Basisregistratie Ondergrond Catalogus Overheidsbesluit bodemverontreiniging

Versie 1.0

BRO Informatiemodel
Vastgestelde versie

Hiervoor geldt nog geen gebruiks- en terugmeldplicht als bedoeld in artikelen 27 en 30 van de Wet Bro (zie paragraaf 2.9)

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/def-im-sld-20240925
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/sld/
Laatste werkversie:
https://broprogramma.github.io/SLD/
Vorige versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/vv-im-sld-20240613
Redacteurs:
SIKB (SIKB)
Geonovum (Geonovum)
Auteurs:
SIKB (SIKB)
Geonovum (Geonovum)
Doe mee:
GitHub BROprogramma/SLD
Dien een melding in
Revisiehistorie
Pull requests

Samenvatting

Dit document beschrijft de definitie van het registratieobjecttype overheidsbesluit bodemverontreiniging, met een algemene toelichting.

Status van dit document

Dit is de definitieve versie van dit document. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd.

1. Inleiding

Dit onderdeel is niet normatief.

1.1 Leeswijzer

Hoofdstuk 1 geeft het doel en de doelgroep van een catalogus.

Hoofdstuk 2 behandelt enkele algemene aspecten van het BRO-systeem en begrippen van algemene aard.

Hoofdstuk 3 plaatst het object in de gegevenssystematiek van de basisregistratie ondergrond en vertelt wat de benadering is geweest bij het opstellen van de gegevensdefinitie.

Hoofdstuk 4 is de toelichting op de gegevensdefinitie van het registratieobject die in de ministeriële regeling is opgenomen.

Hoofdstuk 5 vertelt hoe de gegevensdefinitie is opgebouwd en welke aspecten van de gegevens daarin worden beschreven.

Hoofdstuk 6 geeft de inhoud weer van het eerste artikel van de ministeriële regeling en dat is het deel waarin de definitie is opgenomen van het registratieobject, van de delen waaruit het is opgebouwd, de entiteiten, en van de eigenschappen van die delen, de attributen.

Hoofdstuk 7 geeft de inhoud weer van het tweede artikel van de ministeriële regeling en dat is het deel waarin de uitbreidbare waardelijsten staan waarnaar in hoofdstuk 6 verwezen wordt.

1.2 Doel en doelgroep

In de basisregistratie ondergrond (BRO) wordt een aantal typen gegevens geregistreerd, de registratieobjecten.

Een catalogus is de gegevensdefinitie van een registratieobject en beschrijft welke gegevens van het object in de BRO zijn opgeslagen. Het document is bedoeld voor alle gebruikers van de BRO en moet duidelijk maken welke gegevens er precies in het systeem zitten. Aan aanleverende partijen moet het vertellen welke gegevens in de basisregistratie ondergrond moeten komen en aan welke eisen die moeten voldoen, en aan afnemende partijen welke gegevens zij in de basisregistratie ondergrond mogen verwachten. Het document is voor een breed publiek bedoeld en de informatie moet naast precies ook begrijpelijk zijn.

1.3 Totstandkoming

Een catalogus is het resultaat van een proces van standaardisatie dat geruime tijd in beslag kan nemen. De standaardisatie is een open proces waarin de belanghebbende partijen actief betrokken worden. Het eindresultaat wordt door de wetgever vastgesteld in een ministeriële regeling.

In bepaalde gevallen is de verscheidenheid aan gegevens van een object zo groot, dat er eerst deelverzamelingen worden gedefinieerd. Het standaardisatieproces wordt dan per deelverzameling doorlopen. De deelverzamelingen worden zo gekozen dat de gegevens die in de bijbehorende catalogus worden beschreven, direct na vaststelling aan de BRO kunnen worden aangeleverd. Wanneer er deelverzamelingen worden onderscheiden, komt de catalogus van het registratieobject dus gefaseerd tot stand. Omdat inzichten in de loop van de tijd kunnen wijzigen kan het aan het eind van het hele proces nodig blijken revisies door te voeren om ongewenste verschillen tussen deelverzamelingen weg te nemen.

1.4 Beheer

Een vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) wordt met het daarbij horende deel van het systeem van de basisregistratie ondergrond in gebruik genomen. De eerste formeel vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) krijgt het versienummer 1.0. Verwacht mag worden dat er na enige tijd behoefte gaat ontstaan aan gegevens die nog niet in de catalogus zijn opgenomen.

De beheerder hanteert drie typen versies voor een wijziging van een standaard. Bijvoorbeeld: versie 2.1.0 (=X.Y.Z):

In een jaar waarin een X-wijziging plaats vindt zullen er op hetzelfde registratieobject geen Y-wijzigingen plaatsvinden. Als er een X- of een Y-wijziging in een jaar aan de orde is, wordt er geen Z-wijziging gepland. De versie van de catalogus met inleiding (zoals hier gepubliceerd) volgt voor de normatieve stukken volledig de versie op wetten.nl. Wijzigingen aan niet normatieve teksten in dit document vallen altijd onder Z-wijzigingen en zullen maximaal 2 keer per jaar plaatsvinden.

2. Algemene kenmerken en begrippen

Dit onderdeel is niet normatief.

2.1 Opzet van de landelijke voorziening

De landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond is een systeem dat een schakel vormt in een informatieketen. Aan het begin van de keten staan bestuursorganen die opdracht geven tot de productie van gegevens, of zelf gegevens produceren. Die bestuursorganen worden bronhouders genoemd. De geproduceerde gegevens worden door een dataleverancier geleverd aan de beheerder van het systeem, de registerbeheerder. De bronhouder is verantwoordelijk voor de levering van gegevens. Hij kan besluiten zelf dataleverancier te zijn of andere partijen een machtiging voor levering te verlenen. De beheerder van de landelijke voorziening van de BRO registreert de aangeleverde gegevens en levert ze voor (her)gebruik door aan allerlei afnemers.

De opzet van het systeem moet begrepen worden vanuit de verantwoordelijkheden die in de keten zijn belegd. De aangeleverde gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de bronhouder en de registerbeheerder mag die gegevens niet veranderen. De registerbeheerder moet echter wel gegevens toevoegen om het systeem te kunnen beheren en hij kan gegevens toevoegen om de afnemers goed van dienst te kunnen zijn.

Bij wet is geregeld dat de basisregistratie ondergrond zo wordt opgezet dat er onderscheid bestaat tussen de gegevens die aan de registerbeheerder zijn aangeleverd en de gegevens die de registerbeheerder aan de afnemers verstrekt. Het systeem valt uiteen in twee grote deelsystemen, het register brondocumenten ondergrond en de registratie ondergrond (Figuur 1).

Een geheel van gegevens dat door of onder verantwoordelijkheid van een bronhouder wordt aangeleverd, wordt een brondocument genoemd. De brondocumenten worden in het register brondocumenten ondergrond opgeslagen. De gegevens uit de brondocumenten worden samen met de gegevens die de registerbeheerder toevoegt in de registratie ondergrond vastgelegd. De registratie ondergrond is het deelsysteem dat gebruikt wordt voor uitgifte.

Figuur 1 De twee grote deelsystemen van de landelijke voorziening van de BRO.

Met deze opzet verkrijgt het systeem de nodige flexibiliteit. Zo kan een object in de registratie ondergrond gegevens bevatten die uit meer dan één brondocument afkomstig zijn en bij uitgifte kunnen gegevens van verschillende objecten met elkaar gecombineerd worden. Ook is het mogelijk met het brondocument gegevens op te slaan die alleen voor de bronhouder en de aanleverende partij van belang zijn.

De catalogus dekt alle gegevens die opgenomen zijn in de registratie ondergrond. Verreweg de meeste gegevens komen uit de brondocumenten die de dataleverancier aanlevert en een paar gegevens komen voort uit de overdracht van een brondocument aan de registerbeheerder. Aan de aangeleverde gegevens worden enkele gegevens door de registerbeheerder toegevoegd. Als een gegeven is toegevoegd door de BRO wordt dat in de beschrijving expliciet vermeld.

Alle gegevens in de registratie ondergrond worden uitgegeven, maar niet alle afnemers kunnen alle gegevens geleverd krijgen. De gegevens die niet aan alle afnemers worden uitgeleverd zijn de gegevens die alleen nodig zijn in de communicatie tussen de registerbeheerder enerzijds en de dataleveranciers en bronhouders anderzijds.

