. Bij voorbeeld: Een Juridische regel in een tijdelijk regelingdeel met voorbeschermingsregels bij het omgevingsplan van de gemeente A mag wel verwijzen naar een Locatie behorend bij datzelfde tijdelijk regelingdeel en niet naar een Locatie behorend bij de hoofdregeling van het omgevingsplan van de gemeente A. De Juridische regel in dat tijdelijk regelingdeel mag ook niet verwijzen naar een Locatie behorend bij de omgevingsverordening van de provincie die het voorbereidingsbesluit heeft genomen dat het tijdelijk regelingdeel instelt. Op de regel dat een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel alleen mag verwijzen naar een OW-object in hetzelfde tijdelijk regelingdeel geldt weer een uitzondering voor de bovenliggendeActiviteit-relatie van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel. Aangezien het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit niet met Activiteit geannoteerd kan worden, wordt deze uitzondering niet verder besproken.

De tweede uitzondering betreft de relatie bovenliggendeActiviteit van het OW-object Activiteit behorend bij andere Regelingen dan tijdelijk regelingdelen. Aangezien het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit niet met Activiteit geannoteerd kan worden, wordt deze uitzondering niet verder besproken.

Aandachtspunten bij verwijzen naar OW-objecten in Regeling van hetzelfde bevoegd gezag

Er zijn gevallen waarin het de bedoeling van het bevoegd gezag is dat Regeling B mee wijzigt met wijzigingen van de eigen Regeling A. Een voorbeeld is dat in een omgevingsverordening de begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden wordt vastgesteld en omgevingsvisie en waterprogramma die begrenzing volgen. Toekomstige wijzigingen kunnen dan in Regeling B juridisch worden geborgd door de formulering daarop af te stemmen.

Ter voorkoming van wijzigingen met ongewenst juridisch effect wordt geadviseerd om, als er wordt verwezen naar een OW-object in een andere Regeling van hetzelfde bevoegd gezag, van de ‘harde’ Regeling naar de ‘zachte’ Regeling te verwijzen. Dus wel een verwijzing vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie naar een OW-object in het omgevingsplan, maar niet vanuit het omgevingsplan verwijzen naar een OW-object in de omgevingsvisie.

Maak bij voorkeur geen verwijzing vanuit een Regeling naar een OW-object in een andere Regeling die mogelijk in de toekomst wordt ingetrokken of waarvan in de toekomst de vindbaarheid wordt beperkt omdat die Regeling dan materieel uitgewerkt is. Een voorbeeld van dat laatste is een Locatie die in een projectbesluit van het waterschap wordt ingesteld. Het waterschap kan er in de toekomst voor kiezen om het resultaat van het project dat door dat projectbesluit mogelijk is gemaakt, te borgen in de waterschapsverordening. Als het project volledig is gerealiseerd, is het projectbesluit materieel uitgewerkt. Het is dan niet langer zinvol om het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit nog in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV in het overzicht van actuele instrumenten te zien. Een volgende versie van de STOP/TPOD-standaard gaat het mogelijk maken om de vindbaarheid van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit te beperken. Het is dan niet wenselijk als vanuit de waterschapsverordening is verwezen naar een Locatie in het projectbesluit.

Tijdelijke maatregel

Het beperken van de mogelijkheid om te verwijzen naar OW-objecten in andere Regelingen is een tijdelijke maatregel. De bedoeling is dat dat in de toekomst wel kan. Daarvoor is het nodig dat de TPOD-standaard het mogelijk maakt om naar een specifieke versie van een OW-object te verwijzen, en/of dat DSO-LV kan omgaan met verwijzingen naar niet meer bestaande OW-objecten.

Workaround

Zolang deze regel geldt kan een bevoegd gezag wel gebruik maken van een OW-object in een Regeling van een ander bevoegd gezag, maar dan door dat object te kopiëren en zelf in de eigen regeling op te nemen. Dat is de methode die is beschreven in paragraaf 7.13.2.1.

7.14 Het niveau van annoteren

Een annotatie met een OW-object kan -in inhoudelijke zin- betrekking hebben op een hele Regeltekst respectievelijk een hele Divisie of Divisietekst, of alleen op een Juridische regel of een Tekstdeel, en indien gewenst zelfs op een onderdeel daarvan. In de technische uitwerking worden annotaties gepositioneerd op het niveau van Regeltekst respectievelijk Divisie of Divisietekst: iedere annotatie verwijst naar de identificatie van de Regeltekst dan wel de Divisie of Divisietekst. De annotatie die inhoudelijk gaat over een onderdeel van een Regeltekst, Divisie of Divisietekst verwijst dus niet exact naar het opsommingsonderdeel of het stukje tekst waarop de annotatie van toepassing is, maar naar (de identificatie van) de Regeltekst (oftewel het artikel of lid) of de Divisie of Divisietekst waarin de annotatie voorkomt. Gevolg daarvan is dat DSO-LV bij een bevraging het hele Artikel of het hele Lid c.q. de hele Divisie of Divisietekst toont en niet alleen de Juridische regel, Tekstdeel of het stukje tekst waar de annotatie inhoudelijk betrekking op heeft. Dat is ook wenselijk omdat op die manier de volledige context wordt getoond.

7.15 Annoteren wanneer een deel van norm of beleid in een bijlage staat

Zoals hiervoor al een aantal keren is opgemerkt wordt het annoteren met OW-objecten alleen toegepast op het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten, oftewel het onderdeel dat de artikelen respectievelijk de inhoudelijke (beleids)teksten bevat. Bij dat inhoudelijke deel kunnen bijlagen worden gevoegd. Aan (onderdelen van) bijlagen kunnen geen annotaties worden toegevoegd. In omgevingsdocumenten met Artikelstructuur kunnen Locatie en de domeinspecifieke annotaties (Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en Gebiedsaanwijzing) immers alleen gekoppeld worden aan het OW-object Juridische regel. Het object Juridische regel kan alleen worden toegepast op een artikel of een lid en niet op (onderdelen van) een bijlage. Datzelfde geldt voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur: daar kan de domeinspecifieke annotatie (i.c. Gebiedsaanwijzing) alleen gekoppeld worden aan het OW-object Tekstdeel. Het object Tekstdeel kan alleen worden toegepast op de (beleids)tekst van het omgevingsdocument en niet op (onderdelen van) een bijlage.

Er zijn situaties waarin het, bijvoorbeeld om redenen van leesbaarheid of vormgeving (denk aan lange lijsten en complexe tabellen), wenselijk is om onderdelen van een norm niet in het artikel van de norm maar in een bijlage te plaatsen. Voorbeelden van die onderdelen zijn de waarden van een omgevingsnorm of omgevingswaarde en de locaties waar een norm geldt. Ook in zo’n geval wordt een bijlage niet geannoteerd, maar worden de annotaties aan het artikel (of lid) toegevoegd. De mensleesbare informatie staat dan in de bijlage; de machineleesbare informatie is gekoppeld aan het artikel of lid. Een gebruiker merkt dat niet.

Deze systematiek kan worden toegepast bij het annoteren met Activiteit. Een voorbeeld is een artikel in een omgevingsplan waarin staat dat het ter plaatse van de functie Bedrijventerrein toegestaan is om de activiteiten te verrichten die in de bijlage zijn opgesomd. Ook bij het annoteren met de OW-objecten Omgevingsnorm en Omgevingswaarde kan dit principe worden toegepast. Er moet dan echter wel rekening mee gehouden worden dat de STOP/TPOD-standaard niet toestaat dat kwantitatieve respectievelijk kwalitatieve waarden die bij een norm horen zowel in de tekst als in GIO’s en het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm of Omgevingswaarde voorkomen. Wanneer de waarden in de tekst van de bijlage zijn geplaatst moet bij het annoteren van het artikel met Omgevingsnorm of Omgevingswaarde gekozen worden voor het normwaarde-attribuut ‘waardeInRegeltekst’. Daarmee wordt een verwijzing gemaakt naar de tekst van het artikel dat de norm bevat; het artikel bevat dan weer de verwijzing naar de bijlage. Het GIO bevat in zo’n geval alleen de geometrie en geen waarden (en ook geen verwijzing naar de tekst, die kent alleen de TPOD-standaard). Dit geldt overigens ook wanneer kwantitatieve of kwalitatieve waarden in de tekst van het artikel staan; ook dan moet bij het annoteren met Omgevingsnorm of Omgevingswaarde gekozen worden voor het normwaarde-attribuut ‘waardeInRegeltekst’.

Hier kan nog worden opgemerkt dat het vanuit de standaard niet nodig is om te werken met waarden en locaties in een bijlage. De kenbaarheid is immers afdoende juridisch geborgd wanneer die informatie in het GIO is opgenomen. Vanuit dat principe volstaat het om de norm in het artikel op te nemen en de geometrie en de waarden in het GIO (en in het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm of Omgevingswaarde) vast te leggen.

8 Annoteren van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit met OW-objecten: productmodel, objecten en attributen

Dit hoofdstuk beschrijft de toepassing van het annoteren met OW-objecten op het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit. De objecten, de bijbehorende attributen en waardelijsten worden gedetailleerd toegelicht. Paragraaf 8.1 bevat het productmodel voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit in de vorm van een IMOW-UML-klassediagram, met een korte toelichting op het diagram. In de paragrafen 8.2 tot en met 8.9 worden in detail de OW-objecten en hun attributen en de toepassing van het annoteren met die objecten op het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit beschreven. Ieder onderdeel wordt volgens een vast stramien beschreven. Het begint met een toelichting op de toepassing: waarvoor en wanneer wordt het object of attribuut in de praktijk gebruikt. Daarna volgt een definitie van het object, om precies aan te geven waar het over gaat. In de volgende subparagraaf wordt aangegeven wat het doel van het objecttype is, met andere woorden: wat is het resultaat, wat levert de extra inspanning van het annoteren met dit object op? Vervolgens wordt de norm gesteld. Deze subparagraaf begint steeds met een uitsnede van het IMOW-diagram met daarin die objecten en relaties die relevant zijn. De norm somt de attributen op die horen bij dit OW-object, waarbij wordt aangegeven of het attribuut verplicht of optioneel is, hoe vaak het attribuut kan of moet voorkomen, of er een waardelijst voor het attribuut bestaat en of er constraints, oftewel voorwaarden voor de toepassing, gelden. De daaropvolgende subparagraaf geeft een toelichting op de attributen, de waardelijsten en de eventuele constraints die samen de norm vormen.

In paragraaf 9.3 is beschreven hoe het wijzigen van OW-objecten werkt. In paragraaf 8.13 zijn regels gegeven voor het hergebruiken van OW-objecten die horen bij een andere regeling en voor het verwijzen van OW-objecten naar OW-objecten in andere regelingen. Die regels zijn van toepassing op ieder in dit hoofdstuk beschreven objecttype.

In de laatste twee paragrafen van dit hoofdstuk wordt beschreven op welk niveau annotaties worden geplaatst en wordt aangegeven hoe het annoteren wordt toegepast wanneer een deel van norm of beleid in een bijlage staat.

Daar waar in dit hoofdstuk de naam van een OW-object gebruikt wordt, wordt die naam met een hoofdletter geschreven. De namen van attributen van objecten worden cursief gedrukt.

8.1 Productmodel: het IMOW-UML-diagram voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit

Figuur 47 toont het volledige IMOW-diagram in UML voor het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit: het deel dat de artikelen met de inhoud bevat.

media/image54.svg
Figuur 47IMOW-UML-klassediagram voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit

In het diagram zijn in blauw de tekstobjecten weergegeven: Regeltekst en Juridische regel. Regeltekst (in het donkerblauwe blokje) is het koppelobject naar STOP. In roze is Locatie met zijn verschijningsvormen weergegeven. De groene blokjes staan voor de domeinspecifieke annotatie-objecten Activiteit, Omgevingsnorm en Gebiedsaanwijzing. Tekst, Locatie en Annotatie zijn de hoofdcomponenten van IMOW die in paragraaf 6.1 al zijn beschreven. Het witte blokje is het Regelingsgebied. In het model is aangegeven welke waardelijsten van toepassing zijn. Het model bevat ook de attributen die nodig zijn om domeinspecifieke annotaties op een kaart weer te kunnen geven. In de navolgende paragrafen worden de objecten in detail beschreven.

8.2 Objecttype Regeltekst

8.2.1 Toelichting op de toepassing

Regeltekst is de STOP/TPOD-term voor de kleinste zelfstandige eenheid van ordening en informatie in het Lichaam van een Regeling van een omgevingsdocument met Artikelstructuur: artikel of lid. Regeltekst bevat altijd ten minste één Juridische regel; wanneer dat nodig is kan Regeltekst meerdere Juridische regels bevatten. Iedere Regeltekst heeft een werkingsgebied-relatie met Locatie, waarmee wordt aangegeven waar een Regeltekst zijn werking heeft. Opgemerkt wordt dat het annoteren van Juridische regel met OW-objecten via het koppelobject Regeltekst wordt gekoppeld aan de STOP-elementen Artikel en Lid. Artikel en Lid zijn in STOP elementen die inhoud bevatten en geen structuurelementen. Omgevingsdocumenten met Artikelstructuur kunnen dus, anders dan omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur, niet geannoteerd worden op het niveau van structuurelementen zoals Hoofdstuk en Afdeling.

8.2.2 Definitie

Regeltekst is de kleinste zelfstandige eenheid van (een of meer) bij elkaar horende Juridische regels in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur, te weten een artikel of een lid.

8.2.3 Doel

Doel van het objecttype Regeltekst is het leggen van de verbinding tussen de Juridische regel uit het Omgevingswet-domein en het artikel of lid uit STOP.

8.2.4 Norm
media/image56.svg
Figuur 48Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Regeltekst

Regeltekst kent het volgende attribuut:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

Regeltekst kent geen waardelijsten.

Regeltekst kent de volgende constraints:

  • één type Juridische regel per Regeltekst; constraint geldig op het niveau van Artikel: alle Juridische regels in een Artikel en alle Juridische regels in alle Leden van een Artikel moeten van hetzelfde type zijn;

  • indien Artikel is onderverdeeld in Leden, annotaties alleen op Leden.

8.2.5 Toelichting op de norm

Attributen

Het attribuut identificatie behoeft geen toelichting.

In de uitsnede van het diagram is ook de relatie werkingsgebied te zien. Deze relatie is de verwijzing van een specifieke Regeltekst naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s). De relatie is in een onderbroken lijn weergegeven omdat het een conceptuele relatie is. De relatie is impliciet inbegrepen in de relatie tussen Regeltekst, Juridische regel en Locatie en geeft aan wat het werkingsgebied van de Regeltekst is: het gebied waar het Artikel of Lid zijn werking heeft. De relatie wordt afgeleid in DSO-LV waarbij de som van de locaties van de onderliggende Juridische regels wordt gebruikt. Het is dus niet zo dat het bevoegd gezag ook nog een afzonderlijke geometrie voor het werkingsgebied moet aanleveren.

Regeltekst kent geen waardelijsten.

Constraints

  • één type Juridische regel per Regeltekst: deze constraint betekent dat alle Juridische regels in een Regeltekst van hetzelfde type moeten zijn. Deze voorwaarde dient het doel van het onderscheid in de verschillende typen Juridische regel, namelijk het als uitgangssituatie alleen tonen van die regels die op de betreffende doelgroep gericht zijn. De typen Juridische regel en de achterliggende doelgroepbenadering worden toegelicht bij Juridische regel in paragraaf 8.3.5. Deze constraint geldt op het niveau van Artikel: alle Juridische regels in een Artikel en alle Juridische regels in alle Leden van een Artikel moeten van hetzelfde type zijn.

  • indien Artikel is onderverdeeld in Leden, annotaties alleen op Leden: deze constraint houdt in dat als een Artikel is onderverdeeld in Leden, de annotaties alleen mogen verwijzen naar de Leden en niet naar het Artikel, oftewel annotaties worden dan alleen op Lid-niveau toegepast. Deze constraint heeft ook tot gevolg dat als een Artikel is onderverdeeld in Leden, alleen de Leden kunnen worden geannoteerd als Regeltekst en Artikel niet.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.3 Objecttype Juridische regel

8.3.1 Toelichting op de toepassing

Juridische regel is een conceptuele constructie, die in IMOW wordt gebruikt om verschillende onderdelen van een Regeltekst, bijvoorbeeld de onderdelen van een Lijst of de verschillende activiteiten die in een Regeltekst worden genoemd, een eigen Locatie te kunnen geven. Ook maakt Juridische regel het mogelijk om verschillende onderdelen van een Regeltekst een eigen thema te geven en/of te annoteren met verschillende annotaties Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en Gebiedsaanwijzing. Juridische regel is altijd onderdeel van een Regeltekst en, zoals we in de paragrafen 6.1.1 en 8.2 al hebben gezien, Regeltekst kan meerdere Juridische regels bevatten. In een Regeltekst met meerdere Juridische regels zijn de individuele Juridische regels niet als zelfstandige eenheid te identificeren.

Bij de Juridische regel moet worden aangegeven hoe nauwkeurig het bevoegd gezag de Locatie van die Juridische regel bedoeld heeft en hoe Locatie geïnterpreteerd moet worden. Een Locatie kan exact bedoeld zijn, maar ook indicatief. Een voorbeeld van dat laatste is als een grens met een formule berekend is; de grens houdt dan geen rekening met de situering van objecten als woningen e.d. terwijl dat in de interpretatie wel zou moeten. Ook kan een Locatie in een omgevingsdocument bedoeld zijn als indicatie of zoekzone voor de plek voor een toekomstige ontwikkeling: pas later wordt de daadwerkelijke plek bepaald.

Met het OW-object Juridische regel kan extra informatie aan de Juridische regel worden gekoppeld: tot welke regelsoort de Juridische regel behoort, wat het thema is waarover de Juridische regel gaat en met welk OW-object of met welke OW-objecten de Juridische regel geannoteerd is.

Juridische regel heeft drie typen: Regel voor iedereen, Instructieregel en Omgevingswaarderegel. Doel van deze typen is het eenvoudig kunnen selecteren van regeltekst voor een specifieke gebruikersgroep, waardoor iedere gebruikersgroep als uitgangssituatie alleen die regels krijgt voorgelegd die voor die groep van belang zijn. Daartoe wordt onderscheid gemaakt tussen instructieregels, die alleen voor andere overheden zijn bedoeld, omgevingswaarderegels, die op zichzelf alleen werking hebben voor de bestuursorganen van het bevoegd gezag dat de omgevingswaarde heeft vastgesteld, en regels die voor iedereen van belang zijn. Uiteraard wordt alleen dat type gekozen dat in het betreffende omgevingsdocument kan voorkomen. Instructieregels kunnen alleen voorkomen in AMvB, ministeriële regeling en omgevingsverordening. Omgevingswaarden kunnen alleen in AMvB, omgevingsverordening en omgevingsplan voorkomen. Regels voor iedereen tot slot kunnen voorkomen in alle omgevingsdocumenten met regels. Het type Juridische regel geeft dus aan tot welke soort een Juridische regel behoort en voor wie de Juridische regel bedoeld is.

Instructieregels kunnen worden gesteld over de uitoefening van een bevoegdheid of een taak. Ze richten zich dus tot een bepaald instrument of een taakuitoefening. Om met behulp van een computer snel te kunnen selecteren welke instructieregels relevant zijn, wordt aan Instructieregel extra informatie toegevoegd: richt de instructieregel zich tot een instrument, en zo ja tot welk instrument, of gaat het over de uitoefening van een taak en zo ja wie moet die taak uitoefenen.

Bij Regeltekst is de voorwaarde opgenomen dat alle Juridische regels binnen één Regeltekst van hetzelfde type moeten zijn, zie hiervoor ook paragraaf 8.2. Op deze manier wordt voorkomen dat Juridische regels die voor verschillende doelgroepen bedoeld zijn bij elkaar in één lid respectievelijk artikel worden geplaatst. Dit komt het tonen van regels per doelgroep ten goede.

8.3.2 Definitie

Juridische regel is het objecttype, te gebruiken in het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur, dat een regel met juridische werkingskracht beschrijft.

8.3.3 Doel

Doel van het objecttype Juridische regel is:

  • het kunnen verbinden van verschillende onderdelen van een Regeltekst met eigen Locaties;

  • het kunnen annoteren van verschillende onderdelen van een Regeltekst met thema en de domeinspecifieke annotaties Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en de verschillende typen Gebiedsaanwijzing;

  • het kunnen leggen van relaties tussen de domeinspecifieke annotaties, waardoor de Juridische regel als geheel machineleesbaar wordt;

  • het, door middel van het attribuut thema, in samenhang kunnen tonen van verschillende Juridische regels binnen hetzelfde omgevingsdocument;

  • het kunnen selecteren van Regelteksten naar doelgroep door middel van de keuze voor het type Juridische regel;

  • het kunnen leggen van verbindingen tussen onderdelen van verschillende omgevingsdocumenten, bijvoorbeeld een omgevingsvisie en een omgevingsverordening, die met hetzelfde thema zijn geannoteerd.

8.3.4 Norm
media/image58.svg
Figuur 49Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Juridische regel

Juridische regel kent de volgende attributen en waardelijsten:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • idealisatie: attribuut dat vastlegt op welke manier de begrenzing van Locatie voor deze Juridische regel geïnterpreteerd moet worden en door het bevoegd gezag bedoeld is. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Idealisatie’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • thema: de naam van het thema van de Juridische regel, te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Thema’. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifieke Juridische regel naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s); attribuut dat een of meer specifieke Locatie(s) aanduidt waar deze Juridische regel van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • gebiedsaanwijzing: de verwijzing van een specifieke Juridische regel naar (de identificatie van) een Gebiedsaanwijzing; attribuut dat vastlegt dat de Juridische regel met (één van de typen van) het object Gebiedsaanwijzing geannoteerd is. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • artikelOfLid: de verwijzing van een specifieke Juridische regel naar de Regeltekst oftewel het artikel of lid waar de Juridische regel onderdeel van is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • kaartaanduiding: de verwijzing van een specifieke Juridische regel naar (de identificatie van) de Kaart waarop de Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij de betreffende Juridische regel. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Juridische regel kent drie typen:

  • Regel voor iedereen: een Juridische regel die voor eenieder relevant is of relevant kan zijn; te gebruiken voor iedere Juridische regel die geen Instructieregel of Omgevingswaarderegel is. Regel voor iedereen heeft alle attributen van Juridische regel, aangevuld met:

    • activiteitaanduiding: de verwijzing van een specifieke Juridische regel naar (de identificatie van) een Activiteit; attribuut dat vastlegt dat de Juridische regel met het object Activiteit geannoteerd is. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

    • omgevingsnormaanduiding: de verwijzing van een specifieke Juridische regel van het type Regel voor iedereen naar (de identificatie van) een Omgevingsnorm; attribuut dat vastlegt dat de Juridische regel met het object Omgevingsnorm geannoteerd is. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • Instructieregel: regel als bedoeld in paragraaf 2.5.1 Omgevingswet, gericht tot een ander bestuursorgaan of bestuurlijke organisatie. Instructieregels kunnen niet voorkomen in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit. Daarom wordt dit type Juridische regel hier niet verder besproken.

  • Omgevingswaarderegel: regel over een omgevingswaarde als bedoeld in afdeling 2.3 Omgevingswet, die op zichzelf alleen gericht is tot de bestuursorganen van het bevoegd gezag dat de omgevingswaarde heeft vastgesteld. Omgevingswaarden en dus ook omgevingswaarderegels kunnen niet voorkomen in het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit. Daarom wordt dit type Juridische regel hier niet verder besproken.

Juridische regel kent de volgende constraint:

  • instructieregelInstrument of instructieregelTaakuitoefening.

Ook is voor Juridische regel relevant dat het objecttype Regeltekst de constraint heeft dat alle Juridische regels in een Regeltekst van hetzelfde type moeten zijn. Zie hiervoor paragraaf 8.2.4.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Het attribuut idealisatie moet voor alle Juridische regels in een Regeltekst dezelfde waarde hebben.

8.3.5 Toelichting op de norm

Attributen en waardelijsten

  • idealisatie: attribuut dat aangeeft op welke manier het bevoegd gezag de begrenzing van Locatie voor een Juridische regel bedoeld heeft: is het een exacte of een indicatieve afbakening? De waardelijst ‘Idealisatie’ kent twee waarden: exact en indicatief. Hiermee kan worden aangegeven of de begrenzing van Locatie voor deze Juridische regel exact of indicatief bedoeld is. Wanneer wordt gekozen voor de waarde indicatief geeft dat alleen aan dat de begrenzing indicatief bedoeld is. Met idealisatie wordt niet vastgelegd met welke marge de indicatieve begrenzing bedoeld is. Het attribuut idealisatie is in IMOW gepositioneerd als attribuut van Juridische regel. Dat lijkt misschien vreemd omdat het informatie geeft over de gewenste interpretatie van Locatie. Toch hoort idealisatie bij Juridische regel omdat het vertelt hoe de Locatie voor déze Juridische regel geïnterpreteerd moet worden. Op deze manier is het mogelijk om dezelfde Locatie ook voor een andere Juridische regel te (her)gebruiken en voor die Juridische regel een andere idealisatie te geven. Figuur 50 geeft hiervan een voorbeeld. De artikelen 3.28 en 5.7 van een omgevingsverordening gaan over dezelfde Locatie ‘provinciale wegen’. Artikel 3.28 bevat een Juridische regel van het type Regel voor iedereen; met de waarde exact voor idealisatie wordt aangegeven dat voor deze Juridische regel de begrenzing exact is bedoeld. Wanneer een omgevingsvergunning voor een uitweg wordt aangevraagd voor een plek die ligt binnen de begrenzing is deze (beoordelings)regel daarop van toepassing; ligt de plek net daarbuiten dan is de regel daar niet van toepassing. In artikel 5.7 staat een Juridische regel van het type Instructieregel. Met de waarde indicatief voor idealisatie heeft de provincie aangegeven dat voor deze Juridische regel de begrenzing indicatief is bedoeld.

media/image59.png
Figuur 50Gebruik van idealisatie bij twee Juridische regels over dezelfde Locatie
  • thema: attribuut dat kernachtig de grondgedachte van de Juridische regel weergeeft. Het thema is een aanduiding van het aspect van de fysieke leefomgeving waar de Juridische regel over gaat. Om harmonisatie tussen bevoegde gezagen en tussen instrumenten te bevorderen is er een waardelijst voor thema. Het overgrote deel van de waarden van deze waardelijst is rechtstreeks ontleend aan artikel 1.2 Ow, waarin is aangegeven welke aspecten de fysieke leefomgeving omvat. In Bijlage 1 wordt de relatie tussen artikel 1.2 Ow en de waarden van de waardelijst gelegd.
    Per Juridische regel kunnen net zoveel thema’s worden toegevoegd als gewenst is. thema is een attribuut en geen object. Het kent daardoor geen eigen weergave.
    Met het attribuut thema kan het thema van een Juridische regel worden aangegeven. thema kan bijvoorbeeld worden gebruikt om alle Juridische regels over een bepaald thema in eenzelfde omgevingsdocument te selecteren, of om van verschillende omgevingsdocumenten de Juridische regels en/of Tekstdelen met hetzelfde thema te selecteren. Afhankelijk van de functionaliteit die een viewer biedt is het vervolgens ook mogelijk om de Locaties van alle Juridische regels en/of Tekstdelen met hetzelfde thema op een kaartbeeld weer te geven.
    Overwogen wordt om aan het objecttype Juridische regel een attribuut subthema toe te voegen waarmee het bevoegde gezag desgewenst binnen een thema een nadere specialisatie kan aanbrengen.

  • locatieaanduiding: attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de Locatie(s) die bij de Juridische regel horen én aangeeft wat de betekenis van die Locatie(s) is voor het object waar het bij hoort; in dit geval voor Juridische regel. Dit attribuut legt dus vast dat deze Locatie(s) de locatie(s) is (zijn) waar deze Juridische regel van toepassing is.
    Iedere Juridische regel heeft een verwijzing naar één of meer Locaties. Ook de objecten ActiviteitLocatieaanduiding, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en (de verschillende typen) Gebiedsaanwijzing hebben een verwijzing naar één of meer Locaties. Op deze manier is van iedere Juridische regel, ongeacht het object of de objecten waarmee het is geannoteerd, duidelijk voor welke Locatie(s) deze geldt. Doordat ieder specifiek voorkomen van de objecten ActiviteitLocatieaanduiding, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en (de verschillende typen) Gebiedsaanwijzing ook zelf een verwijzing naar één of meer Locaties heeft, kan van iedere Activiteit - ActiviteitLocatieaanduiding-combinatie, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en Gebiedsaanwijzing worden getoond voor welke Locatie(s) deze geldt, onafhankelijk van de Juridische regels waarin hij geldt.

  • artikelOfLid: attribuut voor de verwijzing van een Juridische regel naar de identificatie van de Regeltekst oftewel het artikel of lid waarin de Juridische regel voorkomt.

  • activiteitaanduiding, gebiedsaanwijzing, omgevingswaardeaanduiding en omgevingsnormaanduiding: de attributen die de verwijzing bevatten van de Juridische regel (of het type Juridische regel) naar de identificatie van de domeinspecifieke annotatie oftewel Activiteit, Gebiedsaanwijzing, Omgevingswaarde en/of Omgevingsnorm. Samen met die domeinspecifieke annotatie duiden deze attributen aan waar de Juridische regel over gaat: over een activiteit, over een van de typen gebiedsaanwijzing, over een omgevingswaarde en/of over een omgevingsnorm.

  • kaartaanduiding: attribuut dat de verwijzing bevat van de Juridische regel naar de identificatie van een specifiek Kaartobject. Met het objecttype Kaart kan bij een Juridische regel een specifieke kaart worden gegenereerd waarop alle bij die Juridische regel behorende Locaties en OW-objecten worden weergegeven. Het is ook mogelijk om vanuit meerdere Juridische regels te verwijzen naar dezelfde Kaart. Daardoor ontstaat een gecombineerd kaartbeeld met alle kaartgerelateerde informatie uit alle Juridische regels die naar dezelfde Kaart verwijzen. Zie voor het objecttype Kaart paragraaf 8.10.

De drie typen van Juridische regel geven aan tot welke soort een Juridische regel behoort en geven daarvan indien nodig een nadere specificatie. Zoals in paragraaf 8.3.1 al is uitgelegd is het doel daarvan het eenvoudig kunnen selecteren van regels voor een specifieke gebruikersgroep, waardoor een gebruiker in principe alleen die regels krijgt voorgelegd die voor hem of haar van belang zijn. Daartoe wordt onderscheid gemaakt tussen instructieregels, die alleen voor andere overheden zijn bedoeld, omgevingswaarderegels, die op zichzelf alleen werking hebben voor de bestuursorganen van het bevoegd gezag dat de omgevingswaarde heeft vastgesteld, en regels die voor iedereen van belang zijn.

Instructieregels en omgevingswaarderegels kunnen niet voorkomen in het tijdelijk regelingdeel van het projectbesluit. Daarom worden deze typen Juridische regel hier niet verder besproken. Alle Juridische regels in het tijdelijk regelingdeel zijn van het type Regel voor iedereen.

In het model is vastgelegd met welke domeinspecifieke OW-objecten een type Juridische regel geannoteerd kan worden. Het object Activiteit kan alleen gebruikt worden in combinatie met een Regel voor iedereen. Het object Omgevingsnorm kan worden toegepast in combinatie met een Regel voor iedereen en een Instructieregel. Het object Omgevingswaarde kan alleen worden gebruikt in combinatie met een Omgevingswaarderegel. Het object Gebiedsaanwijzing kan worden toegepast in combinatie met alle typen Juridische regel. In het IMOW-diagram is dat te zien doordat het attribuut gebiedsaanwijzing verwijst van Juridische regel naar het object Gebiedsaanwijzing en niet vanuit een van de typen Juridische regel.

In AMvB, ministeriële regeling en omgevingsverordening kunnen alle drie de typen Juridische regel voorkomen. Het omgevingsplan kan de typen ‘Regel voor iedereen’ en ‘Omgevingswaarderegel’ bevatten. In de waterschapsverordening ten slotte kan alleen het type ‘Regel voor iedereen’ voorkomen.

Constraints

instructieregelInstrument of instructieregelTaakuitoefening: deze constraint, die geldt voor de Juridische regel van het type Instructieregel, houdt in dat er bij een instructieregel altijd één van de genoemde attributen gekozen moet worden, met andere woorden: het is verplicht dat er precies één van de twee voorkomt, niet minder en niet meer.

Opgemerkt wordt dat voor Regeltekst de constraint geldt ‘één type Juridische regel per Regeltekst’. Dat betekent dat alle Juridische regels in een Regeltekst van hetzelfde type moeten zijn. Deze constraint is toegelicht in paragraaf 8.2.5.

Zoals gezegd kan een Regeltekst één of meer Juridische regels bevatten. Een Juridische regel kan geannoteerd worden met een of meer Gebiedsaanwijzingen, Activiteiten, Omgevingsnormen en/of Omgevingswaarden. Dit samen betekent dat IMOW het mogelijk maakt om een Juridische regel te annoteren met:

  • één of meer voorkomens van één objecttype (bijvoorbeeld één Activiteit);

  • combinaties van één of meer verschillende objecttypen (bijvoorbeeld meerdere Activiteiten, een Gebiedsaanwijzing en meerdere Omgevingsnormen).

Een Regeltekst kan daardoor één Juridische regel bevatten die is geannoteerd met meerdere objecten. Een Regeltekst kan ook meerdere Juridische regels bevatten die ieder zijn geannoteerd met één of meer objecten. IMOW maakt het zelfs mogelijk om in de Regeltekst net zoveel Juridische regels te onderscheiden als er objecten zijn. Het is aan het bevoegd gezag om hierin een keuze te maken.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

Toelichting op werkafspraak

idealisatie is het attribuut van Juridische regel dat aangeeft op welke manier het bevoegd gezag de begrenzing van de Locatie(s) voor die Juridische regel bedoeld heeft: is het een exacte of een indicatieve afbakening? Bij een Regeltekst kunnen 1 of meer Juridische regels horen. Modelmatig is het toegestaan dat bij een Regeltekst zowel Juridische regels met een exacte als Juridische regels met een indicatieve idealisatie horen. Juridische regel is echter een abstract concept, waardoor in de tekst van een artikel of lid niet is aan te wijzen welke delen van de tekst horen bij welke Juridische regel en ook niet is aan te wijzen welke Locatie hoort bij welk deel van de tekst. Als bij een Regeltekst zowel Juridische regel(s) met een exacte als Juridische regel(s) met een indicatieve idealisatie horen kunnen viewers daardoor niet laten zien voor welk deel van de tekst van het artikel of lid de begrenzing van de Locatie exact of juist indicatief bedoeld is.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Het attribuut idealisatie moet voor alle Juridische regels in een Regeltekst dezelfde waarde hebben.’

8.4 Objecttype Locatie

8.4.1 Toelichting op de toepassing

Het OW-object Locatie geeft aan waar een Juridische regel of Tekstdeel en de domeinspecifieke annotaties Activiteit, Omgevingswaarde, Omgevingsnorm, de verschillende typen Gebiedsaanwijzing en de bijbehorende waarden van toepassing zijn. De optelling van alle Locaties van alle Juridische regels in een Regeltekst vormt het werkingsgebied van de Regeltekst; de optelling van alle Locaties van alle Tekstdelen in een Divisie of Divisietekst vormt het werkingsgebied van de Divisie of Divisietekst. Locatie wordt altijd vastgelegd in een GIO.

Locatie heeft zeven verschijningsvormen: Gebied, Gebiedengroep, Lijn, Lijnengroep, Punt, Puntengroep en Ambtsgebied. Optioneel kan de hoogteligging van het Gebied, de Lijn of de Punt worden vastgelegd. Toegestane geometrieën bij een Gebied zijn Surface en MultiSurface (de termen die de GML-standaard gebruikt voor Vlak en Multivlak); bij een Lijn zijn dat Curve en MultiCurve (GML-termen voor Lijn en Multilijn) en bij Punt tenslotte zijn toegestaan Point en MultiPoint (de GML-termen voor Punt en Multipunt). Bij MultiSurface worden meerdere vlakken samengevoegd tot één onlosmakelijk geheel. Wanneer slechts een onderdeel gewijzigd moet worden, leidt dat toch tot een wijziging van de hele MultiSurface. Datzelfde geldt voor MultiCurve en MultiPoint. Aanbevolen wordt om MultiSurface, MultiCurve en MultiPoint alleen te gebruiken wanneer het daadwerkelijk de bedoeling is dat er één onlosmakelijk geheel ontstaat. Een andere manier van groepering is het samenvoegen van twee of meer Gebieden, Lijnen of Punten tot een Gebiedengroep, Lijnengroep respectievelijk Puntengroep. Op deze manier is het mogelijk om één van de Gebieden van een Gebiedengroep, één van de Lijnen van een Lijnengroep of één van de Punten van een Puntengroep te wijzigen. Punt is noodzakelijk voor het als omgevingswaarde vaststellen van geluidproductieplafonds; die hebben de vorm van een puntlocatie. Lijn wordt onder andere in het omgevingsplan gebruikt voor het aangeven van rooilijnen bij het stellen van regels over het situeren van bouwwerken. Voor het overige is het aan te bevelen om Punt en Lijn als Geometrie zoveel mogelijk te vermijden omdat bij raadplegen in een viewer een punt en een lijn lastig te vinden zijn.

Locaties kunnen onbeperkt gestapeld worden, dat wil zeggen dat Locaties elkaar geheel of gedeeltelijk kunnen overlappen. Dat geldt zowel voor Locaties met eenzelfde annotatie oftewel OW-object als voor Locaties met verschillende annotaties c.q. OW-objecten. Het is dus mogelijk om op exact dezelfde plek bijvoorbeeld de Locaties van verschillende Juridische regels of Tekstdelen, van een aantal Activiteiten, van een Omgevingswaarde, van een aantal Omgevingsnormen en diverse typen Gebiedsaanwijzing neer te leggen. Ook kunnen die Locaties elkaar gedeeltelijk overlappen. De navolgende figuren laten daarvan voorbeelden zien. De figuren laten mogelijke toepassingen in het omgevingsplan zien, maar zijn bedoeld om generiek voor omgevingsdocumenten het principe te illustreren.

media/image60.png
Figuur 51Voorbeelden van stapeling van Locaties
8.4.2 Definitie

Locatie is het objecttype dat machineleesbaar vastlegt waar een Juridische regel, Tekstdeel en/of de domeinspecifieke objecttypen van toepassing zijn.

8.4.3 Doel

Doel van het objecttype Locatie is het met coördinaten vastleggen waar een Juridische regel, Tekstdeel, Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde, type Gebiedsaanwijzing en bij Omgevingsnorm en Omgevingswaarde behorende waarden van toepassing zijn.

