Praktijkrichtlijn Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten v1.4.2

Geonovum Praktijkrichtlijn
Vastgestelde versie

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/ro/def-pr-tri2012-20181023/
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/ro/tri2012/
Laatste werkversie:
https://geonovum.github.io/ROST/
Redacteur:
Beheerteam DRO, Geonovum
Auteur:
Beheerteam DRO, Geonovum
Doe mee:
GitHub geonovum/ROST
Dien een melding in
Revisiehistorie
Pull requests
Rechtenbeleid:

Status van dit document

Deze paragraaf beschrijft de status van dit document ten tijde van publicatie. Het is mogelijk dat er actuelere versies van dit document bestaan. Een lijst van Geonovum publicaties en de laatste gepubliceerde versie van dit document zijn te vinden op https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/alle-standaarden.

Dit is de definitieve versie van de praktijkrichtlijn. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd. Dit is de definitieve versie van de praktijkrichtlijn. Een praktijkrichtlijn is een product dat informatie geeft, vaak met een technisch karakter, dat nodig is voor het toepassen van een standaard. Een praktijkrichtlijn hoort altijd bij een standaard/norm.

PRTRI2012-v1.4.2

Versiebeheer

Dit document is aan verandering onderhevig. Het versiebeheer van het document geeft inzicht in wijzigen en de actualiteit ervan.

Versie Datum Status Aanpassing
1.0 1 januari 2012 Vervallen Eerste versie
1.1 15 november 2012 Vervallen Tekstuele correcties in paragraaf 5.4, 5.5 en 5.7;
1.2 19 mei 2014 Ter publieke consultatie - In Hoofdstuk 1 is een verwijzing naar de werkafspraak 'Beveiligingseisen beschikbaar stellen ruimtelijke instrumenten' opgenomen;
- Aanvulling van paragraaf 5.7: instrumenten die wel en geen beroepsprocedure kennen;
- Paragraaf over ondergronden toegevoegd als 7.2;
- Bijlagen toegevoegd:
- Bijlage 1 toelichting op de toevoeging voor paragraaf 5.7;
- Bijlage 2 werkwijze rechterlijke uitspraken. Hiermee komt de separate publicatie van deze werkwijze te vervallen;
- Bijlage 3 toelichting ondergronden voor paragraaf 7.2.
1.2.1 20 augustus Vervallen Naar aanleiding van de publieke consultatie kleine tekstuele correcties in paragraaf 5.7 en Bijlage 2, dan wel voetnoot toegevoegd. Zie rapport consultatie.
1.3 8 oktober Vervallen Naar aanleiding van wijziging STRI2012 ten behoeve van IMWE is de praktijkrichtlijn aangevuld op de volgende punten voor welstandsnota:
- Hoofdstuk 1;
- Paragraaf 4.1, 4.2, 5.4, 5.5, 5.7 (incl. Figuur 3), 7.1 en 7.2;
- Bijlage 1.
De verwijzing naar de SVBP is aanpast in paragraaf 7.1.
In Bijlage 2 is de leeswijzer aangevuld en in Bijlage 3 is de toelichting op ondergronden nader uitgelegd.
1.3.1 3 december 2014 Vervallen De consultatie van de werkversie bij BROS en softwareleveranciers heeft een aanpassing opgeleverd van Figuur 3: welstandsnota kent wel de planstatus vastgesteld, maar niet de dossierstatus vastgesteld.
1.4 oktober 2015 Werkversie - Paragraaf 5.4 aangepast naar aanleiding van XSLT-transformatie.
- Inconsequent gebruik van planstatus geconsolideerd: Paragraaf 5.5 aangepast voor wat daar waar ‘geconsolideerde versie’ werd gebruikt dit vervangen door ‘versie geconsolideerd’.
- Verwijderen van ‘planstatus: vastgesteld en dossierstatus: deels onherroepelijk in werking’ en toevoegen van ‘oorspronkelijk’ in Bijlage 2 – Werkwijze gerechtelijke uitspraken paragraaf 2.5.
- Bijlage 3(kop); Rujimtelijkeplannen.nl vervangen door Ruimtelijkeplannen.nl.
14 december 2015 Definitief Besproken met BROS en softwareleveranciers; wijzigingen definitief.
1.4.1 September 2017 Werkversie - Paragraaf 7.2 en Bijlage 3 aangepast in verband met verplicht gebruik BGT en verwijderen GBK
25 oktober 2017 Definitief
1.4.2 20 september 2018 Werkversie - Paragraaf 5.4 aanpassen voor het gebruik van PDF bestanden zonder Flashcompnenten.
23 oktober 2018 Definitief

1. Inleiding op de PRTRI2012

In dit inleidende hoofdstuk is het kader gegeven waarbinnen de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijk Instrumenten gebruikt wordt.

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat planologische visies, plannen, besluiten, verordeningen, algemene maatregelen van bestuur en onderliggende ministeriële regelingen digitaal vervaardigd en op elektronische wijze beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast is ook in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een verplichte elektronische beschikbaarstelling opgenomen voor sommige gevallen. Welstandsnota’s mogen op vrijwillige basis digitaal vervaardigd en beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken zijn de RO standaarden ontwikkeld. De Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012) is één van de standaarden uit dit samenhangende pakket. Het voorliggende document vormt een toelichting op de STRI2012.

De STRI2012 is vooral bedoeld voor leveranciers van software en elektronische infrastructuur voor de ondersteuning van het RO proces, en voor ICT medewerkers van de bronhouders van ruimtelijke instrumenten, maar niet zo zeer voor de RO medewerkers, de eindgebruikers van de RO standaarden, zelf. In de praktijk van de ruimtelijke ordening zullen veel zaken die hier expliciet worden beschreven ingebed zijn in software of processen. Deze toelichting heeft een algemener karakter en heeft een verklarend doel ten opzichte van de normen.

De STRI2012 is van toepassing op de volgende ruimtelijke instrumenten:

[^1]: Het betreft hier de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 3e van de Wabo

De opbouw van deze praktijkrichtlijn is identiek aan de opbouw van de STRI2012. Ieder hoofdstuk in deze praktijkrichtlijn vormt een toelichting op het corresponderende hoofdstuk in de STRI2012.

Voor STRI2012 geldt sinds januari 2014 de werkafspraak dat bronhouders van ruimtelijke instrumenten de manifesten en plannen voortaan alleen publiceren via poort 80 voor HTTP verkeer of poort 443 voor HTTPS verkeer. Vanaf publicatie van deze werkafspraak tot het tijdstip van inwerkingtreden van vernieuwde RO Standaarden of omgevingstandaarden dan wel nader bericht van de beheerder van de RO Standaarden geldt deze werkafspraak, die beschikbaar is via de Geonovum website[^2].

[^2] Zie: http://www.geonovum.nl/onderwerpen/ruimtelijke-ordening-standaarden?tab=documenten of direct: http://www.geonovum.nl/sites/default/files/20140116%20STRI%20wa%20beveiligingseisen.pdf

2. Onderdelen van de ruimtelijke instrumenten

Ieder ruimtelijk instrument is opgebouwd uit een samenhangende set onderdelen. Ieder onderdeel bestaat uit één of meerdere bronbestanden. In dit hoofdstuk worden de eisen aan de mogelijke samenstelling van onderdelen en bronbestanden toegelicht.

Ieder ruimtelijk instrument bestaat uit een aantal onderdelen. Deze worden beschikbaar gesteld als bronbestanden. Het ruimtelijk instrument bestaat uiteindelijk dus uit een samenhangende set bronbestanden. In tabel 1 en tabel 2 van de STRI2012 wordt een overzicht gegeven van welke onderdelen beschikbaar zijn voor de verschillende typen ruimtelijke instrumenten.

Ruimtelijke instrumenten worden als “open data” voor een ieder beschikbaar gemaakt via het internet zonder kosten en zonder technische of procedurele belemmeringen.

Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en de verantwoordelijke minister of ministers (hierna aangeduid als bronhouder) zijn verantwoordelijk voor de inhoudelijke correctheid van de informatie.

De bronhouder verzorgt de toegankelijkheid en vindbaarheid van de eigen informatie en is verantwoordelijk voor een goede en zo veel mogelijk doorlopende beschikbaarheid hiervan via het internet.

Uitspraken van de Raad van State en gerechtelijke uitspraken met betrekking tot beschikbaar gestelde ruimtelijke instrumenten worden door de bronhouder niet verwerkt in de ruimtelijke instrumenten zelf, maar worden door de bronhouder van het instrument beschikbaar gesteld naast het instrument. De Raad van State en de rechtbanken zijn zelf geen bronhouder.

3. Bestandstype

In dit hoofdstuk is toegelicht welke bestandsformaten per bestandstype kunnen worden gehanteerd.

In Hoofdstuk 3 van de STRI2012 wordt per bestandstype aangegeven wat de toegestane bestandsextensies en MIME types zijn. In de STRI2012 wordt niet exact aangegeven welke bestandsformaten zijn toegestaan voor ieder bestandstype. Dit is het gevolg van de bredere adoptie van open standaarden binnen de overheid, waar het College en Forum Standaardisatie een adviserende rol in spelen. Het Forum en College Standaardisatie publiceren en onderhouden een lijst met aanbevolen en verplichte open standaarden die voor de gehele (semi-)publieke sector van toepassing is[^3]. Met het toepassen van de RO Standaarden volgt dan ook de toepassing van deze lijst. Als de lijst met open standaarden wordt toegepast op de bestandstypes die voorgeschreven zijn in de STRI2012, dan zijn daarmee de bestandsformaten toegestaan zoals benoemd in Tabel 1.

[^3]: Zie: http://www.open-standaarden.nl/

Tabel 1 Bestandsformaten per bestandstypes

Bestandstype Toegestane bestandsformaten
XML XML 1.0 Fifth Edition[^4]
XML 1.1 Second Edition[^5]
GML GML Version 3.2.1[^6]
HTML HTML 4.01[^7]
XHTML XHTML 1.0 Second Edition[^8]
PDF PDF 1.7 ISO 32000-1:2008[^9]
PDF/A-1 ISO 19005-1:2005[^10]
JPEG ISO/IEC 10918-1:1994 [^11]
PNG ISO/IEC 15948:2003 [^12]

[^4]: Zie: http://www.w3.org/TR/xml/

[^5]: Zie: http://www.w3.org/TR/xml11/

[^6]: Zie: http://www.opengeospatial.org/standards/gml

[^7]: Zie: http://www.w3.org/TR/html4/

[^8]: Zie: http://www.w3.org/TR/xhtml1/

[^9]: Zie: http://www.iso.org/iso/catalogue_detail?csnumber=51502

[^10]: Zie: http://www.iso.org/iso/catalogue_detail?csnumber=38920

[^11]: Zie: http://www.w3.org/Graphics/JPEG/itu-t81.pdf

[^12]: Zie: http://www.w3.org/TR/PNG/

4. Identificatienummer en bestandsnaam

Ieder ruimtelijk instrument kent een eigen identificatienummer (idn). In dit hoofdstuk is toegelicht hoe de opbouw van dit idn is. Tevens zijn in dit hoofdstuk de eisen voor de bestandsnamen toegelicht.

4.1 Identificatienummer

Ieder ruimtelijk instrument kent een eigen identificatienummer (idn). Deze identificatie maakt het mogelijk dat op landelijk niveau een uniek onderscheid voor ieder instrument aanwezig is. Voor de invulling hiervan wordt eerst vermeld: "NL.IMRO." of “NL.IMWE” indien het een Welstandsnota betreft, vervolgens wordt het CBS-nummer van de bronhouder opgenomen (voor het Rijk: 0000), gevolgd door een punt (.) en aansluitend een unieke naam van maximaal 18 tekens, een koppelteken, ASCII 45 (-) en een versiecode van maximaal 4 alfanumeriek tekens, beide laatstgenoemde door de bronhouder te bepalen. De versiecode is uniek voor alle versies die extern gepubliceerd zijn. De versiecode wordt altijd aangepast indien er sprake is van een nieuwe planstatus, bijvoorbeeld van voorontwerp naar ontwerp of van ontwerp naar vastgesteld, maar ook als er binnen één planstatus meerdere versies extern worden gepubliceerd.

De totale lengte van het idn bedraagt maximaal 36 tekens. Voor het geval het werkingsgebied bestaat uit meerdere ruimtelijk gescheiden gebieden kent het totaal van die gebieden één identificatienummer. De geometrie van het object is hierbij een multipolygoon.

Voorbeelden van geldige (maar wel fictieve) idn's:
NL.IMRO.1234.A-0001
NL.IMRO.5678.centrumgebied-0012
NL.IMRO.1111.structuurvisie2012-AD12
NL.IMWE.5678.Welstandsnota2014-VG01

Het gedeelte van het identificatienummer tot aan het liggend streepje wordt het dossiernummer genoemd. Dit wordt van belang in Hoofdstuk 5.

Voorbeelden van geldige (maar wel fictieve) dossiernummers:
NL.IMRO.1234.A
NL.IMRO.5678.centrumgebied
NL.IMRO.1111.structuurvisie2012
NL.IMWE.5678.Welstandsnota2014

4.2 Bestandsnaam vereisten

Voor ieder onderdeel van ieder ruimtelijk instrument worden eisen gesteld aan de bestandsnaam van het bronbestand. De bestandsnaam kent de volgende opbouw:

De totale maximale lengte bedraagt daarmee 65 karakters. Bijlagen en illustraties zijn voorzien van een nadere tekstuele extensie, omdat er bij deze onderdelen meerdere bestanden kunnen worden geleverd, conform tabel 1 en tabel 2 van de STRI2012. Omwille van de eenduidigheid is er voor gekozen om deze tekstuele extensie altijd toe te voegen, ook als er slechts één illustratie of bijlage beschikbaar wordt gesteld.

Voorbeelden van geldige (maar wel fictieve) bestandsnamen:
NL.IMRO.1234.A-0001.gml
vb_NL.IMRO.5678.centrumgebied-0012.html
b_NL.IMRO.1111.structuurvisie2012-AD12_bijlage.pdf
pt_NL.IMWE.5678.Welstandsnota2014.xml

5. Beschikbaar stellen

De bronbestanden van ieder ruimtelijk instrument moeten beschikbaar worden gesteld door de bronhouder. In dit hoofdstuk worden de eisen voor deze beschikbaarstelling toegelicht, inclusief inhoud en opbouw van het manifest en geleideformulier, dat hier een belangrijk onderdeel van is.

5.1 Eisen aan de beschikbaarstelling

Ruimtelijke instrumenten worden door gemeente, provincie of Rijk beschikbaar gesteld op internet. Omdat ieder ruimtelijk instrument bestaat uit een samenhangende set van bronbestanden die samen het instrument vormen, bestaat het feitelijke proces van beschikbaar stellen er uit dat deze bestanden op een webserver worden geplaatst die via een vast webadres (URL) benaderbaar is via het internet.

Alle bronbestanden van een enkel instrument worden binnen één virtuele directory beschikbaar gesteld die door de bronhouder zelf gekozen kan worden. Er wordt daarbij gewerkt met relatieve URL's (bijvoorbeeld bij de illustraties in HTML of de verwijzingen naar de onderdelen in het geleideformulier). Hierdoor blijven de bronbestanden bruikbaar indien deze in zijn geheel in een andere raadpleegomgeving wordt gebruikt. Bijvoorbeeld, als een instrument met idn NL.IMRO.1111.visie2012-0012 beschikbaar gesteld wordt in de virtuele directory:

http://ro.durperdam.nl/visie2012/0012/

dan worden alle bij dit instrument behorende bestanden direct in deze virtuele directory geplaatst.