2.2 Registratieobject

Het registratieobject is dé eenheid in de data-architectuur van de basisregistratie ondergrond. Voor de registerbeheerder is het de elementaire bouwsteen van het systeem dat hij moet beheren.

Een registratieobject verwijst naar een eenheid van informatie die onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder valt en die met een bepaald doel is of wordt gemaakt. Het is in directe of indirecte zin gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een registratieobject een plaats op het aardoppervlak heeft of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een plaats op het aardoppervlak.

Een registratieobject is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd gedefinieerd. Het leven van een registratieobject begint op het moment dat de gegevens zijn geregistreerd en dat is zo kort mogelijk nadat de gegevens zijn geproduceerd. De levensduur van een registratieobject, en de veranderlijkheid van de gegevens verschilt van object tot object. Een grondwatermonitoringput kan tientallen jaren gebruikt worden voor het meten van grondwaterstanden en in de periode kunnen er nieuwe gegevens ontstaan. Dat betekent dat de gegevens van de put in de registratie ondergrond gedurende zijn hele levensduur bijgewerkt moeten kunnen worden. Aan de andere kant van het spectrum staan de objecten waarvan alle gegevens in een keer worden vastgelegd. Geotechnisch sondeeronderzoek is daar een voorbeeld van. Sondeeronderzoek is eenmalig onderzoek en het resultaat ervan kan al na een of enkele dagen aan de bronhouder worden overhandigd.

2.3 Registratiedomein

Registratieobjecten worden in de basisregistratie ondergrond gegroepeerd in domeinen. Vooralsnog worden zes domeinen onderscheiden:

De domeinen zijn vanuit het oogpunt van beheer van belang voor de ordening van het systeem. Daarnaast zijn zij nuttig in de communicatie met de partijen die bij de realisatie van het systeem betrokken zijn.

2.4 Kwaliteitsregime

In de basisregistratie ondergrond worden niet alleen gegevens geregistreerd die dateren van na de datum waarop de wet van kracht is geworden. Ook oudere gegevens zullen in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen. De noodzaak daartoe ligt in de Wet basisregistratie ondergrond verankerd. Die schrijft voor dat de gegevens uit de eerder bestaande systemen DINO en BIS zo veel mogelijk naar de BRO moeten worden overgezet. Verder staat de wet toe dat bronhouders tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet historische gegevens ter registratie mogen aanbieden.

Historische gegevens kunnen niet altijd voldoen aan de strikte regels die de BRO stelt. Zo kan het voorkomen dat voor gegevens die volgens de strikte regels van de BRO verplicht zijn, geen waarde bekend is. Om de verwerking van de twee categorieën gegevens naast elkaar mogelijk te maken, worden twee kwaliteitsregimes gehanteerd. Voor de aanlevering van gegevens volgens de strikte regels geldt het IMBRO-regime. Bij de aanlevering van historische gegevens wordt geaccepteerd dat een aantal formeel verplichte gegevens geen waarde heeft. Voor deze gegevens wordt het IMBRO/A-regime gehanteerd en dat kent dus minder strikte regels.

De introductie van de twee kwaliteitsregimes geeft de bronhouder gedurende een bepaalde periode een zekere mate van vrijheid. Het kan bijvoorbeeld praktisch blijken het IMBRO/A-regime te hanteren voor gegevens die weliswaar pas na de datum waarop de wet in werking is getreden zijn geproduceerd maar die voortkomen uit opdrachten die al voor die datum zijn gegeven. Ook kan het voorkomen dat historische gegevens wel aan alle strikte voorwaarden voldoen en dan is het wenselijk de gegevens onder IMBRO-regime aan te leveren.

De periode waarin de bronhouders die vrijheid hebben wordt de transitieperiode genoemd. Over de duur van de transitieperiode zijn nog geen afspraken gemaakt. Na afloop van de transitieperiode kan alleen onder het strikte IMBRO-regime worden aangeleverd.

2.5 Formele en materiële geschiedenis

De basisregistratie ondergrond maakt deel uit van een stelsel van basisregistraties. Binnen het stelsel maakt men onderscheid tussen de materiële geschiedenis en de formele geschiedenis van een object.

Het begrip materiële geschiedenis wordt gebruikt om de veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid aan te duiden. De materiële geschiedenis van een object wordt, voor zover relevant, in de registratie ondergrond vastgelegd. Niet alle registratieobjecten hebben een materiële geschiedenis, alleen de objecten met een levensduur, zoals de grondwatermonitoringput.

Het begrip formele geschiedenis wordt gebruikt voor de veranderingen van eigenschappen van een object in de registratie zelf. De meeste van die veranderingen gaan terug op een verandering van eigenschappen in de werkelijkheid, en de formele geschiedenis geeft aan wanneer de veranderingen in het systeem geregistreerd zijn. De formele geschiedenis kent ook gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van een verandering in de werkelijke eigenschappen van een object. Die gebeurtenissen hebben betrekking op correcties. Het kan gebeuren dat een bronhouder erachter komt dat er een onjuiste waarde was geregistreerd en dan zorgt hij ervoor dat die verbeterd wordt. De registratie van de verbetering is een formele gebeurtenis.

Alle registratieobjecten hebben een formele geschiedenis en die wordt in de registratie ondergrond globaal vastgelegd in de registratiegeschiedenis van het object. Globaal wil zeggen dat de registratie ondergrond alleen een overzicht van de formele geschiedenis geeft. Voor de details moet het register brondocumenten ondergrond worden geraadpleegd.

Bij correctie wordt het betreffende gegeven in de registratie ondergrond overschreven en is de oude waarde van het gegeven niet meer direct beschikbaar voor de afnemers. Zou een afnemer toch willen weten wat de eerdere foute waarde was, dan moet hij het register brondocumenten ondergrond raadplegen.

2.6 Coördinaten en referentiestelsels

De registratieobjecten van de basisregistratie ondergrond zijn gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een object zelf een plaats op het aardoppervlak, een locatie, heeft, of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een locatie. Afhankelijk van het type registratieobject, wordt de locatie geregistreerd als een punt, een lijn of een vlak.

De locatie is de horizontale positie van een object. Voor bepaalde objecten is het voldoende dat alleen die horizontale positie wordt vastgelegd, maar voor veel objecten is ook de verticale positie van belang.

Posities worden vastgelegd in coördinaten en die zijn gedefinieerd in een bepaald referentiestelsel.

Er zijn verschillende typen referentiestelsels. Zo spreekt men van horizontale referentiestelsels (2D), verticale referentiestelsels (1D), gecombineerde referentiestelsels (2D, 1D) en werkelijke 3D referentiestelsels. In Nederland worden de horizontale en de verticale component van een positie in een afzonderlijk stelsel uitgedrukt. Het is vandaag de dag mogelijk met gps een positie in een 3D-referentiestelsel vast te leggen, maar de wens over te stappen op het gebruik van 3D is nog door geen van de partijen die betrokken zijn bij de basisregistratie ondergrond naar voren gebracht.

2.6.1 Referentiestelsels voor de horizontale positie

In Nederland zijn traditioneel verschillende referentiestelsels voor de horizontale positie in gebruik. In 2009, bij de eerste voorbereidingen voor de totstandkoming van de basisregistratie ondergrond, is al vastgesteld dat de verscheidenheid aan referentiestelsels de basisregistratie ondergrond voor problemen stelt omdat de registratie dan niet gemakkelijk op een eenduidige manier bevraagd kan worden. In de registratie ondergrond worden namelijk zowel gegevens met een locatie op land als gegevens met een locatie op zee geregistreerd. In de toenmalige praktijk werden op land en op zee verschillende stelsels gebruikt. Op land werd RD gebruikt en op zee waren verschillende stelsels in gebruik, waarvan WGS84 de belangrijkste was.

In 2009 was ook al bekend dat de Europese kaderrichtlijn INSPIRE de lidstaten vraagt de gegevens in Europa in één referentiestelsel uit te gaan wisselen, te weten in ETRS89. Met dat in gedachten, is het besluit genomen het BRO-systeem zo in te richten dat de registratie bevraagd gaat worden in ETRS89.

