Basisregistratie Ondergrond Catalogus Booronderzoek

Bodemkundige boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse

Geonovum Informatiemodel
Vastgestelde versie

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/def-im-bhr-p-20220901/
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/bhr-p/
Vorige versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/vv-im-bhr-p-20220715/
Laatste werkversie:
https://broprogramma.github.io/BHR-P/
Redacteur:
Geonovum
Auteur:
Geonovum
Doe mee:
GitHub BROprogramma/BHR-P
Dien een melding in
Revisiehistorie
Pull requests
Rechtenbeleid:

Samenvatting

Dit document beschrijft de definitie van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd, met een algemene toelichting.

Status van dit document

Deze paragraaf beschrijft de status van dit document ten tijde van publicatie. Het is mogelijk dat er actuelere versies van dit document bestaan. Een lijst van Geonovum publicaties en de laatste gepubliceerde versie van dit document zijn te vinden op https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/alle-standaarden.

Dit is de definitieve versie van het informatiemodel. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd.

1. Inleiding

1.1 Doel en doelgroep

In de basisregistratie ondergrond (BRO) wordt een aantal typen gegevens geregistreerd, de registratieobjecten.

Een catalogus is de gegevensdefinitie van een registratieobject en beschrijft welke gegevens van het object in de BRO zijn opgeslagen. Het document is bedoeld voor alle gebruikers van de BRO en moet duidelijk maken welke gegevens er precies in het systeem zitten. Aan aanleverende partijen moet het vertellen welke gegevens in de basisregistratie ondergrond moeten komen en aan welke eisen die moeten voldoen, en aan afnemende partijen welke gegevens zij in de basisregistratie ondergrond mogen verwachten. Het document is voor een breed publiek bedoeld en de informatie moet naast precies ook begrijpelijk zijn.

1.2 Totstandkoming

Een catalogus is het resultaat van een proces van standaardisatie dat geruime tijd in beslag kan nemen. De standaardisatie is een open proces waarin de belanghebbende partijen actief betrokken worden. Het eindresultaat wordt door de wetgever vastgesteld in een ministeriële regeling.

In bepaalde gevallen is de verscheidenheid aan gegevens van een object zo groot, dat er eerst deelverzamelingen worden gedefinieerd. Het standaardisatieproces wordt dan per deelverzameling doorlopen. De deelverzamelingen worden zo gekozen dat de gegevens die in de bijbehorende catalogus worden beschreven, direct na vaststelling aan de BRO kunnen worden aangeleverd. Wanneer er deelverzamelingen worden onderscheiden, komt de catalogus van het registratieobject dus gefaseerd tot stand. Omdat inzichten in de loop van de tijd kunnen wijzigen kan het aan het eind van het hele proces nodig blijken revisies door te voeren om ongewenste verschillen tussen deelverzamelingen weg te nemen.

1.3 Beheer

Een vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) wordt met het daarbij horende deel van het systeem van de basisregistratie ondergrond in gebruik genomen. De eerste formeel vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) krijgt het versienummer 1.0. Verwacht mag worden dat er na enige tijd behoefte gaat ontstaan aan gegevens die nog niet in de catalogus zijn opgenomen.

De beheerder hanteert drie typen versies voor een wijziging van een standaard. Bijvoorbeeld: versie 2.1.0 (=X.Y.Z):

In een jaar waarin een X-wijziging plaats vindt zullen er op hetzelfde registratieobject geen y-wijzigingen plaatsvinden. Als er een X- of een Y-wijziging in een jaar aan de orde is, wordt er geen z-wijziging gepland. De versie van de catalogus met inleiding (zoals hier gepubliceerd) volgt voor de normatieve stukken volledig de versie op wetten.nl. Wijzigingen aan niet normatieve teksten in dit document vallen altijd onder Z-wijzigingen en zullen maximaal 2 keer per jaar plaatsvinden.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 1 geeft het doel en de doelgroep van een catalogus.

Hoofdstuk 2 behandelt enkele algemene aspecten van het BRO-systeem en begrippen van algemene aard.

Hoofdstuk 3 plaatst het object in de gegevenssystematiek van de basisregistratie ondergrond en vertelt wat de benadering is geweest bij het opstellen van de gegevensdefinitie.

Hoofdstuk 4 is de toelichting op de gegevensdefinitie van het registratieobject die in de ministeriële regeling is opgenomen.

Hoofdstuk 5 vertelt hoe de gegevensdefinitie is opgebouwd en welke aspecten van de gegevens daarin worden beschreven.

Hoofdstuk 6 geeft de inhoud weer van het eerste artikel van de ministeriële regeling en dat is het deel waarin de definitie is opgenomen van het registratieobject, van de delen waaruit het is opgebouwd, de entiteiten, en van de eigenschappen van die delen, de attributen.

Hoofdstuk 7 geeft de inhoud weer van het tweede artikel van de ministeriële regeling en dat is het deel waarin de uitbreidbare waardelijsten staan waarnaar in hoofdstuk 6 verwezen wordt.

2. Algemene kenmerken en begrippen

Dit onderdeel is niet normatief.

2.1 Opzet van de landelijke voorziening

De landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond is een systeem dat een schakel vormt in een informatieketen. Aan het begin van de keten staan bestuursorganen die opdracht geven tot de productie van gegevens, of zelf gegevens produceren. Die bestuursorganen worden bronhouders genoemd. De geproduceerde gegevens worden door een dataleverancier geleverd aan de beheerder van het systeem, de registerbeheerder. De bronhouder is verantwoordelijk voor de levering van gegevens. Hij kan besluiten zelf dataleverancier te zijn of andere partijen een machtiging voor levering te verlenen. De beheerder van de landelijke voorziening van de BRO registreert de aangeleverde gegevens en levert ze voor (her)gebruik door aan allerlei afnemers.

De opzet van het systeem moet begrepen worden vanuit de verantwoordelijkheden die in de keten zijn belegd. De aangeleverde gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de bronhouder en de registerbeheerder mag die gegevens niet veranderen. De registerbeheerder moet echter wel gegevens toevoegen om het systeem te kunnen beheren en hij kan gegevens toevoegen om de afnemers goed van dienst te kunnen zijn.

Bij wet is geregeld dat de basisregistratie ondergrond zo wordt opgezet dat er onderscheid bestaat tussen de gegevens die aan de registerbeheerder zijn aangeleverd en de gegevens die de registerbeheerder aan de afnemers verstrekt. Het systeem valt uiteen in twee grote deelsystemen, het register brondocumenten ondergrond en de registratie ondergrond (Figuur 10).

Een geheel van gegevens dat door of onder verantwoordelijkheid van een bronhouder wordt aangeleverd, wordt een brondocument genoemd. De brondocumenten worden in het register brondocumenten ondergrond opgeslagen. De gegevens uit de brondocumenten worden samen met de gegevens die de registerbeheerder toevoegt in de registratie ondergrond vastgelegd. De registratie ondergrond is het deelsysteem dat gebruikt wordt voor uitgifte.

Figuur 1 De twee grote deelsystemen van de landelijke voorziening van de BRO.

Met deze opzet verkrijgt het systeem de nodige flexibiliteit. Zo kan een object in de registratie ondergrond gegevens bevatten die uit meer dan één brondocument afkomstig zijn en bij uitgifte kunnen gegevens van verschillende objecten met elkaar gecombineerd worden. Ook is het mogelijk met het brondocument gegevens op te slaan die alleen voor de bronhouder en de aanleverende partij van belang zijn.

De catalogus dekt alle gegevens die opgenomen zijn in de registratie ondergrond. Verreweg de meeste gegevens komen uit de brondocumenten die de dataleverancier aanlevert en een paar gegevens komen voort uit de overdracht van een brondocument aan de registerbeheerder. Aan de aangeleverde gegevens worden enkele gegevens door de registerbeheerder toegevoegd. Als een gegeven is toegevoegd door de BRO wordt dat in de beschrijving expliciet vermeld.

Alle gegevens in de registratie ondergrond worden uitgegeven, maar niet alle afnemers kunnen alle gegevens geleverd krijgen. De gegevens die niet aan alle afnemers worden uitgeleverd zijn de gegevens die alleen nodig zijn in de communicatie tussen de registerbeheerder enerzijds en de dataleveranciers en bronhouders anderzijds.

2.2 Registratieobject

Het registratieobject is dé eenheid in de data-architectuur van de basisregistratie ondergrond. Voor de registerbeheerder is het de elementaire bouwsteen van het systeem dat hij moet beheren.

Een registratieobject verwijst naar een eenheid van informatie die onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder valt en die met een bepaald doel is of wordt gemaakt. Het is in directe of indirecte zin gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een registratieobject een plaats op het aardoppervlak heeft of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een plaats op het aardoppervlak.

Een registratieobject is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd gedefinieerd. Het leven van een registratieobject begint op het moment dat de gegevens zijn geregistreerd en dat is zo kort mogelijk nadat de gegevens zijn geproduceerd. De levensduur van een registratieobject, en de veranderlijkheid van de gegevens verschilt van object tot object. Een grondwatermonitoringput kan tientallen jaren gebruikt worden voor het meten van grondwaterstanden en in de periode kunnen er nieuwe gegevens ontstaan. Dat betekent dat de gegevens van de put in de registratie ondergrond gedurende zijn hele levensduur bijgewerkt moeten kunnen worden. Aan de andere kant van het spectrum staan de objecten waarvan alle gegevens in een keer worden vastgelegd. Geotechnisch sondeeronderzoek is daar een voorbeeld van. Sondeeronderzoek is eenmalig onderzoek en het resultaat ervan kan al na een of enkele dagen aan de bronhouder worden overhandigd.

2.3 Registratiedomein

Registratieobjecten worden in de basisregistratie ondergrond gegroepeerd in domeinen. Vooralsnog worden zes domeinen onderscheiden:

De domeinen zijn vanuit het oogpunt van beheer van belang voor de ordening van het systeem. Daarnaast zijn zij nuttig in de communicatie met de partijen die bij de realisatie van het systeem betrokken zijn.

2.4 Kwaliteitsregime

In de basisregistratie ondergrond worden niet alleen gegevens geregistreerd die dateren van na de datum waarop de wet van kracht is geworden. Ook oudere gegevens zullen in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen. De noodzaak daartoe ligt in de wet verankerd. Die schrijft voor dat de gegevens uit de eerder bestaande systemen DINO en BIS zo veel mogelijk naar de BRO moeten worden overgezet. Verder staat de wet toe dat bronhouders tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet historische gegevens ter registratie mogen aanbieden.

Historische gegevens kunnen niet altijd voldoen aan de strikte regels die de BRO stelt. Zo kan het voorkomen dat voor gegevens die volgens de strikte regels van de BRO verplicht zijn, geen waarde bekend is. Om de verwerking van de twee categorieën gegevens naast elkaar mogelijk te maken, worden twee kwaliteitsregimes gehanteerd. Voor de aanlevering van gegevens volgens de strikte regels geldt het IMBRO-regime. Bij de aanlevering van historische gegevens wordt geaccepteerd dat een aantal formeel verplichte gegevens geen waarde heeft. Voor deze gegevens wordt het IMBRO/A-regime gehanteerd en dat kent dus minder strikte regels.

De introductie van de twee kwaliteitsregimes geeft de bronhouder gedurende een bepaalde periode een zekere mate van vrijheid. Het kan bijvoorbeeld praktisch blijken het IMBRO/A-regime te hanteren voor gegevens die weliswaar pas na de datum waarop de wet in werking is getreden zijn geproduceerd maar die voortkomen uit opdrachten die al voor die datum zijn gegeven. Ook kan het voorkomen dat historische gegevens wel aan alle strikte voorwaarden voldoen en dan is het wenselijk de gegevens onder IMBRO-regime aan te leveren.

De periode waarin de bronhouders die vrijheid hebben wordt de transitieperiode genoemd. Over de duur van de transitieperiode zijn nog geen afspraken gemaakt. Na afloop van de transitieperiode kan alleen onder het strikte IMBRO-regime worden aangeleverd.

2.5 Formele en materiële geschiedenis

De basisregistratie ondergrond maakt deel uit van een stelsel van basisregistraties. Binnen het stelsel maakt men onderscheid tussen de materiële geschiedenis en de formele geschiedenis van een object.

Het begrip materiële geschiedenis wordt gebruikt om de veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid aan te duiden. De materiële geschiedenis van een object wordt, voor zover relevant, in de registratie ondergrond vastgelegd. Niet alle registratieobjecten hebben een materiële geschiedenis, alleen de objecten met een levensduur, zoals de grondwatermonitoringput.

Het begrip formele geschiedenis wordt gebruikt voor de veranderingen van eigenschappen van een object in de registratie zelf. De meeste van die veranderingen gaan terug op een verandering van eigenschappen in de werkelijkheid, en de formele geschiedenis geeft aan wanneer de veranderingen in het systeem geregistreerd zijn. De formele geschiedenis kent ook gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van een verandering in de werkelijke eigenschappen van een object. Die gebeurtenissen hebben betrekking op correcties. Het kan gebeuren dat een bronhouder erachter komt dat er een onjuiste waarde was geregistreerd en dan zorgt hij ervoor dat die verbeterd wordt. De registratie van de verbetering is een formele gebeurtenis.

Alle registratieobjecten hebben een formele geschiedenis en die wordt in de registratie ondergrond globaal vastgelegd in de registratiegeschiedenis van het object. Globaal wil zeggen dat de registratie ondergrond alleen een overzicht van de formele geschiedenis geeft. Voor de details moet het register brondocumenten ondergrond worden geraadpleegd.

Bij correctie wordt het betreffende gegeven in de registratie ondergrond overschreven en is de oude waarde van het gegeven niet meer direct beschikbaar voor de afnemers. Zou een afnemer toch willen weten wat de eerdere foute waarde was, dan moet hij het register brondocumenten ondergrond raadplegen.

2.6 Coördinaten en referentiestelsels

De registratieobjecten van de basisregistratie ondergrond zijn gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een object zelf een plaats op het aardoppervlak, een locatie, heeft, of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een locatie. Afhankelijk van het type registratieobject, wordt de locatie geregistreerd als een punt, een lijn of een vlak.