8.4.4 Norm
media/image61.png
Figuur 52Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Locatie

Locatie kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • noemer: de mensleesbare term of frase waarmee een Locatie wordt aangeduid. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

Locatie kent zeven verschijningsvormen:

  • Gebied: op zichzelf staande geometrisch afgebakende ‘ruimte’ in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Gebied heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop het Gebied ligt of de hoogte binnen het Gebied waarop de Juridische regel of het Tekstdeel van toepassing is. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifiek Gebied naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Gebiedengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Gebieden, die samen de Locatie vormen. Gebiedengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Gebiedengroep naar de Gebieden die samen de Gebiedengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Lijn: op zichzelf staande geometrisch afgebakende lijnlocatie in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Lijn heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop de Lijn ligt. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifieke Lijn naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Lijnengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Lijnen, die samen de Locatie vormen. Lijnengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Lijnengroep naar de Lijnen die samen de Lijnengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Punt: op zichzelf staande geometrisch afgebakende puntlocatie in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving. De geometrische afbakening is juridisch van aard. Punt heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • hoogte: de hoogte waarop de Punt ligt. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de volgende elementen:

      • waarde: de numerieke waarde van de hoogte. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

      • eenheid: de grootheid waarin de hoogte wordt uitgedrukt. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst ‘Eenheid’. Verplicht element indien het attribuut hoogte wordt gebruikt.

    • geometrie: de verwijzing van een specifieke Punt naar (de identificatie van) de bijbehorende Geometrie. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • Puntengroep: een groep of verzameling van bij elkaar behorende Punten, die samen de Locatie vormen. Puntengroep heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • groepselement: de verwijzing van een Puntengroep naar de Punten die samen de Puntengroep vormen. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

  • Ambtsgebied: bijzondere vorm van Gebied, zijnde een op zichzelf staande geometrisch afgebakende ‘ruimte’ in een virtuele weergave van de fysieke leefomgeving, die samenvalt met het ambtsgebied van een bepaald bevoegd gezag: het gebied waarover dat bevoegd gezag de bevoegdheid tot regeling en bestuur heeft. Ambtsgebied heeft alle attributen van Locatie, aangevuld met:

    • bestuurlijkeGrenzenVerwijzing: attribuut dat de gegevens voor het doen van een verwijzing naar de bestuurlijkeGrenzen-voorziening bevat.
      bestuurlijkeGrenzenVerwijzing wordt ingevuld met de gegevensgroep BestuurlijkeGrenzenVerwijzing die de volgende attributen kent:

      • bestuurlijkeGrenzenID: de identificatie van het gebied in de bestuurlijkegrenzenvoorziening: de CBS-code respectievelijk de RVIG-code van het bevoegd gezag, inclusief de letteraanduiding in hoofdletters van de bestuurslaag;

      • domein: het onderdeel van de bestuurlijkeGrenzen-voorziening waarin de ambtsgebieden worden bijgehouden. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Wordt ingevuld met de verplichte waarde ‘NL.BI.BestuurlijkGebied’.

      • geldigOp: de datum waarop Ambtsgebied geldig is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De verwijzing is altijd statisch: met de Locatie Ambtsgebied wordt bedoeld het ambtsgebied zoals dat gold op de ingevulde datum.

Locatie kent geen waardelijsten.

Locatie kent de volgende constraints:

  • (bij Gebied): geometrie is van type Surface of MultiSurface;

  • (bij Lijn): geometrie is van type Curve of MultiCurve;

  • (bij Punt): geometrie is van type Point of MultiPoint.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Gebruik het attribuut hoogte niet.

8.4.5 Toelichting op de norm
  • noemer: de mensleesbare term of frase waarmee de Locatie wordt aangeduid en beschreven, waardoor er, indien relevant, naar de Locatie kan worden verwezen. Let op: de noemer is niet altijd gelijk aan de naam van het GIO. Het gebruik van noemer is optioneel omdat een noemer niet altijd zinvol is en omdat er Locaties zijn die niet met een term of frase te benoemen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de losse Locaties binnen een Gebiedengroep. Voorbeelden van noemer voor omgevingsplan respectievelijk omgevingsverordening, waarbij de noemer in cursieve tekst is weergegeven, zijn: Ter plaatse van de functie Levendig stadscentrum zijn de volgende activiteiten toegestaan. Nieuwe luidruchtige activiteiten en gedragingen zijn in een stiltegebied verboden.
    Locatie kan de locatie zijn van een Juridische regel of Tekstdeel (en daarmee, al dan niet samen met andere Locaties, het werkingsgebied van de Regeltekst, de Divisie of de Divisietekst), en/of de Locatie van een van de domeinspecifieke annotaties Activiteit, Gebiedsaanwijzing, Omgevingsnorm en Omgevingswaarde. Het hangt af van het objecttype waarmee de Locatie wordt gecombineerd of het gebruik van het attribuut noemer zinvol is of niet. Bij de beschrijving van die objecttypen wordt dit aangegeven.

  • hoogte: optioneel attribuut waarmee voor Gebied, Lijn en Punt de hoogteligging kan worden vastgelegd. hoogte wordt vastgelegd met WaardeEenheid, dat bestaat uit de elementen waarde en eenheid. waarde legt de hoogte in een getal vast, eenheid geeft aan in welke grootheid de hoogte moet worden gemeten. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid’. Het gebruik van het attribuut hoogte maakt een (zeer beperkte) benadering van 3D mogelijk. hoogte kan bijvoorbeeld worden gebruikt om van (de omgevingswaarde) geluidproductieplafonds aan te geven op welke hoogte ze gelden; in dat geval wordt de eenheid meter gekozen.

  • geometrie: attribuut dat de verwijzing bevat van een specifiek Gebied, Lijn of Punt naar de identificatie van de bijbehorende Geometrie. Dit attribuut legt dus vast dat deze Geometrie bij het betreffende Gebied, Lijn of Punt hoort. Bij Ambtsgebied kan er geen geometrie worden meegeleverd.

  • bestuurlijkeGrenzenVerwijzing: attribuut waardoor DSO-LV weet dat de inhoud van dit object te vinden is in een andere voorziening, alleen te gebruiken bij Ambtsgebied. Het bijhouden van het Ambtsgebied gebeurt in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het attribuut bestuurlijkeGrenzenVerwijzing maakt gebruik van de gegevensgroep BestuurlijkeGrenzenVerwijzing. In het navolgende worden de attributen van BestuurlijkeGrenzenVerwijzing toegelicht.

    • bestuurlijkeGrenzenID: de identificatie van het Ambtsgebied. Deze is gelijk aan de bevoegd-gezag-code. Voor gemeenten, provincies en waterschappen is dat de CBS-code, inclusief de letteraanduiding van de bestuurslaag. Een voorbeeld daarvan is GM0297 voor de gemeente Zaltbommel. Voor het Rijk wordt de RVIG-code gehanteerd. Aan de hand van deze code weet DSO-LV van welk bevoegd gezag het ambtsgebied uit de bestuurlijkeGrenzen-voorziening getoond moet worden

    • domein: attribuut dat aangeeft welke van de onderdelen van de bestuurlijkeGrenzen-voorziening moet worden bevraagd: het bestuurlijk gebied;

    • geldigOp: attribuut waardoor DSO-LV weet welke versie van het ambtsgebied getoond moet worden: het Ambtsgebied zoals dat geldig was op de ingevulde datum. Wanneer naar aanleiding van een bestuurlijke herindeling of andere grenscorrectie het ambtsgebied is gewijzigd, kan met een wijzigingsbesluit het Ambtsgebied-object gewijzigd worden door de geldigOp-datum van de bestuurlijkeGrenzenVerwijzing te wijzigen.

Met uitzondering van Locatie in de verschijningsvorm van Ambtsgebied wordt Locatie altijd vastgelegd in een GIO.

Ambtsgebied

Het Ambtsgebied-object wordt alleen aangeleverd als dat noodzakelijk is: de eerste keer dat in een Regeling het Ambtsgebied de Locatie is van een regel én wanneer naar aanleiding van een bestuurlijke herindeling of andere grenscorrectie in een wijzigingsbesluit het Ambtsgebied wordt gewijzigd naar een nieuwe versie van dat Ambtsgebied.

Uitgangspunt van regelgeving over de bekendmaking van besluiten is dat informatie die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is, wordt vastgelegd in een informatieobject. Daarom wordt de locatie waar een regel (of beleid) geldig is, vastgelegd met een GIO. Op deze manier is de locatie permanent terug te vinden en is de onveranderlijkheid van de locatie gewaarborgd (zie ook paragraaf 6.1.2.1). Door het nemen van het besluit stelt het bevoegd gezag het GIO vast en ‘ontstaat’ de locatie. Wanneer een regel geldt voor het hele ambtsgebied van het bevoegd gezag wordt het niet passend geacht als het bevoegd gezag dat ambtsgebied in de vorm van een GIO vast zou stellen. Ambtsgebieden worden immers door andere wetgeving (en in de meeste gevallen door een ander bevoegd gezag) vastgesteld. Daarom wordt Ambtsgebied als verschijningsvorm van Locatie niet vastgelegd met het object Geometrie en niet vastgesteld in de vorm van een GIO, maar neemt het bevoegd gezag een verwijzing op naar het eigen ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Dit is de voorziening waarin de door die andere wetgeving vastgestelde bestuurlijke grenzen worden vastgelegd en beheerd. Aangezien Ambtsgebied niet wordt vastgelegd met het object Geometrie en niet door het bevoegd gezag wordt vastgesteld, kent het niet de attributen geometrie en hoogte.

Bij het gebruik van Ambtsgebied als Locatie van een regel of beleid wordt altijd statisch verwezen naar het Ambtsgebied. Dat is nodig om bij een eventuele toekomstige bestuurlijke herindeling de overgang naar de nieuwe indeling te kunnen maken.

Aanbevolen wordt om, als het de bedoeling is dat een regel of (beleids)tekst geldt voor het hele ambtsgebied, vanuit de Juridische regel of het Tekstdeel te verwijzen naar (de identificatie van) het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het is echter mogelijk om in zo’n geval gebruik te maken van een zelf gecreëerde Locatie. Het is dan aan het bevoegd gezag om er voor te zorgen dat de geometrie van die zelf gecreëerde Locatie exact samenvalt met de geometrie van het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Dat kan door een kopie te maken van de geometrie van het ambtsgebied in de bestuurlijkeGrenzen-voorziening. Het aanleveren van een onjuiste geometrie heeft gevolgen voor de vindbaarheid van regels op locatie in DSO-LV.

Locatie kent geen waardelijsten.

Constraints

Locatie heeft drie constraints:

  • (bij Gebied): geometrie is van type Surface of MultiSurface;

  • (bij Lijn): geometrie is van type Curve of MultiCurve;

  • (bij Punt): geometrie is van type Point of MultiPoint.

Deze constraints betekenen enerzijds -tamelijk voor de hand liggend- dat de Locatieverschijningsvorm Gebied alleen mag verwijzen naar vlak-geometrieën en niet naar punt- of lijn-geometrieën, dat de Locatieverschijningsvorm Lijn alleen mag verwijzen naar lijn-geometrieën en niet naar punt- of vlak-geometrieën en dat de Locatieverschijningsvorm Punt alleen mag verwijzen naar punt-geometrieën en niet naar vlak- of lijn-geometrieën. Anderzijds betekenen de constraints dat gekozen moet worden tussen de enkelvoudige en de multivariant van de geometrietypen. Zoals in paragraaf 8.4.1 al is beschreven, worden bij de multivarianten meerdere vlakken (of lijnen of punten) samengevoegd tot één onlosmakelijk geheel en moeten de multivarianten alleen gekozen worden als het daadwerkelijk de bedoeling is dat er één onlosmakelijk geheel ontstaat.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 7.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

Toelichting op werkafspraak

hoogte is het attribuut van Locatie waarmee voor Gebied, Lijn en Punt de hoogteligging kan worden vastgelegd. STOP kent hoogte niet, het is geen kenmerk van het GIO. Daardoor kan de hoogte niet bekendgemaakt worden en heeft het geen juridische werking.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Gebruik het attribuut hoogte niet’.

8.5 Objecttype Geometrie

8.5.1 Toelichting op de toepassing

Met uitzondering van Ambtsgebied worden de in de vorige paragraaf besproken typen van Locatie vastgelegd met Geometrie. Het object Geometrie legt de positie en vorm van een Gebied, Lijn of Punt vast door middel van coördinaten om het te kunnen begrenzen en op een kaart op de juiste positie te kunnen weergeven. Geometrie wordt door zowel IMOW als STOP gebruikt. Geometrie wordt vastgelegd in de vorm van een GML-bestand dat in het GIO wordt opgenomen.

8.5.2 Definitie

Geometrie is het object dat de geometrische bepaling van een Gebied, Lijn of Punt door middel van coördinaten bevat.

8.5.3 Doel

Doel van het objecttype Geometrie is:

  • het vastleggen en begrenzen van Locatie door middel van coördinaten ten behoeve van het publiceren van geo-informatieobjecten;

  • het op een kaart of in een viewer op de juiste positie weergeven van Locaties.

8.5.4 Norm
media/image47.png
Figuur 53Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Geometrie

Geometrie kent de volgende attributen:

  • id: het identificerend attribuut dat gebruikt wordt om naar de Geometrie te verwijzen. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • geometrie: het attribuut dat de coördinaten van de Geometrie bevat. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

Geometrie kent geen waardelijsten en constraints.

8.5.5 Toelichting op de norm

geometrie: dit attribuut bevat de coördinaten van de Geometrie. De geometrische typen die gebruikt worden binnen dit attribuut dienen overeen te komen met de gekozen verschijningsvorm van Locatie. Zie hiervoor de constraints bij het objecttype Locatie. Deze constraints zijn beschreven in paragraaf 8.4.4 en toegelicht in paragraaf 8.4.5.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.6 Objecttype Activiteit

8.6.1 Toelichting op de toepassing

In het domein van de Omgevingswet is een activiteit ieder menselijk handelen waarbij, of ieder menselijk nalaten waardoor een verandering of effect in de fysieke leefomgeving wordt of kan worden bewerkstelligd. In de omgevingsdocumenten met regels zullen regels gesteld worden over veel verschillende activiteiten.

Regels over activiteiten zullen naar verwachting behoren tot de meest bevraagde regels in DSO-LV. De grootste groep gebruikers, die bestaat uit initiatiefnemers (zowel professionele als niet-professionele) en derde-belanghebbenden, wil weten welke regels over een bepaalde activiteit voor hem of haar gelden. Dat zijn alleen de rechtstreeks werkende regels over activiteiten: de regels die voor degene die een activiteit verricht én voor derde-belanghebbenden rechten en plichten vastleggen. Instructieregels over activiteiten zijn gericht tot een ander bevoegd gezag en zijn voor de genoemde groep gebruikers niet van rechtstreeks belang. Datzelfde geldt voor regels over activiteiten in het kader van omgevingswaarden, wanneer ze alleen werking hebben voor het bevoegde gezag zelf. Daarom maakt IMOW juist de rechtstreeks werkende regels over activiteiten extra machineleesbaar door middel van de annotatie Activiteit. Dat is ook de reden waarom de objecten Activiteit en Juridische regel in IMOW zo gemodelleerd zijn dat de annotatie met het OW-object Activiteit alleen kan worden toegepast in combinatie met een Juridische regel van het type Regel voor iedereen. De annotatie Activiteit kan dus niet worden gebruikt voor instructieregels die bepalen dat in een ander omgevingsdocument regels over een bepaalde activiteit moeten worden opgenomen en ook niet voor Juridische regels van het type Omgevingswaarderegel.

Bij het object Activiteit hoort het object ActiviteitLocatieaanduiding. Dit object vormt de verbinding tussen de Juridische regel (van het type Regel voor iedereen), Activiteit en Locatie. ActiviteitLocatieaanduiding heeft het attribuut activiteitregelkwalificatie waarmee een regel die met Activiteit is geannoteerd nader wordt gekwalificeerd, bijvoorbeeld dat de Juridische regel een vergunningplicht of een meldingsplicht instelt. ActiviteitLocatieaanduiding zorgt voor ‘instanties’ van Activiteit: voor Activiteit A bepaalt Juridische regel B dat op Locatie C een vergunningplicht geldt; voor diezelfde Activiteit A bepaalt Juridische regel D dat op Locatie E het verrichten van die activiteit zonder vergunning of melding is toegestaan.

Er zullen regels over heel veel verschillende activiteiten gesteld worden. Er is geen symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) voorhanden die een grote hoeveelheid activiteiten kan weergeven op een manier waarbij voor het menselijk oog voldoende onderscheid is tussen de verschillende activiteiten. Daarom heeft niet iedere individuele activiteit een eigen symbolisatie, maar is er een (standaard)symbolisatie per groep bij elkaar horende activiteiten. Daarvoor heeft Activiteit het attribuut groep met een bijbehorende (limitatieve) waardelijst. Het bevoegd gezag kiest een eigen naam voor de individuele activiteit en kiest voor het attribuut groep uit de waardelijst de waarde die het meest overeenkomt met de bedoeling van die activiteit. Hierdoor kunnen de Locaties van iedere activiteit in een (interactieve) viewer met de standaardweergave worden weergegeven op een kaart. Het is dan mogelijk om een kaartbeeld weer te geven van de Locaties van alle activiteiten waarmee een artikel is geannoteerd, maar ook om de locaties van alle activiteiten van een bepaalde activiteitengroep weer te geven.

Juridische regels over activiteiten zullen in DSO-LV veel bevraagd worden. Daarvoor zal gebruik gemaakt worden van toepasbare regels. De objecten Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding bevatten een aantal attributen die het opstellen van toepasbare regels vergemakkelijken.

8.6.2 Definitie

Activiteit is het objecttype voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur dat machineleesbaar maakt dat een rechtstreeks werkende regel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een activiteit als bedoeld in de Omgevingswet: menselijk handelen waarbij, of menselijk nalaten waardoor een verandering of effect in de fysieke leefomgeving wordt of kan worden bewerkstelligd.

8.6.3 Doel

Doel van het objecttype Activiteit is:

  • machineleesbaar vastleggen dat een regel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een activiteit;

  • herkenbaar weergeven van de Locaties waar de regels over de activiteit gelden;

  • inzicht geven in de kwalificatie van de regel op een bepaalde Locatie, waardoor een gebruiker weet of op die Locatie het verrichten van de activiteit is toegestaan of dat daarvoor eerst een vergunning moet worden aangevraagd, een melding gedaan et cetera;

  • vastleggen van activiteiten in de functionele structuur van de Registratie Toepasbare Regels;

  • vastleggen van locaties die gebruikt kunnen worden bij toepasbare regels;

  • ondersteuning bieden bij het filteren van regels over een bepaalde activiteit in een viewer of op een kaart.

8.6.4 Norm
media/image63.svg
Figuur 54Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Activiteit
8.6.4.1 Algemene norm

Activiteit kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van het type Activiteit bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de Activiteit, die wordt overgenomen uit of ontleend aan de naam of omschrijving van de betreffende activiteit in de regel. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam van de Activiteit. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • groep: de categorie waartoe de Activiteit behoort. Attribuut dat zorgt voor symbolisatie conform de standaardweergave. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Activiteitengroep’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • bovenliggendeActiviteit: de verwijzing van een specifieke Activiteit naar (de identificatie van) een andere Activiteit, die inhoudelijk generieker is dan de Activiteit die wordt geannoteerd. Attribuut dat alleen wordt gebruikt voor het hiërarchisch ordenen van activiteiten in de functionele structuur van de Registratie Toepasbare Regels. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • gerelateerdeActiviteit: de verwijzing van een specifieke Activiteit naar (de identificatie van) een andere Activiteit in het geval de regels over die andere Activiteit contextueel relevant zijn voor de specifieke Activiteit. Attribuut dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van de Vergunningcheck. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Het attribuut activiteitaanduiding, attribuut van Juridische regel van het type Regel voor iedereen dat de verwijzing is van een specifieke Regel voor iedereen naar (de identificatie van) een Activiteit, kent specifieke gegevens die met het object ActiviteitLocatieaanduiding worden vastgelegd. Een ActiviteitLocatieaanduiding hoort bij precies één combinatie van een Activiteit en een Juridische regel. Het object ActiviteitLocatieaanduiding kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van het type ActiviteitLocatieaanduiding bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • activiteitregelkwalificatie: de naam van de kwalificatie van de Juridische regel over een activiteit. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Activiteitregelkwalificatie’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifieke Activiteit-ActiviteitLocatieaanduiding-combinatie naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie(s); attribuut dat de specifieke Locatie(s) aanduidt waar deze annotatie Activiteit van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding kennen geen constraints.

8.6.4.2 Specifieke norm voor Activiteit behorend bij tijdelijk regelingdeel

Voor een tijdelijk regelingdeel gelden de volgende specifieke regels:

  • in een tijdelijk regelingdeel waarin één of meer Activiteiten zijn geannoteerd moet één zogenaamde tophaak voorkomen;

  • de tophaak is de meest bovenliggende Activiteit van het tijdelijk regelingdeel;

  • de naam van de tophaak annex de meest bovenliggende Activiteit moet zijn ‘Activiteit gereguleerd in <citeertitel tijdelijk regelingdeel>’;

  • voor een tijdelijk regelingdeel geldt dat de relatie bovenliggendeActiviteit van de tophaak moet verwijzen naar de tophaak van de regeling waaraan het tijdelijk regelingdeel door middel van het element isTijdelijkdeelVan gekoppeld is.

8.6.5 Toelichting op de norm
8.6.5.1 Toelichting op de algemene norm
  • naam: de naam van de Activiteit. Het aantal activiteiten waarover in omgevingsdocumenten regels gesteld zullen worden, zal nagenoeg onuitputtelijk zijn. Er geldt daarom geen waardelijst voor de naam van de Activiteit; het bevoegd gezag kan zelf de naam van de Activiteit bepalen. Uiteraard ligt het voor de hand om waar mogelijk aan te sluiten bij in de Omgevingswet (en bijbehorende regelgeving) en de bestaande praktijk gebruikte benamingen voor activiteiten. De naam kan worden overgenomen uit de regel. Wanneer de activiteit in de regel een lange naam of omschrijving heeft kan indien gewenst een verkorte versie daarvan in het attribuut naam worden opgenomen. De naam van de Activiteit mag dezelfde zijn als de naam van de hierna genoemde activiteitengroep.
    Elke Activiteit die gecreëerd wordt dient primair het doel om te voldoen aan de wettelijke vereiste om regels te stellen over activiteiten in de fysieke leefomgeving én heeft mede het doel een activiteitgerichte bevraging in verschillende componenten van de DSO-LV mogelijk te maken.
    Primair wordt de Activiteit gebruikt voor de weergave van omgevingsdocumenten op de kaart van de DSO-viewer: daardoor kan deze de Locaties van een specifieke bepaling over een activiteit herkenbaar op de kaart weergeven en aanvullende informatie geven over die regel en die activiteit. Daarnaast ondersteunt de Activiteit bij de activiteitgerichte bevraging in DSO-LV en bij de opbouw van de functionele structuur in de Registratie Toepasbare Regels. De functionele structuur voedt onder andere digitale voorzieningen voor het opstellen van toepasbare regels.

  • groep: om een nagenoeg onuitputtelijk aantal Activiteiten op een kaartbeeld te kunnen weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is, worden Activiteiten gebundeld in groepen. De groep vormt het kenmerk waarop de symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) van de standaardweergave wordt georganiseerd. De groepen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen in de limitatieve waardelijst ‘Activiteitengroep’. Om het mogelijk te maken ook Activiteiten te annoteren die nu nog niet voorzien zijn, is de groep ‘overig’ aan de waardelijst toegevoegd. Zie hiervoor ook de uitgebreidere toelichting in paragraaf 8.6.1

  • bovenliggendeActiviteit: dit verplichte attribuut zorgt voor een logische hiërarchische ordening in de functionele structuur van de Registratie Toepasbare Regels. Toepasbare regels maken gebruik van deze functionele structuur. De bovenliggendeActiviteit speelt geen rol in de viewer van DSO-LV.
    Met bovenliggendeActiviteit moet worden verwezen naar een Activiteit die voorkomt in hetzelfde omgevingsdocument. De hoogste bovenliggende Activiteit is de meest generieke Activiteit die in het omgevingsdocument voorkomt, bijvoorbeeld: ‘Activiteit gereguleerd in het omgevingsplan gemeente Gemeentestad’.
    De Activiteit die in de hiërarchie van een regeling de hoogste is, moet verwijzen naar een bovenliggende Activiteit die reeds bestaat in de functionele structuur. Met bovenliggendeActiviteit mag niet verwezen worden naar een Activiteit die lager in de hiërarchie ligt.
    Figuur 55 laat een voorbeeld zien van de functionele structuur met de bovenliggende-activiteit-relaties. De Activiteit ‘aanbieden van short stay’ is de onderste Activiteit in de structuur. De Activiteit ‘Activiteit gereguleerd in het omgevingsplan gemeente Amsterdam’ is de Activiteit die in de hiërarchie van de regeling ‘omgevingsplan Amsterdam’ de hoogste is. De bovenliggende Activiteit daarvan is ‘Activiteit gereguleerd in het omgevingsplan’, die al aanwezig is in de functionele structuur. De Activiteit van het allerhoogste niveau is ‘Activiteit met gevolgen voor de leefomgeving’, die voor alle regelingen van alle bevoegde gezagen de meest bovenliggende Activiteit is.

media/image64.png
Figuur 55Functionele structuur met daarin gemarkeerd de bovenliggendeActiviteit-relatie; de pijl wijst van de activiteit naar de bovenliggende activiteit
  • gerelateerdeActiviteit: attribuut dat aangeeft dat een specifieke Activiteit een sterke relatie heeft met een andere Activiteit: als je activiteit A gaat verrichten, ga je ook altijd activiteit B verrichten. Het attribuut speelt een rol bij de Vergunningcheck in DSO-LV. Als een activiteit is gerelateerd aan een andere activiteit wordt bij een vergunningcheck op de activiteit automatisch ook een vergunningcheck op de gerelateerde activiteit uitgevoerd. Een voorbeeld waarin de activiteit ‘lassen van metalen’ is gerelateerd aan de activiteit ‘handeling in het kader van de metaalproductenindustrie’. Bij het uitvoeren van een vergunningcheck voor het ‘lassen van metalen’ wordt ook een vergunningcheck voor de ‘handeling in het kader van de metaalproductenindustrie’ uitgevoerd. Andersom is dat niet zo, bij het uitvoeren van een vergunningcheck voor de ‘handeling in het kader van de metaalproductenindustrie’ wordt niet automatisch een vergunningcheck gedaan voor het ‘lassen van metalen’. Het attribuut gerelateerdeActiviteit is optioneel, hoeft dus niet toegevoegd te worden. Dit attribuut speelt alleen een rol bij de dienstverlening (Vergunningcheck in DSO-LV). Het wordt niet gebruikt voor weergave, selecteren of filteren in de viewer van DSO-LV en het heeft geen juridische betekenis voor de inhoud van het projectbesluit. Met het attribuut gerelateerdeActiviteit kan van een specifieke Activiteit die door een bevoegd gezag is gecreëerd, worden verwezen naar een gerelateerde Activiteit van datzelfde bevoegd gezag die al bestaat in de functionele structuur.

Met het object ActiviteitLocatieaanduiding worden extra gegevens toegevoegd aan de relatie van Regel voor iedereen, een van de typen Juridische regel, met Activiteit en indirect ook met Locatie. Omdat dit object zeer sterk aan Activiteit gelieerd is en zonder Activiteit geen betekenis heeft, wordt het hier samen met Activiteit besproken en niet in een afzonderlijke subparagraaf.

Een ActiviteitLocatieaanduiding hoort bij precies één combinatie van een Activiteit en een Juridische regel. Dit betekent dat iedere combinatie van een Activiteit en een Juridische regel een eigen unieke identificatie moet krijgen. In eerdere versies van de TPOD-standaard was dit niet helder geformuleerd en daarom wordt dit in de implementatie van deze versie van de standaard nog niet afgedwongen. In een toekomstige versie kan dit wel gebeuren.
Het object ActiviteitLocatieaanduiding maakt het mogelijk om ‘instanties’ te maken van een Activiteit gecombineerd met de kwalificatie én de Locatie van die Activiteit. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld alle Juridische regels en alle Locaties te tonen waar voor een bepaalde activiteit een vergunningplicht geldt, of waar die activiteit verboden is. In het navolgende worden de attributen van het object ActiviteitLocatieaanduiding toegelicht.

  • identificatie: iedere ActiviteitLocatieaanduiding heeft een identificatie. Let op: ook Activiteit zelf heeft een identificatie.

  • activiteitregelkwalificatie: als de regel over een activiteit gaat en met het OW-object Activiteit wordt geannoteerd, worden Juridische regel, Activiteit en Locatie met dit attribuut nog verder gespecificeerd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Activiteitregelkwalificatie'. Voorbeelden van waarden van deze waardelijst zijn verbod, gebod en vergunningplicht. Deze waardelijst kent een beperkt aantal waarden. Wanneer de andere, concrete, waarden van die waardelijst niet van toepassing zijn, wordt de waarde ‘anders geduid’ gebruikt. Deze waarde kan ook worden gebruikt wanneer de kwalificatie meer genuanceerd is. Een voorbeeld daarvan is dat voor een activiteit afhankelijk van condities die in de regel zijn vastgelegd wel of juist niet een vergunningplicht geldt. In de waardelijst 'Activiteitregelkwalificatie' zijn alle waarden voorzien van een definitie die uitlegt wat er mee bedoeld wordt en voor welke gevallen zo’n waarde is bedoeld. Iedere combinatie van Juridische regel van het type Regel voor iedereen, Activiteit, ActiviteitLocatieaanduiding en Locatie krijgt dus een kwalificatie. De waarde ‘anders geduid’ geeft geen aanvullende informatie maar zorgt er wel voor dat activiteitregelkwalificatie altijd toegepast kan worden.

  • locatieaanduiding: het attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de specifieke Locatie(s) die bij deze ActiviteitLocatieaanduiding en dus bij deze Activiteit horen én aangeeft wat de betekenis van die Locatie(s) is voor het object waar het bij hoort; in dit geval voor Activiteit. Dit attribuut legt dus vast dat deze Locatie de locatie is waar de specifieke Activiteit-ActiviteitLocatieaanduiding-combinatie van toepassing is.

De eerste keer dat een specifieke Activiteit (bij voorbeeld het exploiteren van een horeca-inrichting) in een omgevingsdocument in een regel voorkomt, wordt deze met de OW-objecten Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding geannoteerd, waardoor wordt verwezen naar de Locatie die bij dit voorkomen van de Activiteit hoort. Een volgende Juridische regel over diezelfde Activiteit verwijst naar het al bestaande Activiteit-object en naar een bij die Juridische regel horend ActiviteitLocatieaanduiding-object. Op deze manier is van iedere afzonderlijke Juridische regel over die Activiteit te zien welke combinatie van Locatie en activiteitregelkwalificatie er bij de Juridische regel hoort. Een Activiteit heeft dus altijd met 1 of meer Juridische regels een relatie.

In paragraaf 6.2 is al toegelicht dat de bedoeling van IMOW is dat de locaties en de nadere gegevens een letterlijke vertaling of vastlegging van de regels zijn en dat IMOW niet bedoeld is om er interpretaties en a contrario-redeneringen uit af te leiden. Alleen rechtstreeks werkende regels die een vergunningplicht, meldingsplicht, informatieplicht, verbod, gebod of zorgplicht instellen of die een activiteit toestaan zonder dergelijke plichten, worden geannoteerd met Activiteit. Een regel wordt alleen geannoteerd met die Activiteit of Activiteiten die in de regel benoemd worden.

Wat dat betekent voor de annotatie met het OW-object Activiteit wordt aan de hand van het volgende voorbeeld nader uitgelegd. Het voorbeeld laat een Activiteit in het omgevingsplan zien, maar is bedoeld om generiek het principe te illustreren.

media/image65.png
Figuur 56Voorbeeld bedoeling van IMOW voor Activiteit

Bovenstaande afbeelding toont het grondgebied van een gemeente en de Locatie, bestaande uit drie Gebieden (eventueel gegroepeerd in één Gebiedengroep), die hoort bij de Juridische regel van artikel 2.10. Ter plaatse van deze Locatie is het -kort samengevat- toegestaan om zonder vergunning of melding een kinderopvanginstelling te exploiteren. Regel en Locatie zijn geannoteerd met Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding met als waarde voor activiteitregelkwalificatie ‘toegestaan’. Het is niet de bedoeling om uit deze annotaties af te leiden dat in de rest van het grondgebied van deze gemeente het exploiteren van een kinderopvanginstelling verboden is, of dat voor die activiteit een vergunningplicht of meldingsplicht geldt. Dat kan alleen gelden wanneer dat expliciet in een Juridische regel is bepaald.

IMOW is zo opgezet dat een regel over een activiteit wordt geannoteerd met een Activiteit, waaraan door middel van het object ActiviteitLocatieaanduiding een kwalificatie wordt gegeven en een Locatie wordt gekoppeld. Daarmee ontstaat een instantie van de Activiteit: op deze Locatie geldt voor die Activiteit dat deze zonder vergunning of melding is toegestaan. De juridische bedoeling wordt expliciet in de regel vastgelegd; de annotaties zijn daarvan een letterlijke vertaling.

Wanneer het bevoegd gezag in het voorbeeld van Figuur 56 wil bewerkstelligen dat het exploiteren van een kinderopvanginstelling alleen is toegestaan ter plaatse van de drie Locaties en niet is toegestaan in de rest van het grondgebied kan dat op verschillende manieren. We noemen er twee. Een eerste manier is dat er een algemene regel wordt opgenomen, voor het hele grondgebied geldend, met de strekking dat het verrichten van activiteiten alleen is toegestaan waar dat expliciet is bepaald. Voor het exploiteren van een kinderopvanginstelling heeft die algemene regel de werking dat het buiten de Locaties van het voorbeeld verboden is om die activiteit te verrichten. Een tweede manier is het toevoegen van een tweede Juridische regel die bepaalt dat het is verboden om een kinderopvanginstelling te exploiteren, met als Locatie de rest van het grondgebied en de annotaties Activiteit en ActiviteitLocatieaanduiding met als waarde voor activiteitregelkwalificatie ‘verbod’. Een derde manier is het formuleren van de regel als: “Uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied ‘exploiteren kinderopvang’ is het toegestaan om in een instelling voor kinderopvang de activiteit ‘het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen’ te verrichten.” Aan deze regel worden twee locaties gekoppeld, die samen het werkingsgebied van het artikel (of lid) vormen: het ambtsgebied waar de volledige regel zijn werking heeft en specifieke locatie waar het exploiteren van een kinderopvanginstelling is toegestaan.

Voor interpretatiekwesties kunnen eventueel toepasbare regels worden benut.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.6.5.2 Toelichting op de specifieke norm voor Activiteit behorend bij tijdelijk regelingdeel

Inleiding en achtergrond

De Activiteiten die in omgevingsdocumenten worden geannoteerd, worden binnen het DSO-stelsel doorgegeven aan de Registratie Toepasbare Regels (verder: RTR), de centrale voorziening voor toepasbare regels. De Activiteiten en hun Locaties vormen het aanknopingspunt voor het opstellen van toepasbare regels en formulieren ten behoeve van de Vergunningcheck en de modules voor Aanvraag en Maatregelen op maat in het Omgevingsloket. In de RTR slaan alle bevoegde gezagen hun toepasbare regels op. In de functionele structuur van de RTR zijn, ten behoeve van werking en beheer van toepasbare regels en formulieren, de Activiteiten logisch hiërarchisch geordend. De hiërarchische ordening van de Activiteiten wordt zichtbaar in de functionele structuur van de RTR. Zie daarvoor de figuren in deze paragraaf.

De TPOD-standaard ondersteunt de hiërarchische ordening van de Activiteiten (zie daarvoor verderop in deze paragraaf). De functionele structuur van de RTR geeft goed inzicht in de ordening van Activiteiten in Regelingen.

In de hiërarchische ordening van Activiteiten is de allerbovenste Activiteit de ‘Activiteit met gevolgen voor de fysieke leefomgeving’. De hiërarchische laag daaronder is de Activiteit per type omgevingsdocument waarin Activiteiten geannoteerd kunnen worden, zoals ‘Activiteit gereguleerd in de omgevingsverordening’. Zie hiervoor Figuur 57. Deze twee lagen zijn door de Placeholder-Regeling in het stelsel gebracht. De Placeholder-Regeling is de Regeling die, met het opschrift Omgevingswet, in het stelsel is ingebracht met het doel om de bovenste lagen van Activiteiten beschikbaar te stellen[79] Daarnaast bevat de Placeholder-Regeling een aantal Activiteiten ten behoeve van omgevingsdocumenten van het Rijk: de Activiteiten die zijn genoemd in artikel 5.1 Ow en enkele Activiteiten van de AMvB’s en de Omgevingsregeling
. Let op: een tijdelijk regelingdeel is juridisch gezien onlosmakelijk verbonden met de hoofdregeling van omgevingsplan c.q. omgevingsverordening. Daarom komt in de tweede hiërarchische laag niet een ‘Activiteit gereguleerd in het voorbereidingsbesluit/projectbesluit’ of ‘Activiteit gereguleerd in voorbeschermingsregels/omgevingsplanregels uit projectbesluit’.

media/image66.png
Figuur 57De bovenste twee lagen van de hiërarchie van Activiteiten

Tophaak

Voor ieder individueel omgevingsdocument van een bepaald type moet er een zogenaamde tophaak zijn: de meest bovenliggende Activiteit van die Regeling. Dit is de derde laag in de hiërarchie van Activiteiten. Figuur 58 laat hiervan een voorbeeld zien voor een aantal omgevingsverordeningen.

media/image67.png
Figuur 58De hiërarchie met de tophaken van enkele omgevingsverordeningen

In Figuur 58 is ook goed te zien dat de indeling primair is gericht op type omgevingsdocument.

De tophaak van een Regeling is het haakje in de hiërarchie waar alle andere Activiteiten van de Regeling aanhangen. De tophaak moet altijd aanwezig zijn; als de tophaak-Activiteit verwijderd zou worden, zouden ook alle daaronder liggende Activiteiten verdwijnen. De tophaak komt alleen in het stelsel beschikbaar door de tophaak-Activiteit in het omgevingsdocument te annoteren. De Activiteit en de ActiviteitLocatieaanduiding zijn daardoor ook zichtbaar in de viewer. De tophaak-Activiteit heeft alleen een technische rol en geen juridische betekenis. Dat wijkt af van het algemene principe dat annotaties een (letterlijke) vertaling of duiding van de inhoud van de regel geven. Het is daarom aan te bevelen deze tophaak-Activiteit in een niet al te veel opvallend artikel te annoteren.