Het besluit wordt ondersteund door ontwikkelingen in Nederland. Sinds 2013 wordt er door de drie belangrijkste autoriteiten in Nederland op het gebied van referentiestelsels, het Kadaster, de Dienst der Hydrografie en Rijkswaterstaat, gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe afspraken. Die afspraken moeten in lijn zijn met Europese afspraken en leiden tot heldere en eenduidige transformatieprocedures tussen referentiestelsels. Concreet betekent dit dat in Nederland op termijn het ETRS89-stelsel als standaard zal worden gehanteerd voor het uitwisselen van geo-informatie.

Het besluit betekent niet dat de gegevens ook in ETRS89 aangeleverd moeten worden. De basisregistratie ondergrond voorziet een periode van transitie waarin de aanleverende partijen zelf bepalen wanneer zij overstappen op ETRS89. Die periode zal naar verwachting jaren duren. Om de transitie te ondersteunen hanteert de basisregistratie ondergrond de volgende spelregels:

  • Gegevens mogen in een beperkt aantal referentiestelsels worden aangeleverd (RD, WGS84 en ETRS89).
    • Voor locaties op land wordt alleen RD of ETRS89 toegestaan.
      (WGS84 is niet geschikt voor nauwkeurige toepassingen, bij wijze van uitzondering wordt binnen het domein milieukwaliteit WGS84 op land toegestaan)
    • Voor locaties op zee wordt alleen WGS84 of ETRS89 toegestaan.
  • De aangeleverde coördinaten worden in de registratie opgeslagen.
  • De aangeleverde coördinaten worden door de basisregistratie ondergrond getransformeerd naar het ETRS89 referentiestelsel.
  • De getransformeerde coördinaten worden naast de aangeleverde coördinaten opgeslagen.
  • Bij de getransformeerde coördinaten wordt ook een identificatie van de gebruikte transformatiemethode opgeslagen.
  • Als de coördinaten in ETRS89 zijn aangeleverd, dan staat bij aangeleverde en getransformeerde positie dezelfde informatie. Voor de locatie worden de getransformeerde coördinaten en de aangeleverde coördinaten beide aan de afnemers verstrekt.

2.6.2 Referentiestelsels voor de verticale positie

In Nederland zijn voor verticale posities op land en zee verschillende referentiestelsels in gebruik. Op land wordt NAP gebruikt. Op zee is het in de voor de BRO relevante werkvelden gebruikelijk posities uit te drukken t.o.v. het gemiddeld zeeniveau (MSL, Mean Sea Level), maar posities t.o.v. LAT komen ook voor (Lowest Astronomical Tide). Dit laatstgenoemde stelsel wordt in de kaderrichtlijn INSPIRE genoemd als het stelsel van voorkeur voor het uitdrukken van verticale posities op zee. De basisregistratie ondergrond staat daarom op zee het gebruik van LAT naast MSL toe. Aangeleverde verticale posities worden door de BRO niet getransformeerd.

2.7 Gegevens op land en op zee

De basisregistratie ondergrond bevat gegevens over de ondergrond van Nederland en zijn zgn. Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het van belang te weten of de locatie van een object op zee of op land ligt.

Als scheidingslijn tussen land en zee wordt in de basisregistratie ondergrond de UNCLOS-basislijn gehanteerd. Het beheer van de basislijn valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst der Hydrografie van het ministerie van Defensie. Deze dienst voert die taak uit op basis van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties uit 1982, dat in het Engels de United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) heet. De basislijn is opgebouwd uit de nulmeterdieptelijn zoals weergegeven op de zeekaarten en enkele rechte basislijnen die onder meer de monding van de Westerschelde en de wateren tussen de Waddeneilanden afsluiten.

De grens tussen land en zee is veranderlijk. De Dienst der Hydrografie stelt de grens opnieuw vast wanneer daartoe voldoende aanleiding is. De BRO hanteert bij inname de meest recente versie van de UNCLOS-basislijn en controleert daarmee of de juiste referentiestelsels gebruikt worden.

Tussen het moment waarop de locatie van een object wordt bepaald en het moment waarop het gegeven in de basisregistratie ondergrond wordt vastgelegd verloopt enige tijd. In die periode kan de positie van de UNCLOS-basislijn opnieuw zijn vastgesteld, en dan ontstaat er een discrepantie die bij het aanleveren van gegevens tot problemen kan leiden. Wanneer een dergelijk probleem zich voordoet, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met betrekking tot de begrenzing van Nederland, met name van het Nederlands territoir. De grenzen van Nederland worden ieder jaar op 1 januari vastgesteld door het Kadaster en vastgelegd in de basisregistratie kadaster. De BRO controleert bij inname of een object in het gebied ligt dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat, en hanteert daarbij de actuele grenzen. Ook bij problemen die te herleiden zijn tot een verandering in de begrenzing van Nederland, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Binnen het domein Mijnbouwwet wordt de scheidingslijn tussen land en zee niet bepaald door de UNCLOS-basislijn, maar door een over zee lopende lijn die is vastgelegd in een bijlage bij de Mijnbouwwet. In de registratie ondergrond wordt deze lijn aangeduid als mijnbouwgrens. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het binnen het domein Mijnbouwwet van belang te weten of de locatie van een object aan landzijde of aan zeezijde van de mijnbouwgrens ligt. Waar in voorgaande paragrafen ‘op land’ en ‘op zee’ is genoemd, houdt dat binnen het domein Mijnbouwwet in: aan landzijde respectievelijk aan zeezijde van de mijnbouwgrens.

2.8 Nauwkeurigheid van meetwaarden

Voor zinvol gebruik van gegevens met een gemeten, berekende of anderszins bepaalde waarde is het noodzakelijk dat de nauwkeurigheid van die gegevens bekend is.

Het begrip nauwkeurigheid laat zich in deze context het best omschrijven als de juistheid van een gemeten of berekende waarde. In de meeste processen waarin de waarde van een gegeven wordt bepaald, kan de afwijking van de daadwerkelijke waarde slechts via een kalibratie- of statistisch proces worden verkregen. Het resultaat omvat dan niet alleen een van de mogelijke realisaties van een meetwaarde maar ook informatie over de mogelijke spreiding van de meetwaarden.

De basisregistratie ondergrond gaat ervan uit dat de producenten van gegevens de metingen en berekeningen uitvoeren binnen een stelsel van afspraken dat binnen het desbetreffende werkveld is vastgelegd. Uitgangspunt is dat ook de eisen waaraan de gegevens op het gebied van nauwkeurigheid moeten voldoen in afspraken zijn vastgelegd. Dat kunnen praktische werkafspraken zijn, maar ook afspraken die vertaald zijn naar ISO- en NEN-normen. In de catalogus wordt in beginsel verwezen naar die normen. Waar deze normen niet voorzien in afspraken over de nauwkeurigheid, stelt de basisregistratie ondergrond hieraan specifieke eisen. Deze zijn dan vermeld in de catalogus.

2.9 Authentiek gegeven

In de Wet basisregistratie ondergrond is een aantal gegevens expliciet als authentiek aangeduid. Dit wordt in de catalogus nader uitgewerkt; verreweg de meeste gegevens zijn authentiek.

Met de aanduiding authentiek wordt, zoals geformuleerd in de memorie van toelichting op de wet, tot uitdrukking gebracht dat:

  1. Het gegeven in samenhang met andere gegevens door een groot aantal bestuursorganen in verschillende processen wordt gebruikt en derhalve bestemd is voor informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen;
  2. de verantwoordelijkheid voor betrouwbaarheid van het gegeven eenduidig geregeld is;
  3. het gegeven onderworpen is aan intern en extern kwaliteitsonderzoek, en
  4. het gegeven zich leent voor verplicht gebruik door bestuursorganen en eenmalige verstrekking door burgers en bedrijven aan de overheid.

In de praktijk mag een gebruiker van de gegevens ervan uitgaan dat alle gegevens correct zijn. De catalogus moet de gebruiker alle informatie geven die voor een goed begrip daarvan nodig is. Heeft een gebruiker echter gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven dan wordt verwacht dat hij de registerbeheerder daarvan op de hoogte brengt. Bestuursorganen zijn, bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven (of het ontbreken ervan), zelfs verplicht daarvan melding te maken.