De locatie is de horizontale positie van een object. Voor bepaalde objecten is het voldoende dat alleen die horizontale positie wordt vastgelegd, maar voor veel objecten is ook de verticale positie van belang.

Posities worden vastgelegd in coördinaten en die zijn gedefinieerd in een bepaald referentiestelsel.

Er zijn verschillende typen referentiestelsels. Zo spreekt men van horizontale referentiestelsels (2D), verticale referentiestelsels (1D), gecombineerde referentiestelsels (2D, 1D) en werkelijke 3D referentiestelsels. In Nederland worden de horizontale en de verticale component van een positie in een afzonderlijk stelsel uitgedrukt. Het is vandaag de dag mogelijk met gps een positie in een 3D-referentiestelsel vast te leggen, maar de wens over te stappen op het gebruik van 3D is nog door geen van de partijen die betrokken zijn bij de basisregistratie ondergrond naar voren gebracht.

2.6.1 Referentiestelsels voor de horizontale positie

In Nederland zijn traditioneel verschillende referentiestelsels voor de horizontale positie in gebruik. In 2009, bij de eerste voorbereidingen voor de totstandkoming van de basisregistratie ondergrond, is al vastgesteld dat de verscheidenheid aan referentiestelsels de basisregistratie ondergrond voor problemen stelt omdat de registratie dan niet gemakkelijk op een eenduidige manier bevraagd kan worden. In de registratie ondergrond worden namelijk zowel gegevens met een locatie op land als gegevens met een locatie op zee geregistreerd. In de toenmalige praktijk werden op land en op zee verschillende stelsels gebruikt. Op land werd RD gebruikt en op zee waren verschillende stelsels in gebruik, waarvan WGS84 de belangrijkste was.

In 2009 was ook al bekend dat de Europese kaderrichtlijn INSPIRE de lidstaten vraagt de gegevens in Europa in één referentiestelsel uit te gaan wisselen, te weten in ETRS89. Met dat in gedachten, is het besluit genomen het BRO-systeem zo in te richten dat de registratie bevraagd gaat worden in ETRS89.

Het besluit wordt ondersteund door ontwikkelingen in Nederland. Sinds 2013 wordt er door de drie belangrijkste autoriteiten in Nederland op het gebied van referentiestelsels, het Kadaster, de Dienst der Hydrografie en Rijkswaterstaat, gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe afspraken. Die afspraken moeten in lijn zijn met Europese afspraken en leiden tot heldere en eenduidige transformatieprocedures tussen referentiestelsels. Concreet betekent dit dat in Nederland op termijn het ETRS89-stelsel als standaard zal worden gehanteerd voor het uitwisselen van geo-informatie.

Het besluit betekent niet dat de gegevens ook in ETRS89 aangeleverd moeten worden. De basisregistratie ondergrond voorziet een periode van transitie waarin de aanleverende partijen zelf bepalen wanneer zij overstappen op ETRS89. Die periode zal naar verwachting jaren duren. Om de transitie te ondersteunen hanteert de basisregistratie ondergrond de volgende spelregels:

  • Gegevens mogen in een beperkt aantal referentiestelsels worden aangeleverd (RD, WGS84 en ETRS89).
    • Voor locaties op land wordt alleen RD of ETRS89 toegestaan.
    • Voor locaties op zee wordt alleen WGS84 of ETRS89 toegestaan.
  • De aangeleverde coördinaten worden in de registratie opgeslagen.
  • De aangeleverde coördinaten worden door de basisregistratie ondergrond getransformeerd naar het ETRS89 referentiestelsel.
  • De getransformeerde coördinaten worden naast de aangeleverde coördinaten opgeslagen.
  • Bij de getransformeerde coördinaten wordt ook een identificatie van de gebruikte transformatiemethode opgeslagen.
  • Als de coördinaten in ETRS89 zijn aangeleverd, dan staat bij aangeleverde en getransformeerde positie dezelfde informatie. Voor de locatie worden de getransformeerde coördinaten en de aangeleverde coördinaten beide aan de afnemers verstrekt.

2.6.2 Referentiestelsels voor de verticale positie

In Nederland zijn voor verticale posities op land en zee verschillende referentiestelsels in gebruik. Op land wordt NAP gebruikt. Op zee is het in de voor de BRO relevante werkvelden gebruikelijk posities uit te drukken t.o.v. het gemiddeld zeeniveau (MSL, Mean Sea Level), maar posities t.o.v. LAT komen ook voor (Lowest Astronomical Tide). Dit laatstgenoemde stelsel wordt in de kaderrichtlijn INSPIRE genoemd als het stelsel van voorkeur voor het uitdrukken van verticale posities op zee. De basisregistratie ondergrond staat daarom op zee het gebruik van LAT naast MSL toe. Aangeleverde verticale posities worden door de BRO niet getransformeerd.

2.7 Gegevens op land en op zee

De basisregistratie ondergrond bevat gegevens over de ondergrond van Nederland en zijn zgn. Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het van belang te weten of de locatie van een object op zee of op land ligt.

Als scheidingslijn tussen land en zee wordt in de basisregistratie ondergrond de UNCLOS-basislijn gehanteerd. Het beheer van de basislijn valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst der Hydrografie van het ministerie van Defensie. Deze dienst voert die taak uit op basis van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties uit 1982, dat in het Engels de United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) heet. De basislijn is opgebouwd uit de nulmeterdieptelijn zoals weergegeven op de zeekaarten en enkele rechte basislijnen die onder meer de monding van de Westerschelde en de wateren tussen de Waddeneilanden afsluiten.

De grens tussen land en zee is veranderlijk. De Dienst der Hydrografie stelt de grens opnieuw vast wanneer daartoe voldoende aanleiding is. De BRO hanteert bij inname de meest recente versie van de UNCLOS-basislijn en controleert daarmee of de juiste referentiestelsels gebruikt worden.

Tussen het moment waarop de locatie van een object wordt bepaald en het moment waarop het gegeven in de basisregistratie ondergrond wordt vastgelegd verloopt enige tijd. In die periode kan de positie van de UNCLOS-basislijn opnieuw zijn vastgesteld, en dan ontstaat er een discrepantie die bij het aanleveren van gegevens tot problemen kan leiden. Wanneer een dergelijk probleem zich voordoet, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met betrekking tot de begrenzing van Nederland, met name van het Nederlands territoir. De grenzen van Nederland worden ieder jaar op 1 januari vastgesteld door het Kadaster en vastgelegd in de basisregistratie kadaster. De BRO controleert bij inname of een object in het gebied ligt dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat, en hanteert daarbij de actuele grenzen. Ook bij problemen die te herleiden zijn tot een verandering in de begrenzing van Nederland, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Binnen het domein Mijnbouwwet wordt de scheidingslijn tussen land en zee niet bepaald door de UNCLOS-basislijn, maar door een over zee lopende lijn die is vastgelegd in een bijlage bij de Mijnbouwwet. In de registratie ondergrond wordt deze lijn aangeduid als mijnbouwgrens. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het binnen het domein Mijnbouwwet van belang te weten of de locatie van een object aan landzijde of aan zeezijde van de mijnbouwgrens ligt. Waar in voorgaande paragrafen ‘op land’ en ‘op zee’ is genoemd, houdt dat binnen het domein Mijnbouwwet in: aan landzijde respectievelijk aan zeezijde van de mijnbouwgrens.

2.8 Nauwkeurigheid van meetwaarden

Voor zinvol gebruik van gegevens met een gemeten, berekende of anderszins bepaalde waarde is het noodzakelijk dat de nauwkeurigheid van die gegevens bekend is.

Het begrip nauwkeurigheid laat zich in deze context het best omschrijven als de juistheid van een gemeten of berekende waarde. In de meeste processen waarin de waarde van een gegeven wordt bepaald, kan de afwijking van de daadwerkelijke waarde slechts via een kalibratie- of statistisch proces worden verkregen. Het resultaat omvat dan niet alleen een van de mogelijke realisaties van een meetwaarde maar ook informatie over de mogelijke spreiding van de meetwaarden.

De basisregistratie ondergrond gaat ervan uit dat de producenten van gegevens de metingen en berekeningen uitvoeren binnen een stelsel van afspraken dat binnen het desbetreffende werkveld is vastgelegd. Uitgangspunt is dat ook de eisen waaraan de gegevens op het gebied van nauwkeurigheid moeten voldoen in afspraken zijn vastgelegd. Dat kunnen praktische werkafspraken zijn, maar ook afspraken die vertaald zijn naar ISO- en NEN-normen. In de catalogus wordt in beginsel verwezen naar die normen. Waar deze normen niet voorzien in afspraken over de nauwkeurigheid, stelt de basisregistratie ondergrond hieraan specifieke eisen. Deze zijn dan vermeld in de catalogus.

2.9 Authentiek gegeven

In de wet is een aantal gegevens expliciet als authentiek aangeduid. Dit wordt in de catalogus nader uitgewerkt; verreweg de meeste gegevens zijn authentiek.

Met de aanduiding authentiek wordt, zoals geformuleerd in de memorie van toelichting op de wet, tot uitdrukking gebracht dat:

  1. Het gegeven in samenhang met andere gegevens door een groot aantal bestuursorganen in verschillende processen wordt gebruikt en derhalve bestemd is voor informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen;
  2. de verantwoordelijkheid voor betrouwbaarheid van het gegeven eenduidig geregeld is;
  3. het gegeven onderworpen is aan intern en extern kwaliteitsonderzoek, en
  4. het gegeven zich leent voor verplicht gebruik door bestuursorganen en eenmalige verstrekking door burgers en bedrijven aan de overheid.

In de praktijk mag een gebruiker van de gegevens ervan uitgaan dat alle gegevens correct zijn. De catalogus moet de gebruiker alle informatie geven die voor een goed begrip daarvan nodig is. Heeft een gebruiker echter gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven dan wordt verwacht dat hij de registerbeheerder daarvan op de hoogte brengt. Bestuursorganen zijn, bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven (of het ontbreken ervan), zelfs verplicht daarvan melding te maken.

Voor alle gegevens is aangegeven of ze authentiek zijn. Ook is voor alle gegevens aangegeven of ze aanwezig moeten zijn en een waarde moeten hebben. Dat laat zien dat er gegevens kunnen zijn die authentiek zijn maar geen waarde hoeven te hebben. Juist omdat er verplichtingen gelden t.a.v. authentieke gegevens, vraagt dit om een korte toelichting. Wanneer een authentiek gegeven geen waarde heeft moet de gebruiker ervan uitgaan dat het gegeven niet is geproduceerd. Dat geval kan zich uiteraard alleen voordoen wanneer er vrijheid van beslissen bestaat bij de bronhouder of de producent. Voor de duidelijkheid, als er wel een waarde is dan moet die ook in de BRO worden opgenomen. Bij gerede twijfel over het ontbreken van een waarde, moet een bestuursorgaan dat melden.

3. Booronderzoek

Dit onderdeel is niet normatief.

3.1 Bodem- en grondonderzoek

Booronderzoek is een van de vijf registratieobjecten in het domein bodem- en grondonderzoek.

Het gaat in dit domein om onderzoek dat erop gericht is gegevens te produceren over de opbouw en eigenschappen van bodem en ondergrond zonder dat daarvoor direct een bepaald wettelijk of beleidsmatig kader bestaat. Vaak wordt het onderzoek uitgevoerd omdat men de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond moet kennen voor het realiseren van projecten in de grond-, weg- en waterbouw, de woning– en utiliteitsbouw, voor het onderhoud van bestaande infrastructuur, of om de geschiktheid van de ondergrond voor land- of natuurbouw of voor het realiseren van constructies in de ondergrond te onderzoeken.

Het onderzoek kan direct in het veld worden uitgevoerd, maar kan ook een combinatie van veld- en laboratoriumonderzoek zijn.

Het domein bodem- en grondonderzoek omvat vijf registratieobjecten:

  • booronderzoek
  • wandonderzoek
  • geotechnisch sondeeronderzoek
  • geo-elektrisch onderzoek
  • seismisch onderzoek

De vijf registratieobjecten staan op zichzelf en hebben eigen locaties.

Voor de wet valt het booronderzoek overigens onder het begrip verkenning. Een verkenning is in de wet gedefinieerd als een waarneming van de opbouw van de ondergrond op een punt, langs een lijn of in een vlak. Booronderzoek is een verkenning op een punt.

3.2 Boor- en wandonderzoek

In het vlakke Nederland is de ondergrond bijna overal aan het oog onttrokken. De traditionele manier om informatie over de ondergrond in te winnen is door eerst een gat te maken en vervolgens te onderzoeken wat er in het gat te zien is of wat er uit het gat is gekomen. Onderzoekstechnieken waarvoor het niet nodig is eerst een gat te maken zijn tegen het midden van de twintigste eeuw beschikbaar gekomen, maar ook vandaag de dag begint veel onderzoek nog met het maken van een gat. We maken daarbij onderscheid tussen booronderzoek en wandonderzoek.

Booronderzoek omvat de vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. In verreweg de meeste gevallen wordt geboord om monsters uit de ondergrond naar boven te halen en die monsters te onderzoeken. In bepaalde gevallen komt het voor dat er onderzoek gedaan wordt aan het gat dat door boren is ontstaan en dat gebeurt door een meetapparaat in het gat neer te laten.
Boren kan tot op grote diepte worden uitgevoerd en het onderzoek levert indirecte gegevens. De monsters die uit het geboorde gat naar boven worden gehaald zijn in veel gevallen geroerd en dat wil zeggen dat de oorspronkelijke opbouw van de ondergrond niet meer te herkennen is. Het steken van monsters en het maken van kernen levert ongeroerde monsters en die hebben een hogere kwaliteit, maar zijn wel duurder.