Het IMRO GML bestand van dit instrument wordt dus beschikbaar gesteld op:
http://ro.durperdam.nl/visie2012/0012/NL.IMRO.1111.visie2012-0012.gml

Beschikbaar stellen van elementen binnen een andere virtuele directory of in een subdirectory binnen de virtuele directory is niet toegestaan. Het is dus niet toegestaan het GML bestand bijvoorbeeld als volgt beschikbaar te stellen (foutieve elementen onderstreept en in rood):

http://ro.durperdam.nl/visie2012/0012/IMRO/NL.IMRO.1111.visie2012-0012.gml of

http://ro.durperdam.nl/visie2012/NL.IMRO.1111.visie2012-0012.gml of

http://ww.roservice.nl/visie2012/0012/NL.IMRO.1111.visie2012-0012.gml.

Overigens is het wel toegestaan om binnen dezelfde virtuele directory bestanden toe te voegen, bijvoorbeeld:

http://ro.durperdam.nl/visie2012/0012/index.htm

is dus toegestaan. De index.htm pagina is dus geen onderdeel van het ruimtelijk instrument zelf, maar wordt in dit voorbeeld gebruikt voor de inrichting van de informatievoorziening door de bronhouder.

5.2 Periode van beschikbaarheid

De bronbestanden van iedere beschikbaar gestelde versie van een ruimtelijk instrument blijven toegankelijk totdat een instrument onherroepelijk in werking is getreden of is vervallen. Dit is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor instrumenten waar beroep tegen mogelijk is, is dit het geval ofwel nadat de beroepstermijn is afgelopen en er geen beroep is ingesteld, ofwel nadat de beroepsprocedure is afgerond. Voor instrumenten waar geen beroep tegen mogelijk is, is dit het geval nadat het besluit is vastgesteld. Op dat moment blijven in elk geval de actuele versie van het instrument en alle eventuele reactieve aanwijzingen en gerechtelijke uitspraken beschikbaar. Eerdere versies mogen op dat moment worden verwijderd uit het Manifest en van internet, maar dit is geen verplichting. Pas als een instrument vervallen is, mag het in zijn geheel worden verwijderd uit het Manifest en van internet. Los van het feit of de stukken wel of niet beschikbaar blijven via het Manifest, is in vrijwel alle gevallen de Archiefwet van toepassing op deze stukken.

5.3 Werkwijze bij het beschikbaar stellen

Bij het beschikbaar stellen van een ruimtelijk instrument hoort een bepaalde werkwijze. Allereerst zal het ruimtelijk instrument elektronisch worden gewaarmerkt. Vervolgens worden alle bronbestanden op internet beschikbaar gemaakt, en wordt het Manifest aangepast en vervolgens ook gewaarmerkt. Tot slot moet het al op internet beschikbaar gestelde Manifest vervangen worden door het gewijzigde Manifest, en wordt ook de digitale verbeelding bijgewerkt. Dit laatste gebeurt overigens veelal in geautomatiseerde systemen, zoals bij de landelijke voorziening RO[^13]. Daarna is het ruimtelijk instrument voor een ieder beschikbaar, raadpleegbaar en via het Manifest ook vindbaar. De werkwijze is weergegeven in Figuur 1.
[^13] :Zie: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/


Figuur 1 Primair proces beschikbaar stellen

Een ruimtelijk instrument kan in de totstandkoming diverse statussen doorlopen. Voor een aantal formele versies is het beschikbaar stellen wettelijk vereist. Voor alle overige versies is beschikbaar stellen mogelijk, maar niet verplicht.

5.4 Beschikbaar stellen van opmaakbestanden

De opmaak van planteksten wordt voor een belangrijk deel niet in de plantekst zelf geregeld maar in een apart opmaakbestand. Voor niet-objectgerichte planteksten in HTML- en/of PDF-formaat geldt dat de bronhouder een eigen CSS stylesheet (opmaakbestand) kan mee sturen met de plantekstbestanden. De Landelijke Voorziening Ruimtelijkeplannen.nl zal bij de verbeelding gebruik maken van het opmaakbestand en daarmee de huisstijl van de bronhouder toepassen. Ook derden kunnen van dit opmaakbestand gebruik maken.
Gebruik van PDF-bestanden
Indien er PDF-bestanden worden gebruikt in een planset dan is het beter om PDF- bestanden te gebruiken die geen flashcomponenten bevatten. Bestanden met flashcomponenten kunnen om veiligheidsredenen niet meer in een webbrowser worden geopend waardoor de PDF-bestanden bij raadpleging van Ruimtelijkeplannen.nl geen inhoud bevatten.
Controleer daarom vóór publicatie dat uw PDF-documenten geen Flashcomponenten bevatten.

Voor objectgerichte planteksten in XML-formaat volgens de IMROPT2012-standaard is er vanaf versie 2.2.10 van Ruimtelijkeplannen.nl landelijk één standaard layout en presentatie. w. Kenmerk van objectgericht werken is dat vorm en inhoud gescheiden zijn. Bronhouders kunnen nog wel een opmaakbestand (.CSS) meeleveren voor gebruik door derden maar Ruimtelijkeplannen.nl zal hier geen gebruik van maken.
Ten behoeve van het weergeven van objectgerichte XML planteksten wordt gebruik gemaakt van 2 soorten opmaakbestanden:

Een XSL stylesheet transformeert de objectgerichte plantekst van XML naar leesbare HTML tekst. Een CSS stylesheet voegt daar een standaard layout en presentatie aan toe.
De objectgerichte planteksten worden bij Ruimtelijkeplannen.nl opgeslagen in hun oorspronkelijke XML formaat. Pas op het moment dat de tekst geraadpleegd wordt via de website, wordt de tekst in XML-formaat getransformeerd in HTML. Hiervoor wordt een centraal transformatieschema gebruikt: het IMROPT2012.xsl. Dit transformatieschema bepaalt de functionaliteit van de uiteindelijke webpagina. Daaraan gekoppeld is er een opmaakbestand (CSS) dat de uiteindelijke opmaak van de webpagina bepaalt en daarmee van de tekst tijdens het raadplegen. Vanaf juli 2015 wordt bij objectgerichte planteksten in Ruimtelijkeplannen.nl alleen nog maar gewerkt met een standaard CSS bestand. Bronhouders kunnen eenmalig een organisatielogo aanleveren dat door Ruimtelijkplannen.nl getoond zal worden in de opmaak van de uiteindelijke web-pagina. Een handleiding is hiervoor beschikbaar. [^14]
Bij het werken met objectgerichte XML planteksten wordt gebruik gemaakt van standaard XSL en CSS stylesheets die onderdeel zijn van de RO Standaarden[^15]. De landelijke voorziening Ruimtelijkeplannen.nl maakt van de standaard opmaak gebruik, maar ook andere applicaties / implementaties kunnen van de standaard opmaak gebruik maken.

[^14]: De handleiding is beschikbaar via de Ruimtelijkeplannen.nl, de besloten omgeving voor bronhouders en via de helpdesk van Ruimtelijkeplannen.nl.

[^15]: Deze standaard XSL en CSS zijn tezamen met de rest van de andere onderdelen van de RO Standaarden 2012 beschikbaar via de Geonovum website, onderwerp Ruimtelijke Ordening Standaarden.

Het is nog steeds mogelijk dat een bronhouder gebruik maakt van een eigen opmaak voor objectgerichte planteksten voor een eigen viewer. In het geval de bronhouder gebruik gemaakt van een eigen opmaak voor objectgerichte planteksten, kan deze meegeleverd worden maar Ruimtelijkeplannen.nl zal hier niets mee doen.