Voor alle gegevens is aangegeven of ze authentiek zijn. Ook is voor alle gegevens aangegeven of ze aanwezig moeten zijn en een waarde moeten hebben. Dat laat zien dat er gegevens kunnen zijn die authentiek zijn maar geen waarde hoeven te hebben. Juist omdat er verplichtingen gelden t.a.v. authentieke gegevens, vraagt dit om een korte toelichting. Wanneer een authentiek gegeven geen waarde heeft moet de gebruiker ervan uitgaan dat het gegeven niet is geproduceerd. Dat geval kan zich uiteraard alleen voordoen wanneer er vrijheid van beslissen bestaat bij de bronhouder of de producent. Voor de duidelijkheid, als er wel een waarde is dan moet die ook in de BRO worden opgenomen. Bij gerede twijfel over het ontbreken van een waarde, moet een bestuursorgaan dat melden.

3. Milieukwaliteit

Dit onderdeel is niet normatief.

3.1 Algemeen

Het domein milieukwaliteit betreft het vakgebied dat gaat over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem wordt bepaald door de aanwezigheid (of afwezigheid) van verontreinigende (veelal) chemische stoffen in de bodem. Binnen het domein milieukwaliteit wordt de landbodem inclusief de (voormalige) drogere oevergebieden en bestaande uit zowel grond als grondwater, beschouwd als de bodem. De kwaliteit van waterbodem valt buiten de scope van dit domein.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er in Nederland richtlijnen voor het uitvoeren van onderzoek naar eventuele bodemverontreiniging en is de aanpak van bodemverontreiniging vastgelegd in wet- en regelgeving. Hierin is vastgelegd hoe bodemverontreiniging wordt vastgesteld, wanneer deze moet worden gesaneerd en wanneer een verontreiniging in voldoende mate is gesaneerd. De voornaamste wet- en regelgeving voor de aanpak van bodemverontreiniging was tot 1 januari 2024 de Wet bodembescherming (Wbb). Sindsdien is de bodemregelgeving opgegaan in de Omgevingswet (Ow).

Bodemonderzoeken vormen vaak onderdeel van een wettelijke procedure waarbij de resultaten moeten worden voorgelegd aan een bevoegd gezag in de vorm van een melding of als onderdeel van een aangevraagde vergunning of beschikking. De informatie wordt in dat geval beoordeeld door het bevoegd gezag om na te gaan of bepaalde activiteiten kunnen worden uitgevoerd op de onderzoekslocatie, bijvoorbeeld of er gegraven of gebouwd mag worden.

Onder het regime van de Wbb werd door het bevoegd gezag een beschikking afgegeven over bijvoorbeeld omvang en aanpak van een (geval van) bodemverontreiniging. Onder het regime van de Ow bestaan deze beschikkingen niet meer. Wel beslist het bevoegd gezag nog steeds over het resultaat van saneringsmaatregelen en ontgravingen in verontreinigde gebieden (evaluatieverslag saneren of graven).

Opdrachtgevers voor bodemonderzoeken, saneringen en ontgravingen zijn niet alleen overheden maar ook en voornamelijk private partijen. Denk aan bedrijven, ontwikkelaars, exploitanten van ondergrondse netwerken en nog vele anderen. In generieke termen noemen we dit de ‘initiatiefnemer’.

Informatie uit het bodemonderzoek of uit de besluiten van overheden over de aanpak van bodemsanering is veelal opgeslagen in lokale of regionale ‘Bodeminformatiesystemen'. De toegankelijkheid en de kwaliteit van de opgeslagen data wisselt en de wijze van ontsluiten van deze data verschilt. De basisregistratie ondergrond heeft tot doel deze gegevens op een eenduidige manier vast te leggen waardoor deze sneller, beter en op een uniforme wijze beschikbaar komen voor maatschappelijke processen waarbij de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een rol speelt.

In het domein milieukwaliteit van de BRO staan dus de resultaten van bodemonderzoeken en de gegevens over de aanpak van een eventuele bodemverontreiniging centraal. Hiermee wordt de milieuhygiënische bodemkwaliteit in Nederland bepaald. De verschillende uitvoerende partijen (veldwerkbureau, laboratorium, adviesbureau) in de keten en ook de overheden zelf wisselen informatie uit op basis van een open uitwisselstandaard (SIKB0101). De registraties binnen het domein milieukwaliteit van de BRO sluiten hierop aan.

Binnen het domein Milieukwaliteit zijn twee registratieobjecten benoemd:

Milieuhygiënisch bodemonderzoek
Figuur 2 Het registratieobject Milieuhygiënisch bodemonderzoek (Site Assessment Data - SAD)

3.2 Registratieobject Milieuhygiënisch bodemonderzoek

Een milieuhygiënisch bodemonderzoek is een onderzoeksactiviteit waarbij binnen de onderzoekslocatie de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem wordt onderzocht. Daarbij wordt een eventuele aard van de verontreiniging (welke stoffen komen voor in hogere concentraties dan de natuurlijke achtergrondwaarde) en de mate ervan (hoe verhouden de gemeten concentraties zich tot het toegestane gehalte op basis van een landelijk of lokaal normenkader) onderzocht.

Het bodemonderzoek wordt doorgaans uitgevoerd door derden, bijvoorbeeld op basis van een opdracht van een bronhouder die ook initiatiefnemer is. Het kan ook zijn dat het bodemonderzoek als onderdeel van een wettelijke procedure (vergunningtraject of melding) door een initiatiefnemer (niet zijnde een overheid) wordt aangeleverd aan het bevoegd gezag.

Het resultaat van het milieuhygiënisch bodemonderzoek omvat informatie over de meetpunten (o.a. boringen en peilbuizen), monsternamen, veldwaarnemingen en laboratoriumanalyses van veldmonsters (grond en grondwater) en het bodemonderzoeksrapport. Ook zogenoemde historische onderzoeken (waar alleen archiefonderzoek wordt gedaan) of onderzoeken ter evaluatie van een uitgevoerde sanering of ontgraving (verificatieonderzoeken in het kader van de milieukundige begeleiding) vormen onderdeel van dit registratieobject.

Voor de uitvoering van een milieuhygiënisch bodemonderzoek zijn wettelijke (op basis van de 'Regeling bodemkwaliteit 2022') standaarden en protocollen van toepassing (NEN en SIKB). In veel gevallen werken de uitvoerende medewerkers onder certificaat.

3.3 Registratieobject Overheidsbesluit bodemverontreiniging

Een overheidsbesluit bodemverontreiniging is een beoordeling van de bodemkwaliteit, gemaakt door het bevoegd gezag in het kader van een procedure onder de Wbb, onder het 'eerbiedigend overgangsrecht saneringen’ (verder genoemd: overgangsrecht) van de Ow (artikel 3.1 Aanvullingswet bodem ) of onder de Ow.

Een beschikking onder de Wbb bevat doorgaans een uitspraak over de ernst en spoedeisendheid van een bodemverontreiniging of over de mate waarin een sanering is uitgevoerd. Hierbij gelden ook verplichtingen voor registratie in het kader van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). Naast besluiten en beschikkingen onder de Wbb kan het zijn dat een bevoegd gezag (veelal een gemeente) vastlegt dat een locatie voldoet aan de eisen van bijvoorbeeld een bouwvergunning en er geen vervolgonderzoek nodig is. De gegevens over de ‘status’ vormen eveneens onderdeel van het registratieobject ‘Overheidsbesluit bodemverontreiniging’. Het registratieobject bevat dus informatie over zowel verontreinigde locaties als locaties waar geen verontreinigingen zijn aangetoond.

Onder de Ow vervallen beschikkingen grotendeels. Er wordt alleen een beoordeling gedaan van de evaluatie van een sanering of grootschalig ontgraven in bodem boven de interventiewaarde. De resultaten van deze beoordeling worden vastgelegd en vormen onderdeel van voorliggend registratieobject onder de Ow. Het bevoegd gezag doet onder de Ow geen formele uitspraak meer over omvang of spoedeisendheid van een verontreiniging. Hierin zit dus een verschil tussen de registraties onder de Wbb en de Ow. Het bevoegd gezag kan nog wel besluiten om maatwerkvoorschriften te stellen bij een saneringsaanpak. Ook blijft de registratieplicht Wkpb op nazorg van een restverontreiniging gelden.

Een overheidsbesluit wordt genomen op basis van door de melder/vergunningsaanvrager ingediende informatie. Welke informatie moet worden aangeleverd bij het bevoegd gezag, is vastgelegd in landelijke en lokale wet- en regelgeving.

Het registratieobject ‘Overheidsbesluit bodemverontreiniging’ onder het regime van de Wbb omvat de status van de aanpak van de verontreiniging, vastgestelde verontreinigingscontouren, saneringscontouren en nazorgcontouren. Onder het regime van de Ow is het registratieobject beperkt tot het aangepakt gebied.