Wandonderzoek vereist dat er op de plaats van het onderzoek een verticale wand is blootgelegd die het bovenste deel van de ondergrond ontsluit. In bijna alle gevallen moet er eerst worden gegraven, omdat natuurlijke ontsluitingen nu eenmaal zeldzaam zijn in Nederland. Wel is er soms al een wand voorhanden die eerder door de mens is gemaakt, bijvoorbeeld in een groeve, aan de rand van een weg- of leidingtracé of in een slootkant.
In een wand is de opbouw van de ondergrond direct zichtbaar en de plekken waar monsters voor verder onderzoek genomen moeten worden kunnen precies worden bepaald. Wandonderzoek levert dan ook naar verhouding hoogwaardige gegevens, maar het onderzoek beperkt zich natuurlijk wel tot het bovenste deel van de ondergrond. Het prepareren van de wand kost wel veel meer tijd dan het zetten van een ondiepe boring.

3.3 Verscheidenheid aan vakgebieden

Wat voor soort informatie boor- en wandonderzoek opleveren wordt bepaald door het doel van het onderzoek. Omdat boren en graven nu eenmaal de manieren zijn om de ondergrond te ontsluiten, is er een veelheid aan doelen ontstaan en is de variatie in onderzoek groot. Die verscheidenheid vraagt om ordening. Een belangrijke factor voor het ordenen van de informatie is het vakgebied waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd en dan met name de vertaling daarvan naar toepassingsgebied. Zo houdt de geotechniek zich bezig met bouwen op of in de grond, of met grond, en de cultuurtechniek met het in cultuur brengen van het land of het ervoor zorgen dat het in cultuur gehouden kan worden. In de vakgebieden bodemkunde en geologie staat boor- en wandonderzoek traditioneel in het teken van kartering of modellering, activiteiten die erop gericht zijn een kader te scheppen voor de andere vormen van onderzoek. Het vakgebied van de toegepaste geologie heeft een meer generiek karakter en wordt voor allerlei verkenningen uitgevoerd, waaronder geohydrologische verkenningen.
Deze vijf vakgebieden dekken de disciplines die voor een goede ordening van de informatie van het boor- en wandonderzoek in de basisregistratie ondergrond nodig zijn. De vijf vakgebieden dekken niet alle bestaande disciplines. Er zijn zeker drie toepassingsgebieden die buiten beschouwing worden gehouden. Dat zijn het booronderzoek dat voor mijnbouwdoeleinden wordt verricht, het archeologisch onderzoek en het onderzoek dat erop gericht is de kwaliteit van de bodem vanuit milieukundig perspectief te bepalen. Mijnbouw kent een wettelijk kader en vormt in de basisregistratie ondergrond een apart registratiedomein en daarin heeft het desbetreffende booronderzoek zijn eigen plaats. Archeologisch en milieukundig onderzoek vallen vooralsnog buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond.
Het booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat alle vijf genoemde vakgebieden. Voor wandonderzoek valt alleen het bodemkundig onderzoek binnen het bereik van de basisregistratie. De onderliggende overweging is dat wandonderzoek vanuit geologie, toegepaste geologie, geotechniek of cultuurtechniek zelden wordt uitgevoerd en dat de informatie die eruit voortkomt niet op een systematische manier wordt vastgelegd.

In het vakgebied zit overigens vaak al opgesloten tot welke diepte het onderzoek reikt en of het onderzoek zich tot het land beperkt of ook op zee wordt uitgevoerd. Het vakgebied bepaalt ook welke deelonderzoeken het onderzoek kan omvatten, wat globaal het karakter is van die deelonderzoeken en welke aspecten en eigenschappen van de ondergrond er onderzocht worden, en met welke methodieken.

3.4 Begrippenkader voor boor- en wandonderzoek

Boor- en wandonderzoek levert informatie over het deel van de ondergrond dat op een bepaalde locatie is doorboord of ontsloten. Welk deel van de ondergrond dat is wordt tot op zekere hoogte bepaald door het vakgebied. Omdat er allerlei vakgebieden samenkomen in de basisregistratie ondergrond is een gemeenschappelijk begrippenkader nodig om voor iedereen duidelijk te kunnen maken over welk deel van de ondergrond het eigenlijk gaat (Figuur 2).

Figuur 2 De begrippen die in de basisregistratie ondergrond gebruikt worden voor de indeling van de ruimte.

Voor de basisregistratie omvat de ondergrond alles wat zich onder het oppervlak van de vaste aarde bevindt. Als we ons beperken tot de bovenste kilometers - het deel dat nog met boren wordt bereikt- bestaat de ondergrond van Nederland gewoonlijk uit relatief los materiaal bovenin en relatief vast materiaal onderin. In de basisregistratie ondergrond gebruiken we dat verschil om uitdrukking te geven aan de begrippen die we ook in de gewone spreektaal gebruiken grond, resp. gesteente.

Het begrip bodem wordt gebruikt voor het bovenste deel van de ondergrond en dat op een nogal losse manier. Het begrip wordt vaak strikter gedefinieerd bijvoorbeeld door het te beperken tot de bovenste 120 cm van de ondergrond of tot het deel waarin bodemvormende processen spelen, maar die striktheid is vooralsnog niet handig gebleken.

Het oppervlak dat de vaste aarde begrenst is een belangrijk element in het begrippenkader. Daar waar het oppervlak niet met water bedekt is, begint de ondergrond bij het maaiveld (Figuur 3). Daar waar de aarde bedekt is met water, begint de ondergrond bij de bodem van het waterlichaam, de waterbodem. Het grensvlak fungeert als nulpunt voor de diepte. In de terminologie van de basisregistratie is het lokaal verticaal referentiepunt het punt waar een boring of wand het grensvlak snijdt. De afstand tot het referentievlak - NAP op land - wordt verschuiving genoemd (Figuur 3).

Figuur 3 Het nulpunt voor de diepte, het lokaal verticaal referentiepunt, is in een boring het punt waar de boring het maaiveld (1) of de waterbodem (2) snijdt en is in een wand het punt waar de zgn. beschrijflijn het maaiveld snijdt. Wanden worden nooit gerealiseerd onder water waar de waterbodem als nulpunt fungeert. De afstand tussen het verticaal referentiepunt en het verticaal referentievlak, NAP in dit geval, is de verschuiving.

Binnen bepaalde vakgebieden wordt in het onderzoek ook aandacht gegeven aan materiaal dat op de ondergrond ligt. In de bodemkunde en toegepaste geologie kan de laag strooisel die lokaal, met name in bossen, op het maaiveld ligt worden onderzocht (zie Figuur 2). In de geotechniek en geologie wordt soms de laag slib, een mengsel van water en sediment, die lokaal op de waterbodem ligt in het onderzoek meegenomen (Figuur 3).

3.5 Registratieobject booronderzoek

In de basisregistratie ondergrond is booronderzoek een registratieobject en daarmee een informatieobject. Een registratieobject is een afbeelding van de werkelijkheid en niet de werkelijkheid zelf. In de werkelijkheid wordt booronderzoek bijna altijd projectmatig uitgevoerd. Een dergelijk project omvat vrijwel altijd een aantal boringen, maakt vaak weer deel uit van een project waarin ook andere technieken worden gebruikt, en strekt zich over een kleiner of groter gebied uit. Voor de basisregistratie ondergrond is het object booronderzoek altijd aan een specifieke locatie gebonden, een punt op de kaart.

Een registratieobject is de belangrijkste eenheid van informatie in de basisregistratie ondergrond. Een registratieobject bestaat uit delen (entiteiten), en de delen hebben eigenschappen (attributen). Om het booronderzoek als informatieobject te kunnen definiëren, wordt vanuit een bepaalde benadering gedacht.

In het denken over wat het object booronderzoek is en hoe de informatie van dat object moet worden gemodelleerd staat het begrip onderzoek centraal. Bij het begrip onderzoek moet men in essentie aan een activiteit, een proces of een aaneenschakeling van activiteiten of processen denken. Het onderzoek koppelt een resultaat aan een object van onderzoek en in het geval van de basisregistratie ondergrond is dat een deel van de ondergrond.
Waarom onderzoek een centrale plaats in het denken inneemt, behoeft wel enige toelichting omdat men in eerste instantie zou kunnen denken dat het resultaat van het onderzoek centraal moet staan omdat dat de informatie is waar het allemaal om draait. Inderdaad gaat het uiteindelijk om het resultaat van het onderzoek, dat is immers de informatie die men wil gebruiken. Maar de reden dat het onderzoek in de modellering centraal wordt gesteld, is dat wat een booronderzoek uniek maakt niet het resultaat of het object van onderzoek is, maar dat er op een bepaald moment onderzoek is gedaan. Het is de factor tijd die het onderzoek uniek maakt.

Omdat onderzoek een aaneenschakeling van activiteiten is, kan het resultaat door een groot aantal factoren worden beïnvloed. Hergebruik van informatie is het doel van iedere basisregistratie en om dat mogelijk te maken, moeten met het resultaat de gegevens worden vastgelegd die het onderzoek als proces beschrijven. Uitgangspunt voor de definitie is dan ook dat de gegevens over het proces voldoende informatie moeten bevatten om een gebruiker in staat te stellen te beoordelen of het resultaat geschikt is voor het doel dat hij beoogt.

Om het proces te kunnen vatten zijn de eerste vragen: waarmee begon het proces dat tot booronderzoek heeft geleid en waarmee eindigde het?
Voor de basisregistratie ondergrond begint de geschiedenis bij het uitvoeren van een opdracht tot onderzoek en eindigt de geschiedenis op het moment dat alle gegevens uit het onderzoek correct in de basisregistratie ondergrond zelf zijn vastgelegd. Gegevens over de opdracht tot het uitvoeren van booronderzoek worden niet opgenomen. Wel wordt er bij de registratie in de BRO impliciet informatie over de opdracht vastgelegd omdat gespecificeerd wordt binnen welk kader de gegevens zijn ingewonnen.

Uitvoering van de opdracht begint ermee dat de uitvoerende instantie naar een bepaalde locatie gaat om daar te gaan boren. Voorafgaand aan het boren kunnen ter plekke allerlei voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd. Het enige dat voor de registratie telt, is of die werkzaamheden van invloed zijn geweest op de toestand van de ondergrond of op de bemonstering.
Om te boren wordt bepaalde apparatuur gebruikt. Met welke apparatuur geboord wordt hangt helemaal af van het doel van het onderzoek, de beoogde einddiepte en de plaats waar geboord wordt. Het kan een eenvoudige handboor zijn, maar ook een grote boorinstallatie met allerlei randapparatuur en voorzieningen voor het opvangen van boormateriaal. Met de hand boren kost minuten, maar mechanisch boren kan ook dagen in beslag nemen.

Het feitelijk onderzoek bestaat uit een of meer deelonderzoeken: (1) het beschrijven van boormonsters, (2) het analyseren van monsters, veelal in een laboratorium, (3) het maken van foto’s van boormonsters en (4) het uitvoeren van metingen in het boorgat (Figuur 4).

Figuur 4 De deelonderzoeken van booronderzoek.

Ieder deelonderzoek levert een resultaat en de registratie is zo ingericht dat de resultaten per deelonderzoek in de registratie ondergrond kunnen worden opgenomen.

Het deelonderzoek dat bijna altijd wordt uitgevoerd is het beschrijven van de boormonsters en dat levert als resultaat een beschrijving van de opbouw van de ondergrond vanuit de invalshoek van het betreffende vakgebied. De ondergrond wordt beschreven als opgebouwd uit lagen en van die lagen worden allerlei kenmerken beschreven.
Wanneer het onderzoek ook het uitvoeren van onderzoek in het laboratorium omvat worden samenstelling of eigenschappen van het materiaal nader bepaald. Bij het uitvoeren van metingen in het boorgat vindt eigenlijk hetzelfde plaats, maar dat gebeurt met een sonde die quasi-continu metingen doet terwijl de sonde haar weg door het boorgat aflegt.

Het proces zoals beschreven geldt voor booronderzoek in het algemeen. Per vakgebied verschilt de invulling waarbij de belangrijkste verschillen vooral in de deelonderzoeken tot uitdrukking komen.

3.5.1 Standaardisatie van booronderzoek

De catalogus van booronderzoek komt gefaseerd tot stand. De achtergrond daarvan is de grote verscheidenheid aan booronderzoek. Die maakt dat het standaardisatieproces dat aan de gegevensdefinitie ten grondslag ligt, een dimensie kent die bij veel andere registratieobjecten ontbreekt. Bij booronderzoek moet de informatie namelijk niet alleen binnen een vakgebied worden gestandaardiseerd, maar ook over alle vakgebieden heen.
In de praktijk betekent dit dat er een algemeen geldend kader moet worden ontwikkeld dat voor ieder van de vakgebieden specifiek wordt ingevuld. Het lastige is dat het algemene kader pas goed kan worden neergezet wanneer de standaardisatie voor ieder van de specifieke vakgebieden is doorlopen, en dat is nog niet het geval.

3.6 Bodemprofiel

Het deelonderzoek dat bijna altijd wordt uitgevoerd is het beschrijven en dat levert als resultaat een bodemprofiel.
Met een dergelijk bodemprofiel legt de bodemkundige vast welke lagen of horizonten hij heeft waargenomen. Bodemprofielen staan aan de basis van het bodemkundig onderzoek.
Om uniformiteit in de vastlegging van bodemgegevens te garanderen, is in 1989 het “Systeem van bodemclassificatie voor Nederland” van De Bakker & Schelling gepubliceerd. De bodems van Nederland worden volgens dit systeem ingedeeld in vijf orden die elk weer worden onderverdeeld in subgroepen. In De Bakker & Schelling worden de begrippen die nodig zijn om het systeem te kunnen gebruiken toegelicht; dat zijn begrippen als grondsoortenindeling, horizont en differentiërend kenmerk. In aanvulling op het systeem van bodemclassificatie gebruikt Wageningen Environmental Research voor de beschrijving van bodemprofielen de “Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften” (Technisch document 19A, 1995). De handleiding is op de praktijk gericht en geeft een volledig overzicht van de waarden die gegevens kunnen hebben en van de regels die daarbij gelden. Ook wordt daarin de indeling volgens de zogenaamde standaardpuntencode uitgelegd.