Voor het weergeven van planteksten zijn er vier mogelijkheden:

  1. HTML planregels zonder eigen CSS opmaakbestand;
  2. HTML planregels met eigen CSS opmaakbestand;
  3. XML planteksten zonder eigen CSS opmaakbestand;
  4. XML planteksten met eigen CSS opmaakbestand.

N.B. Voor welstandsnota’s zijn alleen optie 3 en 4 van toepassing.

Ad. 1. HTML planregels zonder eigen CSS opmaakbestand
De niet-objectgerichte planregels zijn vastgelegd in een HTML of XHTML bestand dat wordt opgevoerd in het geleideformulier bij het element <onderdelen>. In het HTML bestand wordt niet verwezen naar een eigen CSS bestand en conform de Webrichtlijnen bevat de HTML geen eigen layout en presentatie.

Ad. 2. HTML planregels met eigen CSS opmaakbestand
De niet-objectgerichte planregels zijn vastgelegd in een HTML of XHTML bestand dat wordt opgevoerd in het geleideformulier bij het element <onderdelen>. Daarbij heeft de bronhouder een eigen CSS opmaakbestand beschikbaar gesteld voor de layout en presentatie van deze planregels. Dit CSS bestand wordt in het geleideformulier opgenomen bij het element <supplementen>. In het HTML bestand wordt naar dit CSS bestand verwezen met behulp van een relatieve URL, als volgt:

<link href="eigenopmaak.css" rel="stylesheet" type="text/css" ="">

In de praktijk komt het voor dat vanuit het CSS bestand wordt verwezen naar externe bronnen, bijvoorbeeld een logo of andere externe afbeeldingen, die op een externe URL te vinden zijn. Dit betekent dat de bronhouder er voor moet zorgen deze externe bronnen minstens gedurende de gehele looptijd van het ruimtelijke plan blijven bestaan. Een randvoorwaarde blijft dat de gehele inhoud van het plan raadpleegbaar moet zijn op het moment dat deze externe bronnen niet beschikbaar zijn. Het gaat hierbij om layout en presentatie, nooit om inhoud.

Ad. 3. XML planteksten zonder eigen CSS opmaakbestand

De bronhouder maakt gebruik van objectgerichte XML planteksten. De toelichting en regels zijn in één XML bestand opgenomen. Dit bestand wordt in het geleideformulier opgenomen bij het element <onderdelen>.

Wanneer de bronhouder geen eigen opmaak gebruikt, kan gebruik worden gemaakt van de standaard opmaak XSL en CSS bestanden uit het pakket RO Standaarden 2012. De interactieve raadpleegomgeving transformeert de XML planteksten met behulp van de standaard XSL naar HTML teksten. In de standaard XSL wordt verwezen naar de standaard CSS layout en presentatie. De gebruiker van de interactieve raadpleegomgeving merkt niets van het feit dat de XML planteksten worden getransformeerd.

De landelijke voorzienig Ruimtelijkeplannen.nl maakt ook gebruik van de standaard opmaak. Conceptueel ziet de XSL van Ruimtelijkeplannen.nl er als volgt uit:

Ad. 4. XML planteksten met eigen CSS opmaakbestand

De bronhouder maakt gebruik van objectgerichte XML planteksten. De toelichting en regels zijn in één XML bestand opgenomen. Dit bestand wordt in het geleideformulier opgenomen bij het element <onderdelen>. Daarbij heeft de bronhouder een eigen CSS opmaakbestand beschikbaar gesteld voor de layout en presentatie van deze planteksten. Dit CSS bestand wordt in het geleideformulier opgenomen bij het element <supplementen>.

Ruimtelijke plannen.nl zal niets met dit CSS-bestand doen omdat deze gebruik maakt van de standaard opmaak. De bronhouder kan het CSS-bestand bijvoorbeeld gebruiken in een eigen viewer.

De XML planteksten worden eerst getransformeerd naar leesbare HTML met behulp van de standaard XSL stylesheet. Op deze HTML wordt vervolgens het eigen CSS bestand toegepast voor de layout en presentatie.

Bronhouder stelt dus bijvoorbeeld beschikbaar:

Deze twee bestanden worden als volgt in het geleidformulier opgenomen:

Bij de transformatie van de XML planteksten naar HTML wordt in de resulterende HTML verwezen naar het eigen CSS bestand, conceptueel als volgt:

5.5 Opbouw Manifest en Geleideformulier

Het Manifest is een XML bestand dat een overzicht geeft van alle elektronisch beschikbaar gestelde ruimtelijke instrumenten van één bronhouder. Iedere bronhouder heeft conform de STRI2012 één actueel Manifest beschikbaar op een via het internet toegankelijk webadres (bijvoorbeeld een webadres als http://ro.durperdam.nl/manifest.xml). In het manifest is ordening aangebracht met behulp van dossiers. Overigens kan er naast het STRI2012 manifest ook nog een STRI2006 manifest beschikbaar worden gesteld door de bronhouder, omwille van het beschikbaar stellen van IMRO2006 plannen. Dit is echter buiten de scope van de STRI2012 en wordt daarom ook niet aangehaald.

Dossier
In een dossier zijn één of meerdere ruimtelijke plannen opgenomen. Het dossier is daarmee het ordenend element in het manifest waarbinnen alle ruimtelijke instrumenten met een identiek dossiernummer worden geplaatst. Bij het plaatsen van plannen in dossiers wordt de volgende stelregel gehanteerd:

Ieder ruimtelijk plan dat een zelfstandige Wro, Awb of Wabo procedure kent, krijgt ook een eigen dossier. Dit geldt ook voor welstandsnota’s.

Gerechtelijke uitspraken komen op basis van deze stelregel in het dossier van het bestemmingsplan (of andere ruimtelijk plan) waar zij bij horen. Wijzigingen, uitwerkingen en omgevingsvergunningen komen ieder in een eigen dossier en kunnen, indien dit van toepassing is, direct verwijzen naar een plan waar dit betrekking op heeft. De verwijzing zit in het attribuut VerwijzingNaarExternPlanInfo dat aan het plangebied van deze wijziging, uitwerking en omgevingsvergunning is gekoppeld.

Voorbereidingsbesluiten en bestemmingsplannen kunnen in hetzelfde dossier opgenomen worden, omdat de Wro bepaalt dat “de gemeenteraad kan verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid”, als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure. In dat geval heeft het dossier de status “in voorbereiding” met daarin het (vastgestelde) voorbereidingsbesluit en daarna ook het plan zelf met zijn verschillende versies en mogelijke gerechtelijke uitspraken. Overigens is het technisch gezien in alle gevallen mogelijk om bepaalde instrumenten niet in één dossier te plaatsen. Het dossiernummer is hierbij sturend: plannen met hetzelfde dossiernummer komen per definitie in hetzelfde dossier, plannen met een verschillend dossiernummer komen per definitie in verschillende dossiers terecht, maar de keuze van dossiernummer is aan de gebruiker.

De bronhouder houdt deze status per dossiernummer bij iedere wijziging actueel. In het Manifest zijn alle beschikbare ruimtelijk instrumenten gerangschikt per dossier. Dit betekent dat alle plannen met hetzelfde dossiernummer conform de betekenis in Hoofdstuk 5 van de STRI2012 gerangschikt zijn binnen een <dossier> element, conceptueel als volgt:

Naast het Manifest wordt bij ieder ruimtelijk instrument een geleideformulier meegeleverd voor een gedetailleerd overzicht van het desbetreffende individuele instrument. Ook het geleideformulier is een XML bestand. Manifest en Geleideformulier zijn beide voorzien van een waarmerk, zie Hoofdstuk 6.