3.4 Samenhang met andere registratiedomeinen en -objecten

In de BRO zijn vier registratieobjecten opgenomen die een samenhang hebben met gegevens die in het kader van milieuhygiënisch bodemonderzoek worden verzameld, dat zijn:

Er is gekozen om een strikte scheiding aan te brengen tussen data ontstaan in het milieudomein en data ontstaan in andere domeinen. De wijze waarop deze registratieobjecten worden aangeleverd en zijn gemodelleerd verschillen dusdanig van het milieudomein dat dit zowel het registratieobject zelf als het beheer ervan te complex zou maken. In de praktijk zijn deze werkvelden ook gescheiden.

Waar mogelijk zijn de standaarden van genoemde registratieobjecten wel gebruikt als basis bij het opstellen van de standaarden voor de registratieobjecten binnen het domein milieukwaliteit.

4. Overheidsbesluit bodemverontreiniging

4.1 Inleiding

De catalogus voor het 'Overheidsbesluit bodemverontreiniging' beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen over een gebied waarin bodemverontreiniging is geconstateerd en/of aangepakt vanuit het vakgebied milieukwaliteit.

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. De Wet bodembescherming (Wbb) is hierin opgegaan. Een deel van de dossiers over bodemverontreinigingen is in de zogenaamde ‘warme overdracht’ overgedragen naar een nieuw bevoegd gezag (doorgaans van provincie naar een gemeente). Voor een ander deel van deze dossiers geldt overgangsbeleid onder het regime van de Wbb. Vanaf 1 januari 2024 wordt ook nieuwe informatie gegenereerd onder het regime van de Ow. We herkennen drie mogelijke categorieën van type gegevens die binnen SLD mogelijk zijn. Bij het opstellen van de catalogus is rekening gehouden met deze drie categorieën van gegevens:

De term voor het registratieobject ‘Overheidsbesluit bodemverontreiniging’ heeft een bredere betekenis dan alleen het formele besluit dat door de overheid is genomen. Een overheidsbesluit bodemverontreiniging bestaat uit de gegevens die bepalend zijn geweest in de procedure van een bevoegd gezag bij de beoordeling en/of afhandeling van bodemverontreiniging. Dit omvat de gegevens die onderdeel zijn van een formele beschikking, maar ook gegevens die een bevoegd gezag vastlegt zonder dat er een formele beschikking op is afgegeven (zoals bijvoorbeeld onder het regime van de Ow). De locatie is vastgelegd bij Bodemlocatie (regime Wbb) of bij Aangepakt gebied (regime Ow). Onder het Wbb regime kunnen besluiten en extra gegevens worden geregistreerd in de BRO over het verontreinigd gebied, aangepakt gebied of nazorggebied. Onder het regime van de Ow beperkt de registratie in de BRO zich tot het aangepakt gebied. Nazorg onder de Ow is in deze versie van de catalogus buiten scope.

SLD_scope
Figuur 4 Overheidsbesluit bodemverontreiniging in deze versie van de catalogus; nazorg onder de Ow is buiten scope.

De door het bevoegd gezag vastgestelde gevallen van ernstige verontreiniging (onder het regime van de Wbb) en de door het bevoegd gezag opgelegde nazorg na een sanering hebben ook een registratieplicht in het kader van de Wkpb, en worden als publiekrechtelijke beperking in de Basisregistratie Kadaster Publiekrechtelijke beperkingen (BRK-PB) geregistreerd.

4.1.1 Verontreinigingscontouren (Wbb) in de registratie

De registratie van de aanpak van een verontreiniging onder de Wbb gebeurt in de huidige praktijk op verschillende manieren. Wanneer een verontreiniging in zijn geheel is verwijderd, krijgt de verontreinigingscontour een einddatum. In het verleden is deze einddatum niet altijd vastgelegd. Wanneer in de aanpak van een bodemverontreiniging de verontreiniging gedeeltelijk is verwijderd, kan dat op verschillende manieren worden geregistreerd. In het verleden werd de historie vaak niet vastgelegd en bleef de bestaande verontreinigingscontour ongewijzigd bestaan in de registratie (manier A). In de nieuwe praktijk wordt de bestaande verontreinigingscontour verkleind (manier B) of de bestaande verontreinigingscontour wordt beëindigd en de restverontreiniging wordt als nieuwe contour geregistreerd (manier C).

Registratie_contouren
Figuur 5 Registratie contouren aanpak bodemverontreiniging onder de Wbb.

4.1.2 Aangepakte gebieden (Ow) in de registratie

Het aangepakt gebied onder de Ow is het resultaat van een uitgevoerde bodemsanering of ontgraving (in meer dan 25m3 grond boven de interventiewaarde). Wanneer binnen een sanering verschillende aanpakken worden toegepast, bijvoorbeeld een deel van de verontreiniging wordt ontgraven en een ander deel wordt afgedekt, kan dat op twee verschillende manieren worden geregistreerd. De deelgebieden worden apart geregistreerd met ieder een eigen aanpak, of de gebieden worden als één geheel geregistreerd met de aanduiding 'gecombineerde aanpak'.

Registratie_aangepakt_gebied
Figuur 6 Registratie aangepakt gebied onder de Ow; als twee aparte deelgebieden met ieder een eigen aanpak, of als één geheel met de aanduiding 'gecombineerde aanpak'.

4.2 Belangrijkste entiteiten

4.2.1 Overheidsbesluit bodemverontreiniging

Deze entiteit bevat de gegevens die het registratieobject identificeren en inzicht geven in de totstandkoming en context van het object voorafgaand aan opname in de registratie ondergrond. Kader aanlevering is daarbij bepalend voor de inhoud van de registratie van de gegevens onder het regime van Wbb, danwel Ow. Deze entiteit bevat twee gegevensgroepen; de Registratiegeschiedenis (BRO generiek) en de Gestandaardiseerde locatie (BRO generiek). Zoals aangegeven in de inleiding kunnen gegevens zijn ontstaan onder twee verschillende wettelijke regimes: Wbb of Ow. Registraties die ontstaan zijn onder het regime van de Wbb (ongeacht of de aanpak is afgerond of dat sprake is van overgangsrecht) worden als Bodemlocatie opgenomen. Registraties die zijn ontstaan onder het regime van de Ow worden vastgelegd als Aangepakt gebied.

4.2.2 Registratiegeschiedenis

De registratiegeschiedenis van een 'Overheidsbesluit bodemverontreiniging' geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer een object is geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd. Deze gegevensgroep wordt niet aangeleverd maar intern binnen de basisregistratie ondergrond gegenereerd.

4.2.3 Gestandaardiseerde locatie

De geometrie van een 'Overheidsbesluit bodemverontreiniging' kan worden aangeleverd ten opzichte van twee referentiestelsels (RD en ETRS89). Binnen de BRO worden gegevens die aangeleverd zijn op basis van RD volgens een gedefinieerde methodiek omgezet naar ETRS89. Deze bewerking vindt plaats binnen de BRO zodat aan de uitgiftekant altijd kan worden uitgeleverd in ETRS89 én het oorspronkelijk aangeleverde referentiestelsel. De gestandaardiseerde locatie wordt op basis van de aanlevering automatisch vastgelegd, evenals de methode volgens welke de transformatie is uitgevoerd.

4.2.4 Bodemlocatie

Deze entiteit beschrijft de eenheid (of aggregatie van kleinere eenheden) die als één geheel is aangepakt bij het onderzoek naar en de aanpak van bodemverontreiniging onder de Wbb. De entiteit bevat een aantal algemene gegevens die betrekking hebben op het registratieobject zelf, zoals: de unieke identificatie (zowel binnen het bodeminformatiesysteem als in de dossiers van het bevoegd gezag), de naam en de ruimtelijke begrenzing van de locatie. Tevens bevat deze entiteit de zogenaamde ‘SIKB0101-identificatie’ (een unieke identificatie in de vorm van een GUID) waaronder de bodemlocatie in de ketensystemen is vastgelegd. Daarnaast bevat de entiteit enkele gegevens die betrekking hebben op de afhandeling door bevoegd gezag zoals de vervolgactie.