3.6.1 Grondsoorten

Bodemkundigen benoemen de grondsoort op basis van de verhouding tussen het minerale bestanddeel en de hoeveelheid organische stof, waarbij het minerale bestanddeel wordt onderverdeeld naar korrelgrootte. De korrelgroottegrenzen die in de bodemkunde worden gebruikt zijn: 2, 50 en 2000 µm. De fracties die worden onderscheiden zijn:

  • tot 2 µm : lutumfractie
  • 2-50 µm : siltfractie
  • tot 50 µm : leemfractie
  • 50-2000 µm : zandfractie.

De bodemkundige namen van grondsoorten zijn gebaseerd op het gebruik van driehoeksgrafieken en daarvan bestaan er drie: de veendriehoek, de kleidriehoek en de leemdriehoek. Aan de hand van de veendriehoek (figuur 5) wordt bepaald of de grond geclassificeerd moet worden als moerig of als mineraal.

Figuur 5 De veendriehoek met de indeling en benaming van moerig materiaal en de organischestofklassen voor mineraal materiaal.

Bij een moerige grond volstaat de veendriehoek en worden het organische stofgehalte en het lutumgehalte gecombineerd om de naam van de grondsoort precies te bepalen.
Bij een minerale grond moet de bodemkundige kiezen of hij de kleidriehoek (figuur 6) of de leemdriehoek (figuur 7) moet gebruiken om de grondsoort te benoemen. Bepalend daarvoor is het milieu waarin het materiaal oorspronkelijk is afgezet. Voor eolische afzettingen, materiaal dat door de wind is afgezet, wordt de leemdriehoek gebruikt. Voor niet-eolische afzettingen wordt de kleidriehoek gebruikt.

Figuur 6 De kleidriehoek met de indeling en benaming van niet-eolische afzettingen. Het merendeel van de monsters uit rivier- en zeekleigebieden ligt in de grijze zone.
Figuur 7 De leemdriehoek met de indeling en benaming van eolische afzettingen. Het merendeel van de monsters uit dekzand- en lössgebieden ligt in de grijze zone.

Het gebruik van de leemdriehoek is overigens niet strikt beperkt tot eolische afzettingen. Van bepaalde onder invloed van landijs gevormde afzettingen (bijv. keileem) en door landijs gestuwde afzettingen, is de korrelgrooteverdeling vergelijkbaar met die van eolische afzettingen en wordt ook de leemdriehoek gebruikt.
Eolische en de daarmee gelijkgeschakelde afzettingen komen niet overal in Nederland voor (figuur 8). Het gebruik van de termen die met de leemdriehoek verbonden zijn - dat zijn leem, leemarm en lemig - is dan ook regionaal bepaald. Het zijn met name de landbouwers en natuurbeheerders in de relatief hooggelegen delen van Nederland die met deze begrippen vertrouwd zijn.

Figuur 8 De verbreiding van bodemprofielen waarvoor de leemdriehoek is gebruikt, gebaseerd op de gegevens in BIS Nederland.

3.6.2 Horizonten

De lagen waaruit de bodem is opgebouwd, worden in de bodemkunde horizonten genoemd. Horizonten ontstaan als gevolg van bodemvormende processen en worden van elkaar onderscheiden op basis van verschillen in onder meer grondsoort, kleur, gehalte aan humus, ijzer en kalk, structuur, consistentie of een combinatie daarvan. Om bodems op uniforme wijze te kunnen beschrijven, worden horizonten volgens een vast systeem gecodeerd als een combinatie van letters. De horizontcode bestaat uit twee delen:

  • De hoofdhorizont, aangegeven met een hoofdletter; dit is de basis van de indeling en bepaalt de plaats van het interval in het proces van bodemvorming.
  • Een kleine-lettertoevoeging achter de hoofdhorizont; deze geeft nadere informatie over het bodemvormende proces dat met de hoofdletter is gecodeerd.

Noot

3.6.3 Standaardpuntencode

De standaardpuntencode is ontwikkeld ten behoeve van het bodemgeografisch onderzoek in Nederland en vormt de brug tussen waarneming en model. Het is een in code gevatte karakteristiek van het bodemprofiel. De codering volgt het Nederlands systeem voor bodemclassificatie en bevat ook informatie over de dominante grondsoorten en allerlei bijzonderheden. De code is opgebouwd uit maximaal zeven onderdelen en die beschrijven elk een bepaald aspect van de bodemgesteldheid. Er zijn bodemgroepen opgesteld om gelijksoortige gronden globaal te kunnen indelen. Voor de eerste vijf onderdelen (toevoeging vooraan, subgroepdeel, cijferdeel, kalkverloop, toevoeging achteraan) zijn per bodemgroep standaardcodes vastgesteld. De laatste twee onderdelen van de standaardpuntencode (vergraving en grondwatertrap) gelden voor alle groepen.

3.6.4 Grondwatertrappen

In een bodemprofiel wordt informatie vastgelegd over de variatie in de grondwaterstand. De grondwaterstand in de bodem wordt gestuurd door de verhouding tussen neerslag en verdamping en afvoer, en maakt gedurende het jaar een golfvormige verandering door met de hoogste stand in de winter. In het voorjaar overtreft de verdamping op een bepaald moment de neerslag en begint de grondwaterstand te dalen. Die daling duurt tot in de nazomer of de herfst. Dan slaat de balans om, gaat het neerslagtekort over in een overschot en begint het grondwater weer te stijgen. Uitzonderingen hierop komen voor, bijvoorbeeld in gebieden met sterke regionale kwel of met waterinlaat.
Grondwater speelt een belangrijke rol in bodemvormende processen. De aanwezigheid en het gedrag van het grondwater zijn medebepalend voor de potentie van de bodem als groeimilieu voor planten en voor de gebruiksmogelijkheden van de grond. In natuurgebieden bepalen waterhuishouding en opbouw van de bodem samen het biotoop.
De invloed van het grondwater komt tot uiting in de zgn. hydromorfe kenmerken van de bodem. Voorbeelden daarvan zijn het voorkomen van roestkleurige en grijze vlekken en de stevigheid van het bodemmateriaal.

Figuur 9 De positie van de grondwaterspiegel verandert in de loop van een jaar. Profielkuil a ligt boven de gemiddeld hoogste grondwaterspiegel en de wand geeft geen nadere informatie over de gemiddeld hoogste grondwaterstand op de locatie (GHG). Profielkuil b doorsnijdt zowel de gemiddeld hoogste grondwaterspiegel als de gemiddeld laagste grondwaterspiegel en zowel de GHG als de GLG kunnen in de wand worden waargenomen. Profielkuil c doorsnijdt alleen de gemiddeld hoogste grondwaterspiegel en in de wand kan alleen de GHG worden waargenomen.

De variatie in de mate waarin de grondwaterstand fluctueert, wordt uitgedrukt met het begrip grondwatertrap (Gt). Grondwatertrappen zijn gedefinieerd op basis van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De bodemkundige bepaalt aan de hand van zijn waarnemingen de GHG en de GLG in het bodemprofiel.

3.7 Basisgegevens

In de basisregistratie ondergrond wordt, waar het om onderzoek gaat, geprobeerd een strikt onderscheid te maken tussen basisgegevens en niet-basisgegevens. Basisgegevens zijn in de kern waarnemingen en metingen die door iedere vakbekwame persoon kunnen worden gedaan. Basisgegevens zijn onderling vergelijkbaar en hebben een algemene gebruikswaarde.
De tweede categorie gegevens omvat gegevens die voortkomen uit basisgegevens. De verscheidenheid daarin is eigenlijk onbegrensd. Het kan gaan om gegevens die voortkomen uit een combinatie van gelijksoortige basisgegevens uit verschillende bronnen, om gegevens die voorkomen uit de combinatie van basisgegevens met andersoortige basisgegevens, om gegevens die voortkomen uit de combinatie van basisgegevens en bijzondere kennis en alle denkbare combinaties van combinaties. Voor deze categorie worden termen gebruikt als synthese, model en interpretatie.

Het onderscheid tussen basisgegevens en niet-basisgegevens ligt ten grondslag aan het gegevensmodel van de basisregistratie ondergrond. En dat betekent dat een registratieobject of betrekking heeft op basisgegevens of op niet-basisgegevens.

Booronderzoek heeft altijd betrekking op basisgegevens met één uitzondering. In de bodemkunde is de modellering van waterretentie- en waterdoorlatendheidskarakteristieken onlosmakelijk verbonden met het uitvoeren van standaard hydrofysische boormonsteranalyse. Om aansluiting op de praktijk te houden is die modellering in het bodemkundig booronderzoek opgenomen.

In de werkpraktijk wordt gewoonlijk geen onderscheid gemaakt tussen basisgegevens en niet-basisgegevens. De opdrachtnemer verwerkt de ingewonnen basisgegevens en levert aan de opdrachtgever een geïntegreerd resultaat dat binnen de context van een specifieke opdracht goed kan worden begrepen. Dit betekent dat de informatie die de opdrachtgever geleverd krijgt naar haar aard verschilt van de informatie in de registratie ondergrond.

4. Bodemkundig booronderzoek

4.1 Inleiding

De catalogus voor het bodemkundig booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving en boormonsteranalyse.

Een booronderzoek is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment en op een specifieke locatie in Nederland en onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.
Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vijf verschillende vakgebieden. Naast bodemkunde zijn dat geotechniek, geologie, toegepaste geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vijf catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.

4.1.1 Bodemkundig booronderzoek

Bodemkundig booronderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van het bovenste deel van de ondergrond te onderzoeken. Het perspectief van waaruit dat gebeurt is traditioneel dat van de landbouw, de landinrichting, het natuurbeheer of de winning van oppervlaktedelfstoffen. In de laatste jaren groeit de rol in studies over klimaatverandering en in onderzoek met een geotechnische invalshoek.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten die zich richten op een bepaald gebied. Veel van het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van bodemkartering.

4.1.2 Boren

Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in de bodemkunde triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In bodemkundig onderzoek wordt de boor altijd met de hand de grond in gedreven.

4.1.3 Deelonderzoeken

Bodemkundig booronderzoek omvat ten hoogste drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt nooit uitgevoerd. Van de drie deelonderzoeken zijn de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse in deze versie van de catalogus opgenomen (figuur 2).

Monsters kunnen in de bodemkunde vanuit een veelheid aan disciplines worden onderzocht, maar in de basisregistratie ondergrond beperkt het bereik zich tot het bodemhydrofysische en bodemchemische bepalingen.
Deze versie van de catalogus dekt alleen de bodemhydrofysische bepalingen en enkele bepalingen van algemene aard. Chemische analyse wordt in een volgende versie van de catalogus meegenomen.

Scopebooronderzoek
Figuur 10 Bodemkundig booronderzoek in deze versie van de catalogus; boormonsterfotografie is nog buiten scope en boorgatlogging wordt voor bodemkunde niet uitgevoerd.

4.1.4 Bemonsteren

In het bodemkundig booronderzoek heeft men de keuze uit drie bemonsteringsstrategieën. De standaard strategie is dat men monsters neemt uit het geboorde gat. Een boormonsterbeschrijving is zelfs altijd op die monsters gebaseerd. De monsters uit het geboorde gat zijn beperkt in omvang en in veel gevallen geroerd en dat wil zeggen dat de oorspronkelijke samenhang van de grond door het boren verloren is gegaan in de monsters. Wanneer er voor boormonsteranalyse meer monsters, grotere monsters of betere, dus ongeroerde, monsters nodig zijn, wordt er naast het geboorde gat een monsterkuil gegraven. Aan de hand van het boorprofiel dat het resultaat is van de boormonsterbeschrijving wordt bepaald tot hoe diep men graaft en welke intervallen in de kuil moeten worden bemonsterd.
De derde bemonsteringsstrategie wordt met name in bodemchemisch onderzoek gevolgd. Die strategie wordt gekozen wanneer het onderzoek erom vraagt dat lokale verschillen in de samenstelling van de bodem worden weggefilterd. Daartoe plaatst men eerst de boring die het boorprofiel levert. Aan de hand van het boorprofiel bepaalt men welke intervallen in het gebied rond de boring moeten worden bemonsterd. De monsters worden genomen uit boringen die volgens een bepaald patroon rond de centrale boring worden gezet; van die boringen wordt geen boorprofiel gemaakt. De individuele monsters van een bepaald interval worden gemengd om een monster te verkrijgen dat voor gebied rond de centrale boring geldt.

4.2 Belangrijkste entiteiten

4.2.1 Booronderzoek

Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft het informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).
Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd.

Noot

4.2.2 Registratiegeschiedenis

De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

4.2.3 Rapportagegeschiedenis

De bronhouder beslist of hij de resultaten van een booronderzoek in delen of in hun geheel gerapporteerd wil krijgen. Wanneer een rapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object booronderzoek.

4.2.4 Boring

De activiteiten in het veld houden altijd in dat er op een bepaalde datum een boring wordt gezet. Het is van belang te weten hoe er geboord is en met welke apparatuur, welk deel van de ondergrond is doorboord, en welk deel is verwijderd voordat met boren is begonnen.

4.2.5 Terreintoestand

Voor of tijdens het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein.

4.2.6 Boormonsterbeschrijving

Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op beschrijven van de monsters met als doel een boorprofiel te maken en, omdat het om een bodemkundige beschrijving gaat, een bodemclassificatie. De beschrijving is gebaseerd op de Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften (1995), uitgegeven door DLO Staring Centrum, nu Wageningen Environmental Research.

4.2.7 Boorprofiel

Het boorprofiel is het eerste resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het beschrijft de laagopbouw van het doorboorde deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel. In figuur 3 is geschetst hoe het boorprofiel tot stand komt.

Van iedere bodemlaag wordt de grondsoort en de horizontcode en meestal ook de verdeling van de verschillende korrelgroottefracties beschreven. Voor de grondsoort worden in de bodemkunde soms andere namen gebruikt dan in andere vakgebieden.

Boring_tot_boorprofiel
Figuur 11 Van boring tot boorprofiel (in de bodemkundige praktijk wordt overigens niet zo diep in het vaste gesteente geboord als het plaatje suggereert.

4.2.8 Bodemclassificatie

De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het boorprofiel is vastgelegd. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.