Status van een ruimtelijk instrument versus status van het Dossier

In de systematiek van beschikbaar stellen wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de planstatus onveranderlijk is en in IMRO / IMWE GML bestand en geleideformulier is opgenomen. De status van het dossier is daarentegen dynamisch en wordt alleen beschikbaar gesteld in het Manifest. De volgende aandachtspunten zijn hierbij van belang:

BasisURL
In het geleideformulier wordt de BasisURL gebruikt bij de Onderdelen en Supplementen. Dit zorgt er voor dat alle bronbestanden binnen dezelfde virtuele directory worden geplaatst, omdat het niet mogelijk is om per bestand een volledige URL te specificeren.

5.6 Beschrijving planstatussen

Het is van groot belang dat duidelijk is wat er met iedere status wordt bedoeld. Hier onder wordt daartoe een toelichting gegeven.

Tabel 2 Planstatus

Planstatus Betekenis
concept dit is een informele status. Deze status kan worden toegekend aan alle versies van een plan zonder wettelijke status. Vaak zal de allereerste versie van een plan een concept zijn, maar het is ook mogelijk dat er bij het verwerken van de zienswijzen op het ontwerp weer nieuwe concepten ontstaan, ter voorbereiding op een vastgesteld plan.
voorontwerp dit is een niet-wettelijk verplichte status. Deze status wordt desgewenst toegekend aan plannen die tijdens het vooroverleg worden gebruikt en/of in het kader van de inspraak ter inzage worden gelegd. Na de voorbereidingsfase worden er geen nieuwe voorontwerpen meer gemaakt
ontwerp dit is een formele status. Deze status wordt toegekend aan de versie van een plan die formeel ter inzage wordt gelegd. Voor bestemmingsplannen gebeurt dit in het kader van artikel 3.8 Wro en artikel 3.11 Awb.
vastgesteld dit is een formele status. Deze status wordt toegekend aan de vastgestelde versie van het plan. Indien er een reactieve aanwijzing is gegeven, dan wordt deze aanwijzing niet verwerkt in het plan. De afnemer interpreteert zelf het plan en de reactieve aanwijzing.
geconsolideerd Het staat de bronhouder vrij om, naast de afzonderlijke plannen, planinformatie in geïntegreerde vorm beschikbaar te stellen, op een manier dat steeds de op een bepaald moment geldende situatie wordt weergegeven voor een bepaald stuk grondgebied: de versie geconsolideerd. Deze status wordt toegekend aan dit soort plannen. De status geconsolideerd is dus geen volgtijdelijke status na vastgesteld, maar is een op zichzelf staande planstatus die in een separaat dossier met de status geconsolideerd beschikbaar wordt gesteld.

Hierboven wordt vooral ingegaan op de planstatus van een bestemmingsplan. Ook bij de andere instrumenten kunnen vergelijkbare statussen worden toegekend. De keuze is gelijk aan bovenstaande lijst, maar de logische toekenning en betekenis verschilt per instrument.

5.7 Beschrijving dossierstatussen met overgangen

Het is van groot belang dat duidelijk is wat er met iedere dossierstatus wordt bedoeld en wanneer een bepaalde status wordt toegekend. In Tabel 3 is daartoe een toelichting gegeven gebaseerd op de bestemmingsplanprocedure. Bij andere ruimtelijke instrumenten gelden soortgelijke procedures, die echter op detailniveau zullen verschillen.

Tabel 3 Dossierstatus bij de bestemmingsplanprocedure

Dossierstatus Betekenis beschikbaar stellen/ verwijderen indien van toepassing
in voorbereiding Deze dossierstatus wordt toegekend vanaf de eerste beschikbaarstelling, wat bij de bestemmingsplanprocedure mogelijk een voorbereidingsbesluit kan zijn[^16]. Mogelijke instrumenten daar op volgend zijn informele concepten en/of een voorontwerp. Daarna wordt het ontwerp bestemmingsplan beschikbaar gesteld en ter inzage gelegd. Na afloop van de terinzagelegging beantwoordt en verwerkt de bronhouder de zienswijzen. Vervolgens wordt het plan vastgesteld en het vastgestelde plan beschikbaar gesteld. Als er een reactieve aanwijzing is gegeven waardoor een onderdeel van het plan geen deel meer uitmaakt van het plan, dan wordt deze aanwijzing niet verwerkt in het vastgestelde plan. Het bevoegd gezag dat de aanwijzing heeft gegeven stelt de reactieve aanwijzing via het eigen manifest in een eigen dossier beschikbaar, met in de aanwijzing een verwijzing naar het plan waar het zich toe richt. De dossierstatus in voorbereiding eindigt gelijktijdig met het beschikbaar stellen van het vastgestelde bestemmingsplan. Beschikbaar stellen:
  • voorbereidingsbesluit
  • concept plan
  • voorontwerp plan
  • ontwerp plan
vastgesteld Deze dossierstatus wordt toegekend op het moment dat het vastgestelde plan beschikbaar wordt gesteld. Na de beschikbaarstelling van het vastgestelde plan is er beroep tegen het plan mogelijk. De dossierstatus vastgesteld eindigt op het moment dat er bij het bevoegde gezag duidelijkheid is over ingesteld beroep en mogelijke verzoeken om een voorlopige voorziening. De dossierstatus moet nu in het manifest worden gewijzigd naar de actuele waarde en het gewijzigde manifest moet weer beschikbaar worden gesteld. Beschikbaar stellen:
  • vastgesteld plan/
geheel in werking Deze dossierstatus wordt toegekend indien er beroep is ingesteld tegen het vastgestelde plan zonder dat er een verzoek om voorlopige voorziening (vovo) is ingediend of indien dit verzoek is afgewezen. De uitspraak over het eventuele verzoek om voorlopige voorziening wordt door de bronhouder beschikbaar gesteld. De dossierstatus geheel in werking eindigt met de uitspraak in de beroepsprocedure. De dossierstatus moet nu in het manifest worden gewijzigd naar de actuele waarde en het gewijzigde manifest moet weer beschikbaar worden gesteld. Beschikbaar stellen:
  • uitspraak vovo met contour/
deels in werking Deze dossierstatus wordt toegekend als ten gevolge van het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening het plan slechts gedeeltelijk in werking treedt. De uitspraak over het eventuele verzoek om voorlopige voorziening wordt door de bronhouder beschikbaar gesteld. De dossierstatus deels in werking eindigt met de uitspraak in de beroepsprocedure. De dossierstatus moet nu in het manifest worden gewijzigd naar de actuele waarde en het gewijzigde manifest moet weer beschikbaar worden gesteld. Beschikbaar stellen:
  • uitspraak vovo met contour/
niet in werking Deze dossierstatus wordt toegekend als ten gevolge van het toewijzen van een voorlopige voorziening het plan in het geheel niet in werking treedt. De uitspraak over het verzoek om voorlopige voorziening wordt door de bronhouder beschikbaar gesteld. De dossierstatus niet in werking eindigt met de uitspraak in de beroepsprocedure. De dossierstatus moet nu in het manifest worden gewijzigd naar de actuele waarde en het gewijzigde manifest moet weer beschikbaar worden gesteld. Beschikbaar stellen:
  • uitspraak vovo met contour/
geheel onherroepelijk in werking Deze dossierstatus wordt toegekend indien er na vaststelling geen beroep is ingesteld, of indien er wel beroep is ingesteld maar de uitspraak op het beroep niet tot gevolg heeft dat het plan deels of geheel niet in werking treedt. De dossierstatus geheel onherroepelijk in werking eindigt als het plan vervalt. Beschikbaar stellen:
  • uitspraak beroep met contour/
Verwijderen mogelijk:
  • voorbereidingsbesluit
  • concept plan
  • voorontwerp plan
  • ontwerp plan
  • uitspraak beroep met contour/
deels onherroepelijk in werking Deze dossierstatus wordt toegekend indien de uitspraak op het beroep tot gevolg heeft dat het plan deels niet in werking treedt. De dossierstatus deels onherroepelijk in werking eindigt als het plan vervalt. Beschikbaar stellen:
  • uitspraak beroep met contour/
Verwijderen mogelijk:
  • voorbereidingsbesluit
  • concept plan
  • voorontwerp plan
  • ontwerp plan
  • uitspraak vovo met contour/
vervallen Deze dossierstatus wordt toegekend indien het plan door de uitspraak op het beroep of door een nieuw plan is vervallen of indien het plan is ingetrokken. N.B. In dit geval mogen alle stukken door de bronhouder van internet worden verwijderd. Echter, sommige bevoegde gezagen willen deze historische plannen graag elektronisch beschikbaar stellen, daarom is deze status toegevoegd. Verwijderen mogelijk:
  • vastgesteld plan/
  • uitspraak beroep met contour/
geconsolideerd Deze dossierstatus wordt toegekend indien er geconsolideerde plannen beschikbaar worden gesteld door de bronhouder. Dossiers met de status geconsolideerd kunnen alleen geconsolideerde plannen bevatten. De status geconsolideerd is dus geen volgtijdelijke status na de inwerkingtreding. Beschikbaar stellen:
  • geconsolideerd plan/