4.2.5 Besluit

Deze entiteit wordt alleen vastgelegd bij gegevens die zijn aangeleverd onder het regime van de Wbb, en bevat de gegevens van besluiten en beschikkingen zoals door het bevoegd gezag zijn vastgelegd. Dit zijn doorgaans besluiten die zijn genomen in het kader van de Wbb over de vaststelling en aanpak van de bodemverontreiniging. Deze entiteit bevat de gegevens die het besluit identificeren (unieke SIKB0101-identificatie en kenmerk van het besluit) en inzicht geven in het besluittype en de datum waarop het besluit bekend is gemaakt.

4.2.6 Verontreinigd gebied

Deze entiteit wordt alleen vastgelegd bij gegevens die zijn aangeleverd onder het regime van de Wbb, en bevat de gegevens van de bodemverontreiniging zoals afgebakend met een verontreinigingscontour. De entiteit bevat onder meer een aantal gegevens om het gebied te identificeren (SIKB0101-identificatie) en die aangeven wat de aard en omvang van de verontreiniging is: overschreden toetsingswaarde, de datum waarop de verontreiniging is vastgesteld, compartiment en dieptetraject.

4.2.7 Aangepakt gebied

Deze entiteit bevat de gegevens van de uitgevoerde bodemsanering of ontgravingn (Ow: graven in meer dan 25m3 in grond boven de interventiewaarde). Het gebied wordt beschreven aan de hand van enkele unieke kenmerken zoals SIKB0101-identificatie, contour en compartiment. Daarnaast worden enkele gegevens over de aanpak genoemd: begin- en einddiepte, type saneringsaanpak, einddatum van de werkzaamheden. Onder het regime van de Ow wordt de koppeling naar het onderliggend evaluatieverslag, geregistreerd in de BRO als milieuhygiënisch bodemonderzoek (SAD), vastgelegd.

4.2.8 Nazorggebied

Deze entiteit wordt alleen vastgelegd bij gegevens die zijn aangeleverd onder het regime van de Wbb, en bevat de gegevens van de vastgestelde nazorg en eventuele beperkingen die na afloop van de sanering zijn opgelegd. Naast identificerende kenmerken (SIKB0101-identificatie en contour) is het mogelijk aan te geven hoe lang de nazorg van toepassing is en op welke datum deze in werking is getreden. In de bijbehorende nazorgmaatregel kan worden gespecificeerd welke gebruiksbeperking is opgelegd.

4.3 INSPIRE

Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject overheidsbesluit bodemverontreiniging valt onder het INSPIRE-thema ‘Area management/restriction/regulation zones and reporting units’. De gegevens zullen worden aangeleverd vanuit de BRK-PB.

5. Opbouw van de gegevensdefinitie

Dit onderdeel is niet normatief.

5.1 De gegevensdefinitie

De gegevensdefinitie vormt het hart van de catalogus en geeft een beschrijving van alle gegevens van het registratieobject. Eerst wordt de definitie van het registratieobject gegeven inclusief de plaatjes van het zgn. domeinmodel, en vervolgens de definities van de entiteiten waaruit het object is opgebouwd met de eigenschappen van die entiteiten, de attributen. De entiteiten worden op volgorde van de nummers in het domeinmodel behandeld. De volgende aspecten van de gegevens worden vastgelegd:

De gegevensdefinitie dekt de beide kwaliteitsregimes die worden onderscheiden, IMBRO en IMBRO/A. Het kwaliteitsregime IMBRO is leidend en bij het opstellen van de gegevensdefinitie is geprobeerd de verschillen tussen de twee regimes zo klein mogelijk te houden. Het streven is een object altijd in termen van dezelfde gegevens te beschrijven en voor IMBRO/A alleen aanvullende regels te formuleren en extra waarden toe te staan. Bij uitzondering kan het echter nodig zijn gebleken voor IMBRO/A aparte entiteiten, attributen of domeinen te definiëren.

5.2 Domeinen

Een domein beschrijft welke waarden mogelijk zijn voor een attribuut (zie bijv. Aantal of Code).

Sommige domeinen zijn samengesteld uit twee of meer elementen die in samenhang betekenisvol zijn. Een voorbeeld van een samengesteld domein dat in de BRO bestaat is Datuminterval. Datuminterval bestaat uit twee elementen, beide van het domein Datum (jaar, maand en dag), namelijk een begindatum en een einddatum.

Bij een attribuut kunnen ook twee of meer domeinen mogelijk zijn. Voor dit attribuut geldt dat verschillende domeinen valide zijn, er kan echter bij aanlevering van de gegevens altijd maar één van de domeinen gekozen worden.
In de gegevensdefinitie worden in dat geval een attribuut gemodelleerd waarvan het domein dat de mogelijke waarde beschrijft een keuze is tussen twee of meer domeinen. Dit maakt het mogelijk waar in het domeinmodel normaal gesproken maar één mogelijkheid bestaat, een opsomming te geven van meerdere mogelijke domeinen, waarbij altijd precies één van deze mogelijkheden wordt gebruikt. Een voorbeeld van een dergelijke keuze domein is het domein Organisatie.

De domeinen die in de gegevensdefinitie worden gebruikt worden hieronder toegelicht.

5.2.1 Aantal

Het domein Aantal wordt gebruikt voor een telbare hoeveelheid. Het is een natuurlijk getal met een bepaalde maximale lengte.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding aantal ook de maximale lengte mee te (Aantal N). Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Aantal.

5.2.2 Code

Een code is een opeenvolging van cijfers, van letters of van cijfers en letters met een bepaalde opbouw en met een specifieke betekenis. Een code heeft gewoonlijk een betekenis die ook buiten de basisregistratie ondergrond geldt. Een code wordt uitgegeven door een verantwoordelijke instantie. Om de opbouw van een code weer te geven wordt gebruik gemaakt van de letters C en N. De letter C staat voor character (Eng.) en duidt een letter aan, de letter N staat voor number (Eng.) en duidt een cijfer aan. Een code heeft een bepaalde naam.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de naam van de code ook de opbouw mee te geven. Uit de definitie van het attribuut zelf moet blijken wat de specifieke betekenis is van de code. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

5.2.3 Gemeten waarden

Meetwaarden worden gebruikt voor grootheden. De waarde van een grootheid is een getal met een bepaalde opbouw en een bepaalde eenheid. Voor de waarde van grootheden worden twee domeinen gebruikt. Een voor een waarde waarvan de nauwkeurigheid altijd hetzelfde is (Meetwaarde) en een voor een waarde waarvan de nauwkeurigheid varieert (Meetwaarde in machten) en dat is het geval wanneer de nauwkeurigheid voor kleine getallen anders is dan de nauwkeurigheid voor grote getallen omdat een ander apparaat of methode is gebruikt.

De basisregistratie ondergrond gebruikt voor de eenheden de codes uit het UCUM (Unified Code for Units of Measure)-systeem. In bijzondere gevallen is de eenheid dimensieloos.

5.2.3.1 Meetwaarde

Het domein Meetwaarde wordt gebruikt wanneer de nauwkeurigheid van de waarde altijd hetzelfde is.
Het is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is variabel maar begrensd. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde ook de opbouw (Meetwaarde N.N) en de eenheid mee te geven. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde.

5.2.3.2 Meetwaarde in machten

Het domein Meetwaarde in machten wordt gebruikt wanneer de waarde een heel groot bereik heeft en de nauwkeurigheid voor kleine getallen anders is dan voor grote getallen. In dat geval wordt de meetwaarde uitgedrukt in machten. In de basisregistratie ondergrond wordt de meetwaarde in machten altijd uitgedrukt in een macht van tien. De notatie voor de meetwaarde in machten is (m . 10e). De m staat voor mantisse en is een meetwaarde, en de e staat voor de exponent.

De mantisse (m) is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is in de basisregistratie ondergrond altijd 1. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.
De meetwaarde wordt uitgedrukt in machten van tien (10e). De exponent (e) is in de basisregistratie ondergrond altijd een geheel getal.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde in machten ook de opbouw (meetwaarde 1.N in machten), de eenheid en het bereik van de machten mee te geven. Het bereik van de machten is vastgelegd in het waardebereik. De waardeverzameling wordt gewoonlijk verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde in machten.

Inname van gemeten waarden

In de praktijk is het moeilijk een meetwaarde zonder verandering van het ene systeem aan het andere door te geven. De basisregistratie ondergrond hanteert de definities binnen het systeem en bij uitgifte strikt om te borgen dat een meetwaarde zonder verandering kan worden doorgegeven.