4.2.9 Boormonsteranalyse

Boormonsteranalyse is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het in een laboratorium analyseren van monsters. Het soort analyse geeft globaal aan welke bepalingen er zijn uitgevoerd. In (bodem)hydrofysisch onderzoek wordt ernaar gestreefd de reeks van bepalingen volledig uit te voeren om de resultaten in samenhang te verwerken en de focus ligt daarbij op het onderzoek van de fysische relatie tussen het water en de vaste bestanddelen van de bodem (hydrofysisch bodemonderzoek). Standaard omvat dit onderzoek de bepaling van basiseigenschappen (met name korrelgrootteverdeling en organischestofgehalte) en van de droge bulkdichtheid, de waterdoorlatendheid en de waterretentie.
Bodemchemisch onderzoek kent een grote variatie doordat het volledig van de opdracht afhangt welke bepalingen er worden uitgevoerd. In deze versie van de catalogus zijn alleen de bepalingen van basiseigenschappen opgenomen en dat zijn, naast de korrelgrootteverdeling en het organische stofgehalte, de zuurgraad en het organische koolstofgehalte.
De monsters die voor hydrofysisch onderzoek en onderzoek voor de Bodemkaart van Nederland worden geanalyseerd zijn altijd afkomstig uit het geboorde gat en de monsterkuil die vlak naast het boorgat is gegraven. Onderzoek dat op dergelijke monsters is gebaseerd, wordt locatiespecifiek onderzoek genoemd.

locatiespecifiek_onderzoek
Figuur 12 In locatiespecifiek onderzoek kunnen de monsters die in het laboratorium worden geanalyseerd uit de boring of uit een daarnaast gegraven monsterkuil komen.

Veel bodemchemisch onderzoek is niet-locatiespecifiek en dan worden monsters genomen uit boringen die volgens een bepaald patroon uit een bepaald gebied rond een centrale boring worden genomen. De individuele monsters worden gemengd om een representatief monster te verkrijgen dat voor een bepaald interval en het hele bemonsterde oppervlak (onderzocht oppervlak) geldt.

4.2.10 Onderzocht interval

De monsters die geanalyseerd zijn vertegenwoordigen een bepaald interval dat in het boorprofiel is gedefinieerd. In hydrofysisch onderzoek is het gebruikelijk in het veld een groot aantal monsters te nemen en die afzonderlijk te onderzoeken; voor de verschillende bepalingen gelden daarbij veelal specifieke eisen. Voor bodemchemisch onderzoek is het daarentegen gebruikelijk een groot monster te nemen; na voorbehandeling worden daaruit in het laboratorium kleinere monsters genomen.
Wanneer het doel van het analyse het onderzoeken van een bepaalde horizont is, wordt de code van de horizont (horizontcode) vermeld. In bijzondere gevallen worden er binnen een deelonderzoek dat als geheel niet-locatiespecifiek is, toch bepaalde bepalingen gedaan die strikt zijn gebonden aan de locatie van de boring en de bijbehorende monsterkuil. (locatiespecifiek). Aan een onderzocht interval worden altijd een of meer bepalingen gedaan. In de context van de basisregistratie ondergrond worden dat basisgegevens genoemd en dat zijn waarnemingen of metingen die door iedere vakbekwame persoon gedaan kunnen worden. Een bijzonderheid van het hydrofysisch onderzoek is dat er ook ruimte is het resultaat van modelleren vast te leggen (karakteristiek bepaald). Het proces van modelleren is in hoge mate gestandaardiseerd.

4.2.11 Bepaling van de zuurgraad

De zuurgraad (pH) wordt potentiometrisch bepaald van een megsel van grond of strooisel met water waaraan een bepaalde reagent is toegevoegd. De zuurgraad is een basisgegeven dat altijd wordt bepaald in bodemchemisch onderzoek. Het is een van de kenmerken van het chemisch bodemmilieu en stelt bijvoorbeeld grenzen aan de beschikbaarheid van voor plantengroei essentiële voedingsstoffen.

4.2.12 Bepaling van de korrelgrootteverdeling

Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel van alle deeltjes kleiner dan 2 milimeter bepaald. Materiaal groter dan 2 milimeter wordt vooraf uitgezeefd en verder buiten beschouwing gelaten. Koolzure kalk en organische stof worden voorafgaand aan de bepaling verwijderd. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie. De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. De metingen worden altijd omgerekend naar een pecentage van de totale massa tot 2 mililmeter.
In het verleden is een grote verscheidenheid aan fracties onderscheiden. Sinds het begin van de jaren 2010 bestaat de tendens de keuze te beperken en vanaf 2020 is de keuze beperkt tot acht varianten. Het resultaat van een historische bepaling die zich niet voegt in de systematiek van de acht varianten wordt als niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling vastgelegd. Bij een gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling wordt altijd onderscheid gemaakt tussen de fractie 63 tot 2000 µm, de fractie 505 tot 63 µm en de fractie kleiner dan 50 µm. De indelingen van de fractie 63 tot 2000 µm en de fractie kleiner dan 50 µm kennen varianten en de meest toegepaste onderverdeling van een fractie wordt de standaard genoemd.

4.2.13 Bepaling van het organischestofgehalte

Organisch materiaal speelt een hoofdrol in de goede werking en de vruchtbaarheid van de bodem. Het verbetert de structuur, bevordert de bewerkbaarheid en verhoogt het vermogen van de bodem om water vast te houden.
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie) of aan ijzeroxiden (vrij ijzercorrectie).
Het organische stofgehalte is een basisgegeven in het hydrofysisch onderzoek en bepaalde vormen van bodemchemisch onderzoek.

4.2.14 Bepaling van het organische koolstofgehalte

Het gehalte aan organische koolstof wordt bepaald door het organisch materiaal volgens een bepaalde methode te oxideren. Het gehalte aan organische koolstof kan worden berekend door de hoeveelheid CO2 die vrijkomt te bepalen, door de vrijgekomen hoeveelheid van een ander reactieproduct te bepalen of door te bepalen hoeveel oxidant er verbruikt is.
Het organische koolstofgehalte is een basisgegeven in de meeste vormen van bodemchemisch onderzoek.

4.2.15 Bepaling van de droge bulkdichtheid

De droge bulkdichtheid is gedefinieerd als de droge massa in een bekend volume. In de huidige praktijk wordt uitgegaan van een waterverzadigde volume en daartoe wordt een monster eerst met water verzadigd voordat het volume wordt bepaald. De reden daarvoor is dat het volume van een zwellende en krimpende grond afhangt van de vochttoestand tijdens bemonsteren.

4.2.16 Bepaling van het krimpverloop

Het verloop van de krimp van grond wordt bepaald door een waterverzadigd monster in stappen droger te laten worden en de massa en het volume bij iedere stap te bepalen tot het helemaal droog is. De massa wordt altijd met een balans bepaald en voor het berekenen van het volume bestaan verschillende methoden.

4.2.17 Bepaling van de waterdoorlatendheid

De waterdoorlatendheid van grond is de snelheid waarmee water erdoorheen stroomt. De waarde wordt in de bodemkunde bepaald door de hoeveelheid water te meten die per eenheid van tijd door een bepaalde oppervlakte stroomt bij een bekende gradiënt van de bodemvochtpotentiaal. De meting wordt uitgevoerd onder de conditie dat de doorstroomsnelheid niet of nauwelijks verandert.
De waterdoorlatendheid is het grootst wanneer de grond verzadigd is met water (verzadigde waterdoorlatendheid) en neemt af wanneer de grond droger wordt (onverzadigde waterdoorlatendheid). De waterdoorlatendheid wordt bepaald bij een bepaalde waarde van de bodemvochtpotentiaal. De bodemvochtpotentiaal is gelijk aan 0 wanneer de grond met water verzadigd is, en is negatief in onverzadigde grond. Aansluitend bij de praktijk van het laboratorium en de wijze waarop de meetopstelling is ingericht, wordt de bodemvochtpotentiaal uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte). Het verloop van de doorlatendheid wordt in de huidige praktijk bepaald voor het bereik van 0 tot minus 1000 cm waterkolom. De bepaling van een enkele waarde van de waterdoorlatendheid kan enige dagen tot enige weken in beslag nemen. In de meeste gevallen wordt de doorlatendheid bepaald met verticaal gestoken monsters (verticaal bemonsterd). In sommige gevallen gebeurt dit ook aan horizontaal gestoken monsters en dan kan worden vastgesteld of er sprake is van anisotropue in de doorlatendheid.
De resultaten van de bepaling worden tegenwoordig eigenlijk altijd gebruik om bepaalde verbanden te modelleren. Het modelleren is een aparte activiteit in de monsteranalyse en de resultaten daarvan worden ook vastgelegd in de basisregistratie ondergrond. Omdat de uitvoerder op basis van de eigen expertise beoordeelt welke gegevens hij gebruikt als input voor het modelleren, wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid) zodat de resultaten van het modelleren teruggevoerd kunnen voeren op de metingen.

4.2.18 Bepaling van de waterretentie stapsgewijs

Hoeveel water de grond kan vasthouden wordt bepaald door de aard en de structuur van het materiaal. De hoeveelheid water die de grond werkelijk vasthoudt varieert met de bodemvochtpotentiaal. Door de bodemvochtpotentiaal van een grondmonster in het laboratorium te veranderen, en de hoeveelheid water die het bevat bij iedere toestand te meten, bepaalt men de waterretentie. De bodemvochtpotentiaal wordt uitgedrukt als drukhoogte in de eenheid centimeters waterkolom.
De bodemvochtpotentiaal kan in stappen worden veranderd, maar ook geleidelijk door verdamping van water uit het monster. De bepaling die op verdamping is gebasseerd staat op zichzelf en is de basis van wat de bepaling van watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal wordt genoemd.
Bij een stapsgewijze verandering weegt men het monster na het bereiken van een evenwichtssituatie met de ingestelde bodemvochtpotentiaal. Het watergehalte wordt berekend uit het massaverlies en wordt uitgedrukt in volumeprocenten (volumetrisch watergehalte) of in massaprocenten (massa watergehalte). Voor het laatste wordt alleen gekozen bij monsters waarvan de droge bulkdichtheid niet bekend is. Men heeft de keuze uit verschillende methoden. Bepaalde methoden leveren een kleine reeks metingen, andere leveren een enkele meting per monster. De monsters die uit een interval onderzocht worden, zijn bijna altijd monsters die met een ring zijn uitgestoken (ringmonster gebruikt).
De dimensies van de monsterring (ringdiameter, ringhoogte) worden vastgelegd omdat die bepalen hoe groot het volume grond is waaraan de bepaling is uitgevoerd.
De resultaten van dit soort bepaling worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de indetificatie vastgelegd (bepalingsid.

4.2.19 Bepaling van watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal.

De bepaling van het watergehalte en de doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaal is een bepaling die een aantal stappen kent. Als eerste stap wordt de waterretentie bepaald bij een bodemvochtpotentiaal die door verdamping geleidelijk verandert. Bij deze verdampingsmethode laat de uitvoerder het water in een bij aanvang verzadigd monster geleidelijk verdampen en wordt het massaverlies frequent gemeten. De bodemvochtpotentiaal wordt tegelijkertijd op verschillende posities in het monster gemeten (drukhoogte h in centimeters waterkolom). Het massa watergehalte wordt aan het einde bepaald en dat wordt met de droge bulkdichtheid omgerekend naar het volumetrisch watergehalte. Op basis van de geregistreerde gewichtsafnamen kan vervolgens het watergehalte voor alle meettijdstippen worden berekend. De bepaling levert een te groot aantal metingen voor verdere verwerking en de uitvoerder selecteert volgens een vast protocol een deelverzameling van metingen die als eerste resultaat worden vastgelegd (Waterretentie verdamping). De gegevens over de gebruikte tensiometers (aantal, lengte, diameter, meetpositie in het monster) worden daarbij ook vastgelegd (Overzicht tensiometergegevens).
In de resultaat van de verdampingsmethode wordt voor ieder tijdstip het volumetrisch watergehalte van het hele monster gegeven bij de bodemvochtpotentiaal op de meetpunten in het monster. In een volgende stap wordt het volumetrisch watergehalte op de meetpunten zelf bepaald. Die stap wordt de prefit genoemd en daarin maakt met gebruik van het model van Van Genuchten om de curve te definiëren die het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en het volumetrisch watergehalte op de meetpunten het best beschrijft. Het resultaat van deze stap wordt niet als zodanig vastgelegd, het wordt gebruikt om de doorlatendheden te berekenen op de grensvlakken die precies tussen ieder paar opeenvolgende meetpunten inliggen. Voor de berekening wordt in de huidige praktijk de zgn. IPM-methode (Instantaneous Profile-methode) gevolgd. Daarmee wordt volgens de wet van Darcy het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en de waterdoorlatendheid berekend voor elk paar opeenvolgende tensiometers. Het eindresultaat van de bepaling is een tabel met voor iedere gemeten bodemvochtpotentiaal de berekende waarden voor het watergehalte en de waterdoorlatendheid en die wordt vastgelegd (Watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal).
De resultaten van dit soort bepalingen worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid).

4.2.20 Modellering van hydrofysische karakteristieken.

De gegevens uit de bepalingen van de waterretentie stapsgewijs, van het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal, en van de waterdoorlatendheid worden gebruikt om hydrofysische karakteristieken te modelleren. Daarvan bestaan twee typen: de waterretentiekarakteristiek en de waterdoorlatendheidskarakteristiek.
De uitvoerder heeft de keuze of alleen de waterretentiekarakteristiek te modelleren of de waterretentiekarakteristiek samen met de waterdoorlatendheidskarakteristiek. Die tweede mogelijkheid bestaat overigens alleen wanneer het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal bepaald zijn.
Een tweede keuze betreft het aantal karakteristieken van een type. De uitvoerder kan er voor kiezen meer dan een karakteristiek van hetzelfde type te maken door een deel van de beschikbare bepalingen als input te nemen. Door meer modellen te maken wordt inzicht verkregen in de spreiding van de resultaten. Welke bepalingen de uitvoerder heeft gekozen wordt altijd vastgelegd (bepalingsid).