[^16]: Bij voorkeur wordt een voorbereidingsbesluit samen met een bestemmingsplan in één dossier opgenomen, hoewel het ook mogelijk is om een voorbereidingsbesluit in een apart dossier te plaatsen.

De dossierstatus overgangen voor de bestemmingsplanprocedure zijn samengevat in Figuur 2. In Bijlage 2 is voor het bestemmingsplan de beroepsprocedure verder uitgewerkt. Per stap is aangeven of het bestemmingsplan, dan wel de dossierstatus moet worden aangepast.

Figuur 2 Mogelijke dossierstatus overgangen in bestemmingsplanprocedure

Ook bij de andere instrumenten worden statussen toegekend en vinden overgangen plaats. De keuze is gelijk aan Figuur 2, maar de logische toekenning en betekenis verschilt per instrument.

In de basis kan er een onderscheid worden gemaakt tussen besluiten waartegen beroep mogelijk is en besluiten waartegen dit niet mogelijk is. Voor de volgende instrumenten geldt dat hiertegen geen rechtstreeks beroep mogelijk is:

Voor deze besluiten zonder beroepsmogelijkheid zijn in algemene zin alleen de dossierstatussen van toepassing: in voorbereiding, geheel onherroepelijk in werking, vervallen en geconsolideerd. Dit is mede afhankelijk van de procedure; kent het instrument de mogelijkheid of verplichting een ontwerp ter inzage te leggen of wordt het besluit zonder voorbereidingsprocedure genomen zoals bij het voorbereidingsbesluit. In Figuur 3 is van de ruimtelijke instrumenten anders dan het bestemmingsplan, een overzicht opgenomen. Dit is een inhoudelijke richtlijn; er zijn geen technische beperkingen aangebracht. In Bijlage 1 is hierop een beknopte toelichting gegeven.
Voor besluiten waar wel beroep tegen mogelijk is zijn alle dossierstatussen en beschreven overgangen in Tabel 3 van toepassing; of de dossierstatus 'in voorbereiding' aan de orde is hangt af of er een voorbereidingsprocedure wordt toegepast.


Figuur 3 Ruimtelijke instrumenten met mogelijke en dossierstatussen </dossier> </supplementen> </onderdelen> </onderdelen> </supplementen> </onderdelen> </onderdelen>

6. Authenticiteitskenmerken

De op internet beschikbaar gestelde bronbestanden inclusief manifest en geleideformulier moeten voorzien zijn van een waarmerk waarmee de integriteit, authenticiteit en volledigheid van de bestanden worden gewaarborgd. In dit hoofdstuk worden de normen hiervoor toegelicht.

6.1 Waarmerken

Er zijn drie betrouwbaarheidsaspecten van belang bij het uitwisselen van ruimtelijk instrumenten: integriteit, authenticiteit en volledigheid. Met het waarmerken van alle onderdelen (NB alle bronbestanden die samen het instrument vormen), ontstaat een aantal waarborgen:

Met het waarmerken van het Manifest ontstaat eveneens een aantal waarborgen:

Ruimtelijke instrumenten worden gewaarmerkt met een elektronische handtekening, waarmee de authenticiteit is gewaarborgd en de instrumenten tevens beschermd zijn tegen wijzigen. Voor een elektronische handtekening is een certificaat van PKI-Overheid vereist. Het proces van waarmerken is schematisch weergegeven in Figuur 4.


Figuur 4 Authenticatieproces

6.2 Authenticiteitskenmerken van een individueel instrument

Bronhouders zijn via interne maatregelen zelf verantwoordelijk dat de instrumenten alleen kunnen worden gewaarmerkt door daarvoor geautoriseerde personen en dat steeds de juiste instrumenten beschikbaar gesteld worden.

Afnemers van de ruimtelijk instrumenten moeten de authenticiteit, integriteit en volledigheid van het instrument kunnen vaststellen. Dat betekent dat behalve van de onderdelen afzonderlijk de afnemer ook in de raadpleegomgeving van het instrument moet kunnen controleren wat de status is van het waarmerk van ieder instrument.

6.3 Authenticiteitskenmerken voor de totale instrumentenvoorraad

Vanwege operationele veiligheidseisen is er binnen de landelijke voorziening RO een aantal aanvullende beperkingen van toepassing met betrekking tot het waarmerk binnen Manifest en Geleideformulieren, die vanwege het dynamische karakter niet in de STRI2012 zijn opgenomen. Deze beperkingen zijn als volgt:

Verder zijn alleen de volgende algoritmes zijn toegestaan:
Transform Algorithm:

CanonicalizationMethod Algorithm:

SignatureMethod Algorithm:

DigestMethod Algorithm:

Bovenstaande aanvullende beperkingen dienen verplicht te worden toegepast om te kunnen voldoen aan de eis in het Bro dat de landelijke voorziening in staat moet zijn om de bronbestanden op te kunnen halen.

7. Toegankelijkheid en raadpleegbaarheid

In dit hoofdstuk worden aspecten van de toegankelijkheid en raadpleegbaarheid van het ruimtelijk instrument nader toegelicht.

7.1 Ruimtelijke instrumenten

Als een ruimtelijk instrument eenmaal beschikbaar gesteld is, komt dit op drie manieren tot uitdrukking:

De relaties tussen bestanden, Manifest, digitale verbeelding en hun onderlinge functies en relaties worden weergegeven in Figuur 5.

Figuur 5 Relaties tussen bestanden, Manifest en verbeelding

Nadat alle bestanden waaruit het ruimtelijk instrument is opgebouwd via het internet beschikbaar zijn gemaakt, zullen deze nog niet automatisch kunnen worden gevonden door afnemers. Er zijn twee soorten afnemers:

[^17]: Zie: http://index.ruimtelijkeplannen.nl/


In Figuur 6 is het zoeken en vinden door beide soorten afnemer schematisch weergegeven.

Figuur 6 Zoekproces
Een belangrijk aspect van ieder ruimtelijk instrument is de volledige, toegankelijke raadpleegbaarheid door middel van een cartografische visualisatie die wordt gegenereerd uit de IMRO- / IMWE-bestanden, en die samen met de overige inhoud beschikbaar worden gesteld. Dit wordt de digitale verbeelding van het instrument genoemd. Het beschikbaar maken van een digitale verbeelding is nodig omdat de IMRO- / IMWE-bestanden zelf voor veel afnemers niet direct bruikbaar zullen zijn. De landelijke voorziening RO[^18] is wettelijk verantwoordelijk voor deze raadpleegbaarheid. De bronhouder kan ook zelf een verbeelding verzorgen, bijvoorbeeld op de eigen website. Deze digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving die afgeleid is uit de authentieke informatie. De digitale verbeelding ontsluit de gehele inhoud van het instrument. Voor bestemmingsplannen en inpassingsplannen wordt de digitale verbeelding gemaakt volgens de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012.