Bij het vastleggen van eigenschappen is het niet altijd nodig getallen zo strikt te definiëren als de basisregistratie vraagt. De uitvoerders weten wel wat een getal zou moeten voorstellen en kunnen bijvoorbeeld accepteren dat een meetwaarde er een decimale nul bij krijgt of dat een getal een onbepaald aantal decimalen heeft. Om de uitvoeringspraktijk niet nodeloos te frustreren door getallen die niet aan de strikte definitie voldoen af te wijzen, hanteert de basisregistratie ondergrond bij het innemen van meetwaarden de volgende praktische regels:

  • Er zijn meer cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt afgekapt op het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er zijn minder cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er is geen scheidingsteken aanwezig: het scheidingsteken wordt toegevoegd en het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Het getal voor het scheidingsteken begint met een of meer nullen: de nullen worden genegeerd.
  • Er zijn meer cijfers vóór het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: de waarde wordt geweigerd.
  • Er is een scheidingsteken bij de exponent van de meetwaarde in machten aanwezig: de waarde wordt geweigerd.

5.2.4 Nummer

Het domein Nummer wordt gebruikt om de plaats in een reeks aan te geven. Het is een opeenvolging van cijfers met een bepaalde maximale lengte. Een nummer heeft geen rekenkundige betekenis, maar heeft een betekenisvolle volgorde.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding nummer ook de maximale lengte mee te geven (Nummer N). Eventueel wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Nummer.

5.2.5 Tekst

Het domein Tekst bestaat uit een stuk tekst van een bepaalde maximale lengte. De tekst mag alleen bestaan uit de tekens die voorkomen in de MES-1 set. De MES-1 set omvat 335 tekens en wordt gebruikt binnen de landen van de Europese Unie die een Latijns schrift kennen.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding tekst ook de maximale lengte mee te (Tekst N). In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Tekst.

5.2.6 Tijdstip

Voor gegevens die over tijdstippen gaan worden twee domeinen gebruikt. Een voor een tijdstip tot op de seconde nauwkeurig (DatumTijd) en een voor een tijdstip tot op de dag nauwkeurig (Datum).

In ieder domein gaat het om de datum gemeten volgens de Gregoriaanse kalender. Bij het domein DatumTijd wordt de tijd gemeten volgens UTC en moet de tijdzone worden meegegeven. UTC is de mondiaal geaccepteerde standaardtijd en de opvolger van GMT (Greenwich Mean Time); de drie letters staan voor Coordinated Universal Time. Door de tijdzone mee te geven kan lokale tijd worden omgezet naar UTC.

De opbouw van de twee domeinen volgt dezelfde conventies, conform ISO 8601. Het eerste element in de opbouw staat voor het jaar, dan volgt de maand, enz., en het laatste element staat voor de tijdzone. Om de verschillende elementen aan te geven worden letters gebruikt: jaar (J), maand (M), dag (D), uur (U), minuut (M)en seconde (S), gevolgd door de tijdzone. Het aantal letters geeft de lengte aan.

Voor de meest uitgebreide variant van de opbouw, die van DatumTijd, wordt dit JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM. De T is het teken dat de datum en het tijdstip op die datum scheidt. De + is het scheidingteken tussen het tijdstip en de tijdzone. Zoals uit de opbouw blijkt wordt de tijdzone in uren en minuten gegeven. De meeste tijdzones zijn overigens uitgedrukt in gehele uren (UU:00). In Nederland geldt Centraal Europese Tijd (UTC+1:00) of Centraal Europese Zomertijd (UTC+2.00).

5.2.6.1 Datum

Het domein Datum wordt gebruikt om een datum volgens de Gregoriaanse kalender tot op de dag nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DD.
Bij het domein Datum is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

5.2.6.2 DatumTijd

Het domein DatumTijd wordt gebruikt om een tijdstip volgens de Gregoriaanse kalender tot op de seconde nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM.
Bij het domein DatumTijd is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

5.2.6.3 OnvolledigeDatum

Voor gegevens die onder het kwaliteitsregime IMBRO/A aangeleverd worden, geldt een derde domein met vier keuzemogelijkheden.

  • De datum tot op de dag nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM-DD
  • De datum tot op de maand nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM
  • De datum tot op het jaar nauwkeurig, met als opbouw JJJJ
  • Geen datum bekend, met als vaste waarde onbekend.

De keuze die gemaakt wordt is gebaseerd op de beschikbaarheid van gegevens. De gebruiker moet ervan uit gaan dat de informatie zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen. Bij het domein OnvolledigeDatum is het voldoende de naam te geven, omdat de vier keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

5.2.7 Waardelijsten

Een waardelijst is een lijst van de waarden die het attribuut mag hebben. Er zijn twee typen waardelijsten, waardelijsten die in de toekomst kunnen worden uitgebreid en waardelijsten die niet kunnen worden uitgebreid. Een waardelijst heeft een bepaalde naam en een specifieke inhoud.

5.2.7.1 Waardelijst niet-uitbreidbaar

Een niet-uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding niet mogelijk is. Alle waarden van de lijst staan vast.
Bij een niet-uitbreidbare waardelijst is het voldoende de naam te geven, omdat de inhoud altijd hetzelfde is. In de basisregistratie ondergrond worden drie niet-uitbreidbare waardelijsten gebruikt.

IndicatieJaNee
Waarde
ja
nee
IndicatieJaNeeOnbekend
Waarde
ja
nee
onbekend
Kwaliteitsregime
Waarde
IMBRO
IMBRO/A
5.2.7.2 Waardelijst uitbreidbaar

Een uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding mogelijk moet zijn. Iedere waarde van de lijst heeft een specifieke betekenis (omschrijving) en geldt voor een bepaald kwaliteitsregime, IMBRO en/of IMBRO/A. Eventueel worden andere aspecten van de waarde vastgelegd.
Bij een uitbreidbare waardelijst wordt de naam van de lijst gegeven. De inhoud van de lijst is in een apart hoofdstuk van de gegevensdefinitie opgenomen.

5.2.8 Geometrie

Voor gegevens over de geometrie van een object worden verschillende domeinen gebruikt. De vorm, afmetingen, oriëntatie en positie ten opzichte van de aarde van een object kunnen in verschillende typen geometrie uitgedrukt worden, waarbij ook een keuzemogelijkheid uit meerdere typen en daarmee domeinen een optie kan zijn.
In de BRO zijn de geometrieën conform het GML Simple Features profile versie 2.0 (OGC) toegestaan. Deze omvat punten, lijnen, vlakken en volumen.

De verschillende typen geometrie uitgedrukt in verschillende domeinen die in de gegevensdefinitie worden gebruikt worden hieronder toegelicht.

5.2.8.1 Punt

Het domein Punt wordt gebruikt om de positie van een object vast te leggen. De positie wordt bepaald in een tweedimensionaal vlak, een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in coördinaten. In sommige gevallen wordt daarnaast de hoogte (derde dimensie) van het Punt vastgelegd.

Figuur 7
Een punt geometrie (ISO 19107:2003 Spatial Schema).
5.2.8.2 Lijn

Het domein Lijn wordt gebruikt om de vorm, afmetingen en positie van een object in een lijn uit te drukken. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in één of meerdere lijnsegmenten. Een lijnsegment is de verbinding tussen twee punten. Lijnsegmenten zijn aan elkaar verbonden doordat het eindpunt van een segment is verbonden aan het beginpunt van een volgend lijnsegment. Een Lijn kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat of in een driedimensionale ruimte (x-, y- en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 8
Een lijn geometrie (ISO 19107:2003 Spatial Schema).
5.2.8.3 Multilijn

Het domein Multilijn bestaat uit een verzameling van lijnen die gezamenlijk één object vormen en wordt gebruikt om de vorm, afmetingen en positie van een object in meerdere lijnen uit te drukken. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in meerdere lijnen met één of meerdere lijnsegmenten. Tussen de lijnen die samen een Multilijn vormen mag geen intersectie plaatsvinden tenzij dit gebeurt in de eindpunten van de lijnen (er mag geen kruising van lijnen plaatsvinden, wel vertakkingen). Een Multilijn kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat) of in een driedimensionale ruimte (x-, y- en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 9
Een multilijn geometrie.
5.2.8.4 Vlak