De modellering van alleen de waterretentiekarakteristiek berust in de huidige praktijk op de methode van Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is een curve die het werkelijk verband tussen watergehalte en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk beschrijft. De curve is enkelvoudig bij een homogene poriënverdeling en samengesteld bij een heterogene poriënverdeling. De curve wordt gedefinieerd door het bereik van het volumetrisch watergehalte en een of meer sets vormparameters. Het bereik van het volumetrisch watergehalte wordt gegeven door de waarde bij verzadiging (verzadigd volumetrisch watergehalte) en een asymptotische residuele waarde (residueel volumetrisch watergehalte). Voor de definitie van een enkelvoudige curve is daarnaast een set van drie vormparameters (Vorm retentiecurve) voldoende. Voor een curve die uit samenstellende curves is opgebouwd zijn er meer sets nodig. Ieder van die sets heeft als extra parameter een zogenaamde wegingsfactor en die is nodig om de bijdrage van de curve aan de samengestelde curve te definiëren. De som van die wegingsfactoren is gelijk aan 1.
De modellering van de waterretentiekarakteristiek en de doorlatendheidskarakteristiek is in de huidige praktijk gebaseerd op de methode van Mualem en Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt ook hier een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is hierboven al beschreven. De waterdoorlatendheidskarakteristiek is een vergelijkbare curve maar om de vorm ervan te beschrijven is een parameter meer nodig, de vormfactor lambda. De curve beschrijft het werkelijk verband tussen waterdoorlatendheid en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk.
De twee karakteristieken worden onder meer gebruikt als input voor modellen waarmee de waterbeweging in de bodem wordt gesimuleerd.

4.3 INSPIRE

Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject booronderzoek valt wat het bodemkundig onderzoek betreft onder het INSPIRE-thema Soil en om die reden moeten de gegevens in het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het Bodemkundig booronderzoek op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.

5. Opbouw van de gegevensdefinitie

Dit onderdeel is niet normatief.

5.1 De gegevensdefinitie

De gegevensdefinitie vormt het hart van de catalogus en geeft een beschrijving van alle gegevens van het registratieobject. Eerst wordt de definitie van het registratieobject gegeven inclusief de plaatjes van het zgn. domeinmodel, en vervolgens de definities van de entiteiten waaruit het object is opgebouwd met de eigenschappen van die entiteiten, de attributen. De entiteiten worden op volgorde van de nummers in het domeinmodel behandeld. De volgende aspecten van de gegevens worden vastgelegd:

De gegevensdefinitie dekt de beide kwaliteitsregimes die worden onderscheiden, IMBRO en IMBRO/A. Het kwaliteitsregime IMBRO is leidend en bij het opstellen van de gegevensdefinitie is geprobeerd de verschillen tussen de twee regimes zo klein te houden. Het streven is een object altijd in termen van dezelfde gegevens te beschrijven en voor IMBRO/A alleen aanvullende regels te formuleren en extra waarden toe te staan. Bij uitzondering kan het echter nodig zijn gebleken voor IMBRO/A aparte entiteiten, attributen of domeinen te definiëren.

5.2 Domeinen

Domeinen

Een domein beschrijft welke waarden mogelijk zijn voor een attribuut (zie bijv. Aantal of Code).

Sommige domeinen zijn samengesteld uit twee of meer elementen die in samenhang betekenisvol zijn. Een voorbeeld van een samengesteld domein dat in de BRO bestaat is Datuminterval. Datuminterval bestaat uit twee elementen, beide van het domein Datum (jaar, maand en dag), namelijk een begindatum en een einddatum.

Bij een attribuut kunnen ook twee of meer domeinen mogelijk zijn. Voor dit attribuut geldt dat verschillende domeinen valide zijn, er kan echter bij aanlevering van de gegevens altijd maar één van de domeinen gekozen worden.
In de gegevensdefinitie worden in dat geval een attribuut gemodelleerd waarvan het domein dat de mogelijke waarde beschrijft een keuze is tussen twee of meer domeinen. Dit maakt het mogelijk waar in het domeinmodel normaal gesproken maar één mogelijkheid bestaat, een opsomming te geven van meerdere mogelijke domeinen, waarbij altijd precies één van deze mogelijkheden wordt gebruikt. Een voorbeeld van een dergelijke keuze domein is het domein Organisatie.

De domeinen die in de gegevensdefinitie worden gebruikt worden hieronder toegelicht.

5.2.1 Aantal

Het domein Aantal wordt gebruikt voor een telbare hoeveelheid. Het is een natuurlijk getal met een bepaalde maximale lengte.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding aantal ook de maximale lengte mee te (Aantal N). Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Aantal.

5.2.2 Code

Een code is een opeenvolging van cijfers, van letters of van cijfers en letters met een bepaalde opbouw en met een specifieke betekenis. Een code heeft gewoonlijk een betekenis die ook buiten de basisregistratie ondergrond geldt. Een code wordt uitgegeven door een verantwoordelijke instantie. Om de opbouw van een code weer te geven wordt gebruik gemaakt van de letters C en N. De letter C staat voor character (Eng.) en duidt een letter aan, de letter N staat voor number (Eng.) en duidt een cijfer aan. Een code heeft een bepaalde naam.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de naam van de code ook de opbouw mee te geven. Uit de definitie van het attribuut zelf moet blijken wat de specifieke betekenis is van de code. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

5.2.3 Gemeten waarden

Meetwaarden worden gebruikt voor grootheden. De waarde van een grootheid is een getal met een bepaalde opbouw en een bepaalde eenheid. Voor de waarde van grootheden worden twee domeinen gebruikt. Een voor een waarde waarvan de nauwkeurigheid altijd hetzelfde is (Meetwaarde) en een voor een waarde waarvan de nauwkeurigheid varieert (Meetwaarde in machten) en dat is het geval wanneer de nauwkeurigheid voor kleine getallen anders is dan de nauwkeurigheid voor grote getallen omdat een ander apparaat of methode is gebruikt.

De basisregistratie ondergrond gebruikt voor de eenheden de codes uit het UCUM (Unified Code for Units of Measure)-systeem. In bijzondere gevallen is de eenheid dimensieloos.

5.2.3.1 Meetwaarde

Het domein Meetwaarde wordt gebruikt wanneer de nauwkeurigheid van de waarde altijd hetzelfde is.
Het is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is variabel maar begrensd. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde ook de opbouw (Meetwaarde N.N) en de eenheid mee te geven. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde.

5.2.3.2 Meetwaarde in machten

Het domein Meetwaarde in machten wordt gebruikt wanneer de waarde een heel groot bereik heeft en de nauwkeurigheid voor kleine getallen anders is dan voor grote getallen. In dat geval wordt de meetwaarde uitgedrukt in machten. In de basisregistratie ondergrond wordt de meetwaarde in machten altijd uitgedrukt in een macht van tien. De notatie voor de meetwaarde in machten is (m . 10e). De m staat voor mantisse en is een meetwaarde, en de e staat voor de exponent.

De mantisse (m) is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is in de basisregistratie ondergrond altijd 1. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.
De meetwaarde wordt uitgedrukt in machten van tien (10e). De exponent (e) is in de basisregistratie ondergrond altijd een geheel getal.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde in machten ook de opbouw (meetwaarde 1.N in machten), de eenheid en het bereik van de machten mee te geven. Het bereik van de machten is vastgelegd in het waardebereik. De waardeverzameling wordt gewoonlijk verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde in machten.

Inname van gemeten waarden

In de praktijk is het moeilijk een meetwaarde zonder verandering van het ene systeem aan het andere door te geven. De basisregistratie ondergrond hanteert de definities binnen het systeem en bij uitgifte strikt om te borgen dat een meetwaarde zonder verandering kan worden doorgegeven.

Bij het vastleggen van eigenschappen is het niet altijd nodig getallen zo strikt te definiëren als de basisregistratie vraagt. De uitvoerders weten wel wat een getal zou moeten voorstellen en kunnen bijvoorbeeld accepteren dat een meetwaarde er een decimale nul bij krijgt of dat een getal een onbepaald aantal decimalen heeft. Om de uitvoeringspraktijk niet nodeloos te frustreren door getallen die niet aan de strikte definitie voldoen af te wijzen, hanteert de basisregistratie ondergrond bij het innemen van meetwaarden de volgende praktische regels:

  • Er zijn meer cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt afgekapt op het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er zijn minder cijfers achter het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Er is geen scheidingsteken aanwezig: het scheidingsteken wordt toegevoegd en het getal wordt aangevuld met nullen tot het aantal dat in de gegevensdefinitie is gespecificeerd.
  • Het getal voor het scheidingsteken begint met een of meer nullen: de nullen worden genegeerd.
  • Er zijn meer cijfers vóór het scheidingsteken aanwezig dan gespecificeerd: de waarde wordt geweigerd.
  • Er is een scheidingsteken bij de exponent van de meetwaarde in machten aanwezig: de waarde wordt geweigerd.

5.2.4 Nummer

Het domein Nummer wordt gebruikt om de plaats in een reeks aan te geven. Het is een opeenvolging van cijfers met een bepaalde maximale lengte. Een nummer heeft geen rekenkundige betekenis, maar heeft een betekenisvolle volgorde.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding nummer ook de maximale lengte mee te geven (Nummer N). Eventueel wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Nummer.

5.2.5 Tekst

Het domein Tekst bestaat uit een stuk tekst van een bepaalde maximale lengte. De tekst mag alleen bestaan uit de tekens die voorkomen in de MES-1 set. De MES-1 set omvat 335 tekens en wordt gebruikt binnen de landen van de Europese Unie die een Latijns schrift kennen.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding tekst ook de maximale lengte mee te (Tekst N). In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Tekst.

5.2.6 Tijdstip

Voor gegevens die over tijdstippen gaan worden twee domeinen gebruikt. Een voor een tijdstip tot op de seconde nauwkeurig (DatumTijd) en een voor een tijdstip tot op de dag nauwkeurig (Datum).

In ieder domein gaat het om de datum gemeten volgens de Gregoriaanse kalender. Bij het domein DatumTijd wordt de tijd gemeten volgens UTC en moet de tijdzone worden meegegeven. UTC is de mondiaal geaccepteerde standaardtijd en de opvolger van GMT (Greenwich Mean Time); de drie letters staan voor Coordinated Universal Time. Door de tijdzone mee te geven kan lokale tijd worden omgezet naar UTC.

De opbouw van de twee domeinen volgt dezelfde conventies, conform ISO 8601. Het eerste element in de opbouw staat voor het jaar, dan volgt de maand, enz., en het laatste element staat voor de tijdzone. Om de verschillende elementen aan te geven worden letters gebruikt: jaar (J), maand (M), dag (D), uur (U), minuut (M)en seconde (S), gevolgd door de tijdzone. Het aantal letters geeft de lengte aan.

Voor de meest uitgebreide variant van de opbouw, die van DatumTijd, wordt dit JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM. De T is het teken dat de datum en het tijdstip op die datum scheidt. De + is het scheidingteken tussen het tijdstip en de tijdzone. Zoals uit de opbouw blijkt wordt de tijdzone in uren en minuten gegeven. De meeste tijdzones zijn overigens uitgedrukt in gehele uren (UU:00). In Nederland geldt Centraal Europese Tijd (UTC+1:00) of Centraal Europese Zomertijd (UTC+2.00).

5.2.6.1 Datum

Het domein Datum wordt gebruikt om een datum volgens de Gregoriaanse kalender tot op de dag nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DD.
Bij het domein Datum is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

5.2.6.2 DatumTijd

Het domein DatumTijd wordt gebruikt om een tijdstip volgens de Gregoriaanse kalender tot op de seconde nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM.
Bij het domein DatumTijd is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

5.2.6.3 OnvolledigeDatum

Voor gegevens die onder het kwaliteitsregime IMBRO/A aangeleverd worden, geldt een derde domein met vier keuzemogelijkheden.

  • De datum tot op de dag nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM-DD
  • De datum tot op de maand nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM
  • De datum tot op het jaar nauwkeurig, met als opbouw JJJJ
  • Geen datum bekend, met als vaste waarde onbekend.

De keuze die gemaakt wordt is gebaseerd op de beschikbaarheid van gegevens. De gebruiker moet ervan uit gaan dat de informatie zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen. Bij het domein OnvolledigeDatum is het voldoende de naam te geven, omdat de vier keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

5.2.7 Waardelijsten

Een waardelijst is een lijst van de waarden die het attribuut mag hebben. Er zijn twee typen waardelijsten, waardelijsten die in de toekomst kunnen worden uitgebreid en waardelijsten die niet kunnen worden uitgebreid. Een waardelijst heeft een bepaalde naam en een specifieke inhoud.

5.2.7.1 Waardelijst niet-uitbreidbaar

Een niet-uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding niet mogelijk is. Alle waarden van de lijst staan vast.
Bij een niet-uitbreidbare waardelijst is het voldoende de naam te geven, omdat de inhoud altijd hetzelfde is. In de basisregistratie ondergrond worden drie niet-uitbreidbare waardelijsten gebruikt.

IndicatieJaNee
Waarde
ja
nee
IndicatieJaNeeOnbekend
Waarde
ja
nee
onbekend
Kwaliteitsregime
Waarde
IMBRO
IMBRO/A
5.2.7.2 Waardelijst uitbreidbaar

Een uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding mogelijk moet zijn. Iedere waarde van de lijst heeft een specifieke betekenis (omschrijving) en geldt voor een bepaald kwaliteitsregime, IMBRO en/of IMBRO/A. Eventueel worden andere aspecten van de waarde vastgelegd.
Bij een uitbreidbare waardelijst wordt de naam van de lijst geven. De inhoud van de lijst is in een apart hoofdstuk van de gegevensdefinitie opgenomen.