Specifieke regels over tophaak van tijdelijk regelingdeel

Een tijdelijk regelingdeel is onderdeel van de geconsolideerde regeling van omgevingsplan of omgevingsverordening. In juridische zin is het tijdelijk regelingdeel onlosmakelijk onderdeel van de geconsolideerde regeling. Zuiver technisch beschouwd is het tijdelijk regelingdeel een afzonderlijke Regeling. Als in een tijdelijk regelingdeel Activiteiten geannoteerd zijn, moet het tijdelijk regelingdeel een tophaak hebben. Ten behoeve van de consistentie geeft de standaard voorschriften voor de naam van de tophaak-Activiteit. Die naam moet altijd zijn: ‘Activiteit gereguleerd in <citeertitel tijdelijk regelingdeel>’. Een voorbeeld daarvan is te zien in Figuur 59. In die figuur is in groen gemarkeerd de naam van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel: ‘Activiteit gereguleerd in voorbeschermingsregels geiten, lama’s en archeologie’. De naam van de tophaak-Activiteit van de hoofdregeling is blauw gemarkeerd.

media/image68.png
Figuur 59De hiërarchische ordening van Activiteiten bij een omgevingsplan met een tijdelijk regelingdeel, in blauw de tophaak van de hoofdregeling en in groen de tophaak van het tijdelijk regelingdeel

Specifieke regels over bovenliggendeActiviteit tophaak tijdelijk regelingdeel

In paragraaf 8.6.5.1 is al aangegeven dat het attribuut bovenliggendeActiviteit zorgt voor de hiërarchische ordening in de functionele structuur. Iedere Activiteit verwijst met dat attribuut naar een hoger in de hiërarchie gelegen Activiteit. In paragraaf 8.6.4.2 is bepaald dat de relatie bovenliggendeActiviteit van de tophaak van een tijdelijk regelingdeel moet verwijzen naar de tophaak van de (hoofd)regeling van het omgevingsplan of de omgevingsverordening waarvan het tijdelijk regelingdeel onderdeel vormt. Dit is de specifieke regel waarnaar in paragraaf 8.13.2.1 wordt verwezen, die de uitzondering vormt op de regel dat een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel alleen mag verwijzen naar een OW-object behorend bij hetzelfde tijdelijk regelingdeel. Voor alle andere attributen van Activiteit (dus ook voor het attribuut gerelateerdeActiviteit) en voor alle andere OW-objecten geldt die regel wel onverkort. De verwijzing van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel naar de tophaak-Activiteit van de hoofdregeling kan een verwijzing naar een Activiteit in een Regeling van een ander bevoegd gezag zijn. Dat komt voor bij het omgevingsplan, waar tijdelijk regelingdelen bij kunnen horen die zijn ingesteld door waterschap, provincie en Rijk.

media/image69.png
Figuur 60Hiërarchische ordening Activiteiten in omgevingsplan met hoofdregeling en tijdelijk regelingdeel, tophaak tijdelijk regelingdeel groen gemarkeerd

Uit de hiërarchische ordening van de Activiteiten in Figuur 60 valt af te leiden dat er een bovenliggendeActiviteit-relatie bestaat tussen ‘Aanlegactiviteit in archeologisch monument’ en ‘Activiteit gereguleerd in voorbeschermingsregels geiten, lama’s en archeologie’ en tussen ‘Activiteit gereguleerd in voorbeschermingsregels geiten, lama’s en archeologie’ en ‘Activiteit gereguleerd in het omgevingsplan gemeente Dijk en Waard’. Die laatste relatie is de relatie van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel naar de tophaak-Activiteit van de (hoofd)regeling van het omgevingsplan.

Tijdelijk regelingdeel zoveel mogelijk autonoom

Ieder tijdelijk regelingdeel moet zoveel als maar mogelijk is autonoom zijn. Dat maakt het mogelijk dat bij het intrekken van een tijdelijk regelingdeel, automatisch alle OW-objecten behorend bij dat tijdelijk regelingdeel worden beëindigd. Daardoor kan in de toekomst een gemeente zelf een tijdelijk regelingdeel intrekken dat is ingesteld door een ander bevoegd gezag.

Ten behoeve van de autonomie van het tijdelijk regelingdeel is in paragraaf 8.13.2.1 bepaald dat een OW-object dat hoort bij een andere Regeling dan een tijdelijk regelingdeel niet mag verwijzen naar een OW-object dat hoort bij een tijdelijk regelingdeel en dat een OW-object dat hoort bij een tijdelijk regelingdeel alleen mag verwijzen naar een OW-object dat hoort bij datzelfde tijdelijk regelingdeel. Het is dus niet mogelijk dat een OW-object dat hoort bij de hoofdregeling van een omgevingsplan of omgevingsverordening verwijst naar een Activiteit in het tijdelijk regelingdeel met voorbeschermingsregels. Omgekeerd is het ook niet mogelijk dat een Activiteit die hoort bij het tijdelijk regelingdeel met voorbeschermingsregels verwijst naar een Locatie in de hoofdregeling van een omgevingsplan of omgevingsverordening.

Bevoegd-gezag-code in identificatie van Activiteit

Net als bij de overige objecttypen is in paragraaf 8.6.4.1 bepaald dat de identificatie van Activiteit en ActiviteitLocatieAanduiding de bevoegd-gezag-code moet bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat dat ook geldt voor een tijdelijk regelingdeel. In Figuur 61 is dit te zien. De Activiteit ‘bouwen hoofdgebouw’ is door de gemeente in de hoofdregeling geannoteerd. Deze Activiteit heeft de bevoegd-gezag-code van de gemeente. De ‘Activiteit gereguleerd in voorbeschermingsregels geiten, lama’s en archeologie’ is door de provincie geannoteerd in het tijdelijk regelingdeel. Deze Activiteit heeft de bevoegd-gezag-code van de provincie.

media/image70.png
Figuur 61Boven, blauw: Activiteit hoofdregeling, BG-code gemeente; onder, groen: tophaak-Activiteit tijdelijk regelingdeel, BG-code provincie
8.6.6 Aanbevelingen voor Locatie, noemer en naam GIO bij annoteren met Activiteit

Een Activiteit wordt door middel van de ActiviteitLocatieaanduiding aan de bijbehorende Locatie of Locaties gekoppeld. De Locaties verwijzen steeds naar één Geometrie, dit kan een Surface (vlak) maar ook een MultiSurface (multivlak) zijn. Het koppelen van een Activiteit aan een Locatie of Locaties kan op drie manieren (waar hierna de term Locatie staat, worden ook Locaties bedoeld):

  • Activiteit koppelen aan de Locatie van de Juridische regel
    Bij deze methode verwijst de Activiteit naar de Locatie van de Juridische regel waaraan ook de Activiteit is gekoppeld. Activiteit en Juridische regel hebben dus precies dezelfde Locatie. Deze methode zal vaak worden gekozen bij een meer gebiedsgericht omgevingsdocument. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

    • de Locatie is een Gebied of een Gebiedengroep;

    • de Locatie heeft een noemer;

    • de noemer van de Locatie is hetzelfde als de naam van het GIO;

    • de naam van de Activiteit moet in de tekst van de regel herkenbaar zijn;

    • de noemer moet in de tekst van de regel voorkomen.

  • Activiteit koppelen aan de Locatie van een Gebiedsaanwijzing
    Bij deze methode is de Juridische regel geannoteerd met zowel een Activiteit als een Gebiedsaanwijzing. De Activiteit verwijst naar de Locatie van de Gebiedsaanwijzing. Deze methode zal vaak worden gekozen bij een sterk gebiedsgericht omgevingsdocument, bijvoorbeeld een omgevingsplan waarin veel met functies op de kaart wordt gewerkt. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

    • de Locatie is een Gebiedengroep;

    • de Locatie heeft een noemer;

    • de naam van de activiteit moet in de tekst van de regel herkenbaar zijn;

    • de naam van de Gebiedsaanwijzing moet in de tekst van de regel voorkomen;

    • de naam van de Gebiedsaanwijzing is hetzelfde als de naam van het GIO;

    • de noemer van de Locatie is hetzelfde als de naam van de Gebiedsaanwijzing.

  • Activiteit koppelen aan een eigen Locatie
    Bij deze methode verwijst de Activiteit naar een eigen Locatie. Deze methode zal vaak worden gekozen bij een sterk activiteitgericht omgevingsdocument en bij een omgevingsdocument waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de Locatie van de Juridische regel enerzijds en de Locatie van de Activiteit. Dat laatste zal vaak zijn wanneer de Locatie van de volledige Juridische regel het Ambtsgebied is en er een specifieke Locatie is waar voor de activiteit bijvoorbeeld een verbod of een vergunningplicht geldt. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

    • de Locatie is een Gebiedengroep;

    • de Locatie heeft een noemer;

    • de noemer van de Locatie is de naam van de Activiteit, aangevuld met de activiteitregelkwalificatie;

    • de noemer van de Locatie is hetzelfde als de naam van het GIO;

    • de noemer moet in de tekst van de regel voorkomen.

8.7 Objecttype Omgevingsnorm

8.7.1 Toelichting op de toepassing

In het bestuursrecht is een norm een regel met een waarde waaraan voldaan moet worden. De Omgevingswet kent een bijzondere norm, de omgevingswaarde als bedoeld in afdeling 2.3 van de Omgevingswet. In omgevingsdocumenten met regels worden ook andere normen dan omgevingswaarden gesteld. Om de gewone norm van de omgevingswaarde te onderscheiden gebruikt de standaard voor die gewone norm de term omgevingsnorm. Een omgevingsnorm is een norm over de fysieke leefomgeving die een kwantitatieve of kwalitatieve waarde stelt waaraan voldaan moet worden en die geen omgevingswaarde is. Uitgangspunt is dat een omgevingsnorm op verschillende locaties verschillende waarden heeft. Een voorbeeld van een omgevingsnorm is: “De bouwhoogte van een woning is niet hoger dan de ter plaatse van de locatie ‘maximum bouwhoogte’ bepaalde waarde.” Dit is geen omgevingsnorm: “Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een boom te kappen met een stamomtrek van ten minste 31 centimeter op 130 centimeter hoogte boven maaiveld.” In de regel van het laatste voorbeeld staan wel getallen maar dat zijn geen waarden bij een omgevingsnorm. De frase “stamomtrek van ten minste 31 centimeter” is de conditie waaronder de vergunningplicht geldt. De frase “130 centimeter hoogte boven maaiveld” is een meetbepaling.

Een omgevingsnorm kan zo geformuleerd zijn dat norm, waarden en een beschrijving van de locatie in de regel zijn opgenomen. Een (fictief) voorbeeld daarvan voor het omgevingsplan is: ‘De geurbelasting door activiteiten op een geurgevoelig gebouw bedraagt in de hele gemeente niet meer dan 3,0 odour units’. Een voorbeeld voor de waterschapsverordening: ‘De boordiepte bij het plaatsen van pijlers in een watergang mag nooit meer zijn dan 15 meter.’ De standaarden staan er niet aan in de weg om dit ver door te voeren door alle locaties en waarden in de tekst op te nemen. Figuur 62 geeft daarvan een voorbeeld voor het omgevingsplan en Figuur 63 geeft een voorbeeld van die toepassing in de waterschapsverordening:

media/image71.png
Figuur 62Weergave locaties en waarden in tekst, voorbeeld omgevingsplan
media/image72.png
Figuur 63Weergave locaties en waarden in tekst, voorbeeld waterschapsverordening

Vanuit het uitgangspunt dat iedere regel een werkingsgebied heeft, moet aan zo’n Regeltekst als Locatie het hele grondgebied van het bevoegd gezag worden gekoppeld. Dan is alleen machineleesbaar gemaakt dat Regeltekst en Locatie bij elkaar horen, maar niet dat het hier gaat om een norm met bijbehorende waarde en welke dat dan zijn.

Het bevoegd gezag kan er echter ook voor kiezen om de Juridische regel met de omgevingsnorm te annoteren met het OW-object Omgevingsnorm. Daardoor wordt iedere locatie waar de omgevingsnorm geldt, herkenbaar weergegeven op een kaartbeeld en worden de waarden die de omgevingsnorm op de verschillende locaties heeft, raadpleegbaar door interactie met het kaartbeeld. De term omgevingsnorm is door de standaard geïntroduceerd en wordt alleen als annotatie gebruikt. De term heeft geen juridische betekenis en zal niet in de regeltekst van het projectbesluit voorkomen.

Naar verwachting zullen er in omgevingsdocumenten veel verschillende omgevingsnormen worden vastgesteld. Vanwege de verwachte verscheidenheid van die omgevingsnormen is er voor de standaard geen waardelijst Omgevingsnorm gemaakt. Het bevoegd gezag kan dus de naam van iedere omgevingsnorm zelf bepalen. Er is geen symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) voorhanden die een grote hoeveelheid omgevingsnormen kan weergeven op een manier waarbij voor het menselijk oog voldoende onderscheid is tussen de verschillende omgevingsnormen. Daarom heeft niet iedere individuele omgevingsnorm een eigen symbolisatie, maar is er een (standaard)symbolisatie per groep bij elkaar horende omgevingsnormen. Daarvoor heeft Omgevingsnorm het attribuut groep met een bijbehorende (limitatieve) waardelijst. Het bevoegd gezag kiest een eigen naam voor de individuele omgevingsnorm en kiest voor het attribuut groep uit de waardelijst de waarde die het meest overeenkomt met de bedoeling van die omgevingsnorm. Hierdoor kunnen de Locaties van iedere omgevingsnorm in een (interactieve) viewer met de standaardweergave worden weergegeven op een kaart. Het is dan mogelijk om een kaartbeeld weer te geven van de Locaties van alle omgevingsnormen waarmee een artikel is geannoteerd, maar ook om de locaties van alle omgevingsnormen van een bepaalde omgevingsnormgroep weer te geven.

De waarden die een omgevingsnorm kan aannemen, kunnen kwantitatief oftewel numeriek zijn, maar ook kwalitatief oftewel in woorden worden beschreven. De kwalitatieve waarden kunnen in de Juridische regel worden opgenomen. Dat zal met name worden gedaan wanneer de omgevingsnorm slechts één waarde heeft die voor iedere Locatie dezelfde is. Een voorbeeld: “De bouwhoogte van een woning in het Centrumgebied is passend in het straatbeeld.” De frase ‘passend in het straatbeeld’ is de kwalitatieve waarde die in de Juridische regel is opgenomen. Kwalitatieve waarden kunnen ook in het GIO worden opgenomen. Die mogelijkheid kan worden toegepast wanneer het de bedoeling is dat op verschillende Locaties verschillende kwalitatieve waarden gelden. Een voorbeeld: “Het uiterlijk van bouwwerken dient te voldoen aan het niveau van redelijke eisen van welstand dat ter plaatse van de locatie ‘welstandsniveau’ is vastgelegd.”, waarbij in het ene gebied het welstandsniveau hoog is en in een ander gebied laag. Bij die laatste methode staan de kwalitatieve waarden niet in de Juridische regel. Dit wordt in subparagraaf 8.7.5 verder toegelicht.

Het objecttype Omgevingsnorm is primair bedoeld voor het annoteren van rechtstreeks werkende regels die daadwerkelijk een omgevingsnorm vaststellen en daar nadere bepalingen over geven. Het kan ook worden gebruikt in instructieregels om differentiatie aan te brengen in de waarden van omgevingsnormen die op grond van een instructieregel in een ander omgevingsdocument moeten worden opgenomen. Op die manier kunnen die waarden in de instructieregels door interactie met het kaartbeeld worden getoond en bevraagd. Een voorbeeld hiervan is de instructieregel die oplegt dat in een omgevingsplan voor gebied A de maximum inhoud van een agrarische bedrijfswoning niet meer mag zijn dan 400 m3 en in gebied B niet meer dan 600 m3. Daarom zijn de objecten Omgevingsnorm en Juridische regel in IMOW zo gemodelleerd dat de annotatie met het OW-object Omgevingsnorm kan worden gebruikt in combinatie met Juridische regels van het type Regel voor iedereen en van het type Instructieregel. Het is niet mogelijk om een Omgevingsnorm te gebruiken met Juridische regels van het type Omgevingswaarderegel.

8.7.2 Definitie

Omgevingsnorm is het objecttype voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten met Artikelstructuur dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een norm over de fysieke leefomgeving die in een kwantitatieve of kwalitatieve waarde wordt uitgedrukt en geen omgevingswaarde is.

8.7.3 Doel

Doel van het objecttype Omgevingsnorm is:

  • machineleesbaar vastleggen dat een regel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een omgevingsnorm;

  • juridisch geborgd vastleggen welke waarde een omgevingsnorm op de verschillende Locaties heeft, zonder alle locaties en waarden in de tekst van de regel op te moeten nemen;

  • herkenbaar weergeven van de Locaties waar de regels over de omgevingsnorm gelden in een viewer of op een kaart;

  • ondersteuning bieden bij het filteren van regels over een bepaalde omgevingsnorm in een viewer of op een kaart.

8.7.4 Norm
media/image74.svg
Figuur 64Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Omgevingsnorm

Omgevingsnorm is één van de verschijningsvormen van Norm. Omgevingsnorm en Norm kennen samen de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de omgevingsnorm die wordt overgenomen uit of ontleend aan de naam of omschrijving van de betreffende omgevingsnorm in de Juridische regel. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • type: het type van de norm waartoe de omgevingsnorm behoort. Te kiezen uit de waardelijst 'Typenorm'. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • groep: de categorie waartoe de omgevingsnorm behoort. Attribuut dat zorgt voor symbolisatie conform de standaardweergave. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘Omgevingsnormgroep’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • normwaarde: attribuut waarmee kan worden vastgelegd welke waarde een omgevingsnorm op een bepaalde locatie heeft. De waarde kan kwantitatief (oftewel numeriek) of kwalitatief (oftewel in woorden) worden uitgedrukt of in de Regeltekst worden opgenomen. Verplicht attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.
    normwaarde wordt ingevuld met de gegevensgroep Normwaarde die de volgende attributen kent:

    • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk voorkomen van Normwaarde bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • een verplichte keuze uit de volgende attributen:

      • kwalitatieveWaarde: de kwalitatief oftewel in woorden beschreven waarde van de omgevingsnorm wanneer deze op verschillende locaties een verschillende waarde heeft en die waarden in het informatieobject zijn opgenomen. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de beschrijving van de waarde. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. De waarden worden in het OW-object én in een GIO vastgelegd. Dit attribuut kan alleen worden gebruikt wanneer de waarden niet in de Regeltekst staan.

      • kwantitatieveWaarde: de kwantitatief oftewel numeriek vastgelegde waarde van de omgevingsnorm. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Wordt vastgelegd door middel van een getal. De waarden worden in het OW-object én in een GIO vastgelegd. Dit attribuut kan alleen worden gebruikt wanneer de waarden niet in de Regeltekst staan.

      • waardeInRegeltekst: attribuut dat wordt gebruikt wanneer de waarde van de omgevingsnorm in de Regeltekst is opgenomen. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de beschrijving van de waarde. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor. Dit attribuut kan alleen worden gebruikt wanneer de waarden in de Regeltekst staan.

  • eenheid: de grootheid waarin de kwantitatieve waarde van de Omgevingsnorm wordt uitgedrukt. Het bevoegd gezag kiest de juiste eenheid, waarbij gebruik gemaakt wordt van de waardelijst ‘Eenheid’. Onder voorwaarde verplicht attribuut: alleen te gebruiken wanneer bij Normwaarde is gekozen voor het attribuut kwantitatieveWaarde; dan verplicht. Komt dan 1 keer voor.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifieke Normwaarde behorend bij een Omgevingsnorm naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie; attribuut dat de specifieke Locatie aanduidt waar deze annotatie Omgevingsnorm van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor.

Omgevingsnorm heeft de volgende constraints:

  • waarde is kwalitatief of kwantitatief of waardeInRegeltekst;

  • eenheid alleen bij kwantitatieve normwaarden.

Werkafspraak Geometrie en Normwaarde

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard gelden de volgende werkafspraken:

  1. Een Normwaarde geldt per individuele geometrie; dat geldt ook voor multigeometrie en locatiegroep: de Normwaarde geldt voor iedere individuele geometrie binnen de MultiSurface, MultiCurve of MultiPoint respectievelijk de Gebiedengroep, Lijnengroep of Puntengroep.

  2. Aangezien een Normwaarde geldt per individuele geometrie is een Normwaarde die bedoeld is als gezamenlijke waarde voor meerdere geometrieën niet toegestaan.

Werkafspraak Geen overlap

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Een Norm mag maar 1 waarde op een Locatie hebben en Locaties van de Norm mogen niet geheel of gedeeltelijk overlappend zijn.

8.7.5 Toelichting op de norm

Attributen en waardelijsten

  • naam: de naam van de omgevingsnorm. Het bevoegd gezag kan zelf de naam van de omgevingsnorm bepalen, er is geen waardelijst voor de naam van de omgevingsnorm. De naam kan worden overgenomen uit de Juridische regel. Wanneer de omgevingsnorm in de Juridische regel een lange naam of omschrijving heeft kan indien gewenst een verkorte versie daarvan in het attribuut naam worden opgenomen.

  • type: attribuut dat aangeeft tot welk type een omgevingsnorm behoort. Dit attribuut geeft een gedetailleerdere indeling van omgevingsnormen dan het attribuut groep dat hierna besproken wordt. Het speelt geen rol bij de weergave van omgevingsnormen op de kaart. Dit attribuut is vergelijkbaar met de maatvoeringaanduidingen uit de RO Standaarden, maar dan voor het domein van de Omgevingswet. Een voorbeeld is: aantal rijstroken. Voor type wordt gebruik gemaakt van de waardelijst ‘Typenorm’.

  • groep: om een groot aantal verschillende omgevingsnormen op een kaartbeeld te kunnen weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is, worden omgevingsnormen gebundeld in groepen. De groep vormt het kenmerk waarop de symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) van de standaardweergave wordt georganiseerd. De groepen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen in de limitatieve waardelijst ‘Omgevingsnormgroep’. Om het mogelijk te maken ook omgevingsnormen te annoteren die nu nog niet voorzien zijn, is de groep ‘overig’ aan de waardelijst toegevoegd.

  • normwaarde: attribuut waarmee wordt vastgelegd welke specifieke waarden een omgevingsnorm op specifieke locaties heeft en van welke soort die combinatie van norm en waarde voor een bepaalde omgevingsnorm is. Het attribuut normwaarde maakt gebruik van de gegevensgroep Normwaarde. In het navolgende worden de attributen van Normwaarde toegelicht.

    • identificatie: iedere Normwaarde heeft een identificatie. Let op: ook Omgevingsnorm zelf heeft een identificatie.

    • een keuze tussen de attributen kwalitatieveWaarde, kwantitatieveWaarde en waardeInRegeltekst:

      • kwalitatieveWaarde: dit attribuut wordt gekozen voor waarden die kwalitatief worden vastgelegd, oftewel in woorden worden omschreven, in het geval dat de Omgevingsnorm op verschillende locaties verschillende kwalitatieve waarden heeft, die in een GIO worden vastgelegd. Een (fictief) voorbeeld voor de omgevingsnorm maximum bouwhoogte: 'passend in het straatbeeld' voor locatie A, 'niet hoger dan de kerk' voor locatie B. De STOP/TPOD-standaard staat niet toe dat kwalitatieve waarden die bij een norm horen zowel in de tekst als in het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm en GIO’s voorkomen. Er moet namelijk eenduidig vaststaan wat de bron van een waarde is. Dit uitgangspunt voorkomt ook dat in de tekst per abuis een andere waarde staat dan in het normwaarde-attribuut en het GIO. Daarom kan het attribuut kwalitatieveWaarde alleen gebruikt worden wanneer de waarden niet in de Regeltekst staan.

      • kwantitatieveWaarde: dit attribuut wordt gekozen bij een kwantitatieve oftewel numerieke vastlegging van de omgevingsnorm. Bij het attribuut kwantitatieveWaarde worden de waarden die voor de verschillende locaties gelden in getallen vastgelegd. Wanneer dit attribuut is gekozen, moet ook het attribuut eenheid worden toegepast. Dat wordt verderop in deze subparagraaf toegelicht. De STOP/TPOD-standaard staat niet toe dat kwantitatieve waarden die bij een norm horen zowel in de tekst als in het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm en GIO’s voorkomen. Er moet namelijk eenduidig vaststaan wat de bron van een waarde is. Dit uitgangspunt voorkomt ook dat in de tekst per abuis een andere waarde staat dan in het normwaarde-attribuut en het GIO. Daarom kan het attribuut kwantitatieveWaarde alleen gebruikt worden wanneer de waarden niet in de Regeltekst staan.

      • waardeInRegeltekst: dit attribuut wordt gebruikt in die gevallen waarin het bevoegd gezag het wel wenselijk vindt om een omgevingsnorm met het OW-object Omgevingsnorm te annoteren maar niet de waarden van de omgevingsnorm aan de annotatie wil toevoegen en in een GIO wil vastleggen. De omgevingsnorm wordt dan wel op een kaart weergegeven en is ook in het Omgevingsloket als omgevingsnorm bevraagbaar. Deze optie kan bijvoorbeeld gebruikt worden wanneer een omgevingsnorm overal waar hij voorkomt dezelfde waarde heeft, en bij heel complexe waarden. Bij de keuze voor waardeInRegeltekst verschijnt bij raadpleging in de viewer de tekst 'waarde staat in regeltekst'. De STOP/TPOD-standaard staat niet toe dat kwantitatieve en kwalitatieve waarden die bij een norm horen zowel in de tekst als in het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm en GIO’s voorkomen. Er moet namelijk eenduidig vaststaan wat de bron van een waarde is. Dit uitgangspunt voorkomt ook dat in de tekst per abuis een andere waarde staat dan in het normwaarde-attribuut en het GIO. Wanneer de waarden in de Regeltekst staan kan dan ook alleen het attribuut waardeInRegeltekst gebruikt worden.

De waarden die worden vastgelegd met kwalitatieveWaarde en kwantitatieveWaarde worden vastgelegd in GIO’s en krijgen daarmee hun juridische borging. Bij gebruik van het attribuut waardeInRegeltekst wordt in het GIO alleen de Locatie vastgelegd en niet de waarde.

  • eenheid: met het attribuut eenheid wordt aangegeven in welke grootheid de kwantitatieve waarde van de Normwaarde kwantitatieveWaarde is uitgedrukt, bijvoorbeeld μg/m3. Samen met het getal dat bij het attribuut kwantitatieveWaarde is ingevuld wordt dit bijvoorbeeld 200 μg/m3. Voor eenheid wordt gebruik gemaakt van de waardelijst 'Eenheid'. Het attribuut eenheid is bij Norm geplaatst. Dat verplicht er toe om alle voorkomens van een specifieke norm in dezelfde eenheid uit te drukken. Daardoor komen in een geo-informatieobject ook alleen waarden voor met dezelfde eenheid. Dit voorkomt bij voorbeeld dat een bepaalde omgevingsnorm de ene keer in meters en de andere keer in decimeters wordt uitgedrukt.

  • locatieaanduiding: het attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de Locatie die bij deze specifieke Normwaarde behorend bij een Omgevingsnorm hoort én aangeeft wat de betekenis van Locatie is voor het object waar het bij hoort; in dit geval voor Omgevingsnorm. Dit attribuut legt dus vast dat deze Locatie de locatie is waar een bepaalde Normwaarde van de Omgevingsnorm van toepassing is.

Constraints

  • waarde is kwalitatief of kwantitatief of waardeInRegeltekst: deze constraint, die geldt voor Normwaarde, houdt in dat er bij Normwaarde altijd één van de genoemde attributen gekozen moet worden, met andere woorden: het is verplicht dat er precies één van de drie voorkomt, niet minder en niet meer.

  • eenheid alleen bij kwantitatieve normwaarden: deze constraint, die geldt voor het attribuut eenheid bij Norm, legt vast dat het attribuut eenheid alleen mag voorkomen indien bij Normwaarde is gekozen voor het attribuut kwantitatieveWaarde. Als bij Normwaarde gekozen is voor kwalitatieveWaarde of waardeInRegeltekst mag het attribuut eenheid niet voorkomen.

De eerste keer dat een specifieke omgevingsnorm (bij voorbeeld de omgevingsnorm ‘maximum aantal parkeerplaatsen’ of ‘maximum boordiepte') in een omgevingsdocument in een Juridische regel voorkomt, wordt deze met het OW-object Omgevingsnorm geannoteerd, met een verwijzing naar de Locatie die bij die Juridische regel hoort. Als in een volgende Juridische regel diezelfde omgevingsnorm wordt gebruikt, wordt in die Juridische regel volstaan met een verwijzing naar het betreffende al bestaande Omgevingsnorm-object, en wordt verwezen naar de Locatie die bij de nieuwe Juridische regel hoort. Op deze manier is van iedere afzonderlijke Juridische regel over die omgevingsnorm te zien welke Locatie er bij hoort en is ook zichtbaar welke Locaties horen bij de specifieke Omgevingsnorm. Een Omgevingsnorm heeft dus altijd met 1 of meer Juridische regels een relatie.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

Toelichting op werkafspraak Geometrie en Normwaarde

Zuiver modelmatig beschouwd is een multigeometrie één geheel en geldt daardoor een Normwaarde voor dat geheel; voor locatiegroep geldt hetzelfde. Een voorbeeld: modelmatig zou toepassing van multigeometrie of locatiegroep bij een maximum bebouwingspercentage van 60% betekenen dat op de individuele geometrieën van zo'n multigeometrie of locatiegroep een deel van dat maximum bebouwingspercentage benut mag worden totdat de gezamenlijke oppervlakte van de daar gebouwde bouwwerken 60% van de totale oppervlakte van de multigeometrie of locatiegroep beslaat; op de resterende geometrieën mag niet meer gebouwd worden. Wanneer de bedoeling is dat iedere geometrie voor ten hoogste 60% bebouwd mag worden, zou gebruik gemaakt moeten worden van losse, enkelvoudige Locaties.

Geconstateerd is dat de informatiemodellen (IMOW en IMOP) geen expliciet onderscheid kennen tussen de waarde die voor een individuele geometrie geldt en de waarde die een gezamenlijke waarde is voor meerdere geometrieën. Hierdoor is het niet mogelijk om een eenduidige juridisch verantwoorde weergave te realiseren. Ook is geconstateerd dat door het in de informatiemodellen ontbreken van dat onderscheid, softwareleveranciers de combinatie van Normwaarde en de verschijningsvormen van geometrie niet eenduidig kunnen implementeren.

Bij een eenvoudige Norm zoals maximum bouwhoogte begrijpt iedereen dat bedoeld is dat de waarde voor ieder individueel punt van de geometrie geldt, ongeacht de gebruikte geometrie- en locatievorm. Een complexe Norm met een Normwaarde die bedoeld is als gezamenlijke waarde voor een aantal geometrieën kunnen viewers bij de huidige modellering niet op de juiste manier laten zien.

Om duidelijkheid te geven hoe de combinatie van Normwaarde en de verschijningsvormen van geometrie in software geïmplementeerd moet worden en de zekerheid te bieden dat viewers Normwaarden juridisch correct zoals ze bedoeld zijn weergeven, gelden twee werkafspraken:

  1. Een Normwaarde geldt per individuele geometrie; dat geldt ook voor multigeometrie en locatiegroep: de Normwaarde geldt voor iedere individuele geometrie binnen de MultiSurface, MultiCurve of MultiPoint respectievelijk de Gebiedengroep, Lijnengroep of Puntengroep.

  2. Aangezien een Normwaarde geldt per individuele geometrie is een Normwaarde die bedoeld is als gezamenlijke waarde voor meerdere geometrieën niet toegestaan.
    Als juridisch de bedoeling is om een gezamenlijke waarde te stellen moet een alternatieve oplossing toegepast worden.

Zie voor voorbeelden van twee alternatieve oplossingsmethoden bijlage 2. Voor eenvoudige Normwaarden, waarbij de bedoeling is dat de waarden gelden voor iedere geometrie (of voor ieder individueel punt van de geometrie), mag iedere verschijningsvorm van Locatie en iedere geometrievorm gebruikt worden.

Toelichting op werkafspraak Geen overlap

De STOP-standaard is er op gericht dat alle inhoud van een besluit voor het menselijk oog leesbaar kan worden weergegeven zonder dat daarvoor hulpmiddelen (denk aan een klik op de kaart) gebruikt hoeven te worden. Dat geldt niet alleen voor de tekst maar ook voor de geometrische begrenzing van het gebied waar een regel geldt en voor normwaarden die voor een gebied gelden. Op de kaartweergave van het GIO moeten de locaties en de normwaarden zo weergegeven kunnen worden dat ze in één oogopslag afzonderlijk te onderscheiden zijn. Als twee locaties elkaar precies overlappen zijn de begrenzingen van die locaties in de kaartweergave van het GIO niet van elkaar te onderscheiden. Als de locaties van twee normwaarden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen, kan niet gegarandeerd worden dat beide waarden leesbaar zijn zonder klik op de kaart. STOP stelt regels om de correcte weergave af te dwingen.

IMOW kent deze beperkingen niet. Daardoor zou een aanlevering gedaan kunnen worden die conform IMOW is maar bij de validatie wordt afgekeurd wegens de genoemde STOP-regels. Om dat te voorkomen en beide componenten van de STOP/TPOD-standaard op elkaar af te stemmen worden deze beperkingen ook in de TPOD-standaard ingevoerd met de werkafspraak ‘Een Norm mag maar 1 waarde op een Locatie hebben en Locaties van de Norm mogen elkaar niet geheel of gedeeltelijk overlappen’.

8.7.6 Aanbevelingen voor Locatie, noemer en naam GIO bij annoteren met Omgevingsnorm

Een Omgevingsnorm wordt door middel van de Normwaarde aan de bijbehorende Locatie gekoppeld. De locaties verwijzen steeds naar één Geometrie, dit kan een Surface (vlak) maar ook een MultiSurface (multivlak) zijn. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

  • de Locatie bestaat uit losse Gebieden of een Gebiedengroep;

  • de Locatie heeft een noemer;

  • de naam van de Omgevingsnorm is hetzelfde als de naam van het GIO;

  • de naam van de Omgevingsnorm (en daarmee ook van het GIO) moet herkenbaar in de tekst van de regel voorkomen;

  • de noemer van de Locatie zal meestal hetzelfde zijn als de naam van de Omgevingsnorm;

  • het in één Omgevingsnorm vermengen van waarden die per vlak gelden en waarden die een gezamenlijke waarde voor een aantal vlakken zijn moet worden voorkomen;

  • bij een Omgevingsnorm die een gezamenlijke waarde voor een aantal vlakken stelt moet in de naam van de Omgevingsnorm tot uitdrukking komen dat het om een gezamenlijke waarde voor meerdere vlakken gaat.

8.8 Objecttype Gebiedsaanwijzing

8.8.1 Toelichting op de toepassing

In omgevingsdocumenten worden gebieden benoemd waarover regels worden gesteld respectievelijk beleids- of uitvoeringsaspecten worden vastgelegd. Met het objecttype Gebiedsaanwijzing kunnen die gebieden op een kaart worden weergeven, op een zodanige manier dat duidelijk is waar de regel of het beleids- of uitvoeringsaspect over gaat. Ook maakt Gebiedsaanwijzing het mogelijk om in een viewer een selectie te maken van bepaalde gebieden.

Het objecttype Gebiedsaanwijzing is een generiek objecttype. Het is generiek gemodelleerd om voldoende flexibiliteit te bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Het wordt specifiek gemaakt door het attribuut type, dat gekozen wordt uit een limitatieve waardelijst. Nieuwe typen gebieden kunnen worden aangewezen doordat (na een wijzigingsproces) nieuwe waarden aan de waardelijst voor type worden toegevoegd; het is dus niet nodig om extra objecttypen aan het informatiemodel toe te voegen.

De waardelijst voor de Gebiedsaanwijzingtypen bevat nu 19 waarden. Ze zijn onder te verdelen in sectorale en niet-sectorale typen, zoals is aangegeven in Tabel 8.

Tabel 8De Gebiedsaanwijzingtypen, onderverdeeld in sectoraal en niet-sectoraal

Sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Niet-sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Bodem

Landschap

Beperkingengebied

Bouw

Leiding

Functie

Defensie

Lucht

Ruimtelijk gebruik

Energievoorziening

Mijnbouw

Erfgoed

Natuur

Externe veiligheid

Recreatie

Geluid

Verkeer

Geur

Water en watersysteem

8.8.1.1 Onderscheid tussen sectorale en niet-sectorale Gebiedsaanwijzingtypen

Met de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen wordt aangegeven voor welk aspect van de fysieke leefomgeving een gebied wordt aangewezen. Ze zijn bedoeld om gebieden waarover regels respectievelijk beleidsuitspraken met een sterk sectoraal karakter worden gesteld c.q. gedaan, in een viewer op een kaartbeeld weer te kunnen geven en er zoek- en selecteeracties mee te kunnen doen.

De drie typen Functie, Beperkingengebied en Ruimtelijk gebruik zijn niet bedoeld om een gebied voor een aspect van de fysieke leefomgeving aan te wijzen, maar hebben een ander karakter. De Gebiedsaanwijzing van het type Functie is bedoeld voor de situatie waarin het bevoegd gezag ervoor kiest om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen als abstract criterium te hanteren maar om het resultaat daarvan ook (geheel of gedeeltelijk) op een kaart weer te geven, vergelijkbaar met het in het bestemmingsplan aanwijzen van de bestemming van gronden op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Dit type kan alleen in het omgevingsplan en de omgevingsverordening toegepast worden. Het Gebiedsaanwijzingtype Beperkingengebied is specifiek bedoeld voor het aanwijzen van beperkingengebieden: gebieden waar regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor een bepaald, in dat gebied aanwezig, werk of object. Dit type kan alleen toegepast worden in omgevingsdocumenten waarvan in de Omgevingswet is bepaald dat ze beperkingengebieden kunnen aanwijzen en/of regels over beperkingengebiedactiviteiten kunnen bevatten. Het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijk gebruik is enerzijds bedoeld om provincies in staat te stellen om hun niet-sectorale regels in een viewer op een kaartbeeld weer te geven. Anderzijds sluit het aan bij de door de VNG ontwikkelde staalkaarten voor het omgevingsplan en stelt het gemeenten in staat om tot een ordening van (combinaties van) activiteiten te komen, als alternatief voor het werken met functies.