[^18]: Zie: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/

De landelijke voorziening RO toont de ruimtelijke instrumenten van de bronhouder ook in onderlinge samenhang. Dit betekent op zijn minst dat de landelijke voorziening RO de volgende vraag moet kunnen beantwoorden: Welke ruimtelijke instrumenten zijn er op moment van bevraging allemaal beschikbaar voor een bepaalde (punt)locatie binnen het grondgebied van een bronhouder?

Naast de verplichting om bestemmingsplannen en inpassingsplannen te verbeelden volgens de SVBP2012, kunnen in aanvulling daar op deze plannen op andere wijze verbeeld worden ten behoeve van toelichting of verduidelijking. Deze aanvullende verbeeldingen hebben een informatief karakter.

7.2 Ondergrond

Op grond van artikel 1.2.4 lid 1 Bro moet bij het besluit tot vaststelling van het ruimtelijke instrument worden aangegeven welke ondergrond is gebruikt. In IMRO2012 is dit uitgewerkt door voor alle ruimtelijke instrumenten het opnemen en invullen van het attribuut ondergrondInfo verplicht te stellen. Hoewel niet wettelijk verplicht, is deze lijn ook gevolgd in IMWE2014. De ondergrond maakt echter geen deel uit van de set van bronbestanden die het ruimtelijke instrument vormen. Om die reden bevat de STRI2012 geen voorschrift over de toegelaten bestandsformaten voor de ondergrond. Daardoor kan een bronhouder ieder willekeurig bestandsformaat voor de ondergrond gebruiken. Dit maakt het uitwisselen en weer gebruiken van ondergronden lastig: niet iedere applicatie kan alle bestandsformaten inlezen. Uitwisselbaarheid van de ondergrond is hierdoor niet gewaarborgd.
Om die reden moet met ingang van IMRO2012 worden gekozen: de bronhouder kiest uit een lijst van ondergronden uit basisregistraties of kiest een eigen ondergrond. Bij het attribuut ondergrondInfo wordt ingevuld welke ondergrond de bronhouder heeft gebruikt.
Op grond van de Wet basisregistratie grootschalige topografie (BGT) is het per 1 juli 2017 voor bestuursorganen verplicht om gebruik te maken van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Een bestuursorgaan kan daar indien nodig gemotiveerd van afwijken.
Wanneer de bronhouder kiest voor het gebruik van een eigen ondergrond, moet deze een duidelijke naam hebben en bij voorkeur een bestandsformaat dat door derden ontvangen en begrepen kan worden. Een lijst van bestandsformaten is opgenomen in Bijlage 3.

Conform IMRO2012 is het bij de ruimtelijke instrumenten alleen mogelijk ondergronden te gebruiken van de volgende basisregistratie(s):

8. Bijlage 1: Mogelijke dossierstatus ruimtelijke instrumenten

In paragraaf 5.7 is met behulp van Figuur 3 aangegeven hoe de dossierstatus in het manifest moet worden toegepast. Bepalend voor welke dossierstatussen bij de verschillende ruimtelijke instrumenten kunnen voorkomen, is of er een voorbereidingsprocedure van toepassing is en of er beroep tegen het ruimtelijke instrument kan worden ingesteld. In deze bijlage wordt kort per instrument aangegeven welke dossierstatussen kunnen voorkomen.

Per instrument volgt een toelichting; er is aangegeven of:

  1. er een ontwerp-besluit ter inzage gelegd moet worden en er zienswijzen ingediend kunnen worden dan wel een andere vorm van voorbereidingsprocedure mogelijk is,

  2. beroep kan worden ingesteld of een bezwaarschrift kan worden ingediend.

Voorbereidingsbesluit
Met dit instrument geeft het bevoegd gezag aan voornemens te zijn een ruimtelijk plan als een bestemmingsplan, inpassingsplan, provinciale verordening of AMvB op te stellen.

  1. Het voorbereidingsbesluit wordt genomen. Er is geen voorbereidingsprocedure. Er wordt geen ontwerp-besluit ter inzage gelegd en er kunnen er geen zienswijzen ingediend worden.
  2. Tegen het voorbereidings­besluit kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Door het ontbreken van een voorbereidingsprocedure en doordat het voorbereidingsbesluit direct na het nemen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.

Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan medewerking verlenen aan een aanvraag die in strijd is met een be­stemmingsplan of een beheersverordening door met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

  1. Er wordt een ontwerp-besluit ter inzage gelegd waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend.
  2. Tegen een verleende omgevingsvergunning (en een eventueel daarbij behorend exploitatieplan) kan beroep en vervolgens hoger beroep worden ingesteld.

De mededeling (kennisgeving in de Staatscourant) van een met artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wabo verleende omgevingsvergunning, dient op basis van artikel 6.14 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) ook langs elektronische weg plaats te vinden overeenkomstig de eisen die hiervoor worden gegeven in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Hierdoor kent het gebiedsgerichte besluit ‘omgevingsvergunning’ alleen de planstatus vastgesteld. De dossierstatus 'in voorbereiding' komt derhalve bij de omgevingsvergunning niet voor, de overige dossierstatussen wel. Van een eventueel bij deze omgevingsvergunning behorend exploitatieplan moet wel een ontwerp-plan langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld, waardoor het exploitatieplan wel de dossierstatus 'in voorbereiding' kent.

Exploitatieplan / bestemmingsplan
Als het exploitatieplan wordt vast­gesteld, dan wordt het gelijktijdig bekend­gemaakt met een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o Wabo. Het exploitatieplan doorloopt dezelfde procedure als het bestemmingsplan waar het bij hoort. De procedure van de omgevingsvergunning is hiervoor al besproken. Procedure bestemmingsplan en daarbij behorend exploitatieplan:

  1. Er wordt een ontwerp-besluit ter inzage gelegd waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend; bij het bestemmingsplan kan deze fase worden voorafgegaan door het verlenen van inspraak op een terinzagegelegd voorontwerp.
  2. Tegen een vastgesteld bestemmingsplan en een exploitatieplan kan beroep worden ingesteld.

Bij het bestemmingsplan en het exploitatieplan komen alle dossierstatussen voor.

Beheersverordening
De beheersverordening is een instrument dat gemeenten in plaats van een bestemmings­plan kunnen inzetten. De beheersverordening is vergelijkbaar met andere verordeningen die een gemeente kan vast­stellen.

  1. Er wordt geen ontwerp-besluit ter inzage gelegd en het indienen van zienswijzen is niet mogelijk; wel kan afhankelijk van de gemeentelijke inspraakverordening het verlenen van inspraak vereist zijn.
  2. Tegen de beheersverordening kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Door de mogelijkheid van een voorbereidingsprocedure en doordat de beheersverordening direct na het vaststellen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'in voorbereiding' en 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.

Structuurvisie
Gemeenten, provincies en het rijk stellen een of meer structuurvisies vast. In een structuurvisie worden de hoofdzaken van het te voeren ruimtelijk beleid vastgelegd.

  1. Er wordt geen ontwerp-besluit ter inzage gelegd en het indienen van zienswijzen is niet mogelijk; wel kan afhankelijk van de inspraakverordening het verlenen van inspraak vereist zijn.
  2. Tegen de structuurvisie kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Door de mogelijkheid van een voorbereidingsprocedure en doordat de structuurvisie direct na het vaststellen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'in voorbereiding' en 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.

Proactieve en reactieve aanwijzing
Proactieve aanwijzing: De provincie en het rijk kunnen aan een gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

  1. Er wordt een ontwerp-besluit ter inzage gelegd waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend.
  2. Tegen de proactieve aanwijzing kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend, tenzij,de proactieve aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is, dan is er wel beroep mogelijk.