Het domein Vlak wordt binnen de geometrie gebruikt voor de representatie van de vorm, afmetingen en positie van een object als een vlak. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel. Een vlak heeft altijd een buitengrens, daarnaast kan een vlak ook nog een of meerdere interne begrenzingen hebben. Een Vlak kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat) of in een driedimensionale ruimte (x-, y- en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 10
Een vlak is een geometrie dat een beeld van een continue regio of vlak vertegenwoordigd (ISO 19107:2003 Spatial Schema).
5.2.8.5 Multivlak

Het domein Multivlak bestaat uit een verzameling van vlakken die gezamenlijk één object vormen en wordt gebruikt om de vorm, afmetingen en positie van een object uit te drukken. De vlakken die samen een multivlak vormen mogen elkaar niet overlappen, wel mogen zij in een eindig aantal punten elkaar raken (wel punten maar geen grenzen gemeenschappelijk). De posities van de vlakken worden bepaald in een specifiek referentiestelsel. Een Multivlak kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat) of in een driedimensionale ruimte (x-, y- en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 11
Een Multivlak geometrie.
5.2.8.6 Volume

Het domein Volume wordt gebruikt om de vorm, afmetingen en positie van een object uit te drukken. De geometrie van een volume is opgebouwd uit grenzen die elk een vlak zijn. Deze zijn naar buiten toe georiënteerd; de bovenkant van elk vlak is van de buitenkant van het volume object te zien. Een Volume geometrie kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat of in een driedimensionale ruimte (x-, y-, en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 12
Een volume geometrie (ISO 19107:2003 Spatial Schema).
5.2.8.7 Minimum begrenzing

Het domein Minimum begrenzing wordt gebruikt om de positie van één of meerdere geometrieobjecten te begrenzen. De geometrie van de Minimum begrenzing is opgebouwd uit twee punten, waarbij het eerste punt de hoek aan de bovenkant van het selectiekader weergeeft en het tweede punt de hoek aan de onderkant. De positie van de punten worden bepaald in een specifiek referentiestelsel. Een Minimum begrenzing kan in een tweedimensionaal vlak (x- en y-coördinaat of in een driedimensionale ruimte (x-, y-, en z-coördinaat) worden vastgelegd.

Figuur 13
Een minimum begrenzing geometrie.
Domein (Geometrie Type) ISO aanduiding
Punt GM_Point
Lijn GM_Curve
Multilijn GM_MultiCurve
Vlak GM_Surface
Multivlak GM_MultiSurface
Volume GM_Solid
Minimum begrenzing GM_Envelope

De ISO 19107 aanduiding behorende bij de geometrie domeinen.

5.2.9 Organisatie

Het domein Organisatie wordt gebruikt om de organisaties die een rol hebben in de basisregistratie ondergrond te identificeren. De invulling van het domein hangt af van waar de organisatie gevestigd is en voor de basisregistratie ondergrond gaat het daarbij om Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie.

In het geval de organisatie in Nederland gevestigd is, wordt het domein ingevuld met het gegeven dat een onderneming of de maatschappelijke activiteit van een rechtspersoon in het Handelsregister identificeert, het KvK-nummer. Het KvK-nummer is van het type code en de opbouw is NNNNNNNN.

Voor organisaties buiten Nederland wordt het domein ingevuld met het equivalent van het KvK-nummer in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, het EuropeesHandelsnummer. Het Europees handelsnummer, de zogenaamde EUID, is geïntroduceerd ten behoeve van de koppeling van handelsregisters. De code is gebaseerd op ISO 6523 en is opgebouwd uit een landcode, registeridentificatiecode, inschrijvingsnummer en controlegetal. De landcode is de 2-letterige code van ISO3166, de registeridentificatiecode is de identificatie van het nationale register omdat in sommige landen meerdere handelsregisters bestaan en het inschrijvingsnummer is het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven in het betreffende register. Het controlegetal ter voorkomen van identificatiefouten wordt nog niet gebruikt. De opbouw per element is variabel en daarom is het Europees Handelsnummer in de BRO als domein Tekst 40 opgenomen.

Bij het domein Organisatie is het voldoende de naam te geven, omdat de twee keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

5.3 Entiteiten van het type meetreeks

Een meetreeks is een type entiteit met een vaste ordening. Het wordt gebruikt om het verloop van een bepaalde eigenschap of eigenschappen vast te leggen die het gevolg is van de verandering van een bepaalde variabele, de zogenaamde onafhankelijke variabele. In de basisregistratie ondergrond is er altijd 1 onafhankelijke variabele, en dat is meestal de tijd maar kan ook een andere variabele zijn.

De meetreeks is een verzameling gemeten waarden van bepaalde eigenschappen in een bepaalde volgorde. Alle eigenschappen van de meetreeks worden volledig gespecificeerd. De eerste eigenschap is de onafhankelijke variabele op basis waarvan de metingen elkaar in oplopende volgorde opvolgen. Daarna volgen de afhankelijke variabelen.
Een meetreeks heeft een bepaalde naam. Alleen in het domeinmodel is de meetreeks aangeduid als Meetreeks.

5.4 Het domeinmodel

Het domeinmodel geeft een overzicht van de gegevens van het registratieobject en laat de onderlinge samenhang zien. Modellering van informatie kent verschillende invalshoeken. In de catalogus is het inhoudelijke perspectief gekozen omdat dat de meeste waarde heeft voor de mensen die de informatie moeten begrijpen. Een dergelijk model wordt in de basisregistratie ondergrond een domeinmodel genoemd. Uit het domeinmodel wordt een technisch model afgeleid dat meeweegt dat informatiesystemen efficiënt met elkaar moeten kunnen spreken. Voor het domeinmodel wordt de UML-notatie gebruikt. Met kennis van de gebruikte symbolen is het gemakkelijk te lezen.

Het domeinmodel kent een aantal vaste elementen die bij ieder registratieobject terugkomen. Een begrip van deze elementen vergroot de leesbaarheid van het domeinmodel en de catalogus. De elementen zijn: entiteiten, attributen, gegevensgroepen en relaties. Een entiteit is een onderscheidend geheel van eigenschappen die gezamenlijk betekenis hebben. Een entiteit heeft altijd een naam en een definitie. In het domeinmodel zijn de entiteiten te herkennen aan het begrip Objecttype.

In de entiteiten staan de namen opgesomd van de attributen, de eigenschappen van de entiteiten, met daarachter de naam van de bijbehorende waardenverzameling (domein) en de kardinaliteit. Bij attributen is de kardinaliteit alleen opgenomen wanneer die ongelijk is aan 1. Overigens moet de kardinaliteit altijd in samenhang met de regels die in de definitie van het gegeven zijn opgenomen worden begrepen. De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. De figuren laten ook zien welke attributen alleen aan de dataleverancier en de bronhouder worden uitgeleverd. In het domeinmodel zijn de attributen te herkennen aan het begrip Attribuutsoort.

Soms zijn een aantal attributen gegroepeerd in een groep, aangeduid als gegevensgroep. Het blijven attributen van de entiteit, maar de inhoudelijke definiëring van de gegevensgroep staat elders. Gegevensgroepen kunnen bij meerdere entiteiten terugkomen.

Het domeinmodel laat daarnaast ook zien hoe entiteiten aan elkaar gerelateerd zijn. Een beschrijving van deze relatie is opgenomen bij de bron-entiteit van de relatie. Een relatie heeft altijd een richting en in de meeste gevallen loopt deze van bron naar doel. In het plaatje van een domeinmodel heeft de relatie een naam en een kardinaliteit. Om de leesbaarheid te vergroten staat de kardinaliteit bij de doelentiteit.

Figuur 14

Bovenstaand voorbeeld is te lezen als: de entiteit Bepaling bevat één of meerdere metingen. Een meting bestaat uit een meetwaarde en meetconfiguratie-gegevens. De meetconfiguratie bestaat uit twee parameters.

5.5 Verplichte gegevens, verplichte waarden

De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Voor een goed begrip van de gegevensdefinitie is dat nog niet zorgvuldig genoeg geformuleerd. In de praktijk van gegevensuitwisseling is het namelijk mogelijk een attribuut op te nemen zonder waarde. Verbijzonderd voor attributen is de juiste formulering daarom dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een attribuut al dan niet aanwezig is en of een attribuut al dan niet een waarde heeft.

Uitgangspunt is dat een attribuut dat aanwezig is een waarde heeft. Een attribuut wordt alleen bij uitzondering zonder waarde in de berichten opgenomen. Het onderstaande overzicht geeft de vier mogelijkheden die voorkomen.