8.8.1.2 Gebruik van Gebiedsaanwijzingtypen per omgevingsdocument

Niet ieder type Gebiedsaanwijzing kan in ieder omgevingsdocument worden gebruikt, zie bijvoorbeeld wat hiervoor al is aangegeven over het type Beperkingengebied. Daarnaast zijn er Gebiedsaanwijzingtypen waarvan het gebruik in het ene omgevingsdocument meer voor de hand ligt dan in het andere. Provincies worden geacht terughoudend te zijn met het toedelen van functies. Wanneer Rijk en provincies zelf gebiedsgerichte regels stellen, gebruiken ze daarvoor primair de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen. Dat geldt ook voor de waterschappen. Omgekeerd ligt het in de rede dat gemeenten in het omgevingsplan terughoudend zijn bij het gebruik van de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen. Hen wordt aangeraden voor dat instrument primair gebruik te maken van de Gebiedsaanwijzingtypen Functie en Ruimtelijk gebruik. Tabel 9 geeft inzicht in het beoogde gebruik van de Gebiedsaanwijzingtypen.

Tabel 9Gebruik van de Gebiedsaanwijzingtypen in de verschillende omgevingsdocumenten

Omgevingsdocument / soort regeling

AMvB/ MR

Omgevingsverordening

Waterschapsverordening

Omgevingsplan

Omgevingsvisie

Projectbesluit vrijetekstdeel

Omgevingsplanregels uit een projectbesluit[80] Dit zijn de regels in het tijdelijk regelingdeel waarmee het projectbesluit een omgevingsplan wijzigt

Voorbeschermingsregels omgevingsverordening

Voorbeschermingsregels omgevingsplan

Programma

Natura 2000-besluiten

Gebiedsaanwijzingtype

Beperkingengebied

X

X

X

X

Bodem

T

T

T

T

X

Bouw

X

X

X

X

X

X

X

X

Defensie

X

T

T

T

X

Energievoorziening

T

T

T

T

X

Erfgoed

T

T

T

T

X

Externe veiligheid

X

X

Functie

X

T

X

X

X

T

X

X

Geluid

T

X

Geur

X

X

Landschap

T

T

T

T

X

Leiding

T

T

T

T

X

Lucht

X

T

T

T

X

Mijnbouw

X

T

T

T

X

Natuur

T

Recreatie

X

T

T

T

X

Ruimtelijk gebruik

X

X

Verkeer

T

T

T

T

X

Water en watersysteem

T

T

T

X

Tabel 10Legenda

Kan gebruikt worden in dit omgevingsdocument

T

Terughoudend gebruik

X

Kan niet gebruikt worden in dit omgevingsdocument

8.8.1.3 Combinatie van Gebiedsaanwijzing met objecttypen voor tekst

Het objecttype Gebiedsaanwijzing worden altijd toegepast in combinatie met een locatie en tekst. In het geval van omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur wordt de Gebiedsaanwijzing gecombineerd met het tekst-object Tekstdeel. In omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur kan geannoteerd worden op het niveau van het element dat inhoud bevat (Divisietekst) én op het niveau van het structuurelement (Divisie). Het annoteren met het objecttype Gebiedsaanwijzing ligt het meeste voor de hand op het niveau van het element dat inhoud bevat: Divisietekst. Het annoteren van Locatie bij een Tekstdeel is optioneel. Let op dat het niet annoteren van Locatie bij een Tekstdeel tot gevolg heeft dat het ook niet mogelijk is om dat Tekstdeel te annoteren met Gebiedsaanwijzing. Bij omgevingsdocumenten met Artikelstructuur wordt de Gebiedsaanwijzing gecombineerd met het tekst-object Juridische regel. De Gebiedsaanwijzing kan gecombineerd worden met alle typen Juridische regel. Dat maakt het mogelijk om met een Gebiedsaanwijzing een gebied aan te wijzen waarvoor een rechtstreeks werkende regel (dus een Juridische regel van het type Regel voor iedereen) wordt gesteld. Ook kan Gebiedsaanwijzing worden gebruikt om duidelijk te maken dat een instructieregel over een bepaald type gebied gaat waarbij dat gebied ook in de Juridische regel van de instructieregel wordt benoemd. Tot slot is het ook mogelijk om een omgevingswaarderegel, naast de annotatie met Omgevingswaarde, ook te annoteren met een Gebiedsaanwijzing.

8.8.1.4 Weergave op de kaart

Op voorhand is niet te zeggen hoeveel en welke specifieke vormen van een bepaald Gebiedsaanwijzingtype in de verschillende omgevingsdocumenten begrensd zullen worden, het is mogelijk dat het er veel verschillende zullen zijn. Er is geen symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) voorhanden die een grote hoeveelheid verschillende specifieke vormen van een type kan weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is. Daarom heeft niet iedere individuele Gebiedsaanwijzing een eigen symbolisatie, maar is er een (standaard)symbolisatie per groep bij elkaar horende Gebiedsaanwijzingen van een bepaald type. Daarvoor heeft Gebiedsaanwijzing het attribuut groep en is er voor ieder Gebiedsaanwijzingtype een (limitatieve) waardelijst voor de groep. Het bevoegd gezag kiest een eigen naam voor de individuele Gebiedsaanwijzing van een bepaald type en kiest voor het attribuut groep uit de waardelijst de waarde die het meest overeenkomt met de bedoeling van die Gebiedsaanwijzing. Hierdoor kunnen de Locaties van alle specifieke vormen van dat type Gebiedsaanwijzing in een (interactieve) viewer met de standaardweergave worden weergegeven op een kaart. Een voorbeeld van het Gebiedsaanwijzingtype Functie om het gebruik van Gebiedsaanwijzing te verduidelijken: De functie supermarkt (naam) hoort tot de functiegroep detailhandel (groep) van het Gebiedsaanwijzingtype Functie (type).

8.8.2 Definitie

Gebiedsaanwijzing is het objecttype voor het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een specifiek type gebied aanwijzen of over een specifiek type gebied gaan.

8.8.3 Doel

Doel van het generieke objecttype Gebiedsaanwijzing is het bieden van modelmatige flexibiliteit waardoor het toevoegen van nieuwe typen mogelijk is zonder modelwijziging.

Doel van de verschillende typen Gebiedsaanwijzing is:

  • machineleesbaar vastleggen dat een Juridische regel of Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) gaan over een specifiek type gebied;

  • zodanig op een kaart weergeven van de Locaties waar de regels of het beleid over dat type gebied gelden, dat herkenbaar is over welk aspect ze gaan en er een legenda gemaakt kan worden;

  • kunnen filteren in een viewer of op een kaart.

8.8.4 Norm
media/image48.png
Figuur 65Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Gebiedsaanwijzing
media/image49.png
Figuur 66Groepen bij een aantal van de verschillende typen Gebiedsaanwijzing

Gebiedsaanwijzing kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • type: het type Gebiedsaanwijzing. Te kiezen uit de limitatieve waardelijst ‘TypeGebiedsaanwijzing’. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • naam: de naam van de specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • groep: de categorie waartoe de specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing behoort; attribuut dat de koppeling legt naar de standaardsymbolisatie van die categorie van de Gebiedsaanwijzing. Te kiezen uit de voor het betreffende type Gebiedsaanwijzing van toepassing zijnde limitatieve waardelijst ‘[TypeGebiedsaanwijzing]groep’ (waarbij op de plaats van [TypeGebiedsaanwijzing] het betreffende type Gebiedsaanwijzing wordt ingevuld). Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing naar de bijbehorende Locatie door middel van de identificatie van; attribuut waarmee de Locatie wordt aangeduid waar deze annotatie Gebiedsaanwijzing van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt ten minste 1 keer voor. Gebiedsaanwijzing heeft één of meer Locaties en één of meer locatieaanduiding-relaties met Locatie.

Gebiedsaanwijzing kent geen constraints.

8.8.5 Toelichting op de norm
  • type: Gebiedsaanwijzing is een generiek objecttype dat gespecificeerd wordt naar type. Het type wordt vastgelegd met het attribuut type. De typen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen in de limitatieve waardelijst ‘TypeGebiedsaanwijzing’. Voorbeelden zijn: Beperkingengebied, Externe veiligheid en Functie.

  • naam: door het bevoegd gezag zelf te kiezen, er is geen waardelijst voor de naam van de gebiedsaanwijzingen. Het gaat hier om de naam van een specifiek voorkomen van een bepaald type gebiedsaanwijzing, bijvoorbeeld ‘Centrumgebied’ als voorkomen van het Gebiedsaanwijzingtype Functie of ‘Kantoorlocatie’ als voorkomen van het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijk gebruik.

  • groep: om een groot aantal verschillende gebiedsaanwijzingen van een bepaald type op een kaartbeeld te kunnen weergeven op een manier die voor het menselijk oog voldoende onderscheidend is, wordt ieder type Gebiedsaanwijzing gebundeld in groepen. De groep vormt het kenmerk waarop de symbolisatie (kleur, arcering, lijnstijl) van de standaardweergave wordt georganiseerd. Ieder type Gebiedsaanwijzing heeft een eigen, limitatieve, waardelijst voor de groepen. Afhankelijk van het type wordt de bijbehorende waardelijst gekozen. Zie hiervoor ook de uitgebreidere toelichting in paragraaf 8.8.1.4.

  • locatieaanduiding: attribuut dat vastlegt dat deze Locatie de locatie is waar deze specifieke vorm van een bepaald type Gebiedsaanwijzing van toepassing is. Bij een specifieke vorm van een bepaald Gebiedsaanwijzingtype horen één of meer Locaties; per Locatie is er een locatieaanduiding.
    Uitgangspunt is dat het objecttype Gebiedsaanwijzing wordt gebruikt voor het aanwijzen van gebieden. In principe verwijst de locatieaanduiding van een Gebiedsaanwijzing altijd naar Locaties van de verschijningsvorm Gebied of Gebiedengroep (of eventueel Ambtsgebied). Er zijn echter gevallen waarin het wenselijk kan zijn om een Gebiedsaanwijzing te gebruiken voor het herkenbaar weergeven van lijnen. Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de Gebiedsaanwijzing Bouw om in het omgevingsplan rooilijnen weer te geven. Het gebruik van het object Gebiedsaanwijzing in combinatie met punten ligt minder voor de hand, maar wordt niet uitgesloten.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.8.6 Aanbevelingen voor Locatie, noemer en naam GIO bij annoteren met Gebiedsaanwijzing

Een Gebiedsaanwijzing wordt aan de bijbehorende Locatie gekoppeld. De locaties verwijzen steeds naar één Geometrie, dit kan een Surface (vlak) maar ook een MultiSurface (multivlak) zijn. Aanbevelingen voor het gebruik van Locatie, noemer en naam GIO:

  • de Locatie is een Gebiedengroep;

  • de Locatie heeft een noemer;

  • de naam van de Gebiedsaanwijzing is hetzelfde als de naam van het GIO;

  • de naam van de Gebiedsaanwijzing (en daarmee ook van het GIO) moet in de tekst van de regel voorkomen;

  • de noemer van de Locatie is hetzelfde als de naam van de Gebiedsaanwijzing.

8.8.7 De typen Gebiedsaanwijzing
8.8.7.1 Beperkingengebied

8.8.7.1.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Beperkingengebied wordt gebruikt om de geometrische begrenzing van beperkingengebieden vast te leggen en de verschillende beperkingengebieden op een kaartbeeld weer te geven. De Gebiedsaanwijzing van het type Beperkingengebied wordt alleen gebruikt voor beperkingengebieden als bedoeld in de Omgevingswet. Een beperkingengebied is, aldus de definitie van dat begrip in de begripsbepalingen van de Omgevingswet, een bij of krachtens de Omgevingswet aangewezen gebied waar, vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Iedere activiteit die in een beperkingengebied wordt verricht, is in het wettelijke systeem een beperkingengebiedactiviteit.

Voor diverse omgevingsdocumenten met regels geldt op grond van de Omgevingswet een plicht om beperkingengebieden aan te wijzen en geometrisch te begrenzen, waar nodig in combinatie met het stellen van regels over beperkingengebiedactiviteiten. Dat geldt in ieder geval voor beperkingengebieden met betrekking tot wegen, waterstaatswerken, spoorwegen, luchthavens en installaties in een waterstaatswerk (al dan niet in de vorm van een mijnbouwinstallatie).

Denkbaar is dat in het omgevingsdocument ook andere beperkingengebieden worden opgenomen. Voorwaarde daarbij is, zo volgt uit de definitie, dat het moet gaan om een gebied waar beperkingen gelden vanwege en ter bescherming van een werk of een object. Ook moet bedacht worden dat het wettelijk systeem zo is dat iedere activiteit die in een beperkingengebied plaatsvindt, in principe tevens een beperkingengebiedactiviteit is waarvoor beperkende regels kunnen gelden. Voorbeelden van andere beperkingengebieden zijn een beperkingengebied met betrekking tot een windmolen op land en een beperkingengebied met betrekking tot een molenbiotoop.

De annotatie met de Gebiedsaanwijzing van het type Beperkingengebied wordt alleen gebruikt voor (rechtstreeks werkende) regels die daadwerkelijk een beperkingengebied aanwijzen, in het leven roepen en daar nadere regels over stellen, niet voor instructieregels die bepalen dat in een ander omgevingsdocument een bepaald beperkingengebied moet worden opgenomen. Wel is het mogelijk om in een instructieregel of een omgevingswaarderegel gebruik te maken van een Locatie die met het OW-object Beperkingengebied is geannoteerd, omdat de instructie- of omgevingswaarderegel over hetzelfde gebied gaat.

8.8.7.1.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Beperkingengebied is het objecttype voor omgevingsdocumenten met Artikelstructuur dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen van het type Beperkingengebied als bedoeld in de Omgevingswet: een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar, vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

8.8.7.2 Bodem

8.8.7.2.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels met het oog op de bescherming van de bodemkwaliteit gelden, zoals bodembeheergebieden en stortplaatsen. De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de kwaliteit van de bodem, inclusief bodemdaling.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Bodem onder andere gebruiken voor bodembeheergebieden, veenkoloniaal gebied, gesloten of voormalige stortplaatsen, bodemdalingsgebieden en zones die vrij moeten blijven van boringen en/of warmte-koude-opslag. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over bodemaspecten opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Bodem. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.2.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Bodem is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van de bodemkwaliteit.

8.8.7.3 Bouw

8.8.7.3.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Bouw wordt gebruikt voor het weergeven van locaties waar in het omgevingsplan specifieke regels worden gesteld over het situeren van bouwwerken. Voorbeelden daarvan zijn het bouwvlak (de locatie waarbinnen bepaalde bouwwerken mogen worden gebouwd) en rooilijnen (lijnen die aangeven waar gevels van bepaalde bouwwerken moeten worden gesitueerd, vaak met het oog op het bereiken of behouden van een stedenbouwkundig beeld).

Iedere Gebiedsaanwijzing krijgt een naam, die door het bevoegd gezag zelf wordt bepaald. Ten behoeve van de weergave moet voor het attribuut groep een keuze gemaakt worden uit de waardelijst Bouwgroep. Naam en groep van een Gebiedsaanwijzing zullen vaak verschillend zijn, maar kunnen ook hetzelfde zijn. Met name bij de rooilijn (een van de waarden voor de groep) zal vaak een andere naam gekozen worden, om daarmee het soort rooilijn nader te specificeren, bijvoorbeeld ‘voorgevelrooilijn’. Bij het bouwvlak is het goed denkbaar dat naam en groep hetzelfde zijn, namelijk bouwvlak.

8.8.7.3.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Bouw is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel in het omgevingsplan en de bijbehorende Locatie(s) gericht zijn op het reguleren van de situering van bouwwerken.

8.8.7.4 Defensie

8.8.7.4.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie wordt gebruikt voor militaire gebieden, militaire objecten, (de omgeving van) schietterreinen en voor gebieden waar verstoring van radarapparatuur en zend- en ontvangstinstallaties moet worden voorkomen. Voor deze locaties worden bijzondere regels gesteld, onder andere door het Rijk. De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor defensie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over defensie opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Defensie. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.4.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Defensie is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de effecten, de bescherming en het tegengaan van verstoring van militaire gebieden en objecten.

8.8.7.5 Energievoorziening

8.8.7.5.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels gelden met het oog op de energievoorziening, bijvoorbeeld locaties voor kernenergie of hoogspanningsverbindingen. De Gebiedsaanwijzing Energievoorziening kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de energievoorziening, zoals zoeklocaties voor windenergie.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Energievoorziening onder andere gebruiken voor gebieden voor bodemenergie, windturbines, zonne-energie en duurzame energie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over de energievoorziening opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.5.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Energievoorziening is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming en bevordering van de energievoorziening.

8.8.7.6 Erfgoed

8.8.7.6.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed wordt gebruikt voor het weergeven van gebieden en objecten waar specifieke regels gelden met het oog op de bescherming van (cultureel) erfgoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om werelderfgoederen, beschermde stads- en dorpsgezichten, monumenten en waardevolle cultuurlandschappen. De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor het erfgoed.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Erfgoed onder andere gebruiken voor archeologie, buitenplaatsen, cultuurhistorie, werelderfgoed en cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten beleid en regels over erfgoed opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen). Dat geldt in het bijzonder voor beschermde stads- en dorpsgezichten en voor (al dan niet voorbeschermde) gemeentelijke en provinciale monumenten. Die moeten worden geannoteerd met de Gebiedsaanwijzing van het type Functie, omdat uit Omgevingswet en Bbl blijkt dat de wetgever er van uitgaat dat daarvoor de systematiek van functie-aanduiding in het omgevingsplan wordt toegepast. Zie hiervoor verder de beschrijving van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie in paragraaf 8.8.7.8.

8.8.7.6.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van cultureel erfgoed.

8.8.7.7 Externe veiligheid

8.8.7.7.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Externe veiligheid wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het waarborgen van de veiligheid specifieke regels gelden. Het gaat hierbij met name om de aandachtsgebieden externe veiligheid (groepsrisico) en de afstanden voor het plaatsgebonden risico. Dit zijn gebieden rond risicovolle activiteiten waarvoor het rijk instructieregels heeft gesteld. De Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de externe veiligheid.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid vooral gebruiken voor belemmeringengebieden en risicogebieden. Ook gemeenten zullen in omgevingsvisie en omgevingsplan beleid en regels over de externe veiligheid opnemen en kunnen daarvoor gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing Externe veiligheid, bijvoorbeeld voor het in het omgevingsplan opnemen van bouwvoorschriftengebieden en aandachtsgebieden externe veiligheid. Voor het overige is uitgangspunt dat zij in het omgevingsplan bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.7.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Externe veiligheid is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het waarborgen van de veiligheid.

8.8.7.8 Functie

8.8.7.8.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Functie wordt gebruikt om het kaartgerichte resultaat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vast te leggen en op een kaartbeeld weer te geven. Op grond van artikel 4.2 lid 1 Ow bevat het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in deze formulering bedoeld als een abstract criterium, vergelijkbaar met het eveneens abstracte criterium goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door het zodanig stellen van regels over activiteiten en de locaties waar die activiteiten wel of juist niet verricht mogen worden dat onderling evenwicht ontstaat.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan in het omgevingsplan worden vastgelegd door gebieden een functie te geven en die gebieden te begrenzen met coördinaten waardoor ze op een kaart als functie worden weergegeven, in combinatie met het stellen van regels over bij die functie behorende activiteiten. In navolging van de wetgever noemen we dit functie-aanduiding[81] Zie hiervoor paragraaf 2.2.1.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet van juli 2018. De hier bedoelde functie-aanduiding is een andere dan de functieaanduiding die in de RO Standaarden op basis van de Wet ruimtelijke ordening voorkomt, waar die functieaanduiding een specificatie van een bestemming geeft.
. In deze zin is een functie het gebruiksdoel of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

Het louter toedelen van functie-aanduidingen aan een locatie heeft geen zelfstandig rechtsgevolg en leidt op zichzelf niet tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het rechtsgevolg en het evenwicht ontstaan pas door regels te stellen over activiteiten. Het bereiken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan ook door het stellen van regels over activiteiten zonder gebruik te maken van functie-aanduidingen.

Op deze manier kan een aantal varianten van het omgevingsplan ontstaan:

  • in het omgevingsplan wordt het hele grondgebied van de gemeente gevuld met functie-aanduidingen;

  • in het omgevingsplan komen geen functie-aanduidingen voor (er wordt alleen gereguleerd met activiteiten);

  • in het omgevingsplan komen functie-aanduidingen voor maar die zijn niet grondgebied-dekkend (er zijn delen waar niet met functie-aanduidingen maar alleen met activiteiten wordt gereguleerd).

Het tweede lid van artikel 4.2 Ow geeft de provincies onder voorwaarden de bevoegdheid om regels te stellen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de Memorie van Toelichting beklemtoont de wetgever dat provincies geacht worden daar terughoudend mee om te gaan[82] Zie paragraaf 2.2.1.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet van juli 2018.
.

Hoewel de wetgever benadrukt dat het eerste lid van artikel 4.2 Ow niet moet worden gelezen als opdracht om in het omgevingsplan alle locaties te ‘etiketteren met functie-aanduidingen’[83] Zie ook hiervoor paragraaf 2.2.1.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet van juli 2018.
, stelt de wetgever dat in een aantal gevallen wel verplicht. Dat is ten eerste het geval bij het (gemeentelijk of provinciaal) monument. In de begripsbepalingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl) worden gemeentelijke en provinciale monumenten als volgt gedefinieerd: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk respectievelijk provinciaal monument is gegeven. Een object is dus alleen een monument als er in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk of provinciaal monument aan is gegeven en alleen dan zijn de specifieke regels voor monumenten van het Bbl van toepassing. Een tweede geval is het rijksbeschermde stads- of dorpsgezicht. Het vierde lid van artikel 2.34 Omgevingswet biedt het Rijk een expliciete grondslag voor het geven van een instructie aan de gemeenteraad tot het in het omgevingsplan voor een locatie opnemen van de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van artikel 4.35 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet geldt een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35 lid 1 Monumentenwet 1988[84] Artikel 35 lid 1 Monumentenwet 1988 geeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bevoegdheid om stads- en dorpsgezichten aan te wijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht
als een instructie als bedoeld in artikel 2.34 lid 4 Ow. Dat betekent dat de gemeenteraad ook verplicht is om in het omgevingsplan voor in het verleden aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht op te nemen. Een stads- of dorpsgezicht is dus alleen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht als daarvoor in het omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is opgenomen en alleen dan zijn de specifieke regels voor bouwwerken binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht van het Bbl van toepassing[85] Zolang in het omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, gelden die specifieke regels op grond van het overgangsrecht van artikel 8.2 Bbl
.

Bij het in het omgevingsplan stellen van regels die zijn gerelateerd aan bepaalde typen gebieden is het uitgangspunt dat gemeenten bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie en eventueel van het type Ruimtelijk gebruik. In heel specifieke gevallen kunnen gemeenten gebruik maken van de sectorale Gebiedsaanwijzingtypen. Zoals hiervoor al is aangegeven maken de provincies in hun omgevingsverordening terughoudend gebruik van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie; voor de omgevingsverordening zijn primair het type Ruimtelijk gebruik en de sectorale typen bedoeld. De annotatie met de Gebiedsaanwijzing van het type Functie wordt alleen gebruikt voor de systematiek van functie-aanduidingen, niet voor instructieregels die gaan over de manier van reguleren door middel van functies in het omgevingsplan.

8.8.7.8.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Functie is het objecttype, beschikbaar voor omgevingsplan en omgevingsverordening, dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen van het type Functie, waarmee het gebruiksdoel of de bijzondere eigenschap van een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie wordt vastgelegd.

8.8.7.9 Geluid

8.8.7.9.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het tegengaan van geluidhinder specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor geluid.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Geluid vooral gebruiken voor het aanwijzen van stiltegebieden. Ook gemeenten zullen in omgevingsvisie en omgevingsplan beleid en regels over geluid opnemen en kunnen daarvoor gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Geluid. Dat geldt in ieder geval voor het in het omgevingsplan aanwijzen van stille gebieden. Wanneer alle bestuurslagen voor het reguleren van stilte- en stille gebieden gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing Geluid en de groep ‘stiltegebied’ kan dat de vindbaarheid van stilte- en stille gebieden bevorderen. Voor het overige is uitgangspunt dat in het omgevingsplan bij voorkeur gebruik gemaakt wordt van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.9.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Geluid is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het tegengaan van geluidhinder.

8.8.7.10 Geur

8.8.7.10.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Geur wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het tegengaan van geurhinder specifieke regels gelden. Het gaat hierbij met name om de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour geur en om de reconstructiegebieden voor veehouderijen. De Gebiedsaanwijzing van het type Geur kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor geur.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over geur opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Geur. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.10.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Geur is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het tegengaan van geurhinder.

8.8.7.11 Landschap

8.8.7.11.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op de bescherming en de ontwikkeling van het landschap specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor het landschap. Daar waar Landschap beschouwd en beschermd moet worden als Erfgoed wordt gebruik gemaakt van de Gebiedsaanwijzing van het type Erfgoed.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over landschappen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Landschap. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.11.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Landschap is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming en de ontwikkeling van het landschap vanuit ander perspectief dan natuur en erfgoed.

8.8.7.12 Leiding

8.8.7.12.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding wordt gebruikt voor het weergeven van gebieden waar met het oog op het waarborgen van de goede staat en instandhouding van hoogspanningsverbindingen en (buis)leidingen specifieke regels gelden. Het kan ook gaan om het behouden van ruimte voor toekomstige verbindingen. De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de leiding, bijvoorbeeld als zoekgebied voor toekomstige tracés.

Gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over kabels en leidingen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Leiding. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.12.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Leiding is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het waarborgen van de goede staat en instandhouding van leidingen.

8.8.7.13 Lucht

8.8.7.13.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de buitenlucht specifieke regels gelden. Het gaat hierbij in elk geval om de gebieden die in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als gebieden waar niet kan worden uitgesloten dat er sprake is een van dreigende overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de kwaliteit van de buitenlucht.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Lucht vooral gebruiken bij het stellen van regels over varend ontgassen. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid en regels over (de kwaliteit van) lucht opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Lucht. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.13.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Lucht is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht.

8.8.7.14 Mijnbouw

8.8.7.14.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw wordt gebruikt voor gebieden waar met het oog op het kunnen uitvoeren van mijnbouwactiviteiten specifieke regels gelden. De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor de mijnbouw.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw onder andere gebruiken voor beleid en het stellen van regels over de winning van schaliegas. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over de mijnbouw opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.14.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Mijnbouw is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het kunnen verrichten van mijnbouwactiviteiten.

8.8.7.15 Natuur

8.8.7.15.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels respectievelijk beleid voor de bescherming van de natuur gelden. De Omgevingswet verplicht ertoe om bepaalde gebieden en landschappen aan te wijzen. Het gaat dan bijvoorbeeld om Natura 2000-gebieden, gebieden behorend tot het natuurnetwerk Nederland, nationale parken en bijzondere nationale en provinciale natuurgebieden. Doelen van die aanwijzingen zijn het behoud of herstel van dier- en plantensoorten, van hun biotopen en (natuurlijke) habitats en de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Deze gebieden zullen worden aangewezen bij specifieke aanwijzingsbesluiten respectievelijk bij omgevingsverordening. In de omgevingsvisies en programma’s van het Rijk en de provincies zullen de beleidsuitgangspunten en doelstellingen voor de aanwijzing van die gebieden beschreven worden. Ook voor andere gebieden zal, ter bescherming van de natuur, beleid geformuleerd worden en regels gesteld worden. Dat doen in ieder geval Rijk en provincie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over natuur opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Natuur. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.15.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Natuur is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de bescherming van natuur en landschap.

8.8.7.16 Recreatie

8.8.7.16.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie wordt gebruikt voor gebieden waar specifieke regels gelden met het oog op recreatie, bijvoorbeeld locaties waar verblijfsrecreatie wel of juist niet is toegestaan. De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor recreatie.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie onder andere gebruiken voor beleid en regels over verblijfsrecreatie en kleinschalige vormen van recreatie. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over recreatie opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.16.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Recreatie is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op de beheersing en ontwikkeling van recreatie.

8.8.7.17 Ruimtelijk gebruik

8.8.7.17.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik wordt gebruikt voor gebieden waarvoor beleid en regels gesteld worden over die vormen van ruimtelijk gebruik die niet onder een van de andere Gebiedsaanwijzingtypen te vatten zijn. Het gaat hierbij met name om specifieke stedelijke, landelijke, en recreatieve gebieden waar beperkingen gelden, maar eventueel ook ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is. De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden waarvoor het ruimtelijk gebruik beleidsmatig bijzondere aandacht vereist.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik met name benutten voor het aangeven van specifieke vormen van ruimtelijk gebruik, zoals bebouwingscontouren, bedrijventerreinen, detailhandel, kantoorlocaties, landbouw en veehouderij. Voor gemeenten biedt de Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik de mogelijkheid om een generalisatie van het feitelijke ruimtelijke gebruik weer te geven voor het gemeentelijke grondgebied of delen daarvan. Dit type Gebiedsaanwijzing geeft ook aansluiting bij de door de VNG ontwikkelde staalkaarten voor het omgevingsplan. Een voorbeeld daarvan is ‘stedelijk gebied-buiten centrum’.

8.8.7.17.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Ruimtelijk gebruik is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op die vormen van ruimtelijk gebruik die niet onder een van de andere Gebiedsaanwijzingtypen te vatten zijn.

8.8.7.18 Verkeer

8.8.7.18.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer wordt gebruikt voor gebieden waar mobiliteit een belangrijk aspect is. Het kan hier bij gaan om spoorwegen, wegen en luchthavens en de gebieden daaromheen waar specifieke regels gelden over beheer, onderhoud en ontwikkeling van deze gebieden, maar ook bijvoorbeeld over het plaatsen van reclame-uitingen. De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor verkeer.

Provincies zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer onder andere gebruiken voor luchtvaart, wegen en spoorwegen. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over verkeersaspecten opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.18.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Verkeer is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op beheer, onderhoud en ontwikkeling van verkeer en mobiliteit.

8.8.7.19 Water en watersysteem

8.8.7.19.1 Toelichting op de toepassing

De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem wordt gebruikt voor gebieden en waterstaatswerken die van belang zijn voor het beheer van water en watersystemen. Voorbeelden zijn de ligging van oppervlaktewateren en waterstaatswerken en de begrenzing van het kustfundament, zwemlocaties, grondwaterbeschermingsgebieden en voor de reserveringsgebieden van grote rivieren. De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem kan ook worden gebruikt in visies en programma’s voor het aangeven van gebieden en objecten waar beleidsmatig bijzondere aandacht is voor water en watersysteem.

Provincies en waterschappen zullen de Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem vooral gebruiken voor waterbergingsgebieden, grondwater en grondwaterbeschermingsgebieden, oppervlaktewateren en (primaire en regionale) keringen. Voor de waterschapsverordening zal het Gebiedsaanwijzingtype Water en watersystemen het belangrijkste objecttype zijn. Ook gemeenten zullen in omgevingsplan, omgevingsvisie en andere beleidsmatige instrumenten regels en beleid over water en watersystemen opnemen. Voor de beleidsmatige instrumenten kunnen zij gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem. Voor het omgevingsplan is het uitgangspunt dat zij bij voorkeur gebruik maken van de Gebiedsaanwijzing van het type Functie (en daarvan de relevante groep kiezen).

8.8.7.19.2 Definitie

De Gebiedsaanwijzing van het type Water en watersysteem is het objecttype dat machineleesbaar maakt dat een Juridische regel of een Tekstdeel en de bijbehorende Locatie(s) een gebied aanwijzen waar de regels of het beleid gericht zijn op het beheer van water en watersystemen.

8.9 Objecttype SymbolisatieItem

8.9.1 Toelichting op de toepassing

Zoals in paragraaf 3.6 is beschreven, heeft het bevoegd gezag twee methoden om zelf invloed uit te oefenen op de weergave van objecten, Locaties en waarden op een kaart. De eerste methode bestaat uit het kiezen van een eigen, specifieke symbolisatie voor een aantal objecttypen. Het bevoegd gezag kan de symbolisatie zelf kiezen uit de lijst van gestandaardiseerde symboolcodes, te vinden in de symbolenbibliotheek. Daarvoor wordt het objecttype SymbolisatieItem gebruikt.

Met SymbolisatieItem kan het bevoegd gezag een eigen, specifieke symbolisatie geven aan ActiviteitLocatieaanduiding, Normwaarde en (de verschillende typen) Gebiedsaanwijzing.

De tweede methode, het zelf samenstellen van kaarten en kaartlagen, is beschreven in de paragrafen 8.10 en 8.11.

8.9.2 Definitie

SymbolisatieItem is het objecttype waarmee een bevoegd gezag zelf de symbolisatie van domeinspecifieke objecten kan bepalen, die daarmee voorrang krijgt boven de standaardsymbolisatie.

8.9.3 Doel

Doel van het objecttype SymbolisatieItem is om het bevoegd gezag de mogelijkheid te bieden om zelf de symbolisatie van objecten te bepalen.

8.9.4 Norm
media/image50.png
Figuur 67Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype SymbolisatieItem

SymbolisatieItem kent de volgende attributen:

  • symboolcode: een waarde uit de lijst van gestandaardiseerde symboolcodes, te vinden in de symbolenbibliotheek. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie: de Activiteitlocatieaanduiding die weergegeven dient te worden met de symbolisatie die door het bevoegd gezag is bepaald en afwijkt van de standaardsymbolisatie. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • gebiedsaanwijzingSymbolisatie: de Gebiedsaanwijzing die weergegeven dient te worden met de stijl behorende bij de symboolcode. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • normwaardeSymbolisatie: de normwaarde die weergegeven dient te worden met de stijl behorende bij de symboolcode. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

SymbolisatieItem kent geen constraints.

Werkafspraak

Tot anders is bepaald in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard geldt de volgende werkafspraak:

Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet.

8.9.5 Toelichting op de norm
  • symboolcode: het attribuut waarmee de gekozen symboolcode wordt vastgelegd. Het bevoegd gezag kiest de symboolcode uit de symbolenbibliotheek die hoort bij de symbolisatie die overeenkomt met de wijze waarop het bevoegd gezag de objecten wil weergeven. Wanneer het object SymbolisatieItem wordt gebruikt, is dat het object dat voor de weergave zorgt. Het gaat dan dus boven de weergave-werking van het attribuut groep.

  • activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie, gebiedsaanwijzingSymbolisatie, normwaardeSymbolisatie: de attributen die de verwijzing bevatten van het SymbolisatieItem naar de identificatie van een specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing of Normwaarde. Dit attribuut geeft aan welke van die objecten weergegeven wordt met de symboolcode uit het SymbolisatieItem. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de ActiviteitLocatieaanduidingen, Gebiedsaanwijzingen Normwaarden waarnaar niet verwezen wordt met SymbolisatieItem, worden weergegeven met de standaardweergave van de groep die bij die objecten hoort.
    Met activiteitLocatieaanduidingSymbolisatie is het mogelijk om de activiteiten ‘het exploiteren van een discotheek’ en ‘het exploiteren van daghoreca’ ieder op een eigen manier weer te geven in plaats van met de standaardweergave die hoort bij de Activiteitengroep ‘exploitatieactiviteit horeca’. Ook is het hiermee mogelijk om de symbolisatie af te stemmen op de ‘instantie’ van de activiteit, oftewel de activiteitregelkwalificatie. De Locaties waar voor een bepaalde activiteit een vergunningplicht geldt worden dan bijvoorbeeld in een rode kleur weergegeven en de locaties waar die activiteit zonder vergunning of melding is toegestaan worden in een groene kleur weergegeven. Met gebiedsaanwijzingSymbolisatie kunnen specifieke voorkomens van een type Gebiedsaanwijzing die tot dezelfde groep behoren, ieder op een manier worden weergegeven in plaats van met de standaardweergave die hoort bij de betreffende groep.
    Met normwaardeSymbolisatie is het bijvoorbeeld mogelijk om van een omgevingsnorm of omgevingswaarde alle waarden die liggen tussen 0 en 5 met een rode kleur weer te geven en alle waarden die liggen tussen 6 en 10 met een blauwe kleur.

Toelichting op werkafspraak

Geconstateerd is dat het objecttype SymbolisatieItem niet goed gemodelleerd is. Het heeft geen identificatie waardoor het niet op de gebruikelijke wijze gewijzigd kan worden. Het is mogelijk om meer dan 1 SymbolisatieItem aan een object te koppelen. In dat geval is niet gedefinieerd welke symbolisatie gebruikt moet worden voor de weergave van het object. Bovendien is de methode van symbolisatie van OW-objecten conceptueel anders dan de symbolisatie van GIO’s waardoor symbolisatie twee keer én net anders moet worden uitgewisseld.

Er wordt een verbeterde methode voor de eigen symbolisatie ontwikkeld. Om te voorkomen dat als dat gereed is, alle omgevingsdocumenten waarin SymbolisatieItem is gebruikt moeten worden aangepast of gemigreerd, ook als er geen inhoudelijke reden is om het omgevingsdocument nog te wijzigen, is het wenselijk dat het objecttype SymbolisatieItem niet wordt toegepast.

Daarom geldt, totdat in een volgende versie van dit toepassingsprofiel dan wel in een nader bericht van de beheerder van de TPOD-Standaard anders is bepaald, de werkafspraak ‘Gebruik het objecttype SymbolisatieItem niet’.

8.10 Objecttype Kaart

8.10.1 Toelichting op de toepassing

Zoals in paragraaf 3.6 is beschreven, heeft het bevoegd gezag twee methoden om zelf invloed uit te oefenen op de weergave van objecten, Locaties en waarden op een kaart. De eerste methode, die bestaat uit het kiezen van een eigen symbolisatie met behulp van het objecttype SymbolisatieItem, is beschreven in paragraaf 8.9.

De tweede methode die bevoegde gezagen ter beschikking staat, is het zelf samenstellen van kaarten en kaartlagen. Met deze methode kan het bevoegd gezag zelf aangeven dat bepaalde informatie, of een set van informatie, op een afzonderlijke kaart of kaartlaag moet worden weergegeven. Die tweede methode wordt beschreven in deze en in de volgende paragraaf.

Het objecttype Kaart kan gebruikt worden om vast te leggen dat een Juridische regel of een Tekstdeel wordt weergegeven op een specifieke kaart. Daarmee is het mogelijk om een kaart te genereren waarop alle Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij Juridische regels respectievelijk Tekstdelen die met het objecttype Kaart zijn geannoteerd.

Deze eigen weergavemogelijkheden gelden alleen voor DSO-LV en een eventuele eigen viewer van het bevoegd gezag, niet op overheid.nl.

8.10.2 Definitie

Het objecttype Kaart is het objecttype waarmee een bevoegd gezag aan kan geven dat bij een specifieke Juridische regel respectievelijk een specifiek Tekstdeel de domeinspecifieke OW-objecten moeten worden weergegeven op een afzonderlijke kaart.

8.10.3 Doel

Doel van het objecttype Kaart is het kunnen genereren van een kaart waarop de Locaties en OW-objecten worden weergegeven die horen bij één of meer bepaalde Juridische regels of Tekstdelen zodat die in samenhang kunnen worden getoond.