Doordat er een voorbereidingsprocedure geldt en er gevallen zijn waarin beroep kan worden ingesteld tegen de proactieve aanwijzing kent de proactieve aanwijzing alle dossierstatussen.

Reactieve aanwijzing: Met een reactieve aanwijzing kunnen een provincie dan wel het rijk onderdelen van een bestemmingsplan niet in werking laten treden.

  1. Er wordt geen ontwerp-besluit ter inzage gelegd en het indienen van zienswijzen is niet mogelijk.
  2. Tegen de reactieve aanwijzing kan beroep worden ingesteld.

Door het ontbreken van een voorbereidingsprocedure en doordat het mogelijk is tegen een reactieve aanwijzing beroep in te stellen kent de reactieve aanwijzing alle dossierstatussen met uitzondering van de status 'in voorbereiding'.

Provinciale verordening
Een provinciale verordening bevat algemeen verbindende voorschriften.

  1. Er wordt een ontwerp-besluit ter inzage gelegd waarover opmerkingen ter kennis van provinciale staten kunnen worden gebracht.
  2. Tegen de provinciale verordening kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Doordat er een voorbereidingsprocedure geldt en de provinciale verordening direct na het vaststellen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'in voorbereiding', ‘vastgesteld’, 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.

AMvB
Een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is een besluit van de regering. Hierin is de inhoud van een wet verder uitgewerkt. Een AMvB bevat algemeen verbindende voorschriften.

  1. Er wordt een ontwerp-besluit ter inzage gelegd waarover opmerkingen ter kennis van de minister kunnen worden gebracht.
  2. Tegen de AMvB kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Doordat er een voorbereidingsprocedure geldt en de AMvB direct na het vaststellen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'in voorbereiding', 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.

Welstandsnota
Gemeenten kunnen één of meer welstandsnota’s vaststellen. In een welstandsnota wordt het te voeren welstandsbeleid vastgelegd middels beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast.

  1. Er wordt een ontwerp-welstandsnota ter inzage gelegd waartegen zienswijzen of inspraakreacties kunnen worden ingediend.
  2. Tegen de vastgestelde welstandsnota kan geen beroep worden ingesteld en geen bezwaarschrift worden ingediend.

Door de mogelijkheid van een voorbereidingsprocedure en doordat de welstandsnota direct na het vaststellen ervan onherroepelijk wordt, kent het uitsluitend de dossierstatussen 'in voorbereiding' en 'geheel onherroepelijk in werking', 'vervallen' en 'geconsolideerd'.’

9. Bijlage 2: Werkwijze gerechtelijke uitspraken

Wanneer moet welke dossierstatus worden toegepast en wat moet er nu gedaan worden met de rechterlijke uitspraak? Eenvoudige vragen met complexe antwoorden. Deze bijlage geeft we hier zoveel mogelijk antwoord op.

9.1 Inleiding

Al geruime tijd draagt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een deel van haar uitspraken van de Ruimtelijke ordeningskamer bestuursorganen op om bepaalde aanpassingen binnen een in de uitspraak bepaalde termijn in het digitale bestemmingsplan te verwerken dan wel om voor onderdelen een nieuw besluit te nemen. Bij het werken met de RO Standaarden 2012 wordt nu ook gebruik gemaakt van het gebiedsgerichte besluit ‘gerechtelijke uitspraak’, waarmee de uitspraken van de Raad van State digitaal beschikbaar worden gesteld. Daarnaast geven de bronhouders met behulp van de dossierstatus aan welke status het ruimtelijke plan heeft.
Bij de behandeling van beroepen en voorlopige voorzieningen kunnen zich veel verschillende situaties voordoen. Er is gebleken dat er behoefte is aan meer duidelijkheid bij de werkwijze. Een technische toelichting – hoe te werken met de RO Standaarden – is om deze reden opgenomen in de PRTRI2012.
De hier beschreven werkwijze is een concrete toepassing van de RO Standaarden in combinatie met de wet- en regelgeving op dit gebied. In enkele gevallen zijn er meerdere oplossingen mogelijk. In deze gevallen geeft deze bijlage dan een aanbeveling. Dit is

gemarkeerd

weergegeven.
De meest voorkomende situaties van uitspraken zijn opgenomen en beschreven: moet de uitspraak wel/ niet beschikbaar worden gesteld, wordt het bestemmingsplan aangepast en welke dossierstatus is van toepassing?

9.2 Leeswijzer

In paragraaf 0 van deze bijlage is samengevat welke informatie aan het gebiedsgerichte besluit ‘gerechtelijke uitspraak’ wordt gekoppeld. In paragraaf 9.4 van deze bijlage is beschreven welke dossierstatus het bestemmingsplan krijgt in de fase voorafgaand aan de uitspraak op beroep, waarbij ook rekening is gehouden met de mogelijkheid dat een reactieve aanwijzing is gegeven:

Vervolgens zijn in paragraaf 9.5 van deze bijlage per type uitspraak de acties voor de bronhouder/ bestuursorgaan uitgewerkt:

9.3 Gebiedsgericht besluit: gerechtelijke uitspraak

In hoofdstuk 5 van de Prakrijkrichtlijn Gebiedsgerichte Besluiten PRGB2012 is een nadere toelichting gegeven: welke informatie moet conform de RO Standaarden worden meegenomen bij het maken van dit gebiedsgerichte besluit. De informatie in de PRGB2012 is beknopt en daarom in deze werkwijze nogmaals op een rij gezet.

Uitgangspunt en aanbeveling voor het gebruik van de RO Standaarden is dat de gerechtelijke uitspraak (conform RO Standaarden) beschikbaar wordt gesteld door het bestuursorgaan dat het besluit waarover de gerechtelijke uitspraak gaat heeft genomen.

9.4 Traject voorafgaand aan uitspraak

9.5 Traject na uitspraak

Bij afronding van de procedure heeft het bestuursorgaan de keuze om de planversies met de planstatus: concept, voorontwerp en ontwerp uit het manifest te verwijderen dan wel ze te laten staan.

10. Bijlage 3: Ondergronden

Ruimtelijke instrumenten dienen te worden gemaakt en vastgesteld op een ondergrond in RD-coördinaatstelsel. De ondergrond waarop het plan is vastgesteld maakt echter geen deel uit van de set van bronbestanden. De bronhouder moet desgewenst het plan wel kunnen tonen op de ondergrond waarop het is vastgesteld en moet tevens deze ondergrond kunnen aanleveren aan de Raad van State bij geschillen. De landelijke voorziening Ruijmtelijkeplannen.nl toont het plan niet op de ondergrond waarop het is vastgesteld, maar toont het plan op een algemene en actuele ondergrond ter oriëntatie. In deze bijlage is aangegeven welke bestandsformaten kunnen worden gebruikt voor de ondergronden.

10.1 Mogelijke bestandsformaten ondergrond

Wanneer de bronhouder kiest voor het gebruik van een eigen ondergrond, moet deze een duidelijke naam hebben en bij voorkeur een bestandsformaat dat door derden ontvangen en begrepen kan worden. Ondergronden die zijn gebruikt bij het nemen van besluiten over ruimtelijke instrumenten, kunnen in een van de volgende formaten bij het instrument worden opgeslagen. Dit bestand is hetzelfde bestand waaraan wordt gerefereerd bij het attribuut ondergrondInfo bij het plangebied van het betreffende ruimtelijke instrument. Het doel hiervan is de uitwisselbaarheid van deze ondergronden te verbeteren. De Raad van State schrijft één van de onderstaande bestandsformaten voor:

[^20]: AutoCAD© DXF: voor AutoCAD 13, 14 en 2000 – 2012,
http://usa.autodesk.com/adsk/servlet/item?siteID=123112&id=12272454&linkID=10809853
[^21]: ESRI© shape: july 1998,
http://www.esri.com/library/whitepapers/pdfs/shapefile.pdf

Waarbij geldt:

10.2 Toelichting