8.10.4 Norm
media/image51.png
Figuur 68Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Kaart

Kaart kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de kaart. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • nummer: het nummer van de kaart. Door het bevoegd gezag te kiezen. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

  • uitsnede: de ligging van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Het attribuut uitsnede wordt ingevuld met de gegevensgroep Kaartextent die de volgende attributen kent:

    • minX: de laagste X-coördinaat, bepaalt de linkergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • minY: de laagste Y-coördinaat, bepaalt de ondergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • maxX: de hoogste X-coördinaat, bepaalt de rechtergrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

    • maxY: de hoogste Y-coördinaat, bepaalt de bovengrens van de kaart. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

  • kaartlagen: de verwijzing van een specifieke Kaart naar (de identificatie van) de kaartlagen die deze kaart vormen. Verplicht attribuut. Komt 1 of meerdere keren voor.

Wanneer Kaart wordt gebruikt, moet aan de bijbehorende Juridische regel dan wel het bijbehorende Tekstdeel het attribuut kaartaanduiding worden toegevoegd, dat aangeeft op welke Kaart de Juridische regel dan wel het Tekstdeel wordt weergegeven.

Kaart kent geen waardelijsten en geen constraints.

8.10.5 Toelichting op de norm

kaartuitsnede: met het attribuut kaartuitsnede kan het bevoegd gezag de exacte grenzen van een specifieke kaart aangeven. DSO-LV kan dit gebruiken in de weergave.

kaartlagen: het attribuut dat de verwijzing bevat van een specifieke kaart naar de identificatie van de afzonderlijke kaartlagen die de kaart opbouwen. De volgorde waarmee verwezen wordt naar de afzonderlijke kaartlagen heeft geen invloed aangezien de opbouw van de kaart bepaald wordt door het attribuut niveau van het object Kaartlaag.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.11 Objecttype Kaartlaag

8.11.1 Toelichting op de toepassing

Op een kaart kan veel informatie voorkomen. Wanneer die informatie in verschillende kaartlagen wordt vastgelegd is het mogelijk om alle informatie van de kaart tegelijk weer te geven, om de informatie van één van de kaartlagen weer te geven en om de informatie van een deel van de kaartlagen in samenhang weer te geven.

8.11.2 Definitie

Kaartlaag is het objecttype waarmee de lagen worden gedefinieerd waaruit een kaart wordt opgebouwd.

8.11.3 Doel

Doel van het objecttype Kaartlaag is om het mogelijk te maken dat een kaart kan worden opgebouwd uit verschillende, door het bevoegd gezag te bepalen lagen en dat geselecteerd kan worden welke informatie van een kaart op die kaartlaag wordt weergegeven.

8.11.4 Norm
media/image51.png
Figuur 69Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Kaartlaag

Kaartlaag kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • naam: de naam van de Kaartlaag. Het bevoegd gezag is vrij in de keuze van de naam. Optioneel attribuut. Komt 0 of 1 keer voor.

  • niveau: de plaats van een specifieke Kaartlaag in de volgorde van Kaartlagen waarmee een Kaart moet worden opgebouwd. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. Wordt vastgelegd door middel van een positief geheel getal.

  • gebiedsaanwijzingweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een Gebiedsaanwijzing die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • normweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een Omgevingsnorm of Omgevingswaarde die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

  • activiteitlocatieweergave: de verwijzing van een specifieke Kaartlaag naar (de identificatie van) een ActiviteitLocatieaanduiding die op de kaartlaag weergegeven dient te worden. Optioneel attribuut. Komt zo vaak voor als gewenst.

Kaartlaag kent geen waardelijsten en geen constraints.

8.11.5 Toelichting op de norm
  • niveau: het niveau bepaalt de volgorde waarin de kaartlagen worden opgebouwd. Niveau 1 is de onderste Kaartlaag, de hier op volgende kaartlagen worden daarboven geprojecteerd.

  • Activiteitlocatieweergave, gebiedsaanwijzingweergave, normweergave: de attributen die de verwijzing bevatten van de Kaartlaag naar de identificatie van een specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing, Omgevingswaarde of Omgevingsnorm. Dit attribuut geeft aan welke van die objecten moet worden weergegeven op een bepaalde kaartlaag.
    Wanneer aan de specifieke ActiviteitLocatieaanduiding, Gebiedsaanwijzing, Omgevingswaarde of Omgevingsnorm het object SymbolisatieItem is gekoppeld, wordt het object op de kaartlaag weergegeven met de door het bevoegd gezag gekozen symbolisatie. Wanneer er geen object SymbolisatieItem is gekoppeld, wordt het object op de kaartlaag weergegeven met de standaardweergave van de groep die bij het specifieke object is aangegeven.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.12 Objecttype Regelingsgebied

8.12.1 Toelichting op de toepassing

Het objecttype Regelingsgebied is bedoeld om het volledige gebied waar de Regeling over gaat aan te geven. Dat volledige gebied wordt gevormd door de optelling van alle Locaties van de Juridische regels of Tekstdelen die in de Regeling voorkomen. Het object Regelingsgebied bestaat uit één Locatie die de buitengrens of buitengrenzen van de optelling van alle Locaties vormt. Wanneer het Regelingsgebied niet één aaneengesloten geheel vormt, kan de Locatie uiteraard bestaan uit de samenvoeging van twee of meer Gebieden tot een Gebiedengroep. Aan de hand van dit object kan DSO-LV bepalen welke regelingen op welke gebieden van toepassing zijn. Het objecttype Regelingsgebied is noodzakelijk voor DSO-LV om het omgevingsdocument te kunnen tonen. Door dit object kan de DSO-viewer de begrenzing laten zien van het volledige gebied waar de Regeling over gaat én kan die viewer bij een klik op de kaart laten zien welke omgevingsdocumenten op die plek van toepassing zijn.

Het bevoegd gezag dient per Regeling het Regelingsgebied aan te leveren. In principe is dit een eenmalige aanlevering. Voor omgevingsplan en waterschapsverordening zal het Regelingsgebied samen met de bruidsschat door het Rijk worden aangeleverd en hoeven gemeenten en waterschappen dat niet zelf te doen. Mocht gedurende de levensloop van de Regeling het Regelingsgebied wijzigen, dan moet het bevoegd gezag uiteraard de Locatie behorend bij het Regelingsgebied wijzigen.

In veel gevallen valt het Regelingsgebied samen met het ambtsgebied van het bevoegd gezag. Dat is in ieder geval zo bij AMvB, ministeriële regeling, omgevingsverordening, waterschapsverordening, omgevingsplan en omgevingsvisie.

Let op dat bij het omgevingsplan en de waterschapsverordening het Regelingsgebied óók het ambtsgebied is wanneer in omgevingsplan of waterschapsverordening als bodembeheergebied als bedoeld in artikel 5.89o respectievelijk 6.3 Besluit kwaliteit leefomgeving een gebied wordt aangewezen dat groter is dan het ambtsgebied van de aanwijzende gemeente respectievelijk waterschap[86] Artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving geeft gemeenten de bevoegdheid om in het omgevingsplan een bodembeheergebied aan te wijzen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van bepaalde kwaliteitseisen van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het toepassen van grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de landbodem. Blijkens de Nota van Toelichting op het Aanvullingsbesluit Bodem (Staatsblad 2021, nr 98, pag. 427-428) mag de gemeente daarbij een groter gebied aanwijzen dan de eigen gemeente. De gemeente kan het gebied buiten de eigen gemeente alleen aanwijzen als herkomstgebied en niet als toepassingsgebied. Artikel 6.3 Besluit kwaliteit leefomgeving geeft waterschappen een vergelijkbare bevoegdheid voor de waterschapsverordening.
. Het gebied buiten het ambtsgebied valt dan buiten het Regelingsgebied.

Bij het projectbesluit en het Natura 2000-besluit valt het Regelingsgebied niet samen met het ambtsgebied, maar is het Regelingsgebied gelijk aan het gebied waar het project (met inbegrip van eventuele (compensatie)maatregelen) wordt uitgevoerd, het Natura 2000-gebied dat wordt aangewezen respectievelijk het deel daarvan waar een beperking aan de toegang wordt gesteld. Bij programma, instructie, reactieve interventie en voorbereidingsbesluit is het sterk afhankelijk van de inhoud of het Regelingsgebied gelijk is aan het ambtsgebied of niet.

Regelingsgebied is een objecttype dat hoort bij de Regeling. Voor de relatie tussen Regelingsgebied, Locatie, GIO en tekst geldt één van de volgende opties:

  1. In de situatie waarin het Regelingsgebied gelijk is aan het ambtsgebied:
    De geometrie van het Regelingsgebied wordt niet in een GIO vastgelegd. Het Regelingsgebied wordt als los OW-object meegeleverd dat verwijst naar het ambtsgebied in de BestuurlijkeGrenzenVoorziening. Het Regelingsgebied wordt niet gekoppeld aan een Juridische regel of Tekstdeel en het is niet nodig (en ook niet de bedoeling) om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied instelt of benoemt.

  2. In de situatie waarin het Regelingsgebied niet gelijk is aan het ambtsgebied:
    De geometrie waarvan het Regelingsgebied gebruikt maakt moet in een GIO vastgelegd zijn. Er zijn twee situaties te onderscheiden:

    1. Het omgevingsdocument heeft al vanuit de inhoud een specifieke Locatie waar het Regelingsgebied naar kan verwijzen
      Voorbeelden daarvan zijn het in het projectbesluit benoemde projectgebied en het door een aanwijzingsbesluit Natura 2000 aangewezen Natura 2000-gebied. Het Regelingsgebied wordt als los OW-object meegeleverd dat verwijst naar de betreffende specifieke Locatie. Het Regelingsgebied zelf wordt niet gekoppeld aan een Juridische regel of Tekstdeel en het is niet nodig om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied instelt of benoemt en de verwijzing naar een GIO bevat. Het Regelingsgebied verwijst immers naar een bestaande specifieke Locatie; in de tekst is die specifieke Locatie al benoemd en die tekst bevat ook al de GIO-verwijzing.

    2. Het omgevingsdocument heeft niet vanuit de inhoud een specifieke Locatie waar het Regelingsgebied naar kan verwijzen
      Een voorbeeld hiervan is een reactieve interventie die bepaalt dat een aantal onderdelen, met eigen Locaties, van een besluit tot wijziging van een omgevingsplan geen deel van het omgevingsplan uitmaken. In dit geval moet voor het Regelingsgebied een Locatie worden gecreëerd die de buitengrens vormt van de optelling van alle Locaties van de Juridische regels of Tekstdelen die in de Regeling voorkomen. Het is in deze situatie wel nodig om in de regeling een artikel of stuk tekst op te nemen dat het Regelingsgebied benoemt en de verwijzing naar een GIO bevat. Het OW-object Regelingsgebied wordt gekoppeld aan de Juridische regel of het Tekstdeel van dat artikel of stuk tekst.

8.12.2 Definitie

Regelingsgebied is het objecttype dat machineleesbaar vastlegt waar de volledige Regeling van toepassing is.

8.12.3 Doel

Doel van het objecttype Regelingsgebied is het geheel van Locaties aan te geven waarover in een bepaalde Regeling regels dan wel beleid zijn vastgesteld.

8.12.4 Norm
media/image52.png
Figuur 70Uitsnede uit IMOW-diagram voor objecttype Regelingsgebied

Regelingsgebied kent de volgende attributen:

  • identificatie: de unieke identificatie waaronder elk object van dit type bekend is. Identificatie conform datatype NEN3610-ID. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor. De identificatie moet de code (uit de STOP-waardelijst voor gemeente, waterschap, provincie of ministerie) bevatten van het bevoegd gezag dat het besluit neemt waarmee de Regeling wordt ingesteld of gewijzigd.

  • locatieaanduiding: de verwijzing van een Regelingsgebied naar (de identificatie van) de bijbehorende Locatie; attribuut dat de specifieke Locatie aanduidt waar dit Regelingsgebied van toepassing is. Verplicht attribuut. Komt 1 keer voor.

Regelingsgebied kent geen waardelijsten en geen constraints.

8.12.5 Toelichting op de norm

locatieaanduiding: het attribuut dat de verwijzing bevat naar de identificatie van de specifieke Locatie die bij het Regelingsgebied hoort. Voor Regelingsgebied bevat Locatie (de verwijzingen naar) de geometrie(ën) die de buitengrens of buitengrenzen van de regeling vormen.

Let ook op de regels voor het verwijzen van een OW-object naar een ander OW-object in paragraaf 8.13.2.1, met name over het verwijzen naar een OW-object behorend bij een andere Regeling en over het verwijzen van en naar een OW-object in een tijdelijk regelingdeel.

8.13 Hergebruik van en verwijzen naar OW-objecten in een andere Regeling

In het kader van enkelvoudige opslag, meervoudig gebruik kan de wens bestaan om in een omgevingsdocument gebruik te maken van een OW-object uit een ander omgevingsdocument, oftewel een andere Regeling. Doorgaans zal dat gaan om het verwijzen naar Locaties in een andere Regeling. Dat kan op twee manieren:

  1. door een kopie van een OW-object te maken en die in een andere Regeling te gebruiken;

  2. door te verwijzen naar een OW-object in een andere Regeling.

Deze methoden worden in de volgende paragrafen beschreven, met regels over de toepassing.

8.13.1 Hergebruik door het kopiëren van OW-objecten

Bij deze methode wordt een kopie gemaakt van een OW-object in Regeling A en wordt die kopie in Regeling B gebruikt. Dit kan als Regelingen A en B van hetzelfde bevoegd gezag zijn, maar ook als ze van verschillende bevoegde gezagen zijn. De kopie moet een andere identificatie krijgen dan het origineel. Dat is omdat iedere identificatie uniek moet zijn en (relevant bij een kopie van een OW-object van een ander bevoegd gezag) omdat in de OW-object-identificatie de bevoegdgezag-code verweven is. Door hergebruik door het kopiëren van een OW-object hoort het gekopieerde OW-object bij de Regeling waarin het wordt gebruikt. Deze methode is zonder meer toegestaan. Het hergebruik zal doorgaans (mede) betrekking hebben op een of meer Locaties. Dan zal ook het GIO waarin die Locaties zijn vastgelegd, gekopieerd worden. Voor het kopiëren van OW-Locaties en GIO’s kan gebruik gemaakt worden van de downloadservice die het stelsel ter beschikking stelt.

8.13.2 Hergebruik door te verwijzen naar een OW-object in een andere Regeling

In de tekst van omgevingsdocumenten en bij het annoteren ervan wordt verwezen naar (de identificatie van) GIO’s en OW-objecten. Bij deze methode van hergebruik wordt in Regeling B niet verwezen naar een OW-object dat behoort bij die Regeling, maar wordt verwezen naar (de identificatie van) een OW-object dat behoort bij Regeling A. Ook deze vorm van hergebruik zal doorgaans betrekking hebben op een of meer Locaties. Er zal dan ook sprake zijn van verwijzen naar GIO’s in de andere Regeling. Het verwijzen naar GIO’s volgt dan ook de regels van de Norm van paragraaf 8.13.2.1.

8.13.2.1 Norm

Voor het verwijzen van OW-objecten naar andere OW-objecten gelden de volgende regels:

  • een OW-object behorend bij een Regeling niet zijnde een tijdelijk regelingdeel mag alleen verwijzen naar een OW-object behorend bij een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag, met uitzondering van de relatie bovenliggendeActiviteit van het OW-object Activiteit, waarvoor specifieke regels gelden;

  • een OW-object behorend bij een Regeling niet zijnde een tijdelijk regelingdeel mag niet verwijzen naar een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel;

  • een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel mag alleen verwijzen naar een OW-object behorend bij hetzelfde tijdelijk regelingdeel, met uitzondering van de relatie bovenliggendeActiviteit van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel, waarvoor de specifieke regels van paragraaf 8.6.4.2 gelden.

8.13.2.2 Toelichting op de norm

Inleiding en achtergrond

Als een OW-object behorend bij Regeling A kan verwijzen naar een OW-object in Regeling B, kan het gebeuren dat op een gegeven moment het OW-object in Regeling B wordt beëindigd omdat het niet meer van toepassing is. Bij de huidige stand van TPOD-standaard en implementatie in de DSO-keten kan naar een OW-object alleen dynamisch worden verwezen; er wordt verwezen naar de actuele versie en het is niet mogelijk om te verwijzen naar een specifieke versie van een OW-object. In Regeling A zou dan worden verwezen naar een niet meer bestaand OW-object. DSO-LV kan niet omgaan met verwijzingen naar niet meer bestaande OW-objecten, omdat er dan een dode link is en DSO-LV geen resultaat kan teruggeven. Daarom geldt de regel dat een OW-object niet mag worden beëindigd als er naar wordt verwezen.

Het verwijzen naar OW-objecten in andere Regelingen levert technische en juridische problemen en risico’s op. De volgende voorbeelden illustreren dat:

  • De provincie verwijst in de omgevingsverordening naar de locatie van een Natura 2000-gebied dat het Rijk in een Regeling heeft aangewezen. Als het Rijk later de Regeling intrekt, kan het Rijk -op grond van de eerder genoemde regel- de Locatie van het Natura 2000-gebied niet beëindigen omdat er vanuit de omgevingsverordening naar wordt verwezen. De Locatie van het Natura 2000-gebied blijft, als enige onderdeel van de ingetrokken Regeling, in DSO-LV achter. Door het intrekken van de Regeling is de juridische grondslag voor die Locatie vervallen. De verwijzing vanuit de omgevingsverordening naar die Locatie verdwijnt niet automatisch. De provincie krijgt geen melding dat de Regeling van het Rijk waar die Locatie bij hoorde niet meer bestaat. Vanuit de omgevingsverordening wordt nog steeds naar die Locatie verwezen waarvan de juridische grondslag is vervallen.

  • In een omgevingsplan is voor het werkingsgebied van een artikel verwezen naar een Locatie in de omgevingsverordening. Als de provincie later die Locatie wijzigt, is daardoor ook het werkingsgebied van het artikel in het omgevingsplan gewijzigd, zonder dat de gemeente daarover een besluit heeft genomen. Voor die wijziging is niet de juiste procedure van ter inzage leggen van ontwerpbesluit en van definitief besluit gevolgd, met de bijbehorende mogelijkheden van zienswijzen en beroep. Bovendien bestaat er het risico dat de provincie de Locatie zo wijzigt dat deze de gemeentegrens overschrijdt. Door de verwijzing zou de Locatie in het omgevingsplan automatisch meewijzigen en zou de gemeente regels stellen in een gebied waar ze niet bevoegd is dat te doen.

Hoofdregel

Om de technische en juridische problemen en risico’s te voorkomen is de hoofdregel dat een OW-object alleen mag verwijzen naar een OW-object behorend bij een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag. Het is dus wel toegestaan dat OW-objecten in de omgevingsvisie van provincie A verwijzen naar OW-objecten in de omgevingsverordening van diezelfde provincie, maar het is niet toegestaan dat OW-objecten in een waterschapsverordening verwijzen naar OW-objecten in een omgevingsverordening. Uitgangspunt bij het wel toestaan van verwijzingen naar een OW-object in een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag is dat het bevoegd gezag zich bewust zal zijn van dergelijke verwijzingen. Het kan dan zelf maatregelen treffen om de hiervoor genoemde technische en juridische onwenselijke situatie te voorkomen. Als het bevoegd gezag dat nog niet heeft gedaan voorafgaand aan de aanlevering van de beëindiging van een object, krijgt het zelf de melding van het stelsel dat het beëindigen van het OW-object niet mogelijk is omdat er (vanuit een andere Regeling) naar dat object wordt verwezen.

Specifieke regels

Op de regel dat OW-objecten alleen mogen verwijzen naar OW-objecten die horen bij een andere Regeling als dat een Regeling van hetzelfde bevoegd gezag is, geldt een aantal uitzonderingen. Voor die uitzonderingen gelden specifieke regels.

De eerste uitzondering betreft tijdelijk regelingdelen. Het tijdelijk regelingdeel moet zoveel als maar mogelijk is autonoom zijn. Dat maakt het mogelijk dat bij het intrekken van een tijdelijk regelingdeel automatisch alle OW-objecten behorend bij dat tijdelijk regelingdeel worden beëindigd. Daarom mag een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel alleen verwijzen naar een OW-object in hetzelfde tijdelijk regelingdeel en mag omgekeerd een OW-object behorend bij een andere Regeling niet verwijzen naar OW-objecten in een tijdelijk regelingdeel. Bij voorbeeld: Een Juridische regel in een tijdelijk regelingdeel met voorbeschermingsregels bij het omgevingsplan van de gemeente A mag wel verwijzen naar een Locatie behorend bij datzelfde tijdelijk regelingdeel en niet naar een Locatie behorend bij de hoofdregeling van het omgevingsplan van de gemeente A. De Juridische regel in dat tijdelijk regelingdeel mag ook niet verwijzen naar een Locatie behorend bij de omgevingsverordening van de provincie die het voorbereidingsbesluit heeft genomen dat het tijdelijk regelingdeel instelt. Op de regel dat een OW-object behorend bij een tijdelijk regelingdeel alleen mag verwijzen naar een OW-object in hetzelfde tijdelijk regelingdeel geldt weer een uitzondering voor de bovenliggendeActiviteit-relatie van de tophaak-Activiteit van het tijdelijk regelingdeel. Daarvoor geldt de specifieke regel voor die relatie van paragraaf 8.6.4.2. Die specifieke regel komt er op neer dat de bovenliggendeActiviteit moet verwijzen naar de tophaak-Activiteit van de hoofdregeling waaraan het tijdelijk regelingdeel is gekoppeld. Zie hiervoor ook de toelichting op die regel in paragraaf 8.6.5.2. De uitzonderingen betreffende het tijdelijk regelingdeel gelden voor de tijdelijk regelingdelen die door voorbereidingsbesluit, reactieve interventie dan wel projectbesluit worden ingesteld. Voor alle duidelijkheid: deze uitzonderingen gelden niet voor de RegelingVrijetekst die het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit bevat.

De tweede uitzondering betreft de relatie bovenliggendeActiviteit van het OW-object Activiteit behorend bij andere Regelingen dan tijdelijk regelingdelen. Voor deze relatie gelden specifieke regels

Aandachtspunten bij verwijzen naar OW-objecten in Regeling van hetzelfde bevoegd gezag

Er zijn gevallen waarin het de bedoeling van het bevoegd gezag is dat Regeling B mee wijzigt met wijzigingen van de eigen Regeling A. Een voorbeeld is dat in een omgevingsverordening de begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden wordt vastgesteld en omgevingsvisie en waterprogramma die begrenzing volgen. Toekomstige wijzigingen kunnen dan in Regeling B juridisch worden geborgd door de formulering daarop af te stemmen.

Ter voorkoming van wijzigingen met ongewenst juridisch effect wordt geadviseerd om, als er wordt verwezen naar een OW-object in een andere Regeling van hetzelfde bevoegd gezag, van de ‘harde’ Regeling naar de ‘zachte’ Regeling te verwijzen. Dus wel een verwijzing vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie naar een OW-object in het omgevingsplan, maar niet vanuit het omgevingsplan verwijzen naar een OW-object in de omgevingsvisie.

Maak bij voorkeur geen verwijzing vanuit een Regeling naar een OW-object in een andere Regeling die mogelijk in de toekomst wordt ingetrokken of waarvan in de toekomst de vindbaarheid wordt beperkt omdat die Regeling dan materieel uitgewerkt is. Een voorbeeld van dat laatste is een Locatie die in een projectbesluit van het waterschap wordt ingesteld. Het waterschap kan er in de toekomst voor kiezen om het resultaat van het project dat door dat projectbesluit mogelijk is gemaakt, te borgen in de waterschapsverordening. Als het project volledig is gerealiseerd, is het projectbesluit materieel uitgewerkt. Het is dan niet langer zinvol om het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit nog in de regelingenbank op overheid.nl en in DSO-LV in het overzicht van actuele instrumenten te zien. Een volgende versie van de STOP/TPOD-standaard gaat het mogelijk maken om de vindbaarheid van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit te beperken. Het is dan niet wenselijk als vanuit de waterschapsverordening is verwezen naar een Locatie in het projectbesluit.

Tijdelijke maatregel

Het beperken van de mogelijkheid om te verwijzen naar OW-objecten in andere Regelingen is een tijdelijke maatregel. De bedoeling is dat dat in de toekomst wel kan. Daarvoor is het nodig dat de TPOD-standaard het mogelijk maakt om naar een specifieke versie van een OW-object te verwijzen, en/of dat DSO-LV kan omgaan met verwijzingen naar niet meer bestaande OW-objecten.

Workaround

Zolang deze regel geldt kan een bevoegd gezag wel gebruik maken van een OW-object in een Regeling van een ander bevoegd gezag, maar dan door dat object te kopiëren en zelf in de eigen regeling op te nemen. Dat is de methode die is beschreven in paragraaf 8.13.1.

8.14 Het niveau van annoteren

Een annotatie met een OW-object kan -in inhoudelijke zin- betrekking hebben op een hele Regeltekst respectievelijk een hele Divisie of Divisietekst, of alleen op een Juridische regel of een Tekstdeel, en indien gewenst zelfs op een onderdeel daarvan. In de technische uitwerking worden annotaties gepositioneerd op het niveau van Regeltekst respectievelijk Divisie of Divisietekst: iedere annotatie verwijst naar de identificatie van de Regeltekst dan wel de Divisie of Divisietekst. De annotatie die inhoudelijk gaat over een onderdeel van een Regeltekst, Divisie of Divisietekst verwijst dus niet exact naar het opsommingsonderdeel of het stukje tekst waarop de annotatie van toepassing is, maar naar (de identificatie van) de Regeltekst (oftewel het artikel of lid) of de Divisie of Divisietekst waarin de annotatie voorkomt. Gevolg daarvan is dat DSO-LV bij een bevraging het hele Artikel of het hele Lid c.q. de hele Divisie of Divisietekst toont en niet alleen de Juridische regel, Tekstdeel of het stukje tekst waar de annotatie inhoudelijk betrekking op heeft. Dat is ook wenselijk omdat op die manier de volledige context wordt getoond.

8.15 Annoteren wanneer een deel van norm of beleid in een bijlage staat

Zoals hiervoor al een aantal keren is opgemerkt wordt het annoteren met OW-objecten alleen toegepast op het Lichaam van de Regeling van omgevingsdocumenten, oftewel het onderdeel dat de artikelen respectievelijk de inhoudelijke (beleids)teksten bevat. Bij dat inhoudelijke deel kunnen bijlagen worden gevoegd. Aan (onderdelen van) bijlagen kunnen geen annotaties worden toegevoegd. In omgevingsdocumenten met Artikelstructuur kunnen Locatie en de domeinspecifieke annotaties (Activiteit, Omgevingsnorm, Omgevingswaarde en Gebiedsaanwijzing) immers alleen gekoppeld worden aan het OW-object Juridische regel. Het object Juridische regel kan alleen worden toegepast op een artikel of een lid en niet op (onderdelen van) een bijlage. Datzelfde geldt voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur: daar kan de domeinspecifieke annotatie (i.c. Gebiedsaanwijzing) alleen gekoppeld worden aan het OW-object Tekstdeel. Het object Tekstdeel kan alleen worden toegepast op de (beleids)tekst van het omgevingsdocument en niet op (onderdelen van) een bijlage.

Er zijn situaties waarin het, bijvoorbeeld om redenen van leesbaarheid of vormgeving (denk aan lange lijsten en complexe tabellen), wenselijk is om onderdelen van een norm niet in het artikel van de norm maar in een bijlage te plaatsen. Voorbeelden van die onderdelen zijn de waarden van een omgevingsnorm of omgevingswaarde en de locaties waar een norm geldt. Ook in zo’n geval wordt een bijlage niet geannoteerd, maar worden de annotaties aan het artikel (of lid) toegevoegd. De mensleesbare informatie staat dan in de bijlage; de machineleesbare informatie is gekoppeld aan het artikel of lid. Een gebruiker merkt dat niet.

Deze systematiek kan worden toegepast bij het annoteren met Activiteit. Een voorbeeld is een artikel in een omgevingsplan waarin staat dat het ter plaatse van de functie Bedrijventerrein toegestaan is om de activiteiten te verrichten die in de bijlage zijn opgesomd. Ook bij het annoteren met de OW-objecten Omgevingsnorm en Omgevingswaarde kan dit principe worden toegepast. Er moet dan echter wel rekening mee gehouden worden dat de STOP/TPOD-standaard niet toestaat dat kwantitatieve respectievelijk kwalitatieve waarden die bij een norm horen zowel in de tekst als in GIO’s en het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm of Omgevingswaarde voorkomen. Wanneer de waarden in de tekst van de bijlage zijn geplaatst moet bij het annoteren van het artikel met Omgevingsnorm of Omgevingswaarde gekozen worden voor het normwaarde-attribuut ‘waardeInRegeltekst’. Daarmee wordt een verwijzing gemaakt naar de tekst van het artikel dat de norm bevat; het artikel bevat dan weer de verwijzing naar de bijlage. Het GIO bevat in zo’n geval alleen de geometrie en geen waarden (en ook geen verwijzing naar de tekst, die kent alleen de TPOD-standaard). Dit geldt overigens ook wanneer kwantitatieve of kwalitatieve waarden in de tekst van het artikel staan; ook dan moet bij het annoteren met Omgevingsnorm of Omgevingswaarde gekozen worden voor het normwaarde-attribuut ‘waardeInRegeltekst’.

Hier kan nog worden opgemerkt dat het vanuit de standaard niet nodig is om te werken met waarden en locaties in een bijlage. De kenbaarheid is immers afdoende juridisch geborgd wanneer die informatie in het GIO is opgenomen. Vanuit dat principe volstaat het om de norm in het artikel op te nemen en de geometrie en de waarden in het GIO (en in het normwaarde-attribuut van Omgevingsnorm of Omgevingswaarde) vast te leggen.

9 Wijzigen van omgevingsdocumenten met wijzigingsbesluiten

Dit hoofdstuk gaat over het wijzigen van omgevingsdocumenten met wijzigingsbesluiten. Daarbij is onderscheid gemaakt in het wijzigen van tekst (paragraaf 9.1), het wijzigen van GIO’s (paragraaf 9.2) en het wijzigen van OW-objecten (paragraaf 9.3). De wijzigingsmethode Intrekken & vervangen, als reguliere wijzigingsmethode, is het onderwerp van paragraaf 9.4.

9.1 Wijzigen van tekst

Nadat een initiële regeling van een omgevingsdocument tot stand is gekomen, wordt deze met wijzigingsbesluiten gewijzigd. Uitgangspunt van de STOP/TPOD-standaard is dat voor het wijzigen van tekst gebruik gemaakt wordt van de wijzigingsmethode renvooi. Hoe renvooi moet worden toegepast, wordt beschreven in paragraaf 9.1.1. Er bestaat een alternatief voor renvooi, te weten Integrale tekstvervanging, die onder bepaalde omstandigheden mag worden toegepast. Deze alternatieve wijzigingsmethode wordt in paragraaf 9.1.2 beschreven.

9.1.1 Wijzigingsmethode renvooi

Een bestuursorgaan dat een omgevingsdocument wijzigt, besluit alleen over de wijzigingen die het in dat omgevingsdocument aanbrengt, niet over de ongewijzigde onderdelen. In een wijzigingsbesluit staan daarom alleen de onderdelen van het omgevingsdocument die gewijzigd zijn. De wijzigingsmethode renvooi ondersteunt dat aspect van het besluitvormingsproces optimaal: met renvooi worden in de tekst speciale markeringen aangebracht die de wijzigingen die het besluit ten opzichte van de vorige versie van de regeling aanbrengt, op een voor de mens inzichtelijk manier zichtbaar maken. Daarnaast is deze methodiek automatiseerbaar. Daardoor kan geautomatiseerd uit de bestaande tekst en de renvooimarkeringen in het wijzigingsbesluit de nieuwe versie van de tekst ge(re)construeerd worden en kunnen de renvooimarkeringen geautomatiseerd worden gegenereerd door de twee versies van de tekst met elkaar te vergelijken.

Het bevoegd gezag start het wijzigingsproject door de juridische uitgangssituatie te kiezen: de versie van de regeling ten opzichte waarvan de wijzigingen worden aangebracht. Doorgaans zal dat de op het moment van starten geldende versie van de regeling zijn. Bij toepassing van versiebeheer wordt van die juridische uitgangssituatie een bevroren versie gemaakt. In die bevroren regelingversie worden de voor het wijzigingsproject benodigde wijzigingen in de tekst aangebracht. Het is mogelijk dat tussen de start van dit project en de publicatie van het ontwerp- of definitieve besluit andere wijzigingsbesluiten hebben geleid tot een nieuwe versie van de geldende regeling. Als dat zo is, worden die wijzigingen overgenomen in de juridische uitgangssituatie voor het wijzigingsproject. De juridische uitgangssituatie is de ‘was’-versie; de juridische uitgangssituatie inclusief de wijzigingen van het wijzigingsproject is de ‘wordt’-versie. Uit een vergelijking van de ‘wordt’-versie van de regeling met de ‘was’-versie van de regeling genereert de plansoftware (of een renvooiservice) het ontwerp- of definitieve wijzigingsbesluit, waarin de wijzigingen met renvooimarkeringen zijn aangegeven.

Bron van het wijzigingsbesluit is de XML-versie waarin machineleesbaar de wijzigingen worden gespecificeerd. Daarvan wordt een PDF-versie gegenereerd, waarin in renvooi de wijzigingen op een mensleesbare manier worden weergegeven.

Bij gebruik van de wijzigingsmethode renvooi wordt in de WijzigBijlage van het Besluit een RegelingMutatie opgenomen met daarin achtereenvolgens alle wijzigingen.

Het model voor regelingen met artikelstructuur kent de volgende elementen:

  • RegelingOpschrift

  • Lichaam, met daarbinnen de tekstelementen Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel en Lid

  • Bijlage, met daarbinnen Divisie en Divisietekst

  • Toelichting, met daarbinnen

    • AlgemeneToelichting, met daarbinnen Divisie en Divisietekst

    • ArtikelgewijzeToelichting, met daarbinnen Divisie en Divisietekst

De elementen van een regeling die met de wijzigingsmethode renvooi gemuteerd kunnen worden, worden mutatie-eenheden genoemd. De mutatie-eenheden in een regeling met artikelstructuur zijn:

  • de elementen Lichaam, Bijlage, Toelichting, AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting;

  • de tekstelementen Hoofdstuk, Titel, Afdeling, Paragraaf, Subparagraaf, Subsubparagraaf, Artikel, Divisie en Divisietekst.

Het RegelingOpschrift kan niet gemuteerd worden. Het hele lichaam wordt slechts in uitzonderlijke gevallen, wanneer er ingrijpende wijzigingen in de structuur van het lichaam van de regeling nodig zijn, vervangen.

In het lichaam is artikel de kleinste mutatie-eenheid. Dit betekent dat het artikel de eenheid is die, ongeacht hoeveel wijzigingen in dat artikel of in de leden van dat artikel worden aangebracht, als geheel vervangen wordt bij consolidatie. Door de renvooi-weergave wordt zichtbaar wat er door het wijzigingsbesluit in het artikel gewijzigd is. Het is ook de eenheid waarover in de wetstechnische informatie in de regelingenbanken de juridische verantwoording wordt bijgehouden. In de Bijlage, AlgemeneToelichting en ArtikelgewijzeToelichting is Divisietekst de kleinste mutatie-eenheid. Ook daarvoor geldt dat, ongeacht hoeveel wijzigingen in die Divisietekst worden aangebracht, de Divisietekst als geheel vervangen wordt bij consolidatie en dat door de renvooi-weergave zichtbaar wordt wat de wijzigingen in de Divisietekst zijn.

De wijzigingsmethode renvooi maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een volledig hoofdstuk met daarin afdelingen, paragrafen en artikelen in het lichaam van een regeling toe te voegen, om de algemene toelichting te vervangen door een nieuwe versie daarvan, maar ook om een lid uit een artikel te verwijderen of een woord in een lid van een artikel te wijzigen in een ander woord. In de laatste twee gevallen bevat het wijzigingsbesluit het volledige artikel dat gewijzigd wordt, waardoor de wijziging in haar context zichtbaar en daardoor begrijpelijk is.

Figuur 71 en Figuur 72 geven een beeld van de werking van de wijzigingsmethode renvooi. In Figuur 71 staat links de tekst van artikel 5.7 in de oude versie van de regeling, oftewel de ‘was’-versie, en rechts de tekst van datzelfde artikel in de nieuwe versie van de regeling, de ‘wordt’-versie. De plansoftware (of een renvooiservice) heeft een vergelijking van de ‘wordt’-versie met de ‘was’-versie van de regeling gemaakt en heeft daaruit het ontwerp- of definitieve wijzigingsbesluit gegenereerd. Figuur 72 laat de mensleesbare renvooiweergave van het wijzigingsbesluit zien.

media/image75.png
Figuur 71Links oude versie regeling (‘was’-versie), rechts nieuwe versie regeling (‘wordt’- versie)
media/image76.png
Figuur 72Wijzigingsbesluit met mensleesbare renvooiweergave van verwijderde en nieuwe tekst

Door deze methodiek is precies te zien welke onderdelen van de tekst door het wijzigingsbesluit gewijzigd zijn. Bij (wijzigings)besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld maakt dat ook direct duidelijk waarover dat beroep kan gaan. Uit de weergave van het voorbeeld van Figuur 72 wordt duidelijk dat het recht op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk en het gebruik daarvan voor mantelzorg al bestond en dat in beroep alleen kan worden opgekomen tegen de vergroting van de toegelaten oppervlakte en de beperking tot alleen buiten de bebouwde kom.

Het model voor regelingen met Vrijetekststructuur kent de volgende elementen:

  • RegelingOpschrift

  • Lichaam, met daarbinnen Divisie en Divisietekst

  • Bijlage, met daarbinnen Divisie en Divisietekst

De elementen van een regeling die met de wijzigingsmethode renvooi gemuteerd kunnen worden, worden mutatie-eenheden genoemd. De mutatie-eenheden in een regeling met Vrijetekststructuur zijn:

  • de elementen Lichaam en Bijlage;

  • de tekstelementen Divisie en Divisietekst.

Het RegelingOpschrift kan niet gemuteerd worden. Het hele lichaam wordt slechts in uitzonderlijke gevallen, wanneer er ingrijpende wijzigingen in de structuur van het lichaam van de regeling nodig zijn, vervangen. Divisietekst is, zowel in het lichaam als in de bijlage, de kleinste mutatie-eenheid. Dat betekent dat, ongeacht hoeveel wijzigingen in die Divisietekst worden aangebracht, de Divisietekst als geheel vervangen wordt bij consolidatie. Door de renvooi-weergave wordt zichtbaar wat de wijzigingen in de Divisietekst zijn. Het is ook de eenheid waarover de juridische verantwoording wordt bijgehouden.

Om een wijzigingsbesluit leesbaar te houden, wordt niet de volledige tekst van de regeling met renvooi opgenomen in het besluit, maar alleen de delen waarin de wijzigingen voorkomen: het gewijzigde artikel, het ingevoegde hoofdstuk et cetera. Het kan wenselijk zijn, bijvoorbeeld ten behoeve van het besluitvormingsproces, om ook een versie van de gehele tekst van de regeling te hebben waarin de wijzigingen die het wijzigingsbesluit daarin aanbrengt in renvooi worden weergegeven. Daardoor wordt het effect van de wijzigingen op de hele regeling inzichtelijk. Dit is mogelijk door een proefversie te maken: de regelingversie die volgt uit dit specifieke besluit. Door het geautomatiseerde proces komt de regeling-in-renvooi namelijk exact overeen met het besluit.

9.1.2 Alternatief voor renvooi: Integrale tekstvervanging

Er zijn omstandigheden waarin het gebruik van de wijzigingsmethode renvooi niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de plansoftware die het bevoegd gezag gebruikt dat nog niet ondersteunt. Voor het wijzigen van het projectbesluit is het dan bij wijze van Tijdelijke Alternatieve Maatregel toegestaan om gebruik te maken van de alternatieve wijzigingsmethoden Integrale tekstvervanging (zie paragraaf 9.1.2.1)[87] Er bestond een tweede alternatieve wijzigingsmethode, te weten Intrekken & vervangen. Met ingang van 1 oktober 2023 is het gebruik van deze wijzigingsmethode als alternatief voor renvooi niet meer toegestaan
. Gebruik van deze wijzigingsmethode stelt bijzondere eisen aan de formulering van het besluit. Die zijn, met een voorbeeld, het onderwerp van paragraaf 9.1.2.2.

9.1.2.1 Integrale tekstvervanging als alternatieve wijzigingsmethoden

Bij gebruik van de alternatieve wijzigingsmethode Integrale tekstvervanging wordt de gehele versie van een regeling vervangen door een nieuwe versie van die regeling. Deze wijzigingsmethode kan ook gebruikt worden voor het wijzigen van een hoofdregeling wanneer bij die hoofdregeling één of meer tijdelijk regelingdelen horen.

Bij de alternatieve wijzigingsmethode Integrale tekstvervanging wordt in de WijzigBijlage een RegelingMutatie opgenomen, met daarin een VervangRegeling die de gehele gewijzigde nieuwe regelingversie bevat. In het element RegelingMutatie worden de identificaties van de was- en de wordt-versie opgenomen. Ongewijzigde GIO’s worden bij deze methode niet opnieuw aangeleverd.

9.1.2.2 Formulering besluit bij gebruik Integrale tekstvervanging

Bij de toepassing van de alternatieve wijzigingsmethode Integrale tekstvervanging wordt een volledige (versie van een) regeling vervangen door een nieuwe (versie van een) regeling. Daarin is niet gemarkeerd welke wijzigingen het wijzigingsbesluit daarin aanbrengt. Het is uiteraard niet de bedoeling dat door het om technische redenen toepassen van een van deze wijzigingsmethoden de volledige regeling voor beroep vatbaar wordt, dus ook de onderdelen die juridisch gezien niet gewijzigd zijn. Om dat te voorkomen wordt geadviseerd om in het dictum van het besluit de wijzigingen aan te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat in juridische zin sprake is van een wijzigingsbesluit, terwijl dat technisch is uitgevoerd met Intrekken & vervangen of Integrale tekstvervanging. De door VNG en ministerie van BZK geadviseerde opzet van zo’n besluit is weergegeven in Figuur 73.

media/image77.png
Figuur 73Voorbeeld van de tekst van een besluit bij mutatiescenario Integrale Tekstvervanging

NB1: In het voorbeeld van Figuur 73 lijkt het alsof in Artikel III andere artikelen, ondergebracht in een hoofdstuk, voorkomen. Dat is alleen visueel zo; de STOP/TPOD-standaard staat geen artikelen in artikelen toe. In technische termen bestaat Artikel III uit een Kop, gevolgd door een element Inhoud dat een aantal alinea’s en een opsomming met lijstitems bevat.

NB2: In het voorbeeld is artikel IV een WijzigArtikel, de andere artikelen zijn reguliere Artikelen.

9.2 Wijzigen van GIO's

Op grond van artikel 7, eerste lid, Bekendmakingswet bestaat een regeling uit tekst en kan een regeling tevens informatie bevatten die niet uit tekst bestaat. Een GIO is zo’n onderdeel dat uit andere informatie bestaat. In het derde lid van dit artikel is nu bepaald dat bij wijziging van een onderdeel van een regeling dat niet uit tekst maar uit andere informatie bestaat of van een bijlage bij die regeling die wegens aard of omvang niet in het publicatieblad maar elders elektronisch is gepubliceerd, die informatie of die bijlage opnieuw wordt vastgesteld. Er is een wijziging van lid 3 van artikel 7 in voorbereiding waardoor deze bepaling alleen nog geldt voor onderdelen van een regeling die uit andere informatie dan tekst bestaat (en voor bijlagen) die niet geconsolideerd kunnen worden. Een GIO is een onderdeel dat geconsolideerd kan worden. Daardoor hoeft, na inwerkingtreden van deze wijziging van de Bekendmakingswet, bij wijziging een GIO niet opnieuw vastgesteld te worden maar kan het gewijzigd kan worden.

Om technische reden is het nog niet mogelijk om GIO’s te wijzigen door alleen de gewijzigde onderdelen aan te leveren. Voor GIO’s bestaat nog geen renvooi-weergave. Als een bestuursorgaan een GIO wil wijzigen, bijvoorbeeld omdat bij het gebiedsgewijs opbouwen van het omgevingsplan een artikel over de activiteit wonen niet alleen meer het centrum als werkingsgebied heeft maar ook het buitengebied, dan doet het dat door een nieuwe versie van het GIO vast te stellen en aan te leveren. Ook hier geldt dat het niet de bedoeling is dat door het moeten aan leveren van een nieuwe versie van een GIO, bij iedere wijziging van een GIO, hoe klein ook, het hele GIO voor beroep vatbaar wordt, dus ook de onderdelen die niet gewijzigd zijn. Om dat te voorkomen kan een vergelijkbare werkwijze worden toegepast als bij de alternatieve wijzigingsmethoden Intrekken & vervangen en Integrale tekstvervanging. Geadviseerd wordt om in het dictum van het besluit de wijzigingen in het GIO precies te beschrijven. Dan is juridisch sprake van een wijzigingsbesluit, dat technisch wordt uitgevoerd op de beschikbare manier, namelijk door het vaststellen en aanleveren van een nieuwe versie van het GIO. Dit kan verduidelijkt worden door in de motivering of de toelichting kaartjes op te nemen waarmee de verschillen worden geïllustreerd. Figuur 74 laat een voorbeeld van zo’n kaartje zien (bron: LandGoed en gemeente Amsterdam).

media/image78.png
Figuur 74Voorbeeld kaartje ter illustratie van wijziging GIO

9.3 Wijzigen van OW-objectenR

9.3.1 Inleiding

Een wijzigingsbesluit kan ook gevolgen hebben voor de OW-objecten in de geconsolideerde regeling. Het bevoegd gezag kan het omgevingsdocument zo wijzigen dat de OW-objecten wijzigen of dat er andere OW-objecten nodig zijn. Voor het wijzigen van OW-objecten zijn er in grove lijnen drie scenario’s: het wijzigen van een bestaand OW-object, het laten vervallen van een bestaand OW-object en het toevoegen van een nieuw OW-object.

Wanneer door of samen met het wijzigingsbesluit een bestaand OW-object wijzigt, voegt het bevoegd gezag bij de aanlevering van het bekend te maken besluit de gewijzigde attributen met de bestaande identificatie van een al bestaand OW-object toe. DSO-LV herkent het OW-object op basis van de identificatie en verwerkt de attributen.

In het geval dat door of samen met het wijzigingsbesluit een bestaand OW-object moet vervallen (in mutatietermen: het object wordt beëindigd), voegt het bevoegd gezag bij de aanlevering van het bekend te maken besluit het OW-object met een bestaande identificatie toe met de status ‘beëindigen’. DSO-LV herkent de identificatie van het OW-object en verwerkt het op basis van de status ‘beëindigen’: (het effect van) het OW-object wordt niet meer getoond.

Wanneer door het wijzigingsbesluit een nieuw OW-object ontstaat, levert het bevoegd gezag bij de aanlevering van het bekend te maken besluit het nieuwe OW-object aan. Er wordt dan een OW-object meegeleverd met een identificatie die in DSO-LV nog niet bekend is. DSO-LV beschouwt het als een nieuw OW-object en voegt het toe op dezelfde manier als bij de aanlevering van een initieel besluit.

Voor het wijzigen van OW-objecten gelden drie uitgangspunten:

  • lever alleen gegevens aan als ze gewijzigd zijn;

  • verwijder expliciet gegevens die niet meer gebruikt worden;

  • een wijziging van een object zorgt voor een nieuwe versie van dat object.

9.3.2 Norm

Voor het wijzigen van OW-objecten gelden de volgende regels:

  • een besluit mag alleen een OW-object wijzigen dat hoort bij de Regeling die door het besluit wordt gewijzigd;

  • aanleveren van een wijziging van een OW-object zonder besluit is niet toegestaan.

9.3.3 Toelichting op de norm
9.3.3.1 Besluit mag alleen OW-objecten wijzigen die horen bij de Regeling die het besluit wijzigt

Een besluit wijzigt een regeling. Dat besluit mag alleen OW-objecten wijzigen die horen bij die regeling. Onder het wijzigen van OW-objecten verstaan we het wijzigen of laten vervallen van bestaande OW-objecten en het toevoegen van nieuwe OW-objecten. Een voorbeeld: Een provincie mag met een besluit tot wijziging van de omgevingsverordening wel de OW-objecten van die omgevingsverordening wijzigen, maar niet de OW-objecten van de omgevingsvisie, en ook niet de OW-objecten van de omgevingsverordening van een andere provincie.

9.3.3.2 Aanleveren van wijziging van OW-object zonder besluit niet toegestaan

Een bevoegd gezag kan een OW-object alleen wijzigen bij de aanlevering van een wijzigingsbesluit. Aanleveren van een wijziging van een OW-object zonder besluit, een zogenaamde directe mutatie, is niet toegestaan. Een fout in een bestaand OW-object, zoals een ongelukkig gekozen naam van een Gebiedsaanwijzing, of een verkeerde activiteitregelkwalificatie, kan worden hersteld bij de aanlevering van het eerstvolgende besluit. Wanneer de correctie ingrijpend is en niet inhoudelijk samenhangt met de andere onderdelen van het besluit, is het aan te bevelen om dat expliciet onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen. Dat kan bijvoorbeeld door het als beslispunt in het dictum in het (vaststellings)besluit voor te leggen, of door het in de toelichting op het besluit op te nemen.

Bevoegde gezagen mogen geen directe mutaties aanleveren. Directe mutaties mogen alleen nog worden toegepast door beheerders van het stelsel voor het oplossen van problemen in de keten, bijvoorbeeld met een vastzittende regeling. De beheerders van het stelsel voeren deze functionaliteit uit op verzoek van het bevoegd gezag.

Er is een aantal redenen waarom het niet is toegestaan om een directe mutatie van een OW-object aan te leveren. Een directe mutatie van een OW-object kan leiden tot verschillen tussen de regeling op overheid.nl en de regeling in het DSO. Dit levert een juridisch risico op. Een directe mutaties is niet te traceren en werkt bovendien door met terugwerkende kracht. Bij een tijdreis naar een datum in het verleden ziet een raadpleger door die terugwerkende kracht iets anders dan wat destijds op die datum werkelijk te zien was. Het met een directe mutatie verwijderen van een Activiteit heeft grote gevolgen voor de toepasbare regels bij die Activiteit. Er is dan geen aanvraagformulier meer en een eerder ingediende vergunningaanvraag kan niet meer aangevuld worden.

Tijdelijke maatregel

De harde afkadering dat een bevoegd gezag een OW-object alleen mag wijzigen bij de aanlevering van een wijzigingsbesluit en niet zelf een directe mutatie mag aanleveren, is bedoeld als tijdelijke situatie. Beoogd is dat er in de toekomst functionaliteit komt waarmee die OW-objecten waarbij dat juridisch verantwoord kan, zonder besluit van het bestuursorgaan kunnen worden gewijzigd. Die functionaliteit moet dan ook zorgen voor de traceerbaarheid van de wijziging. Bij het ontwerpen van deze functionaliteit hoort ook een oplossing voor de terugwerkende kracht van wijzigingen van een OW-object zonder besluit.

Werkwijze zolang tijdelijke maatregel geldt

Zolang de tijdelijke maatregel geldt, kan een bevoegd gezag een OW-object wijzigen bij de aanlevering van een volgend wijzigingsbesluit. Voor het oplossen van een probleem in de keten, bijvoorbeeld met een vastzittende regeling, kunnen de beheerders van het stelsel gebruik maken van directe mutaties. Het bevoegd gezag kan daarvoor bij die beheerder een verzoek indienen.

Een probleem in de keten, bijvoorbeeld met een vastzittende regeling, kunnen de beheerders van het stelsel op verzoek van het bevoegd gezag oplossen, met inzet van directe mutaties

9.4 Intrekken & vervangen als reguliere wijzigingsmethode

Sommige typen omgevingsdocument zijn verplicht: het bestuursorgaan moet ze vaststellen en daarna, zo volgt uit het systeem van de wet, moet het openbaar lichaam steeds beschikken over dat omgevingsdocument. Voorbeelden daarvan voor de provincie zijn de omgevingsvisie en de omgevingsverordening, voor de gemeente de omgevingsvisie en het omgevingsplan, voor het waterschap de waterschapsverordening en het waterbeheerprogramma en voor het Rijk de omgevingsvisie, de AMvB en de ministeriële regeling. Deze omgevingsdocumenten worden, na hun initiële vaststelling, met wijzigingsbesluiten gewijzigd. Het kan voorkomen dat de wijzigingen zo omvangrijk zijn dat het bestuursorgaan het omgevingsdocument intrekt en vervangt door een nieuwe. Een voorbeeld is een provincie die in 2023 een omgevingsvisie heeft vastgesteld genaamd ‘Prachtig Provincieland 2035’. De provincie heeft de daarin gestelde ontwikkelings- en beleidsdoelen bereikt en wil nieuw beleid en ontwikkelingen gaan realiseren. In 2035 trekt de provincie daarom de bestaande omgevingsvisie in en stelt een nieuwe omgevingsvisie vast genaamd ‘Provincieland economisch voorop 2050’.

Dat het nieuwe omgevingsdocument bedoeld is als opvolger, voortzetting, van het bestaande omgevingsdocument kan sterker tot uitdrukking worden gebracht door die opvolgingsrelatie expliciet in de metadata van de regeling op te nemen. Dat kan met Intrekken & vervangen als reguliere wijzigingsmethode. Deze wijzigingsmethode wordt toegepast als het bevoegd gezag (zowel juridisch als technisch) een bestaande regeling intrekt en vervangt door een nieuwe regeling, waarbij die regelingen zo sterk met elkaar verbonden zijn dat sprake is van een opvolgingsrelatie. In de RegelingMetadata van de nieuwe regeling wordt met het element opvolgerVan verwezen naar (de identificatie van) de ingetrokken regeling. Door het aangeven van deze opvolg-relatie kan DSO-LV bij een tijdreis vanuit de nieuwe regeling de ingetrokken regeling als voorganger tonen.

Juridisch gezien ligt het voor de hand om het intrekken van de oude regeling en het instellen van de nieuwe regeling in één besluit op te nemen, en om het continu aanwezig zijn van het omgevingsdocument te borgen door de (inwerkingtredings)datum van de intrekking dezelfde te laten zijn als de inwerkingtredingsdatum van de nieuwe regeling. Technisch gezien maakt het bij regulier Intrekken & vervangen niet uit of de intrekking en de instelling in één of twee besluiten worden aangeleverd, als in de RegelingMetadata van de nieuwe regeling maar het element opvolgerVan is opgenomen. Het is aan het bevoegd gezag om er voor te zorgen dat de juridisch juiste datum wordt opgenomen voor intrekking van de oude regeling en inwerkingtreding van de nieuwe regeling, daarop wordt niet gevalideerd.

10 Overige modelleringsaspecten van het projectbesluit

10.1 Standaardindeling vrijetekstgedeelte van het projectbesluit

10.1.1 Toelichting

Om het bestuursorgaan de mogelijkheid te bieden het projectbesluit zoveel mogelijk naar eigen inzicht in te delen, stelt dit toepassingsprofiel ten aanzien van het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit slechts één (technische) indelingseis. Die betreft de bijlage met namen en identificatiecodes van de geografische informatieobjecten.

10.1.2 Norm

De Regeling van het projectbesluit moet een bijlage met namen en identificatiecodes van de geografische informatieobjecten bevatten.

10.2 Standaardindeling tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit

Ten behoeve van een goede werking zijn er enige voorschriften voor de indeling van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit. In de navolgende subparagrafen wordt dat toegelicht en wordt de norm geformuleerd die dit toepassingsprofiel op dit punt stelt.

10.2.1 Toelichting

Om het concept tijdelijk regelingdeel, als technische invulling van het meervoudig bronhouderschap, te laten werken stelt dit toepassingsprofiel enkele voorschriften voor de indeling van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit. Er gelden alleen specifieke voorschriften voor het Lichaam van de Regeling.

In paragraaf 4 is de toepassing van de STOP-modellen voor Besluit en Regeling op het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit vastgelegd en toegelicht. Een aantal onderdelen daarvan wordt hier nader toegelicht.

Het Lichaam van de Regeling, oftewel het tijdelijk regelingdeel, begint met de Conditie met daarin een artikel dat beschrijft wat de verhouding is tussen dit tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling van het omgevingsplan. Het beschrijft feitelijk dat het tijdelijk regelingdeel voorgaat op de hoofdregeling. De Kop van dit artikel heeft alleen een Opschrift, het heeft geen Label en geen Nummer. Het is aan te bevelen om dit artikel het Opschrift ‘Voorrangsbepaling’ te geven. Dit artikel wordt niet in een hoofdstuk ondergebracht.

Vervolgens bevat het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel de regels waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt. Deze regels zijn ondergebracht in een of meer hoofdstukken. In een bijlage zijn de namen en identificatiecodes opgenomen van de informatieobjecten (waarin de Locaties en normwaarden zijn vastgelegd) die bij de regels in het tijdelijk regelingdeel horen. In een bijlage zijn de namen en identificatiecodes opgenomen van de geografische informatieobjecten die bij de voorbeschermingsregels horen.

Figuur 75 toont de verschillende onderdelen van het projectbesluit, met voorbeeldteksten voor het WijzigArtikel en de Conditie in het tijdelijk regelingdeel. In het tijdelijk regelingdeel is te zien dat het tijdelijk regelingdeel de Artikelstructuur heeft.

media/image79.png
Figuur 75Schematische weergave van Besluit en tijdelijk regelingdeel met voorbeeldteksten
10.2.2 Norm

Het Lichaam van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit bevat de volgende onderdelen:

  • de Conditie: verplicht onderdeel dat de verhouding tussen dit tijdelijk regelingdeel en de hoofdregeling van het omgevingsplan beschrijft; altijd in de vorm van een artikel met een Opschrift maar zonder Label en Nummer; dit artikel wordt niet in een hoofdstuk ondergebracht;

  • een of meer Artikelen met de regels waarmee het projectbesluit het omgevingsplan wijzigt, ondergebracht in een of meer hoofdstukken.

  • een bijlage met de namen en identificatiecodes van de geografische informatieobjecten die bij de regels in het tijdelijk regelingdeel horen.

10.3 Begripsbepalingen

10.3.1 Toelichting

Het doel van begripsbepalingen is om eenduidig vast te leggen wat wordt bedoeld met een term die in een regeling wordt gebruikt. Begripsbepalingen bestaan uit één of meer begrippen, die ieder bestaan uit een term en de definitie van die term.

Begripsbepalingen worden uitsluitend opgenomen in het artikel Begripsbepalingen in hoofdstuk 1 dan wel in een specifieke bijlage met begripsbepalingen en niet (ook) op andere plaatsen in de tekst. Dit zorgt ervoor dat de begrippen goed vindbaar zijn en draagt bij aan de eenduidigheid van regels: voorkomen wordt dat eenzelfde begrip op meerdere plaatsen wordt gedefinieerd en dat voor eenzelfde begrip onbedoeld verschillende definities worden gebruikt. Op deze manier is voor een opsteller makkelijk terug te vinden of een begrip in het omgevingsdocument al gedefinieerd is; iets wat -indien van toepassing- ook meervoudig bronhouderschap kan vergemakkelijken. Ook wordt op deze manier voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over bij welke locatie een begripsdefinitie hoort.

Het is dus niet toegestaan om op andere plaatsen dan in een specifiek daarvoor bestemd artikel in hoofdstuk 1 of in een specifieke bijlage in een omgevingsdocument begrippen te definiëren, waardoor het ook niet mogelijk is om eenzelfde begrip in verschillende tekstgedeelten verschillende betekenissen te geven. Wanneer er behoefte is aan verschillende betekenissen kan dat worden opgelost door de begrippen een wat specifiekere naam mee te geven. Een (willekeurig gekozen) voorbeeld is de bebouwde kom. Vanuit verschillende aspecten kunnen regels worden gesteld waarvan het werkingsgebied de bebouwde kom is, waarbij de bebouwde kom niet steeds hetzelfde gebied hoeft te zijn. Een oplossing zou kunnen zijn om het begrip te specificeren tot bijvoorbeeld ‘bebouwde kom regels over bouwen’, ‘bebouwde kom regels over verkeer’.

Om het met wijzigingsbesluiten invoegen en verwijderen van begrippen eenvoudig te houden worden de begrippen in alfabetische volgorde geplaatst zonder gebruik te maken van opsommingstekens in de vorm van nummers of letters.

Het is mogelijk om met de systematiek voor Verwijzingen die in paragraaf 10.5 is beschreven, een verwijzing te maken van een term die in de tekst van een regel voorkomt naar een begrip in de begripsbepalingen waar die term wordt gedefinieerd. Die verwijzing maakt het, bijvoorbeeld op overheid.nl en in DSO-LV, mogelijk dat de raadpleger de definitie van een term te zien krijgt als die term in de regel voorkomt. Het maken van zo’n verwijzing gebeurt in de software waarmee het omgevingsdocument wordt opgesteld en/of geannoteerd en vergt een menselijke handeling. Het gebeurt niet automatisch in bijvoorbeeld LVBB of DSO-LV en dus ook niet onbedoeld.

Begrippen die in een bijlage worden geplaatst maken onlosmakelijk deel uit van het juridische deel van het projectbesluit. Om dat ook technisch te bewerkstelligen dienen dergelijke bijlagen onderdeel te zijn van de Regeling en niet van het Besluit. Alles wat deel uitmaakt van een Regeling wordt doorgeleverd aan DSO-LV en is daar te raadplegen. Begrippen die in een bijlage buiten de Regeling worden geplaatst, zijn in DSO-LV niet te raadplegen.

Opgemerkt wordt dat het niet de bedoeling is om de begrippen in een artikel of een bijlage Begripsbepalingen te annoteren met de domeinspecifieke OW-objecten Activiteit, Omgevingswaarde, Omgevingsnorm en Gebiedsaanwijzing.

10.3.2 Norm

Voor de begripsbepalingen gelden de volgende regels:

  • begripsbepalingen worden uitsluitend opgenomen in het artikel Begripsbepalingen in hoofdstuk 1 of in een specifieke bijlage met begripsbepalingen;

  • wanneer de begrippen in een bijlage worden geplaatst, wordt in het artikel Begripsbepalingen een tekstuele verwijzing naar de bijlage met begrippen opgenomen;

  • het artikel Begripsbepalingen dan wel de bijlage met begripsbepalingen begint met een introducerende zin;

  • ieder begrip bestaat uit een term en een definitie;

  • de begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen en krijgen geen opsommingstekens in de vorm van nummers of letters.

Om machineleesbaar te maken dat iets een begrip is wordt gebruik gemaakt van het STOP-Inhoud-element Begrippenlijst: een specifieke vorm van een Lijst die gericht is op het coderen van een lijst met termen en hun definities. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende STOP-documentatie.

10.4 Meet- en rekenbepalingen

10.4.1 Toelichting

In het projectbesluit zullen regels voorkomen waarvan duidelijk moet zijn hoe er bij de toepassing ervan gemeten en/of gerekend moet worden. Dit zal onder andere het geval zijn bij omgevingsnormen (zie paragraaf 8.7). Hoe gemeten en/of gerekend moet worden, wordt vastgelegd in meet- en rekenbepalingen.

Bij elkaar in één artikel of een bijlage plaatsen van meet- en rekenbepalingen zorgt ervoor dat ze goed vindbaar zijn en draagt bij aan de eenduidigheid van regels. Voorkomen wordt dat van eenzelfde onderwerp op meerdere plaatsen wordt vastgelegd hoe er bij de toepassing gemeten en/of gerekend moet worden en dat er daarbij onbedoeld verschillende wijzen van meten en/of rekenen worden voorgeschreven. Ook maakt deze methode het voor een opsteller makkelijk terug te vinden of een meet- of rekenbepaling al in het projectbesluit is opgenomen. Bovendien wordt op deze manier voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over bij welk werkingsgebied een meet- of rekenbepaling hoort. In principe worden de meet- en rekenbepalingen bij deze methode in het artikel Meet- en rekenbepalingen in Hoofdstuk 1 dan wel in een specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen geplaatst.

Het kan echter ook voorkomen dat een meet- of rekenbepaling zo contextgebonden is dat deze slechts voor één of een beperkt aantal artikelen van toepassing is. In zo’n geval kan het bevoegd gezag het wenselijk vinden om de meet- of rekenbepaling niet in het artikel Meet- en rekenbepalingen in hoofdstuk 1 te plaatsen maar direct in of bij de artikelen waarop zij van toepassing is. Beide methoden zijn toegestaan.

Aanbevolen wordt om in ieder geval de meet- en rekenbepalingen die in meerdere artikelen van toepassing zijn, bij elkaar te zetten in een artikel Meet- en rekenbepalingen in Hoofdstuk 1, dan wel in een specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen.

Om het met wijzigingsbesluiten invoegen en verwijderen van meet- en rekenbepalingen eenvoudig te houden worden de meet- en rekenbepalingen die bij elkaar in het artikel Meet- en rekenbepalingen of in een specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen worden geplaatst, in alfabetische volgorde geplaatst zonder gebruik te maken van opsommingstekens in de vorm van nummers of letters.

Het is mogelijk om met de systematiek voor de Verwijzing die in paragraaf 10.5 is beschreven, aan te geven welke meet- en rekenbepalingen bij welke andere regels (zoals een omgevingswaarde en/of omgevingsnorm) horen. Die verwijzing maakt het, bijvoorbeeld op overheid.nl en in DSO-LV, mogelijk dat de raadpleger de meet- en rekenbepaling te zien krijgt waar deze in de regeltekst van toepassing is. De verwijzing geeft een generieke relatie; er wordt niet machineleesbaar gemaakt dat de verwijzing meet- en rekenbepalingen betreft. Het maken van zo’n verwijzing gebeurt in de software waarmee het omgevingsdocument wordt opgesteld en/of geannoteerd en vergt een menselijke handeling. Het gebeurt niet automatisch in bijvoorbeeld LVBB of DSO-LV en dus ook niet onbedoeld.

Meet- en rekenbepalingen die in een bijlage worden geplaatst maken onlosmakelijk deel uit van het juridische deel van het projectbesluit. Om dat ook technisch te bewerkstelligen dienen dergelijke bijlagen onderdeel te zijn van de Regeling en niet van het Besluit. Alles wat deel uitmaakt van de Regeling wordt doorgeleverd aan DSO-LV en is daar te raadplegen. Meet- en rekenbepalingen die in een bijlage buiten de Regeling worden geplaatst, zijn in DSO-LV niet te raadplegen.

10.4.2 Norm

Wanneer er in het projectbesluit meet- en rekenbepalingen voorkomen gelden daarvoor de volgende regels:

  • meet- en rekenbepalingen worden bij voorkeur opgenomen in het artikel Meet- en rekenbepalingen in hoofdstuk 1 of in een specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen; het is ook toegestaan ze direct in of bij de artikelen te plaatsen waarop zij van toepassing zijn;

  • wanneer de meet- en rekenbepalingen in een bijlage worden geplaatst, wordt in het artikel Meet- en rekenbepalingen een tekstuele verwijzing naar de bijlage met meet- en rekenbepalingen opgenomen;

  • het artikel Meet- en rekenbepalingen dan wel de specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen begint met een introducerende zin;

  • iedere meet- of rekenbepaling bestaat uit een term en een beschrijving van de te gebruiken meet- of rekenwijze;

  • wanneer de meet- en rekenbepalingen worden opgenomen in het artikel Meet- en rekenbepalingen in hoofdstuk 1 dan wel in de specifieke bijlage met meet- en rekenbepalingen worden ze in alfabetische volgorde opgenomen en krijgen ze geen opsommingstekens in de vorm van nummers of letters.

Om machineleesbaar te maken dat iets een meet- of rekenbepaling is, wordt gebruik gemaakt van het STOP-Inhoud-element Begrippenlijst: een specifieke vorm van een Lijst die gericht is op het coderen van een lijst met termen en hun definities. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende STOP-documentatie.

10.5 Tekstverwijzing

10.5.1 Toelichting

Een stuk tekst kan een verwijzing naar een ander tekstelement of ander document bevatten. Voorbeelden hiervan zijn:

  • de verwijzing vanuit een begrip in een regel naar de begripsbepaling waarin dat begrip wordt gedefinieerd;

  • de verwijzing vanuit een beleidsregel over de toepassing van een open norm naar de regel waarin de open norm is vastgelegd;

  • de verwijzing vanuit een artikel naar de artikelsgewijze toelichting op dat artikel (en vice versa);

  • de verwijzing vanuit een regel naar een wettelijke bepaling;

  • de verwijzing vanuit een tekstelement in een omgevingsdocument met Vrijetekststructuur naar een ander tekstelement in datzelfde of een ander omgevingsdocument of in een ander besluit of regeling.

Het gaat hier om een simpele verwijzing; de verhouding tussen het ene tekstelement en het andere tekstelement of document is niet gekwalificeerd. Met de hier beschreven verwijzing wordt ook uitdrukkelijk niet de verwijzing vanuit een Juridische regel, Divisie, Divisietekst of Tekstdeel naar een Locatie of een OW-object bedoeld.

Het model maakt het mogelijk de hier bedoelde verwijzing te maken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de STOP-XML-elementen IntRef (voor verwijzingen tussen tekstelementen binnen een omgevingsdocument) en ExtRef (voor verwijzingen vanuit een omgevingsdocument naar tekstelementen in) andere documenten; dat kunnen omgevingsdocumenten maar ook andere typen documenten zijn). Een verwijzing kan gemaakt worden naar een tekstelement in het projectbesluit zelf, maar ook naar (een tekstelement in) een ander document.

Bij een verwijzing naar een ander document is aandacht nodig voor de formulering van de verwijzing. Wanneer een algemene verwijzing naar het andere document wordt gemaakt, dus zonder te verwijzen naar een specifieke versie daarvan, zou een wijziging in het andere document onbedoeld kunnen leiden tot wijziging van het projectbesluit zonder dat daar een besluit van het bevoegd gezag aan ten grondslag ligt. Zo’n algemene verwijzing zonder specifieke versie noemen we een dynamische verwijzing. Wanneer het ongewenst is dat een wijziging in het andere document doorwerkt in het projectbesluit kan een statische verwijzing worden gemaakt. Er wordt dan expliciet verwezen naar een specifieke versie van dat andere document.

Ten behoeve van de goede raadpleegbaarheid van het projectbesluit wordt sterk aanbevolen om in ieder geval gebruik te maken van de verwijzing vanuit een begrip in een regel naar de begripsbepaling waarin dat begrip wordt gedefinieerd.

10.5.2 Norm

Voor het maken van de verwijzing wordt gebruik gemaakt van de generieke XML-elementen IntRef (voor de verwijzing naar een ander tekstelement in hetzelfde document) en ExtRef (voor de verwijzing naar (tekstelementen in) een ander document).

10.6 Standaardfrase als verbinding tussen Regeltekst, Locatie en waarden

In omgevingsdocumenten met regels zullen normen voorkomen die in verschillende gebieden verschillende waarden hebben, denk hierbij bijvoorbeeld aan maximum bouwhoogte in het omgevingsplan of minimum doorvaarthoogte in de waterschapsverordening. Het is mogelijk om in de Regeltekst van het omgevingsdocument voor iedere norm zoveel regels op te nemen als er gebieden zijn, dan wel als er waarden zijn die de norm kan aannemen. Figuur 76 en Figuur 77 laten voor omgevingsplan en waterschapsverordening een stukje Regeltekst zien waarin deze systematiek is toegepast:

media/image71.png
Figuur 76Beschrijving van de gebieden waar de norm geldt én de waarden zijn in de Regeltekst opgenomen, voorbeeld omgevingsplan
media/image72.png
Figuur 77Beschrijving van de gebieden waar de norm geldt én de waarden zijn in de Regeltekst opgenomen, voorbeeld waterschapsverordening

De leesbaarheid en raadpleegbaarheid kunnen worden vergroot door de Locaties waar regels gelden en de waarden die normen op de verschillende Locaties hebben, op een kaartbeeld weer te geven.

Voor die tweede methode biedt de standaard de mogelijkheid om de norm zodanig te formuleren dat deze voor de mens leesbaar en begrijpelijk is én de verbinding legt met de Locaties en alle waarden die de betreffende norm op de afzonderlijke Locaties van heeft. Hiertoe wordt in de norm een standaardfrase opgenomen. De standaardfrase is een in algemene bewoording geformuleerde verwijzing naar de Locaties. Na interactie met het kaartbeeld wordt de op die locatie geldende waarde getoond. Zoals in paragraaf 8.7 over het annoteren met de OW-objecten Omgevingswaarde en Omgevingsnorm is aangegeven, kunnen de waarden kwantitatief of kwalitatief (oftewel in woorden beschreven) zijn. Ook kan de waarde een verwijzing naar de Regeltekst zijn. De standaard maakt het weergeven van alle varianten mogelijk.

Een voorbeeld van een norm met een standaardfrase die in het omgevingsplan kan voorkomen: "De maximum bouwhoogte van een woning is de ter plaatse van de locatie ‘maximum bouwhoogte woning’ bepaalde waarde." In dit voorbeeld is de standaardfrase in cursieve tekst aangegeven. Afhankelijk van de plaats die wordt geraadpleegd, wordt de op die plaats geldende waarde na interactie met het kaartbeeld getoond. Figuur 78 laat hiervan een voorbeeld zien:

media/image80.png
Figuur 78Standaardfrase in Regeltekst, weergave van de waarden door interactie met kaart, omgevingsplan

Het resultaat van bevraging A is dat de waarde 13 meter wordt getoond. Het resultaat van bevraging B is dat de waarde 7 meter wordt getoond.

Een voorbeeld van een norm met een standaardfrase die in de waterschapsverordening kan voorkomen: "De doorvaarthoogte van een watergang bedraagt niet minder dan de ter plaatse van de locatie ‘minimum doorvaarthoogte watergang’ bepaalde waarde." In dit voorbeeld is de standaardfrase in cursieve tekst aangegeven. Afhankelijk van de plaats die wordt geraadpleegd, wordt de op die plaats geldende waarde na interactie met het kaartbeeld getoond. Figuur 79 laat hiervan een voorbeeld zien:

media/image81.png
Figuur 79Standaardfrase in Regeltekst, weergave van de waarden door interactie met kaart, waterschapsverordening

Het resultaat van bevraging A is dat de waarde 2 meter wordt getoond. Het resultaat van bevraging B is dat de waarde 1 meter wordt getoond.

Dit kan ook met kwalitatieve waarden, waarbij bijvoorbeeld locatie C de waarde 'passend in het straatbeeld' heeft en locatie D de waarde 'niet hoger dan de kerk':

media/image82.jpg
Figuur 80Standaardfrase in Regeltekst, weergave van de waarden door interactie met kaart, kwalitatief, omgevingsplan

10.7 Onderdelen van de standaard die voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit verplicht of noodzakelijk zijn

Een besluit kan pas in werking treden als het is bekendgemaakt, aldus artikel 3:40 Awb. De Bekendmakingswet stelt algemene regels over de bekendmaking. Voor omgevingsdocumenten[88] Omgevingsdocumenten zijn besluiten en andere rechtsfiguren die in de Omgevingsregeling (de ministeriële regeling bij de Omgevingswet) als zodanig zijn aangewezen
gelden specifieke regels[89] Deze regels zijn vastgelegd in de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet, een ministeriële regeling bij de Bekendmakingswet
. Omgevingsdocumenten, en ontwerpen daarvan, moeten door het betrokken bestuursorgaan elektronisch worden vormgegeven overeenkomstig STOP, IMOW en het betreffende toepassingsprofiel en moeten voor publicatie worden aangeleverd aan het bronhouderkoppelvlak van de LVBB. Daarnaast is in de Omgevingswet bepaald dat omgevingsdocumenten worden ontsloten via DSO-LV.

10.7.1 Juridische verplichtingen voor de bekendmaking

Door de hiervoor genoemde bepalingen geldt een aantal verplichtingen voor het publiceren van ontwerpen en het juridisch rechtsgeldig bekendmaken van besluiten. Een besluit tot vaststelling of wijziging van het projectbesluit moet worden vormgegeven overeenkomstig de in paragraaf 4.4 voorgeschreven en op het projectbesluit toegespitste STOP-modellen voor Besluit en Regeling. De tekst in het Lichaam van de Regeling moet worden gestructureerd overeenkomstig de in paragraaf 5.2 voorgeschreven specificaties van de Vrijetekststructuur. Van de tekst kan worden vastgelegd op welke Locatie of Locaties deze van toepassing is. Bij elkaar horende collecties van Locaties moeten worden vastgesteld in de vorm van een GIO, waarmee de identiteit en onveranderlijkheid van de geometrie wordt geborgd. De GIO’s moeten bij het besluit over de regeling worden gevoegd. Als er een Locatie bij de tekst hoort, moet met een tekstuele aanduiding een verwijzing naar het GIO gemaakt worden (zie Figuur 27 voor een illustratie). Door deze verwijzing in de tekst krijgt het GIO juridische status.

10.7.2 Annotaties voor de dienstverlening in DSO-LV

Belangrijke resultaten van het annoteren met OW-objecten zijn het herkenbaar op de kaart weergegeven van de werkingsgebieden van (beleids- of realisatie)tekst en het mogelijk maken van selecteren en filteren. Annoteren met OW-objecten verhoogt het niveau van dienstverlening in het Omgevingsloket van DSO-LV. Er is niet wettelijk bepaald dat en in welke mate geannoteerd moet worden, wel dat daarbij IMOW en het betreffende toepassingsprofiel moeten worden toegepast. Om het afgesproken dienstverleningsniveau van DSO-LV te bereiken is het annoteren wel noodzakelijk.

Om het omgevingsdocument met alles wat daar bij hoort in DSO-LV te kunnen tonen, is het verplicht om voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit het Regelingsgebied aan te leveren.

Het annoteren met de overige OW-objecten is alleen mogelijk als die tekst is geannoteerd met Divisie respectievelijk Divisietekst en Tekstdeel. Door een Tekstdeel aan een of meer Locaties te koppelen, wordt inzichtelijk waar het tekstonderdeel van toepassing is. Dat is bij omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur echter niet verplicht. Als gebruik gemaakt wordt van Locaties moeten ze voldoen aan de specificaties voor Locatie. Het niet of zeer beperkt gebruik maken van Locaties geeft een heel beperkt kaartbeeld en zorgt er voor dat niet inzichtelijk is waar het bevoegd gezag heeft bedoeld dat een bepaalde (beleids)tekst van toepassing is.

Het aanwijzen van specifieke gebieden in omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur gebeurt door het annoteren met een van de typen Gebiedsaanwijzing. Dat zorgt er voor dat die gebieden herkenbaar op de kaart worden weergegeven en dat er kan worden gefilterd op alle teksten die over een bepaald type gebied gaan. De annotatie met Gebiedsaanwijzing kan tevens worden gebruikt om de relatie met een ander omgevingsdocument te versterken, wanneer daarin dezelfde Gebiedsaanwijzing voor dezelfde Locatie is geannoteerd.

Het attribuut thema zal voor omgevingsdocumenten met Vrijetekststructuur een belangrijke rol spelen. Daarmee kan worden aangegeven over welk aspect van de fysieke leefomgeving de tekst gaat. Ook met thema kan de relatie met een ander omgevingsdocument worden versterkt, als daarin hetzelfde thema is geannoteerd.

Het object Hoofdlijn tenslotte kan worden gebruikt om de informatie inzichtelijk gestructureerd aan eindgebruikers aan te bieden en een extra filtermogelijkheid te bieden waardoor bij elkaar horende onderdelen in samenhang getoond kunnen worden.

10.8 Onderdelen van de standaard die voor het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit verplicht of noodzakelijk zijn

Een besluit kan pas in werking treden als het is bekendgemaakt, aldus artikel 3:40 Awb. De Bekendmakingswet stelt algemene regels over de bekendmaking. Voor omgevingsdocumenten[90] Omgevingsdocumenten zijn besluiten en andere rechtsfiguren die in de Omgevingsregeling (de ministeriële regeling bij de Omgevingswet) als zodanig zijn aangewezen
gelden specifieke regels[91] Deze regels zijn vastgelegd in de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet, een ministeriële regeling bij de Bekendmakingswet
. Omgevingsdocumenten, en ontwerpen daarvan, moeten door het betrokken bestuursorgaan elektronisch worden vormgegeven overeenkomstig STOP, IMOW en het betreffende toepassingsprofiel en moeten voor publicatie worden aangeleverd aan het bronhouderkoppelvlak van de LVBB. Daarnaast is in de Omgevingswet bepaald dat omgevingsdocumenten worden ontsloten via DSO-LV.

De tekst van het tijdelijk regelingdeel bij het projectbesluit moet worden gestructureerd overeenkomstig de in paragraaf 5.2 voorgeschreven specificaties van de Artikelstructuur

10.8.1 Juridische verplichtingen voor de bekendmaking

Door de hiervoor genoemde bepalingen geldt een aantal verplichtingen voor het publiceren van ontwerpen en het juridisch rechtsgeldig bekendmaken van besluiten. Ieder tijdelijk regelingdeel dat door het projectbesluit wordt ingesteld, moet worden vormgegeven overeenkomstig het in paragraaf 4.4.4 voorgeschreven modellen voor RegelingTijdelijkdeel. De regels in het Lichaam van de Regeling moeten worden gestructureerd overeenkomstig de in paragraaf 5.2 beschreven specificaties voor de Artikelstructuur. Van ieder artikel of lid moet, door er een of meer Locaties aan te koppelen, worden vastgelegd wat het werkingsgebied ervan is. Bij elkaar horende collecties van Locaties moeten worden vastgesteld in de vorm van een GIO, waarmee de identiteit en onveranderlijkheid van de geometrie wordt geborgd. De GIO’s moeten bij het besluit over de regeling worden gevoegd. In de tekst van het artikel of lid moet met een tekstuele aanduiding een verwijzing naar het GIO gemaakt worden. Door deze verwijzing in de tekst krijgt het GIO juridische status.

Wanneer het bevoegd bezag een norm op verschillende locaties verschillende waarden geeft waarbij de voor een locatie geldende waarde door interactie met de kaart getoond moet worden, moeten die locaties en waarden in een GIO worden vastgesteld.

10.8.2 Annotaties voor de dienstverlening in DSO-LV

Belangrijke resultaten van het annoteren met OW-objecten zijn het herkenbaar op de kaart weergegeven van de werkingsgebieden van artikelen en leden en het mogelijk maken van selecteren en filteren. Annoteren met OW-objecten verhoogt het niveau van dienstverlening in het Omgevingsloket van DSO-LV. Er is niet wettelijk bepaald dat en in welke mate geannoteerd moet worden, wel dat daarbij IMOW en het betreffende toepassingsprofiel moeten worden toegepast. Om het afgesproken dienstverleningsniveau van DSO-LV te bereiken is het annoteren wel noodzakelijk.

Om het omgevingsdocument met alles wat daar bij hoort in DSO-LV te kunnen tonen, is het verplicht om voor ieder tijdelijk regelingdeel dat het projectbesluit instelt, het Regelingsgebied aan te leveren[92] Zie voor de uitzondering op de aanleveringsplicht paragraaf 8.12
.

Het annoteren van een artikel of lid met de overige OW-objecten is alleen mogelijk als dat artikel of lid is geannoteerd met Regeltekst en Juridische regel. Om te voldoen aan de verplichting om aan te geven waar een artikel of lid geldt, moet het worden gekoppeld aan de juiste Locatie of Locaties.

Het annoteren met Activiteit zorgt er voor dat de Locaties waar de regel over een bepaalde activiteit geldt, herkenbaar op de kaart wordt weergegeven. Ook maakt het machineleesbaar hoe de regel op die Locaties wordt gekwalificeerd: voor de betreffende activiteit geldt op deze locatie een vergunningplicht en op die locatie een verbod. Daarnaast speelt het annoteren met Activiteit een belangrijke rol bij de toepasbare regels. Het is namelijk zo dat, wanneer een bevoegd gezag in een omgevingsdocument een vergunningplicht of meldingsplicht voor een activiteit instelt, het verplicht is om het elektronisch indienen van aanvragen en meldingen mogelijk te maken. Dat gebeurt door het aanleveren van een vragenboom met toepasbare regels over activiteiten. Toepasbare regels maken gebruik van de activiteiten die aanwezig zijn in de functionele structuur van de Registratie Toepasbare Regels. Wanneer een regelingversie met daarin een annotatie met een nieuwe Activiteit aan DSO-LV wordt aangeleverd, wordt deze automatisch toegevoegd aan de functionele structuur van het betreffende bevoegde gezag. Dit is de enige route om daaraan activiteiten toe te voegen. Ten behoeve van de werking van toepasbare regels is het dus noodzakelijk om te annoteren met Activiteit.

Wanneer het bevoegd bezag bepaalde normen op verschillende plekken verschillende waarden wil geven kan dat op twee manieren. Als het bevoegd gezag de gebruiker makkelijk en duidelijk inzicht wil geven, dan kiest het voor de eerste manier: het annoteren met het OW-object Omgevingsnorm. Dat zorgt ervoor dat in het kaartbeeld herkenbaar is dat een Locatie hoort bij een regel over een omgevingsnorm en dat door middel van interactie met de kaart per locatie te zien is welke waarde daar geldt. De Locaties en de bij de omgevingsnorm behorende waarden worden in een GIO vastgelegd. In de tekst van de regel wordt met behulp van een tekstuele aanduiding verwezen naar het GIO (zie Figuur 26 voor een illustratie). Door het vastleggen van de waarden in GIO’s en daarnaar door middel van een noemer in de tekst van de regel te verwijzen, krijgen de waarden juridische werking en zijn ze onderdeel van het besluit. De tweede manier is het opnemen van alle adressen of percelen én de bijbehorende waarden in de tekst van de regel, zoals getoond in Figuur 62 en Figuur 63 in paragraaf 8.7.1. Doordat de waarden en de adressen of percelen waar die waarden gelden in de (mensleesbare) tekst staan, vormen ze rechtstreeks onderdeel van het besluit. Ze hebben daarmee juridische werking.

Regels die een specifiek gebied aanwijzen, kunnen worden geannoteerd met een van de typen Gebiedsaanwijzing. Dat zorgt er voor dat die gebieden herkenbaar op de kaart worden weergegeven en dat er kan worden gefilterd op alle regels die over een bepaald type gebied gaan. De annotatie met Gebiedsaanwijzing kan tevens worden gebruikt om de relatie met een ander omgevingsdocument te versterken, wanneer daarin dezelfde Gebiedsaanwijzing-annotatie voor dezelfde Locatie is toegepast.

Met het attribuut thema kan tenslotte worden aangegeven over welk aspect van de fysieke leefomgeving de regel gaat. Ook met thema kan de relatie met een ander omgevingsdocument worden versterkt, als daarin hetzelfde thema is geannoteerd.

C Aspecten van de aanlevering

Dit deel bevat twee hoofdstukken. Hoofdstuk 11 beschrijft de wettelijk voorgeschreven procedure die het projectbesluit doorloopt en de producten en gegevens die per stap in die procedure moeten worden aangeleverd. Hoofdstuk 12 gaat over Rectificatie en Revisie. Voorlopig is alleen paragraaf 12.1 Rectificatie gevuld, paragraaf 12.2, over de Revisie, krijgt in een volgende versie inhoud.

11 Procedure, aan te leveren producten en gegevens

11.1 Inleiding

Een (voorgenomen) besluit tot het vaststellen of wijzigen van een omgevingsdocument doorloopt een procedure. Die procedure begint bij de meeste omgevingsdocumenten met een voorbereidende, meer informele fase. Tijdens deze fase vinden overleg met eventuele initiatiefnemers, medeoverheden en adviseurs en participatie door belanghebbenden plaats. Voor deze fase gelden meestal geen procedurele eisen en aan producten die worden gebruikt voor overleg en participatie worden geen vormvereisten gesteld. Het is mogelijk om voor overleg en participatie een conceptversie van het voorgenomen besluit te maken die aan de STOP/TPOD-standaard voldoet, maar dat is niet verplicht. Documenten en conceptversies worden niet op overheid.nl gepubliceerd en ook niet in DSO-LV getoond. Het raadplegen van een conceptversie van een omgevingsdocument kan alleen in een eigen raadpleegomgeving van het bevoegd gezag. Ze worden dus niet aan de LVBB aangeboden en de bepalingen en beschrijvingen in dit hoofdstuk zijn er niet op van toepassing.

Bij het projectbesluit is dat anders. Het daadwerkelijke opstellen van het projectbesluit wordt voorafgegaan door de voorbereidende fase van de projectprocedure, waarvoor procedurele eisen gelden en vormvereisten en inhoudelijke eisen gesteld zijn aan de kennisgevingen en (ontwerp)stukken die ter inzage gelegd en vastgesteld moeten worden.

Nadat een bevoegd gezag is gestart met het opstellen van het initiële omgevingsdocument of de wijziging daarvan doorloopt het de bij dat instrument behorende formele procedure, waarvoor diverse wettelijke bepalingen gelden. In de loop van die procedure worden een of meer versies van het besluit (inclusief de initiële regeling of de wijzigingsinstructies voor de geconsolideerde regeling) aan de LVBB aangeleverd. Ook kan er een wettelijke verplichting bestaan om een kennisgeving te doen, die ook aan de LVBB moet worden aangeleverd. Nadat het bevoegd gezag het besluit heeft genomen en het besluit bekend is gemaakt en in werking is getreden, is voor een aantal instrumenten de procedure afgelopen. In het geval van een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, volgt nog een proceduregedeelte dat kan leiden tot wijzigingen in de geldigheid en zelfs tot wijzigingen in de inhoud van het besluit. Een wijziging in de geldigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een besluit naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorziening door de rechter wordt geschorst. Een wijziging in de geldigheid én de inhoud is mogelijk wanneer de rechter een besluit geheel of gedeeltelijk vernietigt, dan wel zelf in de zaak voorziend het besluit wijzigt. Deze wijzigingen moeten worden doorvertaald naar de geconsolideerde Regeling van het omgevingsdocument. Om dit hele proces te kunnen verwerken en het resultaat correct aan DSO-LV door te kunnen leveren, heeft de LVBB informatie nodig over de procedure en informatie voor de consolidatie. Het bevoegd gezag levert die informatie deels aan samen met de aanlevering van de besluitversie; deels moet het die informatie in een later stadium aanleveren.

Paragraaf 11.2 beschrijft de producten die het bevoegd gezag tijdens de procedure van het projectbesluit moet aanleveren. In deze paragraaf wordt van een aantal producten de STOP-modellering beschreven. Paragraaf 11.3 gaat over de aan te leveren gegevens over de producten en de procedure. Van deze gegevens wordt aangegeven of het een verplicht of optioneel gegeven is en hoe vaak het moet of mag voorkomen. Daarnaast schetst deze paragraaf de achtergrond van de gegevens: waarom moet een bevoegd gezag het gegeven gebruiken en wat voor effect heeft het gegeven.

Paragraaf 11.4 beschrijft de afzonderlijke fasen in de procedure van het omgevingsdocument. Van iedere fase worden het juridisch kader en de aan te leveren producten en gegevens beschreven. Dit is een praktische paragraaf: per fase wordt precies aangegeven wat het bevoegd gezag moet doen. Degene die bijvoorbeeld heel concreet wil weten wat hij of zij moet doen en aanleveren voor de ontwerpfase van een omgevingsdocument leest deze paragraaf en volgt indien gewenst van daaruit de verwijzingen naar paragraaf 11.3 om daar (nogmaals) de achtergronden van bepaalde gegevens te lezen.

11.2 Producten die nodig zijn voor de procedure van een omgevingsdocument

11.2.1 Besluit en Regeling

Het belangrijkste product dat tijdens de procedure moet worden aangeleverd is uiteraard het besluit tot vaststelling of wijziging van het projectbesluit. Dat is in deel B uitgebreid beschreven.

11.2.2 Kennisgeving

In een aantal gevallen, die in paragraaf 11.4 worden beschreven, moet het bevoegd gezag een kennisgeving doen, die in een van de officiële publicatiebladen wordt geplaatst. De kennisgeving is een zakelijke weergave van de inhoud, vaak van een besluit. De kennisgeving wordt conform STOP gemodelleerd. De kennisgeving is een zelfstandige eenheid. Dat betekent dat een kennisgeving als een afzonderlijke bestandenset wordt aangeleverd. De kennisgeving behorend bij een besluit moet worden aangeleverd nádat de bestandenset van het besluit is aangeleverd.

De kennisgeving heeft de Vrijetekststructuur. De modellering van de kennisgeving is als volgt:

  • RegelingOpschrift: verplicht element, komt 1 keer voor.

  • Lichaam: verplicht element, komt 1 keer voor.

    • Divisietekst: verplicht element, komt zo vaak voor als gewenst. Bevat de volgende elementen:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien Kop voorkomt bevat het ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd. Als de kennisgeving maar één Divisietekst bevat, hoeft de Divisietekst geen Kop te hebben.

      • Inhoud: STOP-element dat de inhoud van de kennisgeving bevat. Verplicht element. Komt (per DivisieTekst) 1 keer voor. Het element Inhoud bevat ten minste één van de tekstelementen die STOP daarvoor kent; alle tekstelementen voor Inhoud zijn toegestaan.

11.2.3 Mededeling van een rechterlijke uitspraak

Als beroep is ingesteld tegen een besluit en de bestuursrechter het besluit geheel of gedeeltelijk vernietigt, moet het bestuursorgaan mededeling doen van de uitspraak op de manier die voor de bekendmaking van het besluit is voorgeschreven. Dat betekent dat de volledige inhoud van de uitspraak in publicatieblad van het bevoegd gezag moet worden geplaatst. De kennisgeving wordt conform STOP gemodelleerd.

De Mededeling heeft de Vrijetekststructuur. De modellering van de mededeling is als volgt:

  • RegelingOpschrift: verplicht element, komt 1 keer voor.

  • Lichaam: verplicht element, komt 1 keer voor.

    • Divisietekst: verplicht element, komt zo vaak voor als gewenst. Bevat de volgende elementen:

      • Kop: STOP-element dat de Kop bevat. Optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor. Indien Kop voorkomt bevat het ten minste één van de Kopelementen Label, Nummer en Opschrift; ieder van deze onderdelen komt 0 of 1 keer voor. Optioneel kan het element Subtitel worden toegevoegd. Als de Mededeling maar één Divisietekst bevat, hoeft de Divisietekst geen Kop te hebben.

      • Inhoud: STOP-element dat de inhoud van de Mededeling bevat. Verplicht element. Komt (per DivisieTekst) 1 keer voor. Het element Inhoud bevat ten minste één van de tekstelementen die STOP daarvoor kent; alle tekstelementen voor Inhoud zijn toegestaan.

Toekomstige functionaliteit

In de toekomst zal de mededeling van de uitspraak van de rechter met toepassing van de STOP/TPOD-standaard worden opgesteld en aan de LVBB worden aangeleverd voor de publicatie in het publicatieblad.

Workaround

Zolang de Mededeling van de uitspraak van de rechter nog niet in de DSO-keten is geïmplementeerd, wordt voor de mededeling van de uitspraak van de rechter een besluit conform model BesluitCompact gebruikt. In het besluit moet dan worden aangegeven dat het niet een besluit maar een mededeling betreft.

11.3 Gegevens die nodig zijn voor de procedure van een omgevingsdocument

In deze paragraaf worden alle gegevens beschreven die informatie geven over de aan te leveren producten en de procedure: Doel (paragraaf 11.3.1), BesluitMetadata (paragraaf 11.3.2), RegelingMetadata (paragraaf 11.3.3), KennisgevingMetadata (paragraaf 11.3.4), soort procedure en ConsolidatieInformatie (paragraaf 11.3.5) en Procedure-informatie (paragraaf 11.3.6). Deze paragraaf geeft vooral achtergrondinformatie over de gegevens. Paragraaf 11.4 beschrijft vervolgens de concrete toepassing van de gegevens per fase en per product op het projectbesluit.

11.3.1 Doel als identificatie van een Regelingversie

Voor het bereiken van bepaalde doelen of voldoen aan bepaalde verplichtingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het nodig om een van de juridische instrumenten van de Omgevingswet in te zetten. Dit instrument doorloopt de wettelijk voorgeschreven procedure. In de loop van die procedure worden een of meer versies van het besluit (inclusief de initiële regeling of de wijzigingsinstructies voor de geconsolideerde regeling) en gegevens over dat besluit aan de LVBB aangeleverd. Het uiteindelijke resultaat van het hele proces is dat er een nieuwe Regeling ontstaat, of een nieuwe versie van een bestaande Regeling.

Om van een omgevingsdocument vast te leggen dat tekst, informatieobjecten en OW-informatie bij elkaar horen, gedurende alle stadia van het proces van opstellen, voorbereidingsprocedure, besluitvorming, bekendmaken en consolideren, is een unieke identificatie nodig. De STOP/TPOD-standaard noemt die identificatie Doel. De term Doel is afgeleid van het doel dat het bevoegd gezag voor ogen heeft als aanleiding voor de introductie van een specifiek nieuw omgevingsdocument of wijziging daarvan op één moment in de tijd. Voor degenen die met de RO-Standaarden en IMRO bekend zijn is Doel enigszins vergelijkbaar met het dossiernummer oftewel de IMRO-code van een plan of besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

Doel is in STOP gedefinieerd als de identificatie van een nieuwe regeling of de wijziging daarvan met één moment van inwerkingtreding, één (beoogd) moment waarop de regeling geldig wordt en eventueel één moment waarop de geldigheid van de regeling eindigt. De LVBB gebruikt het Doel om de consolidatie van regelingen te sturen.

Wanneer het bevoegd gezag constateert dat er een nieuw omgevingsdocument nodig is, of dat een bestaand omgevingsdocument gewijzigd moet worden, maakt het een nieuwe Regelingversie met een nieuw Doel oftewel identificatie aan. Afhankelijk van de gebruikte software kan het bevoegd gezag het aanmaken van de identificatie aan de software overlaten. Alles wat nodig is om de versie van de Regeling van het omgevingsdocument vast te leggen en te beschrijven wordt aan een Doel gekoppeld:

  • één versie van de tekst (inclusief afbeeldingen en dergelijke) voor het omgevingsdocument dat moet ontstaan of wordt gewijzigd (of eventueel één versie van de tekst voor elke regeling die moet ontstaan of wordt gewijzigd in het geval het besluit meerdere regelingen instelt en/of wijzigt);

  • één versie van elk informatieobject dat onderdeel is van het nieuwe of gewijzigde omgevingsdocument;

  • één versie van de OW-informatie die hoort bij het nieuwe of gewijzigde omgevingsdocument.

Ten behoeve van de publicatie of bekendmaking genereert de software van het bevoegd gezag een besluitversie die wordt aangeleverd aan de LVBB. Bij een Doel oftewel identificatie van een versie van regelgeving kunnen dus in de loop van de procedure meerdere besluitversies worden aangeleverd.

Zoals gezegd is Doel de identificatie van een nieuw omgevingsdocument of de wijziging daarvan met één moment van inwerkingtreding. De LVBB gebruikt Doel om de consolidatie van omgevingsdocumenten te sturen: per inwerkingtredingsdatum (of geldigheidsdatum in geval van terugwerkende kracht) kan op deze manier een Toestand van de Regeling gemaakt worden.

Sterk aanbevolen wordt om in één besluit alleen onderdelen met eenzelfde inwerkingtredingsdatum op te nemen. Daarom wordt ook aanbevolen om bijtijds na te denken over welke wijzigingen gecombineerd kunnen worden en welke wijzigingen juist niet gecombineerd kunnen worden. Redenen voor het niet combineren van wijzigingen zijn bijvoorbeeld dat de wijzigingen door verschillende bestuursorganen zullen worden vastgesteld en de verschillende mate van gevoeligheid van wijzigingen. Wijzigingen die te combineren zijn kunnen direct in één RegelingVersie met één Doel samengebracht worden. Voor wijzigingen die niet gecombineerd kunnen worden moeten verschillende RegelingVersies met verschillende Doelen worden aangemaakt. Iedere RegelingVersie (met bijbehorend Doel) wordt in een eigen besluit opgenomen.

Mochten toch bij uitzondering met één besluit verschillende onderdelen van een Regeling worden vastgesteld die op verschillende momenten in werking treden, dan krijgt iedere inwerkingtredingsmoment-onderdelencombinatie een eigen Doel. Ieder Doel hoort bij een versie van een regeling en de bijbehorende GIO’s. Een voorbeeld: Provinciale staten stellen bij besluit van 28 januari 2024 een wijziging van de omgevingsverordening vast. Hiervan treden 10 onderdelen op 12 februari in werking, de resterende onderdelen treden op 24 maart in werking. De onderdelen die op 12 februari in werking treden, worden in één RegelingVersie ondergebracht en krijgen Doel X, de onderdelen die op 24 maart in werking treden worden in een andere RegelingVersie ondergebracht en krijgen Doel Y. Een besluit met verschillende inwerkingtredingsmomenten voor verschillende onderdelen zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen wanneer het dagelijks bestuur een besluit heeft voorbereid en vervolgens aan het algemeen bestuur voorlegt, waarna dat algemeen bestuur besluit niet alle onderdelen tegelijkertijd in werking te laten treden. Zoals hiervoor beschreven noodzaakt dat er toe om verschillende RegelingVersies te maken.

De mogelijkheid bestaat dat er twee besluiten zijn voorbereid met ieder een eigen Doel omdat de verwachting was dat ze niet gelijktijdig in werking zouden treden, waarover toch gelijktijdig besluitvorming plaatsvindt. Het is dan niet nodig om de Doelen samen te voegen tot één Doel.

In paragraaf 11.4 is de concrete toepassing van Doel op het projectbesluit beschreven in de vorm van specificaties en een voorbeeld.

11.3.2 BesluitMetadata

De BesluitMetadata leggen vast welke organisatie verantwoordelijk is voor de besluitversie en bevatten gegevens om het besluit goed vindbaar te maken. In deze paragraaf zijn de BesluitMetadata beschreven die voor besluiten tot vaststelling of wijziging van omgevingsdocumenten relevant zijn. De BesluitMetadata voor het ontwerpbesluit en het definitieve besluit zijn gelijk. Aangegeven is of het gegeven verplicht of optioneel is en hoe vaak het moet of kan voorkomen. Daarnaast is bij de meeste gegevens een toelichting gegeven: hoe werkt het en wat voor effect heeft het. Er is geen vaste, voorgeschreven volgorde voor de BesluitMetadata.

  • eindverantwoordelijke: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de wettelijke verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van het ontwerp- of definitief besluit. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt in de voorzieningen de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • maker: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de eindverantwoordelijkheid draagt voor het creëren van de instrumentversie. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt in de voorzieningen de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • soortBestuursorgaan: de typering van het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor het besluit. Uit de STOP-waardelijst bestuursorgaan moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Voorbeelden zijn ‘college van burgemeester en wethouders’, ‘dagelijks bestuur’ en ‘minister’. In de BesluitMetadata moet gekozen worden voor het bestuursorgaan dat het besluit daadwerkelijk neemt of gaat nemen, ook als dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid gebeurt.

  • informatieobjectRef: de verwijzing naar een versie van een Juridisch informatieobject dat met de tekst van het ontwerp- of definitief besluit gepubliceerd moet worden omdat het onderdeel is van de juridische inhoud van het besluit of aanvullende informatie geeft over het besluit. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het container-element informatieobjectRefs, dat 1 of meer informatieobjectRef-elementen bevat. Het containerelement informatieobjectRefs is verplicht wanneer tot het ontwerp- of definitief besluit een of meer GIO’s of PDF-documenten behoren en komt niet voor wanneer tot het ontwerpbesluit geen GIO’s of PDF-documenten behoren.

  • officieleTitel: de titel van het besluit zoals die door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. De officiële titel moet gelijk zijn aan het RegelingOpschrift van het besluit.

  • citeertitel: de titel van het besluit die gebruikt wordt in aanhalingen. Wordt geplaatst binnen het containerelement CiteertitelInformatie, dat op zijn beurt wordt geplaatst binnen het element heeftCiteertitelInformatie. Het element heeftCiteertitelInformatie is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. Bij de citeertitel moet worden aangegeven of de citeertitel officieel is of niet, door bij het gegeven isOfficieel de juiste waarde te kiezen. De citeertitel is officieel als deze in het besluit wordt vastgesteld; voor isOfficieel moet dan de waarde true worden gekozen. Als de citeertitel niet in het besluit wordt vastgesteld, is de citeertitel een ‘redactioneel’ gegeven; voor isOfficieel moet dan de waarde false worden gekozen. In het geval van een omgevingsdocument zal de citeertitel over het algemeen niet in het besluit worden vastgesteld.
    De citeertitel van een (ontwerp)besluit is gelijk aan de officiële titel en het RegelingOpschrift van het besluit, of, als die erg lang zijn, een verkorte versie daarvan. Het wordt aanbevolen om aan de metadata van het besluit het gegeven citeertitel toe te voegen. De reden daarvoor is als volgt. Wanneer er tegelijkertijd meerdere ontwerpbesluiten tot wijziging van dezelfde regeling in procedure zijn, zal de DSO-viewer een reeks van ontwerpregelingen tonen. Als de DSO-viewer voor de ‘naam’ van iedere ontwerpregelingversie alleen de citeertitel uit de RegelingMetadata zou gebruiken (zie hiervoor paragraaf 11.3.3), zou iedere ontwerpregelingversie dezelfde ‘naam’ hebben. Voor een raadpleger is dan niet duidelijk welke ontwerpregeling voor haar of hem interessant is. Daarom zal de DSO-viewer in de toekomst gebruik maken van de citeertitel uit de BesluitMetadata om de verschillende ontwerpregelingen van elkaar te kunnen onderscheiden. Wanneer de citeertitel ontbreekt, zal de DSO-viewer gebruik maken van het gegeven officieleTitel of van het RegelingOpschrift van het besluit.

  • onderwerp: een korte specificatie van de inhoud van het ontwerp- of definitief besluit, te kiezen uit de STOP-waardelijst onderwerp. Verplicht gegeven. Komt ten minste 1 keer voor. Wordt geplaatst binnen het containerelement onderwerpen, dat 1 of meer onderwerp-elementen bevat. Het containerelement onderwerpen is een verplicht element, dat 1 keer voorkomt. Het onderwerp speelt een rol bij het vindbaar maken en bij de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om alle toepasselijke onderwerpen van de waardelijst toe te voegen.

  • rechtsgebied: specificatie hoe het instrument wordt ingedeeld binnen het geheel van het recht, te kiezen uit de STOP-waardelijst rechtsgebied. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement rechtsgebieden, dat 1 of meer rechtsgebied-elementen bevat. Het containerelement rechtsgebieden is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. Het rechtsgebied speelt een rol bij het vindbaar maken en bij de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om het element rechtsgebied te gebruiken.

  • soortProcedure: de typering van (het product van) de fase van de procedure, te kiezen uit de STOP-waardelijst soortprocedure. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Met dit gegeven wordt aangegeven of een ontwerpbesluit of een definitief besluit wordt aangeleverd. Bij een ontwerpbesluit moet de waarde Ontwerpbesluit worden gekozen. Bij de aanlevering ter bekendmaking van een vastgesteld besluit moet de waarde Definitief besluit worden gekozen. Deze keuze bepaalt ook welke procedurestappen in het Procedureverloop (zie paragraaf 11.3.5 beschikbaar zijn.

  • grondslag: de machineleesbare verwijzing naar de juridische bron die de wettelijke grondslag van het instrument geeft. Moet altijd verwijzen naar (een versie van) een geconsolideerde regeling. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement grondslagen, dat 1 of meer grondslag-elementen bevat. Het containerelement grondslagen is een optioneel element. Komt 0 of 1 keer voor.
    De grondslag ziet er -in STOP-XML- uit als in de navolgende afbeelding. De uri is een Juriconnect 1.3.1-verwijzing. Zie daarvoor ook de ‘Juriconnect-standaard voor identificatie van en verwijzing naar wet- en regelgeving’. Wanneer verwezen wordt naar een artikel in een wet die in werking is getreden, kan de uri eenvoudig gegenereerd worden door op wetten.overheid.nl naar het betreffende artikel te gaan en daar met behulp van de linktool een link naar de meest recente versie zonder geldigheidsdatum te genereren en die te kopiëren.

media/image83.png
Figuur 81Voorbeeld van een grondslag (hier voor het omgevingsplan)

STOP kent naast de hiervoor genoemde BesluitMetadata ook nog de metadata afkortingen en alternatieveTitels. Geadviseerd wordt om deze metadata bij omgevingsdocumenten niet te gebruiken. Ze worden daarom niet verder besproken.

Waarschuwing toekomstige wijziging TPOD-standaard

In een volgende versie van de TPOD-standaard zal het verplicht worden om het gegeven citeertitel te gebruiken. Als overgangsmaatregel wordt geadviseerd wordt om -wanneer en zodra de gebruikte plansoftware dat mogelijk maakt- op deze wijziging te anticiperen door het gegeven citeertitel te gebruiken.

11.3.3 RegelingMetadata

De RegelingMetadata leggen vast welke organisatie verantwoordelijk is voor de regelingversie en bevatten gegevens om de regeling goed vindbaar te maken. In deze paragraaf zijn de RegelingMetadata beschreven die voor omgevingsdocumenten relevant zijn. De RegelingMetadata die bij een ontwerpbesluit worden aangeleverd zijn nagenoeg gelijk aan de RegelingMetadata die bij een definitief besluit worden aangeleverd. Aangegeven is of het gegeven verplicht of optioneel is en hoe vaak het moet c.q. kan voorkomen. Daarnaast is bij de meeste gegevens een toelichting gegeven: hoe werkt het en wat voor effect heeft het. Er is geen vaste, voorgeschreven volgorde voor de RegelingMetadata.

  • soortRegeling: nadere typering van een regeling, te kiezen uit de STOP-waardelijst soortregeling. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Voorbeelden zijn omgevingsplan en waterschapsverordening.

  • eindverantwoordelijke: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de wettelijke verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van de regeling. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt in de voorzieningen de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • maker: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de eindverantwoordelijkheid draagt voor het creëren van de instrumentversie. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt in de voorzieningen de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • soortBestuursorgaan: de typering van het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de regeling. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Uit de STOP-waardelijst bestuursorgaan moet de juiste waarde gekozen worden. Voorbeelden zijn gemeenteraad, algemeen bestuur en provinciale staten. In de RegelingMetadata moet gekozen worden voor het bestuursorgaan waaraan in de Omgevingswet de bevoegdheid tot het vaststellen van het omgevingsdocument is toegedeeld, ook als dat bestuursorgaan die bevoegdheid (gedeeltelijk) aan een ander bestuursorgaan heeft gedelegeerd.

  • officieleTitel: de titel van de regeling zoals die door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. De officiële titel moet gelijk zijn aan het RegelingOpschrift van de regeling.

  • citeertitel: de titel van de regeling die gebruikt wordt in aanhalingen. Wordt geplaatst binnen het containerelement CiteertitelInformatie, dat op zijn beurt wordt geplaatst binnen het element heeftCiteertitelInformatie. Het element heeftCiteertitelInformatie is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. Bij de citeertitel moet worden aangegeven of de citeertitel officieel is of niet, door bij het gegeven isOfficieel de juiste waarde te kiezen. De citeertitel is officieel als deze in de regeling wordt vastgesteld; voor isOfficieel moet dan de waarde true worden gekozen. Als de citeertitel niet in de regeling wordt vastgesteld, is de citeertitel een ‘redactioneel’ gegeven; voor isOfficieel moet dan de waarde false worden gekozen.
    De citeertitel is niet hetzelfde als de officiële titel. Bij wetgeving gebeurt het vaak dat de wet een lange officiële titel heeft en een korte citeertitel die in de dagelijkse praktijk wordt gebruikt. Een voorbeeld: ‘Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Bekendmakingswet en andere wetten in verband met de elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen’ is de officiële titel van de wet met de citeertitel ‘Wet elektronische publicaties’. De citeertitel is in deze wet vastgesteld en is dus officieel.
    Hoewel het bij veel omgevingsdocumenten niet voor de hand lijkt te liggen om een citeertitel toe te voegen omdat die hetzelfde zal zijn als de officiële titel, is dat wel wenselijk. In de DSO-viewer namelijk speelt de ‘naam’ van het omgevingsdocument op verschillende plekken een rol: in de resultaat- en filterschermen na een zoekactie en in het scherm waarin tekst en kaart van de regeling worden getoond. De DSO-viewer gebruikt daarvoor de citeertitel uit de RegelingMetadata. Als er geen citeertitel is, stelt de viewer zelf de ‘naam’ samen uit de gegevens soortRegeling en eindverantwoordelijke.

  • onderwerp: een korte specificatie van de inhoud van de regeling, te kiezen uit de STOP-waardelijst onderwerp. Verplicht gegeven. Komt ten minste 1 keer voor. Wordt geplaatst binnen het containerelement onderwerpen, dat 1 of meer onderwerp-elementen bevat. Het containerelement onderwerpen is een verplicht element, dat 1 keer voorkomt. Het onderwerp speelt een rol bij het vindbaar maken en bij de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om alle toepasselijke onderwerpen van de waardelijst toe te voegen.

  • rechtsgebied: specificatie hoe het instrument wordt ingedeeld binnen het geheel van het recht, te kiezen uit de STOP-waardelijst rechtsgebied. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement rechtsgebieden, dat 1 of meer rechtsgebied-elementen bevat. Het containerelement rechtsgebieden is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. Het rechtsgebied speelt een rol bij het vindbaar maken en bij de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om het element rechtsgebied te gebruiken.

  • overheidsdomein: brede onderverdeling van de overheidsbrede thema's die op een instrument van toepassing zijn, te kiezen uit de STOP-waardelijst overheidsthema. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement overheidsdomeinen, dat 1 of meer overheidsdomein-elementen bevat. Het containerelement overheidsdomeinen is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. Het overheidsdomein speelt een rol bij het vindbaar maken en in de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om het element overheidsdomein te gebruiken.

  • opvolgerVan: de verwijzing van een opvolgende regeling naar de door deze regeling opgevolgde andere regeling. De opvolgingsrelatie wijst naar het Work van de opgevolgde regeling. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement opvolging, dat 1 of meer opvolgerVan-elementen bevat. Het containerelement opvolging is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt. OpvolgerVan komt alleen voor wanneer de regeling een andere regeling daadwerkelijk opvolgt. Het komt alleen voor wanneer de oorspronkelijke regeling wordt ingetrokken en vervangen door een nieuwe regeling en alleen bij een regeling behorend bij een definitief besluit, niet bij een regeling behorend bij een ontwerpbesluit. Een voorbeeld is een provincie die aanvankelijk een omgevingsvisie genaamd ‘Prachtig Provincieland’ had en deze na verloop van een aantal jaren intrekt en een nieuwe omgevingsvisie instelt genaamd ‘Provincieland economisch voorop’. Bij de nieuwe omgevingsvisie ‘Provincieland economisch voorop’ wordt met opvolgerVan verwezen naar (de identificatie van) de ingetrokken omgevingsvisie ‘Prachtig Provincieland’. Door het aangeven van deze opvolg-relatie is het mogelijk om bij een tijdreis vanuit de nieuwe regeling de ingetrokken regeling als voorganger te tonen.

  • grondslag: de machineleesbare verwijzing naar een juridische bron die de wettelijke grondslag van het instrument geeft. Moet altijd verwijzen naar (een versie van) een geconsolideerde regeling. Komt zo vaak voor als gewenst. Wordt geplaatst binnen het containerelement grondslagen, dat 1 of meer grondslag-elementen bevat. Het containerelement grondslagen is een optioneel element, dat 0 of 1 keer voorkomt.
    De grondslag ziet er -in STOP-XML- uit als in onderstaande afbeelding. De uri is een Juriconnect 1.3.1-verwijzing. Zie daarvoor ook de ‘Juriconnect-standaard voor identificatie van en verwijzing naar wet- en regelgeving’. Wanneer verwezen wordt naar een artikel in een wet die in werking is getreden, kan de uri eenvoudig gegenereerd worden door op wetten.overheid.nl naar het betreffende artikel te gaan en daar met behulp van de linktool een link naar de meest recente versie zonder geldigheidsdatum te genereren en die te kopiëren.

media/image83.png
Figuur 82Voorbeeld van een grondslag (hier voor het omgevingsplan)

STOP kent naast de hiervoor genoemde RegelingMetadata ook nog de metadata afkorting, voorkeursafkorting en alternatieveTitel. Geadviseerd wordt om deze metadata bij omgevingsdocumenten niet te gebruiken. Ze worden daarom niet verder besproken.

Waarschuwing toekomstige wijziging TPOD-standaard

In een volgende versie van de TPOD-standaard zal het verplicht worden om het gegeven citeertitel te gebruiken. Als overgangsmaatregel wordt geadviseerd wordt om -wanneer en zodra de gebruikte plansoftware dat mogelijk maakt- op deze wijziging te anticiperen door het gegeven citeertitel te gebruiken.

11.3.4 KennisgevingMetadata

De KennisgevingMetadata leggen vast welke organisatie verantwoordelijk is voor de kennisgeving en bevatten gegevens om de kennisgeving goed vindbaar te maken. In deze paragraaf zijn de KennisgevingMetadata beschreven die voor de kennisgeving van omgevingsdocumenten relevant zijn. Aangegeven is of het gegeven verplicht of optioneel is en hoe vaak het moet c.q. kan voorkomen. Daarnaast is bij de meeste gegevens een toelichting gegeven: hoe werkt het en wat voor effect heeft het. Er is geen vaste, voorgeschreven volgorde voor de KennisgevingMetadata.

  • eindverantwoordelijke: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de wettelijke verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van de kennisgeving. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt op overheid.nl de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • maker: (de identificatie van) het openbaar lichaam dat de eindverantwoordelijkheid draagt voor het creëren van de kennisgeving. Uit de STOP-waardelijsten voor gemeente, waterschap, provincie respectievelijk ministerie moet de juiste waarde gekozen worden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Door dit gegeven wordt op overheid.nl de naam van de gemeente, het waterschap, de provincie of het ministerie getoond.

  • officieleTitel: de titel van de kennisgeving zoals die door het bevoegd gezag is bepaald; deze is gelijk aan de tekstuele weergave van het gehele RegelingOpschrift van de kennisgeving (zie daarvoor paragraaf 11.2.1). Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor. Dit gegeven speelt een rol bij het vindbaar en herkenbaar maken van de kennisgeving op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om de kennisgeving een zo onderscheidend en herkenbaar mogelijke titel (en RegelingOpschrift) te geven.

  • onderwerp: een korte specificatie van de inhoud van de kennisgeving, te kiezen uit de STOP-waardelijst onderwerp. Verplicht gegeven. Komt ten minste 1 keer voor. Wordt geplaatst binnen het containerelement onderwerpen, dat 1 of meer onderwerp-elementen bevat. Het containerelement onderwerpen is een verplicht element, dat 1 keer voorkomt. Het onderwerp speelt een rol bij het vindbaar maken en bij de zoekresultaatfiltering van besluiten, regelingen en kennisgevingen op overheid.nl. Daarom wordt geadviseerd om alle toepasselijke onderwerpen van de waardelijst toe te voegen.

  • mededelingOver: de verwijzing vanuit een kennisgeving naar (de identificatie van) het (ontwerp)besluit waarover de kennisgeving gaat. Onder voorwaarde verplicht gegeven. Komt 0 of 1 keer voor. Dit gegeven is alleen verplicht als de kennisgeving gaat over een (voorafgaand aan de kennisgeving aangeleverd, daadwerkelijk bestaand) ontwerp- of definitief besluit. Door dit gegeven is vanuit de kennisgeving op eenvoudige wijze het (ontwerp)besluit vindbaar waar de kennisgeving over gaat. Het werkt ook omgekeerd: vanuit het besluit is de kennisgeving makkelijk te vinden. Daardoor is vanuit het besluit de informatie over de procedure van het besluit, zoals de begin- en einddatum van de inzagetermijn dan wel de einddatum van de beroepstermijn, te raadplegen.

  • soortKennisgeving: gegeven dat aangeeft wat voor soort kennisgeving het betreft, te kiezen uit een waardelijst die in het STOP-schema is opgenomen. Optioneel gegeven. Komt 0 of 1 keer voor. Met dit gegeven wordt aangegeven of het een kennisgeving betreft waarmee (inzage- en bezwaar/beroeps-)termijnen worden doorgegeven of een kennisgeving waarmee informatie wordt doorgegeven over het voornemen een besluit te gaan nemen zonder (inzage- en beroeps-)termijnen. In STOP 1.3.0 is dit gegeven, om redenen van backwards compatibility, zo gemodelleerd dat het een optioneel gegeven is met KennisgevingBesluittermijnen als defaultwaarde. Dit betekent dat wanneer het gegeven soortKennisgeving in de aanlevering niet wordt aangeleverd, het een KennisgevingBesluittermijnen is (uiteraard is dat ook zo als het element soortKennisgeving wel voorkomt met de waarde KennisgevingBesluittermijnen). Wanneer het een ander soort kennisgeving is, moet het element soortKennisgeving voorkomen. In STOP 2.0 zal soortKennisgeving worden gewijzigd in een verplicht gegeven dat 1 keer voorkomt. Nadrukkelijk wordt geadviseerd om daarop vooruit te lopen en ook bij een kennisgeving waarmee (inzage- en bezwaar/beroeps-)termijnen worden doorgegeven, het gegeven soortKennisgeving te gebruiken.

11.3.5 Soort procedure en consolidatie

Aan de hand van de soort procedure bepaalt de LVBB wat er met het besluit wordt gedaan. Uiteraard moet DSO-LV weten of de aangeleverde OW-objecten horen bij een ontwerpbesluit of een definitief besluit. Daarvoor kent ook IMOW proceduregegevens. DSO-LV weet dat het gaat om OW-objecten behorend bij een ontwerpregeling omdat in dat geval bij de OW-objecten als procedurestatus ‘ontwerp’ is aangegeven.

Indien sprake is van een ontwerpbesluit levert het bevoegd gezag het ontwerpbesluit aan bij de LVBB met als soortProcedure ‘ontwerpbesluit’. Na ontvangst van een ontwerpbesluit genereert de LVBB daaruit een proefversie: bij een initieel ontwerpbesluit de eerste (ontwerp)versie van de regeling en bij een ontwerp-wijzigingsbesluit de verwerking van het ontwerpbesluit in de regelingversie waarop het bevoegd gezag het ontwerpbesluit heeft gebaseerd. De LVBB stelt de proefversie beschikbaar voor DSO-LV en levert de OW-objecten door aan DSO-LV. DSO-LV toont vervolgens die proefversie in de vorm van een ontwerpregeling.

Nadat het bestuursorgaan een besluit over een omgevingsdocument heeft genomen, levert het dat besluit aan bij de LVBB met als soortProcedure ‘definitief besluit’. Na ontvangst van een initieel besluit destilleert de LVBB daaruit de Regelingversie. Na ontvangst van een wijzigingsbesluit voert de LVBB de consolidatie uit met als resultaat een nieuwe toestand van de Regeling. De LVBB doet dat wanneer de inwerkingtredingsdatum van het (wijzigings)besluit -en daarmee ook van de nieuwe RegelingVersie- bekend is. De LVBB haalt die datum op uit de meegeleverde ConsolidatieInformatie.

Toekomstige functionaliteit

Het tonen van de procedurestatus van onderdelen van een regeling is in DSO-LV geïmplementeerd voor ontwerpregelingen; in de regelingenbank is het niet geïmplementeerd.

Workaround

Geen

11.3.6 Procedure-informatie doorgeven met Procedureverloop
11.3.6.1 De module Procedureverloop

De STOP/TPOD-standaard ziet het ontwerpbesluit en het definitieve besluit als afzonderlijke procedures. Zoals in paragraaf 11.3.5 al is aangegeven moet bij de aanlevering van een besluitversie de soort procedure worden gekozen: aangegeven moet worden of een ontwerpbesluit of een definitief besluit wordt aangeleverd. De procedure-informatie wordt verder ingevuld met de module Procedureverloop. Dit is de verzameling van stappen in de procedure van de besluitversie. De module Procedureverloop kan dus meerdere stappen bevatten, en ook in de loop van de tijd aan de hand van het verloop van de procedure worden aangevuld. Deze module en de Procedurestappen die als metadata kunnen worden aangeleverd betreffen alleen het formele en door DSO-LV ondersteunde deel van de procedure, dus vanaf de publicatie van een ontwerpbesluit. Gegevens over de daaraan voorafgaande stappen, zoals participatie, conceptversies voor overleg en voorbereiding van de besluitvorming door het bestuursorgaan, worden niet door de STOP/TPOD-standaard ondersteund en niet door de LVBB verwerkt. Ze kunnen uiteraard wel door het bevoegd gezag in de eigen software worden bijgehouden.

Het ontwerpbesluit en het definitieve besluit hebben ieder een afzonderlijke module Procedureverloop. In de ontwerpfase levert het bevoegd gezag het ontwerpbesluit aan bij de LVBB met als soortProcedure ‘ontwerpbesluit’ en het Procedureverloop met de relevante Procedurestappen horend bij een ontwerpbesluit. Nadat het bestuursorgaan een besluit over een omgevingsdocument heeft genomen, levert het dat besluit aan bij de LVBB met als soortProcedure ‘definitief besluit’ en het Procedureverloop met de relevante stappen horend bij een definitief besluit. Diverse omgevingsdocumenten treden direct na de bekendmaking van het besluit in werking en zijn dan ook direct onherroepelijk. Besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld worden geconsolideerd terwijl nog niet zeker is of ze (geheel of gedeeltelijk) blijvend onderdeel van het omgevingsdocument uitmaken. Voor een raadpleger van de geconsolideerde regeling is het van belang om van ieder onderdeel van de regeling te weten wat de status daarvan is om te kunnen bepalen welke rechten en verplichtingen zij/hij daaraan kan ontlenen. Dat geldt voor alle tekstonderdelen, GIO’s en OW-objecten. Daarom moeten bij besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld, na de aanlevering van het definitieve besluit, nieuwe Procedurestappen aan het Procedureverloop worden toegevoegd. Dit maakt het mogelijk om in de geconsolideerde regelingen op overheid.nl en in DSO-LV de status aan te geven van de onderdelen van die regeling die door het betreffende besluit zijn gewijzigd.

De initiële aanlevering van het Procedureverloop vindt doorgaans plaats bij het ontwerpbesluit respectievelijk definitieve besluit. Vervolgens wordt het Procedureverloop gemuteerd met een Procedureverloopmutatie bij de kennisgeving of met een directe mutatie. In paragraaf 11.4 is steeds in iedere fase en bij ieder product aangegeven welke methode moet worden toegepast.

Een Procedurestap kent de volgende gegevens:

  • soortStap: geeft aan welke stap het betreft, te kiezen uit de STOP-waardelijst Procedurestap_ontwerp respectievelijk Procedurestap_definitief. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor.

  • voltooidOp: datum waarop deze procedurestap heeft plaats gevonden of (naar verwachting) plaats zal vinden. Verplicht gegeven. Komt 1 keer voor.

  • meerInformatie: URL-verwijzing naar extra informatie over de Procedurestap. Optioneel gegeven. Komt 0 of 1 keer voor. Dit gegeven is bedoeld voor het geven van extra informatie over de betreffende Procedurestap en de gevolgen daarvan op de geldigheid van regeling, niet voor extra informatie over de inhoud van de regeling. Dit gegeven wordt alleen in de beroepsfase van het besluit gebruikt, en dus alleen bij besluiten waartegen bezwaar en/of beroep kan worden ingesteld.

Naast de Procedurestap(pen) bevat het Procedureverloop het gegeven bekendOp. Daar vult het bevoegd gezag de datum in waarop eenieder kennis kon hebben van deze informatie.

Het gevolg van de Procedurestappen op de geldigheid van regeling leidt de LVBB af uit de aangeleverde informatie en wordt automatisch bij de bekendmaking, in de regelingenbanken en in DSO-LV getoond.

Toekomstige functionaliteit

Het tonen van de procedurestatus van onderdelen van een regeling is in DSO-LV geïmplementeerd voor ontwerpregelingen; in de regelingenbank is het niet geïmplementeerd.

Het doorgeven van wijzigingen in de status van een besluit in de beroepsfase is nog niet geïmplementeerd in de DSO-keten; naar huidige verwachting zal dat na inwerkingtreden van de Omgevingswet gebeuren.

Workaround

Geen

11.3.6.2 Vervangen en verwijderen van Procedurestappen

Toekomstige functionaliteit

In de STOP/TPOD-standaard is al beschreven hoe het vervangen en verwijderen van Procedurestappen werkt. Deze mutatiemethoden zijn nog niet in de keten geïmplementeerd.

Workaround

  • Vervangen en verwijderen van Procedurestappen die behoren tot het Procedureverloop bij het besluit
    Hiervoor bestaat geen workaround: tot het vervangen en verwijderen van Procedurestappen is geïmplementeerd, is het niet mogelijk om Procedurestappen te vervangen of te verwijderen.

  • Vervangen en verwijderen van Procedurestappen die behoren tot het Procedureverloop bij de kennisgeving
    De workaround bestaat uit het publiceren van een nieuwe kennisgeving

In de vorige paragraaf zijn Procedureverloopmutaties beschreven waarmee een Procedurestap aan het Procedureverloop wordt toegevoegd (voegStappenToe). Er zijn ook mutaties voor het vervangen (vervangStappen) en voor het verwijderen van Procedurestappen (verwijderStappen). Dit is bijvoorbeeld nodig wanneer een al gestarte terinzagelegging van een ontwerpbesluit opnieuw moet beginnen vanwege het ontbreken van een cruciaal onderzoeksrapport. Een ander voorbeeld is de situatie waarin in de beroepsfase de Procedurestap Beroep ingesteld was aangeleverd, terwijl later blijkt dat er geen beroep is ingesteld.

In het geval van de al gestarte terinzagelegging van een ontwerpbesluit die opnieuw moet beginnen, moet daarvoor een nieuwe kennisgeving in het publicatieblad van het bevoegd gezag gepubliceerd worden. Het bevoegd gezag levert die kennisgeving dan aan met daarbij

Procedureverloopmutaties vervangStappen, waarmee de Procedurestappen Begin inzagetermijn en Einde inzagetermijn met de oorspronkelijke data die bij de kennisgeving waren aangeleverd, worden vervangen door de Procedurestappen Begin inzagetermijn en Einde inzagetermijn met de nieuwe data.

Er zijn ook gevallen waarin niet een nieuwe publicatie (zoals een kennisgeving) wordt gedaan. Voorbeelden zijn het eerdergenoemde onterechte aanleveren van de Procedurestap Beroep ingesteld, of de situatie waarin de tekst van de kennisgeving wel de juiste data zijn genoemd, maar in het Procedureverloop onjuiste data staan. In die gevallen wordt gebruik gemaakt van de dan geldende correctiemethode bij de LVBB.

11.4 Projectprocedure en aan te leveren producten en gegevens

In deze paragraaf wordt de projectprocedure beschreven, met de nadruk op het projectbesluit. Van iedere stap in de projectprocedure wordt aangegeven of deze door de STOP/TPOD-standaard en de DSO-keten wordt ondersteund en zo ja, welke producten en welke gegevens en metadata aan die keten moeten worden aangeleverd.

media/image84.png
Figuur 83Globaal overzicht van de projectprocedure en de producten per fase
11.4.1 Inleiding: bevoegd gezag voor projectbesluit is verantwoordelijk voor aanlevering

Er is altijd maar één bestuursorgaan bevoegd om een projectbesluit vast te stellen. Bij een eigen project dat volledig op het eigen grondgebied wordt uitgevoerd zijn dat het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of de minister die het aangaat[93] Artikel 5.44 lid 1 Ow
. Bij een project op het grondgebied van meerdere provincies c.q. meerdere waterschappen ligt die bevoegdheid bij gedeputeerde staten c.q. het dagelijks bestuur van de provincie c.q. het waterschap waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd[94] Artikel 5.44a lid 1 en 2 Ow
. Bij een gezamenlijk project van een of meer provincies en een of meer waterschappen, ligt de bevoegdheid om het projectbesluit vast te stellen bij gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd[95] Artikel 5.44a lid 3 Ow
. Bij een gezamenlijk project van het Rijk en een of meer provincies of een of meer waterschappen, is de minister die het aangaat bevoegd om het projectbesluit vast te stellen[96] Artikel 5.44a lid 4 Ow
.

Het bestuursorgaan dat bevoegd is het projectbesluit vast te stellen, is ook het bestuursorgaan dat moet zorgen voor de mededeling van het ontwerpbesluit en de bekendmaking van het definitieve projectbesluit. Dit bestuursorgaan is verantwoordelijk voor de aanlevering van ontwerpbesluit, definitief besluit en kennisgevingen aan de LVBB.

11.4.2 Voorbereidingsfase
media/image85.png
Figuur 84Voorbereidingsfase in de projectprocedure
11.4.2.1 Kennis geven van voornemen een verkenning uit te voeren en een projectbesluit vast te stellen

11.4.2.1.1 Juridisch kader

Waterschap, provincie of Rijk moet kennis geven van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving en om een projectbesluit vast te stellen met of zonder voorafgaande voorkeursbeslissing[97] Artikel 5.47 lid 1 Ow
. Van het voornemen moet op de in artikel 12 Bekendmakingswet bepaalde wijze worden kennisgegeven[98] Artikel 5.2 lid 2 Ob
. Dat wil zeggen dat de kennisgeving in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant moet worden geplaatst[99] Artikel 12 en artikelen 1 en 2 Bekendmakingswet
. Het voornemen vermeldt in ieder geval[100] Artikel 5.47 lid 3 Ow en artikel 5.2 lid 1 Ob
:

  • het bieden van gelegenheid aan eenieder om oplossingen voor de opgave voor te dragen en het stellen van een termijn waarbinnen die oplossingen voorgedragen kunnen worden;

  • uitgangspunten voor het redelijkerwijs in beschouwing nemen van die oplossingen;

  • een beschrijving van de opgave;

  • een beschrijving van de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd;

  • de termijn waarbinnen de verkenning zal worden uitgevoerd; en

  • een vermelding van het bevoegd gezag.

Blijkens de bewoording lijkt de wetgever er van uit te gaan dat het voornemen een afzonderlijk document is. Dat document zal dan zowel op elektronische wijze als op een door het bestuursorgaan aan te wijzen locatie ter inzage gelegd moeten worden[101] Artikel 13 lid 1 Bekendmakingswet
. In het geval van terinzagelegging van het voornemen-document moet de kennisgeving in ieder geval vermelden[102] Artikel 12 Bekendmakingswet
:

  • een zakelijke weergave van de inhoud van het voornemen;

  • de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.

Als de informatie die het voornemen moet vermelden niet al te omvangrijk is, dan lijkt er niets op tegen om die informatie in de kennisgeving te zetten en niet een afzonderlijk voornemen-document ter inzage te leggen.

11.4.2.1.2 Aanleveren kennisgeving

Waterschap, provincie of Rijk moet de kennisgeving conform STOP opstellen en aan de LVBB aanleveren. De specificaties voor de vormgeving van de kennisgeving conform STOP staan in paragraaf 11.2.2. Bij de kennisgeving moeten Kennisgevingmetadata worden aangeleverd. Waterschap, provincie of Rijk moet ook een publicatieopdracht aan de LVBB aanleveren, waarin wordt aangegeven welk soort publicatie wordt aangeleverd en op welke datum die publicatie gepubliceerd moet worden. Dit is achtereenvolgens in de volgende paragrafen beschreven.

NB: bij dit type kennisgeving wordt geen module Procedureverloop aangeleverd.

NB2: de kennisgeving komt wel in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant, maar wordt niet in DSO-LV getoond.

Indien gewenst kan deze kennisgeving worden gecombineerd met de kennisgeving participatie die in paragraaf 11.4.2.2 is beschreven.

11.4.2.1.3 Kennisgevingmetadata

De KennisgevingMetadata leggen vast welke organisatie verantwoordelijk is voor de kennisgeving en bevatten gegevens om de kennisgeving goed vindbaar te maken. In paragraaf 11.3.4 zijn de KennisgevingMetadata beschreven. Daar is aangegeven of het gegeven verplicht of optioneel is, hoe vaak het moet c.q. kan voorkomen en wat het doel respectievelijk het resultaat van het gegeven is. Hierna is voor de KennisgevingMetadata die relevant zijn de voor de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren en een projectbesluit vast te stellen aangegeven hoe ze moeten worden toegepast.

  • eindverantwoordelijke: kies uit de STOP-waardelijst voor waterschap, provincie of ministerie (de identificatiecode van) het betreffende waterschap, provincie of ministerie.

  • maker: kies uit de STOP-waardelijst voor waterschap, provincie of ministerie (de identificatiecode van) het betreffende waterschap, provincie of ministerie.

  • officieleTitel: geef de kennisgeving een zo onderscheidend en herkenbaar mogelijke titel. De officiële titel moet gelijk zijn aan het RegelingOpschrift van de kennisgeving. Een voorbeeld van de officiële titel van deze kennisgeving is ‘Kennisgeving voornemen om een verkenning uit te voeren en een projectbesluit vast te stellen i.v.m. doorgaand verkeer rondom Gemeentestad’.

  • onderwerp: kies uit de STOP-waardelijst onderwerp alle toepasselijke onderwerpen. Voor omgevingsdocumenten kunnen deze waarden uit de waardelijst passend zijn: wonen, verkeer, ruimte en infrastructuur, natuur en milieu, cultuur en recreatie, bouwen en verbouwen, scheepvaart, rail- en wegverkeer, luchtvaart, waterbeheer, ruimtelijke ordening, veiligheid, water, stoffen, natuur- en landschapsbeheer, lucht, geluid, flora en fauna, energie, bodem, afval, defensie, recreatie, horeca, evenementen, cultuur, cultureel erfgoed, klimaatverandering.

  • soortKennisgeving: kies de waarde KennisgevingVoorgenomenBesluit.

STOP kent naast de hiervoor genoemde KennisgevingMetadata ook nog het gegeven mededelingOver. Dat is de verwijzing vanuit een kennisgeving naar het (ontwerp)besluit waarover de kennisgeving gaat. Aangezien deze kennisgeving niet over een besluit of ontwerpbesluit gaat, wordt dit gegeven bij deze kennisgeving niet gebruikt.

11.4.2.1.4 Datum publicatie kennisgeving

Waterschap, provincie of Rijk moet de datum waarop hij/zij wil dat de kennisgeving in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant wordt gepubliceerd, doorgeven in de publicatieopdracht aan de LVBB, met het gegeven datumBekendmaking. Deze datum moet altijd in de toekomst liggen.

11.4.2.2 Kennisgeving participatie

11.4.2.2.1  Juridisch kader

Waterschap, provincie of Rijk moet kennis geven van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken. Deze kennisgeving moet uiterlijk bij de aanvang van de verkenning gedaan worden[103] Artikel 5.47 lid 4 Ow
. In deze kennisgeving moet in ieder geval worden aangegeven[104] Artikel 5.3 lid 1 Ob
:

  • wie worden betrokken;

  • waarover zij worden betrokken;

  • wanneer zij worden betrokken;

  • wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen; en

  • waar aanvullende informatie beschikbaar is.

Het bevoegd gezag kan zelf bepalen op welke wijze deze kennisgeving gedaan wordt; die wijze moet geschikt zijn om het publiek dat voor de te verkennen opgave in de fysieke leefomgeving relevant is zo goed mogelijk te bereiken[105] Artikel 5.3 lid 2 Ob
.

11.4.2.2.2 Aanleveren kennisgeving

Het Omgevingsbesluit laat waterschap, provincie en Rijk de keuze voor de wijze waarop deze kennisgeving gedaan wordt. Gezien de recente wijziging van de Bekendmakingswet, waarvan het uitgangspunt is dat alle kennisgevingen en mededelingen in de officiële elektronische publicatiebladen worden gedaan, wordt aanbevolen om deze kennisgeving in ieder geval in het publicatieblad van waterschap, provincie of Rijk te plaatsen. Daarnaast kunnen uiteraard andere geschikte kanalen worden gebruikt, zoals de landelijke dagbladen.

Wanneer deze kennisgeving wordt gecombineerd met de kennisgeving van het voornemen (zie paragraaf 11.4.2.1), is het verplicht om deze in het publicatieblad van waterschap, provincie of Rijk te plaatsen.

Toekomstige functionaliteit

STOP versie 2.0 zal het mogelijk maken om de kennisgeving van het participatietraject met STOP op te stellen en aan de LVBB aan te leveren. Een volgende versie van dit TPOD zal dan beschrijven hoe dat moet worden toegepast.

Workaround

Zolang deze kennisgeving niet in de geldende STOP/TPOD-standaard is beschreven en niet in de DSO-keten is geïmplementeerd, levert het bevoegd gezag deze kennisgeving met de applicatie DROP dan wel via SDU aan.

11.4.2.3 Verkenning

In de verkenning onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning krijgt het bevoegd gezag kennis van en inzicht in[106] Artikel 5.48 lid 1 Ow
:

  • de aard van de opgave

  • de ontwikkelingen die voor de fysieke leefomgeving relevant zijn

  • de mogelijke oplossingen voor die opgave.

    1. Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen hebben voorgedragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan heeft beslist deze mee te nemen in de verkenning[107] Artikel 5.48 lid 3 Ow
      .

Het bevoegd gezag bepaalt zelf de invulling van de verkenning. Hierbij kan het bevoegd gezag ook -op verzoek van degenen die mogelijke oplossingen hebben voorgedragen of ambtshalve- advies vragen aan een onafhankelijke deskundige[108] Artikel 5.48 lid 2 Ow
. De verkenning moet uiteindelijk voldoende informatie bieden om een projectbesluit te kunnen opstellen en -indien van toepassing- daaraan voorafgaand een voorkeursbeslissing te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapport kan onderdeel zijn van de verkenning.

De verkenning levert niet een besluit of ander document op dat officieel bekend gemaakt moet worden. De STOP/TPOD-standaard is op de verkenning niet van toepassing. In de verkenningsfase worden ook geen kennisgevingen gedaan. In het waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant en in DSO-LV komt geen informatie over de verkenning.

11.4.2.4 Voorkeursbeslissing

11.4.2.4.1 Juridisch kader

Voor sommige projecten is het verplicht een voorkeurbeslissing te nemen[109] Artikel 5.47 leden 1 en 2 Ow; artikel 5.4 Ob voor de gevallen waarin in ieder geval een voorkeursbeslissing genomen moet worden
, voor andere projecten kan het bevoegd gezag zelf bepalen of het al dan niet een voorkeursbeslissing neemt. De voorkeursbeslissing houdt in[110] Artikel 5.49 Ow
:

  1. het uitvoeren van een project;

  2. een oplossing zonder project;

  3. een combinatie van de onderdelen a of b met de uitvoering van andere projecten; of

  4. het niet uitwerken van een oplossing.

In de voorkeursbeslissing vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval welke oplossing de voorkeur van het bevoegd gezag heeft en geeft het aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning. Daarbij moet in ieder geval worden ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen[111] Artikel 5.5 Ob
.

Op de voorbereiding van een voorkeursbeslissing is afdeling 3.4 Awb van toepassing[112] Artikel 16.70 Ow
. Waterschap, provincie respectievelijk Rijk moet het ontwerp van de voorkeursbeslissing, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage leggen[113] Artikel 3:11 lid 1 Awb
. De terinzagelegging geschiedt zowel op elektronische wijze als op een door waterschap, provincie of Rijk aan te wijzen locatie[114] Artikel 13 lid 1 Bekendmakingswet
. De terinzagelegging vindt niet plaats in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant[115] Artikel 13 lid 3 Bekendmakingswet
. Dit betekent dat het bestuursorgaan moet zorgen voor de elektronische terinzagelegging van het ontwerp van de voorkeursbeslissing en de daarop betrekking hebbende stukken, bij voorbeeld op de eigen website of op een projectwebsite, en voor de terinzagelegging van ontwerp en bijbehorende stukken op een fysieke locatie. Voorafgaand aan de terinzagelegging moet waterschap, provincie of Rijk kennis geven van het ontwerp[116] Artikel 3:12 lid 1 Awb
in het waterschapsblad, het provinciaal blad dan wel de Staatscourant[117] Artikel 12 jo artikelen 1 en 2 Bekendmakingswet
. Zienswijzen over het ontwerp kunnen naar voren worden gebracht door eenieder[118] Artikel 3:15 Awb jo artikel 16.23 lid 1 Ow
. De termijn daarvoor bedraagt zes weken[119] Artikel 3:16 lid 1 Awb
.

Na het verwerken van de zienswijzen neemt het dagelijks bestuur van het waterschap, GS dan wel de minister de definitieve voorkeursbeslissing. Nadat het bestuursorgaan de voorkeursbeslissing heeft genomen, maakt het de voorkeursbeslissing bekend door plaatsing van de volledige inhoud van de voorkeursbeslissing in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant[120] Artikel 3:42 Awb en artikel 5 aanhef en onder f en artikel 6 in combinatie met artikel 2 Bekendmakingswet
. De voorkeursbeslissing is een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht en is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb. Daarom moeten de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd[121] Artikel 3:44 lid 2, artikel 3:44 lid 1 en artikel 3:11 lid 1 Awb
en moet gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit kennis worden gegeven van de terinzagelegging van die stukken[122] Artikel 3:44 lid 2 Awb, artikel 3:44 lid 1 en artikel 3:12 lid 1 Awb
. Ook hiervoor geldt dat terinzagelegging zowel op elektronische wijze als op een door waterschap, provincie of Rijk aan te wijzen locatie moet geschieden en dat de terinzagelegging niet mag plaatsvinden in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant. In artikel 3:44 Awb is bepaald dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken; ingevolge artikel 6.7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Tegen de voorkeursbeslissing staat geen beroep open[123] Artikel 8:5 lid 1 Awb en Bijlage 2 artikel 1 Awb (Geen beroep)
. Er is dus geen sprake van een beroepstermijn. Dat deze bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, duidt er op dat uitgangspunt van de wetgever is dat een terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende zes weken voldoende is. Het ligt voor de hand dat dat met name geldt voor de terinzagelegging op een fysieke locatie en dat voor terinzagelegging op elektronische wijze een langere termijn kan worden gekozen. De termijn van terinzagelegging vangt aan met ingang van de dag dat de stukken ter inzage zijn gelegd[124] In de artikelen 3:44 lid 2 en 3:44 lid 1 Awb is artikel 3:11 Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. In lid 3 van artikel 3:11 wordt voor de termijn dat de stukken ter inzage liggen verwezen naar artikel 3:16 lid 1 Awb, waarin de termijn op zes weken is bepaald
.

Op de voorkeursbeslissing zelf wordt de STOP/TPOD-standaard niet toegepast.

11.4.2.4.2 Aanleveren kennisgeving

Waterschap, provincie of Rijk moet in het waterschapsblad, het provinciaal blad dan wel de Staatscourant kennis geven van het ontwerp van de voorkeursbeslissing en van de terinzagelegging van op de zaak betrekking hebbende stukken bij de definitieve voorkeursbeslissing.

Toekomstige functionaliteit

STOP versie 2.0 zal het mogelijk maken om de kennisgeving van het ontwerp van de voorkeursbeslissing en de kennisgeving van de terinzagelegging van op de zaak betrekking hebbende stukken met STOP op te stellen en aan de LVBB aan te leveren. Een volgende versie van dit TPOD zal dan beschrijven hoe dat moet worden toegepast.

Workaround

Zolang deze kennisgevingen niet in de geldende STOP/TPOD-standaard zijn beschreven en niet in de DSO-keten zijn geïmplementeerd, levert het bevoegd gezag deze kennisgevingen met de applicatie DROP dan wel via SDU aan.

11.4.3 Projectbesluit – technische voorbereiding: aanmaken van het Doel

Zoals in paragraaf 11.3.1 al is aangegeven, is een unieke identificatie nodig om van een omgevingsdocument vast te leggen dat tekst, informatieobjecten en OW-informatie bij elkaar horen, gedurende het hele proces van concipiëren, voorbereiden, besluiten, bekendmaken en consolideren. De STOP/TPOD-standaard noemt die identificatie Doel. Het Doel wordt bij het ter publicatie of bekendmaking aanleveren van een projectbesluit meegeleverd.

De eerste handeling bij de start van het opstellen van een nieuw omgevingsdocument of het wijzigen van een bestaand omgevingsdocument, is het aanmaken van een nieuwe Regelingversie met een nieuw Doel oftewel identificatie. Het Doel moet voldoen aan de eisen die STOP daaraan stelt:

  • de identificatie moet het volgende patroon volgen: /join/id/proces/” <overheid> “/” <datum> “/” <overig>

  • overheid: code van het bevoegde gezag volgens de waardelijst waterschap, provincie of ministerie

  • datum: datum van het ontstaan van het doel; dit mag een jaartal of een volledige datum zijn

  • overig: door het bevoegd gezag te bepalen; dit kan een betekenisloze code zijn of een betekenisvolle tekstuele beschrijving van (het resultaat van) het doel. Hiervoor gelden de volgende eisen:

    • alleen toegestaan: boven- en onderkast letters, cijfers en underscore;

    • te beginnen met een cijfer of letter;

    • maximale lengte:128 karakters.

Het Doel moet uiteraard uniek zijn.

Het Doel bij een projectbesluit zou er zo uit kunnen zien: /join/id/proces/pv81/2023/ Instelling_projectbesluit_Rondweg_Gemeentestad, maar ook /join/id/proces/ pv81/2023/546d9cff158f4d148f9bb6c953dc3019. Het Doel moet uniek zijn. Het is dus goed mogelijk dat de plansoftware zelf het Doel genereert en dat dat eerder Doelen met een betekenisloze code (zoals het tweede voorbeeld) dan met een betekenisvolle beschrijving oplevert.

Nadat het Doel is aangemaakt, kan in de plansoftware gestart worden met het opstellen van de nieuwe regelingversie van het projectbesluit. In deze fase is dat alleen de regeling voor het vrijetekstgedeelte van het projectbesluit. Afhankelijk van de functionaliteiten die de gebruikte plansoftware biedt, kunnen tussentijdse producten worden gegenereerd ten behoeve van intern en extern overleg, zoals met initiatiefnemers, adviseurs en medeoverheden.

11.4.4 Projectbesluit – ontwerpfase en ontwerpbesluit
media/image86.png
Figuur 85Ontwerpfase in de procedure van het projectbesluit
11.4.4.1 Juridisch kader

Op de voorbereiding van een projectbesluit is afdeling 3.4 Awb van toepassing[125] Artikel 16.71 lid 1 onder a Ow
.

Het van afdeling 3.4 Awb onderdeel uitmakende artikel 3:11 lid 1 luidt: “Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.” In artikel 5.5a lid 1 Ob is die uitzondering vastgelegd: “Bij de voorbereiding van een projectbesluit van een bestuursorgaan van een waterschap, een provincie of het Rijk waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het waterschapsblad, het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant.” Dat houdt in dat een publicatie van de volledige inhoud van het ontwerpbesluit in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant wordt geplaatst[126] Artikel 12 lid 1 jo artikel 2 leden 1 en 3 respectievelijk artikel 12 lid 2 Bekendmakingswet
. Het ontwerpbesluit zelf wordt dus niet ter inzage gelegd. Wel moet waterschap, provincie of Rijk de op het ontwerp betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage leggen. Die terinzagelegging geschiedt zowel op elektronische wijze als op een door waterschap, provincie of Rijk aan te wijzen locatie[127] Artikel 13 lid 1 Bekendmakingswet
. De terinzagelegging vindt niet plaats in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant[128] Artikel 13 lid 3 Bekendmakingswet
. Dit betekent dat het bestuursorgaan moet zorgen voor de elektronische terinzagelegging van de op het ontwerp-projectbesluit betrekking hebbende stukken en voor de terinzagelegging van die stukken op een fysieke locatie. Op het ontwerp-projectbesluit betrekking hebbende stukken zullen vooral bestaan uit rapportages van uitgevoerde onderzoeken. De terinzagelegging op een door het bestuursorgaan te bepalen locatie kan worden georganiseerd door op een in de kennisgeving aangegeven locatie, zoals het provinciehuis, de mogelijkheid te bieden om op een beeldscherm de op het ontwerp betrekking hebbende stukken te raadplegen. Uiteraard is het ook mogelijk om alle stukken te printen en een fysieke locatie klaar te leggen voor inzage.

Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft waterschap, provincie of Rijk kennis van het ontwerp[129] Artikel 3:12 lid 1 Awb
in waterschapsblad, provinciaal blad of Staatscourant[130] Artikel 12 lid 1 jo artikel 2 leden 1 en 3 respectievelijk artikel 12 lid 2 Bekendmakingswet
. De kennisgeving vermeldt in ieder geval:

  • een zakelijke weergave van de inhoud van het ontwerpbesluit[131] Artikel 12 lid 1 Bekendmakingswet jo artikel 3.7 Besluit elektronische publicaties
    ;

    • een beschrijving van het betreffende object of de betreffende activiteit en, in voorkomend geval, de locatie daarvan;

    • een zodanige beschrijving van het ontwerpbesluit en het beoogde rechtsgevolg daarvan dat potentiële belanghebbenden eruit kunnen afleiden in hoeverre zij in hun belangen worden geraakt;

  • de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen[132] Artikel 12 lid 1 Bekendmakingswet
    ;

  • wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen[133] Artikel 3:12 lid 2 Awb
    ;

  • op welke wijze dit kan geschieden[134] Artikel 3:12 lid 2 Awb
    .

Zienswijzen over het ontwerp kunnen naar voren worden gebracht door eenieder[135] Artikel 3:15 Awb en artikel 16.23 lid 1 Ow
. De termijn daarvoor bedraagt zes weken[136] Artikel 3:16 lid 1 Awb
.

Om aan de hier genoemde verplichtingen te voldoen moet waterschap, provincie of Rijk het ontwerpbesluit en de kennisgeving, met bijbehorende informatie, conform de STOP/TPOD-standaard opstellen en aan de LVBB aanleveren. De aanlevering van het ontwerpbesluit is beschreven in paragraaf 11.4.4.2; de aanlevering van de kennisgeving in paragraaf 11.4.4.3. De elektronische terinzagelegging van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken is het onderwerp van paragraaf