5.2.8 Coördinatenpaar

Het domein Coördinatenpaar wordt gebruikt om de positie van een punt op het aardoppervlak vast te leggen. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in twee coördinaten. Ieder van de coördinaten heeft een meetwaarde en de notatie voor het paar is (coördinaat 1, coördinaat 2).
In de basisregistratie ondergrond worden drie referentiestelsels voor horizontale posities gebruikt. Het referentiestelsel bepaalt hoe de tweedimensionale ruimte wordt beschreven en daarmee wat de coördinaten voorstellen en wat de karakteristiek van de twee meetwaarden is.
Voor het referentiestelsel RD zijn de coördinaten cartesisch en is de notatie (x,y). De eerste coördinaat (x) heeft betrekking op de positie op een west-oost georiënteerde as, de tweede coördinaat (y) op een zuid-noord georiënteerde as. Een positie oostelijk van de oorsprong, resp. noordelijk van de oorsprong heeft een positieve waarde.
Voor WGS84 (ongeprojecteerd) en ETRS89 (ongeprojecteerd) zijn de coördinaten geografisch en is de notatie (φ,λ). De eerste coördinaat heeft betrekking op de geografische breedte, de tweede op de geografische lengte. Een positie oostelijk van de Greenwichmeridiaan, resp. noordelijk van de evenaar heeft een positieve waarde.
Bij het domein Coördinatenpaar is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is.

Coördinatenpaar voor RD (x,y)
Domein
  Naam Meetwaarde 6.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik x -7000 tot 289000
  Waardebereik y 289000 tot 629000
Coördinatenpaar voor WGS84 (φ,λ)
Domein
  Naam Meetwaarde 2.9
  Eenheid ° (graden, decimaal)
  Waardebereik φ 51.3 tot 56
  Waardebereik λ 2.4 tot 6.8
Coördinatenpaar voor ETRS89 (φ,λ)
Domein
  Naam Meetwaarde 2.9
  Eenheid ° (graden, decimaal)
  Waardebereik φ 50.6 tot 56
  Waardebereik λ 2.4 tot 7.4

5.2.9 Organisatie

Het domein Organisatie wordt gebruikt om de organisaties die een rol hebben in de basisregistratie ondergrond te identificeren. De invulling van het domein hangt af van waar de organisatie gevestigd is en voor de basisregistratie ondergrond gaat het daarbij om Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie.

In het geval de organisatie in Nederland gevestigd is, wordt het domein ingevuld met het gegeven dat een onderneming of de maatschappelijke activiteit van een rechtspersoon in het Handelsregister identificeert, het KvK-nummer. Het KvK-nummer is van het type code en de opbouw is NNNNNNNN.

Voor organisaties buiten Nederland wordt het domein ingevuld met het equivalent van het KvK-nummer in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, het EuropeesHandelsnummer. Het Europees handelsnummer, de zogenaamde EUID, is geïntroduceerd ten behoeve van de koppeling van handelsregisters. De code is gebaseerd op ISO 6523 en is opgebouwd uit een landcode, registeridentificatiecode, inschrijvingsnummer en controlegetal. De landcode is de 2-letterige code van ISO3166, de registeridentificatiecode is de identificatie van het nationale register omdat in sommige landen meerdere handelsregisters bestaan en het inschrijvingsnummer is het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven in het betreffende register. Het controlegetal ter voorkomen van identificatiefouten wordt nog niet gebruikt. De opbouw per element is variabel en daarom is het Europees Handelsnummer in de BRO als domein Tekst 40 opgenomen.

Bij het domein Organisatie is het voldoende de naam te geven, omdat de twee keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

5.3 Entiteiten van het type meetreeks

Een meetreeks is een type entiteit met een vaste ordening. Het wordt gebruikt om het verloop van een bepaalde eigenschap of eigenschappen vast te leggen die het gevolg is van de verandering van een bepaalde variabele, de zogenaamde onafhankelijke variabele. In de basisregistratie ondergrond is er altijd 1 onafhankelijke variabele, en dat is meestal de tijd maar kan ook een andere variabele zijn.

De meetreeks is een verzameling gemeten waarden van bepaalde eigenschappen in een bepaalde volgorde. Alle eigenschappen van de meetreeks worden volledig gespecificeerd. De eerste eigenschap is de onafhankelijke variabele op basis waarvan de metingen elkaar in oplopende volgorde opvolgen. Daarna volgen de afhankelijke variabelen.
Een meetreeks heeft een bepaalde naam. Alleen in het domeinmodel is de meetreeks aangeduid als Meetreeks.

5.4 Het domeinmodel

Het domeinmodel geeft een overzicht van de gegevens van het registratieobject en laat de onderlinge samenhang zien. Modellering van informatie kent verschillende invalshoeken. In de catalogus is het inhoudelijke perspectief gekozen omdat dat de meeste waarde heeft voor de mensen die de informatie moeten begrijpen. Een dergelijk model wordt in de basisregistratie ondergrond een domeinmodel genoemd. Uit het domeinmodel wordt een technisch model afgeleid dat meeweegt dat informatiesystemen efficiënt met elkaar moeten kunnen spreken. Voor het domeinmodel wordt de UML-notatie gebruikt. Met kennis van de gebruikte symbolen is het gemakkelijk te lezen.

Het domeinmodel kent een aantal vaste elementen die bij ieder registratieobject terugkomen. Een begrip van deze elementen vergroot de leesbaarheid van het domeinmodel en de catalogus. De elementen zijn: entiteiten, attributen, gegevensgroepen en relaties. Een entiteit is een onderscheidend geheel van eigenschappen die gezamenlijk betekenis hebben. Een entiteit heeft altijd een naam en een definitie. In het domeinmodel zijn de entiteiten te herkennen aan het begrip Objecttype.

In de entiteiten staan de namen opgesomd van de attributen, de eigenschappen van de entiteiten, met daarachter de naam van de bijbehorende waardenverzameling (domein) en de kardinaliteit. Bij attributen is de kardinaliteit alleen opgenomen wanneer die ongelijk is aan 1. Overigens moet de kardinaliteit altijd in samenhang met de regels die in de definitie van het gegeven zijn opgenomen worden begrepen. De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. De figuren laten ook zien welke attributen alleen aan de dataleverancier en de bronhouder worden uitgeleverd. In het domeinmodel zijn de attributen te herkennen aan het begrip Attribuutsoort.

Soms zijn een aantal attributen gegroepeerd in een groep, aangeduid als gegevensgroep. Het blijven attributen van de entiteit, maar de inhoudelijke definiëring van de gegevensgroep staat elders. Gegevensgroepen kunnen bij meerdere entiteiten terugkomen.

Het domeinmodel laat daarnaast ook zien hoe entiteiten aan elkaar gerelateerd zijn. Een beschrijving van deze relatie is opgenomen bij de bron-entiteit van de relatie. Een relatie heeft altijd een richting en in de meeste gevallen loopt deze van bron naar doel. In het plaatje van een domeinmodel heeft de relatie een naam en een kardinaliteit. Om de leesbaarheid te vergroten staat de kardinaliteit bij de doelentiteit.

Bovenstaand voorbeeld is te lezen als: de entiteit Bepaling bevat één of meerdere metingen. Een meting bestaat uit een meetwaarde en meetconfiguratie-gegevens. De meetconfiguratie bestaat uit twee parameters.

5.5 Verplichte gegevens, verplichte waarden

De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Voor een goed begrip van de gegevensdefinitie is dat nog niet zorgvuldig genoeg geformuleerd. In de praktijk van gegevensuitwisseling is het namelijk mogelijk een attribuut op te nemen zonder waarde. Verbijzonderd voor attributen is de juiste formulering daarom dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een attribuut al dan niet aanwezig is en of een attribuut al dan niet een waarde heeft.

Uitgangspunt is dat een attribuut dat aanwezig is een waarde heeft. Een attribuut wordt alleen bij uitzondering zonder waarde in de berichten opgenomen. Het onderstaande overzicht geeft de vier mogelijkheden die voorkomen.

Voor de kardinaliteiten [0..*] en [1..*] geldt in essentie hetzelfde.

6. Gegevensdefinitie

6.1 Registratieobject

Naam Booronderzoek
Code BHR
Definitie

Het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een booronderzoek dat vanuit een bepaalde opdracht is uitgevoerd door op een bepaald moment op een bepaalde locatie in Nederland of zijn Exclusieve Economische Zone een boring uit te voeren en de monsters die daarmee uit de ondergrond zijn verkregen te beschrijven en/of te onderzoeken en/of in het boorgat zelf metingen aan de ondergrond uit te voeren..

Populatie

De populatie booronderzoeken in de registratie ondergrond omvat alle onderzoeken met uitzondering van onderzoek dat onder het regime van de Mijnbouwwet valt en onderzoek dat met het oog op de beoordeling van de bodemmilieukwaliteit of vanuit de archeologie wordt uitgevoerd. Ieder object heeft ter identificatie een eigen BRO-ID. De huidige gegevensdefinitie beschrijft alleen het bodemkundig booronderzoek en beperkt zich verder tot de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse.

6.2 Het domeinmodel

Diagram 
                        
                     Gestandaardiseerde locatieAangeleverde verticale positieAangeleverde locatieGeboord trajectVerwijderde laagVerwijderd trajectBoorprocedureTerreintoestandGeboord intervalBoorapparaatBoringTussentijdse gebeurtenisRapportagegeschiedenisBoormonsterbeschrijvingRegistratiegeschiedenisBoormonsteranalyseBooronderzoek

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Algemeen

Diagram 
                        
                     BodemclassificatieZuurgraad bodemlaagVerdeling fijne fractieOnvolledige fractiespecificatieFractieverdelingGrondsoortLaagcomponentVast gesteentelaagBodemlaagBijzonderheid onderinStrooisellaagBoorprofielBoormonsterbeschrijvingZuurgraad strooisellaag

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Boormonsterbeschrijving

Diagram 
                        
                     Bepaling organisch koolstofgehalteBepaling organischestofgehalteNiet gestandaardiseerde fractieUitgebreide verdeling fractie 63tot2000umStandaard verdeling fractie 63tot2000umUitgebreide verdeling fractie kleiner50umStandaard verdeling fractie kleiner50umMinimale verdeling fractie kleiner50umBasis korrelgrootteverdelingBepaling korrelgrootteverdelingBepaling zuurgraadBoormonsteranalyseOnderzocht interval

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Boormonsteranalyse deel 1

Diagram 
                        
                     WaterdoorlatendheidstoestandWaterdoorlatendheidsverloopBepaling waterdoorlatendheidBepaling droge bulkdichtheidKrimptoestandKrimpverloopBepaling krimpverloopOnderzocht intervalBoormonsteranalyse

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Boormonsteranalyse deel 2

Diagram 
                        
                     Watergehalte en doorlatendheid bij bepaalde bodemvochtpotentiaalWatergehalte en doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaalWaterretentiewaarde verdampingWaterretentie verdampingOverzicht tensiometergegevensBepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaalWaterretentiewaardeWaterretentieBepaling waterretentie stapsgewijsOnderzocht intervalBoormonsteranalyse

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Boormonsteranalyse deel 3

Diagram 
                        
                     Vorm doorlatendheidscurveWaterdoorlatendheidskarakteristiekVorm retentiecurveWaterretentiekarakteristiekModellering van hydrofysische karakteristiekenOnderzocht intervalBoormonsteranalyse

Domeinmodel bodemkundig booronderzoek- Boormonsteranalyse deel 4

6.3 Entiteittypen en attributen

6.3.1 Booronderzoek

Diagram BoormonsteranalyseBoormonsterbeschrijvingTerreintoestandBoringGestandaardiseerde locatieAangeleverde verticale positieAangeleverde locatieRapportagegeschiedenisRegistratiegeschiedenisBooronderzoek

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens die het booronderzoek identificeren en inzicht geven in de geschiedenis van het object voorafgaand aan opname in de registratie ondergrond.

6.3.1.1 BRO-ID
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De identificatie van een booronderzoek die in de registratie ondergrond is opgenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Registratieobjectcode
  Type Code
  Opbouw BHRNNNNNNNNNNNN
Toelichting

De basisregistratie ondergrond kent bij registratie automatisch de juiste waarde aan het object toe.

6.3.1.2 bronhouder
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de maatschappelijke activiteit van de publiekrechtelijke rechtspersoon die bronhouder is van de gegevens in de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KvK-nummer
Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als bronhouder van booronderzoeken bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven in het geval de dataleverancier niet de bronhouder is.

6.3.1.3 object-ID bronhouder
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De identificatie die door of voor de bronhouder is gebruikt om het object in de eigen administratie te kunnen vinden.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Tekst 200
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder. Het is in de registratie opgenomen om de communicatie tussen de registerbeheerder en de bronhouder of dataleverancier te vergemakkelijken.

6.3.1.4 dataleverancier
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die het object aan de basisregistratie ondergrond heeft aangeleverd, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als dataleverancier van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven. Het wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.1.5 kwaliteitsregime
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De aanduiding van de kwaliteitseis waaraan de gegevens van het object voldoen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Kwaliteitsregime
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven.

6.3.1.6 kader aanlevering
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De rechtsgrond op basis waarvan, of bij afwezigheid daarvan de activiteit naar aanleiding waarvan, het betreffende gegeven is aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KaderAanlevering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De wetgever stipuleert dat het gegeven moet zijn vastgelegd om inzicht te geven in de relatie met de taken van een bestuursorgaan. Het gegeven geeft inzicht in de maatschappelijke betekenis van de informatie.

6.3.1.7 kader inwinning
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

Het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KaderInwinning
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Onderzoek wordt normaliter projectmatig uitgevoerd, zelfs als het direct gebonden is aan een publieke taak. Het gegeven beschrijft het hogere doel van het project waarvoor het onderzoek is uitgevoerd of preciseert de taak.

6.3.1.8 vakgebied
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De discipline waarbinnen het booronderzoek is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Vakgebied
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het vakgebied bepaalt hoe het onderzoek is uitgevoerd en welke gegevens en categorieën van gegevens vastgelegd kunnen zijn.

6.3.1.9 rapportagedatum onderzoek
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De datum waarop de uitvoerder van het booronderzoek alle gegevens van het booronderzoek aan de bronhouder heeft overgedragen of in het geval van historische gegevens de datum waarop alle gegevens zijn vastgesteld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut registratiestatus van de entiteit Registratiegeschiedenis gelijk is aan voltooid.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.
De datum ligt niet na het tijdstip voltooiing registratie van de entiteit Registratiegeschiedenis.

Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer alle deelonderzoeken zijn gerapporteerd en het onderzoek is afgesloten.

6.3.1.10 terreintoestand bepaald
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De aanduiding die aangeeft of in het onderzoek gegevens over de toestand van het terrein zijn vastgelegd die van betekenis zijn voor de beoordeling van de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
6.3.1.11 strooisellaag onderzocht
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

De aanduiding die aangeeft of in het onderzoek de laag strooisel die op het maaiveld kan liggen onderzocht is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

In het bodemkundig booronderzoek zoals dat door Wageningen Environmental Research wordt uitgevoerd, is het gebruikelijk de laag strooisel die lokaal, bijvoorbeeld in bossen, op het maaiveld ligt als onderdeel van de bodem te beschrijven. De strooisellaag wordt veelal bemonsterd met een humushapper. Dat is een steekapparaat dat geclassificeerd is als een boorapparaat.

6.3.1.12 uitvoerder onderzoek
Type gegeven Attribuut van Booronderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het booronderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.1.13 registratiegeschiedenis
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De geschiedenis van het booronderzoek in de registratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Registratiegeschiedenis
6.3.1.14 rapportagegeschiedenis
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De geschiedenis van de rapportage van het booronderzoek aan de bronhouder.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Rapportagegeschiedenis
6.3.1.15 aangeleverde locatie
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak, zoals die is aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Aangeleverde locatie
6.3.1.16 aangeleverde verticale positie
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De positie van het beginpunt van het booronderzoek in het verticale vlak, zoals die is aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Aangeleverde verticale positie
6.3.1.17 gestandaardiseerde locatie
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak zoals die door de basisregistratie ondergrond is getransformeerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Gestandaardiseerde locatie
6.3.1.18 terreintoestand
Type gegeven Gegevensgroep van Booronderzoek
Definitie

De toestand van het terrein tijdens het boren.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Terreintoestand
6.3.1.19 boring
Type gegeven Associatie van Booronderzoek
Definitie

De boring die is uitgevoerd als onderdeel van het booronderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam boring
Bron Booronderzoek
Doel Boring
6.3.1.20 boormonsterbeschrijving
Type gegeven Associatie van Booronderzoek
Definitie

De boormonsterbeschrijving als deelonderzoek van het booronderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam boormonsterbeschrijving
Bron Booronderzoek
Doel Boormonsterbeschrijving
6.3.1.21 boormonsteranalyse
Type gegeven Associatie van Booronderzoek
Definitie

De boormonsteranalyse als deelonderzoek van het booronderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam boormonsteranalyse
Bron Booronderzoek
Doel Boormonsteranalyse

6.3.2 Registratiegeschiedenis

Diagram Registratiegeschiedenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens die de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond markeren.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument, maar worden automatisch door de basisregistratie ondergrond gegenereerd.

6.3.2.1 tijdstip registratie object
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop voor het eerst gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam DatumTijd
6.3.2.2 registratiestatus
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De actuele fase van registratie waarin het object zich bevindt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Registratiestatus
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.2.3 tijdstip laatste aanvulling
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste aanvulling op de gegevens in de registratie ondergrond is doorgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer na de registratie van een deelonderzoek ander deelonderzoek is vastgelegd.

6.3.2.4 tijdstip voltooiing registratie
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop alle gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut registratiestatus gelijk is aan voltooid.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig als alle aan te leveren gegevens zijn geregistreerd. Na dit tijdstip kunnen geen nieuwe gegevens meer ter registratie worden aangeboden. Wel kunnen fouten in de registratie worden verbeterd.

6.3.2.5 gecorrigeerd
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een verbetering in de gegevens van het object in de registratie ondergrond heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
6.3.2.6 tijdstip laatste correctie
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste verbetering in de gegevens van het object is doorgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gecorrigeerd gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.2.7 in onderzoek
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object door de registerbeheerder in onderzoek is genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Wanneer een object in onderzoek is genomen betekent dit dat er bij de registerbeheerder gerede twijfel bestaat over de juistheid van de geregistreerde gegevens en dat er een onderzoek is gestart om vast te stellen wat de juiste gegevens zijn. Normaliter gaat hieraan een melding van derden vooraf.

6.3.2.8 in onderzoek sinds
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de registerbeheerder het object in onderzoek heeft genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut in onderzoek gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.2.9 uit registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de gegevens van het object door de registerbeheerder uit registratie zijn genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Wanneer de registerbeheerder een object uit registratie heeft genomen, zijn de gegevens niet langer beschikbaar voor andere afnemers dan bronhouder en dataleverancier. De registerbeheerder zal een object alleen bij hoge uitzondering uit registratie nemen en alleen na akkoord van de bronhouder. Aan de beslissing gaat een proces van zorgvuldige afweging vooraf en dat komt tot uitdrukking in de regel dat een object slechts een keer uit registratie kan worden genomen.

6.3.2.10 tijdstip uit registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object uit registratie is genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut uit registratie genomen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.2.11 weer in registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het eerder uit registratie was genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

De registerbeheerder kan een object eenmalig uit registratie nemen, en die actie kan hij eenmalig ongedaan maken. Ook hiervoor geldt dat akkoord van de bronhouder vereist is.

6.3.2.12 tijdstip weer in registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het uit registratie was genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut weer in registratie genomen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.3 Rapportagegeschiedenis

Diagram RapportagegeschiedenisTussentijdse gebeurtenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het geheel van gebeurtenissen dat beschrijft wanneer rapporten van het onderzoek aan de bronhouder zijn overgedragen.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument, maar worden automatisch door de basisregistratie ondergrond gegenereerd. De resultaten van het booronderzoek worden in een keer of in delen gerapporteerd. Wanneer een deelrapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het registratieobject booronderzoek.

6.3.3.1 startdatum rapportage
Type gegeven Attribuut van Rapportagegeschiedenis
Definitie

De datum waarop het eerste rapport van het onderzoek aan de bronhouder is overgedragen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Waardebereik vanaf 1 januari 1877
Regels

De startdatum rapportage mag niet liggen na het tijdstip registratie object van de entiteit Registratiegeschiedenis.

Is afgeleid Ja
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het starten van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. De datum is gelijk aan de rapportagedatum van het deelonderzoek dat als eerste is overgedragen. In deze versie van de catalogus is alleen nog maar het deelonderzoek boormonsterbeschrijving opgenomen en wordt het gegeven van de rapportage datum beschrijving afgeleid.

6.3.3.2 einddatum rapportage
Type gegeven Attribuut van Rapportagegeschiedenis
Definitie

De datum waarop alle gegevens van het onderzoek aan de bronhouder zijn overgedragen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Datum
  Waardebereik vanaf 1 januari 1877
Regels

De einddatum rapportage mag niet liggen voor de startdatum rapportage.

Is afgeleid Ja
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het beëindigen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. De datum is gelijk aan de rapportagedatum van het onderzoek.

6.3.3.3 tussentijdse gebeurtenis
Type gegeven Gegevensgroep van Rapportagegeschiedenis
Definitie

Een overdracht van een rapport aan de bronhouder die na de overdracht van het eerste en voor de overdracht van het laatste rapport heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Gegevensgroeptype Tussentijdse gebeurtenis
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het aanvullen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. In deze versie van de catalogus vinden er geen tussentijdse gebeurtenissen plaats.

6.3.4 Tussentijdse gebeurtenis

Diagram Tussentijdse gebeurtenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een overdracht van een rapport aan de bronhouder die na de overdracht van het eerste en voor de overdracht van het laatste rapport heeft plaatsgevonden.

Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het aanvullen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. In deze versie van de catalogus vinden er geen tussentijdse gebeurtenissen plaats.

6.3.4.1 naam gebeurtenis
Type gegeven Attribuut van Tussentijdse gebeurtenis
Definitie

De benaming van de tussentijdse gebeurtenis.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam NaamGebeurtenis
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Is afgeleid Ja
6.3.4.2 datum gebeurtenis
Type gegeven Attribuut van Tussentijdse gebeurtenis
Definitie

De datum waarop de tussentijdse gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Waardebereik vanaf 1 januari 1980
Regels

De datum gebeurtenis mag niet liggen voor de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

De datum gebeurtenis mag niet liggen na de einddatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Is afgeleid Ja

6.3.5 Aangeleverde locatie

Diagram Aangeleverde locatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak, zoals die zijn aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Toelichting

De locatie van booronderzoek is gedefinieerd als een punt.

6.3.5.1 coördinaten
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De coördinaten die zijn aangeleverd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinatenpaar
Regels

De locatie ligt in Nederland en aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn.

6.3.5.2 referentiestelsel
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

Het referentiestelsel van de aangeleverde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Referentiestelsel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De locatie ligt aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn en de coördinaten zijn gedefinieerd in RD of ETRS89.

6.3.5.3 datum locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De datum waarop de plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De datum ligt niet na de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

6.3.5.4 methode locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De werkwijze die is gevolgd voor de bepaling van de plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MethodeLocatiebepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven geeft inzicht in de nauwkeurigheid waarmee de plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak is bepaald.

6.3.5.5 uitvoerder locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het booronderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De onderneming moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.6 Aangeleverde verticale positie

Diagram Aangeleverde verticale positie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de positie van het beginpunt van het booronderzoek in het verticale vlak, zoals aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

6.3.6.1 lokaal verticaal referentiepunt
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het punt dat in het booronderzoek is gebruikt als nulpunt voor de diepte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam LokaalVerticaalReferentiepunt
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Een locatie op land heeft de waarde maaiveld of waterbodem.
Een locatie op zee heeft de waarde waterbodem.
Omdat het vakgebied bodemkunde is ligt de locatie op land.

Toelichting

Het domein bevat begrippen die naar een vlak verwijzen. Het lokaal verticaal referentiepunt is het punt waar het booronderzoek zo’n vlak doorsnijdt en dat geldt als het punt waar het onderzoek begonnen is. De enige uitzondering op de regel is het bodemkundig booronderzoek waarin strooisel beschreven is. De afspraak is dat strooisel boven het lokaal verticaal referentiepunt ligt.

6.3.6.2 verschuiving
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt t.o.v. het verticaal referentievlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.3
  Eenheid m (meter)
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de verschuiving niet bepaald zijn, alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

De waarde kan positief of negatief zijn. Als de waarde positief is, ligt het lokaal verticaal referentiepunt boven het verticaal referentievlak en dat is voor bodemkunde altijd NAP. Met behulp van de verschuiving kan een diepte omgerekend worden naar een positie ten opzichte van NAP.

6.3.6.3 waterdiepte
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De positie van de waterbodem ten opzichte van het wateroppervlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer het gegeven lokaal verticaal referentiepunt de waarde waterbodem heeft.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de waterdiepte niet bepaald zijn; in dat geval en alleen in dat geval heeft het attribuut geen waarde.

Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

Het gegeven geeft extra informatie over de omstandigheden op plaatsen waar de waterdiepte veranderlijk is, bijvoorbeeld in uiterwaarden. Het wordt bovendien door de basisregistratie ondergrond gebruikt bij de transformatie van coördinaten van RD naar ETRS89.

6.3.6.4 verticaal referentievlak
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het referentieniveau voor de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VerticaalReferentievlak
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De algemene regel is dat een locatie op land de waarde NAP heeft en een locatie op zee de waarde LAT of MSL.
Omdat het vakgebied bodemkunde is, ligt de locatie op land en heeft het gegeven de waarde NAP.

Toelichting

Omdat het vakgebied bodemkunde is ligt de locatie aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn en is de waarde gelijk aan NAP.

6.3.6.5 datum verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De datum waarop de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De datum ligt niet na de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de verschuiving niet bepaald zijn, alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

Het gegeven is van belang in verband met mogelijke veranderingen in de positie van het maaiveld of de waterbodem. In het geval de positie is bepaald op basis van het AHN geldt als datum 1 januari van het jaar waarin de gebruikte versie van het AHN voor het gebied waarin de locatie ligt, is vastgesteld. De eerste regel voor IMBRO/A is op de volgende overweging gebaseerd: wanneer bij gegevens uit het verleden de meest relevante datum van het booronderzoek, de rapportagedatum onderzoek, niet bekend is, kan een eventueel wel ingevulde datum verticale positie bepaling niet in de chronologische context geplaatst worden en verliest het zijn toegevoegde waarde.

6.3.6.6 methode verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De werkwijze die is gevolgd voor de bepaling van de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MethodeVerticalePositiebepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de verschuiving niet bepaald zijn, alleen in dat geval heeft het gegeven de waarde geen.  

Toelichting

Het gegeven geeft inzicht in de nauwkeurigheid waarmee de verticale positie is bepaald.

6.3.6.7 uitvoerder verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het booronderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.7 Gestandaardiseerde locatie

Diagram Gestandaardiseerde locatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de plaats van het booronderzoek op het aardoppervlak zoals die door de basisregistratie ondergrond zijn getransformeerd.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument. De gestandaardiseerde locatie wordt door de basisregistratie ondergrond berekend ten behoeve van afnemers. Het maakt het mogelijk alle gegevens in de registratie ondergrond in een en hetzelfde referentiestelsel te ontsluiten. De locatie van booronderzoek is gedefinieerd als een punt.

6.3.7.1 coördinaten
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

De coördinaten in het standaard referentiestelsel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinatenpaar
Is afgeleid Ja
6.3.7.2 referentiestelsel
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

Het referentiestelsel van de gestandaardiseerde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Referentiestelsel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.7.3 coördinaattransformatie
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

De methode die de basisregistratie ondergrond heeft gebruikt voor het omzetten van de aangeleverde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinaattransformatie

6.3.8 Boring

Diagram BoorapparaatGeboord trajectVerwijderd trajectBoorprocedureBoring

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over het geheel van activiteiten, voor zover relevant voor het onderzoek, dat tot doel heeft door boren een gat in de ondergrond te maken om monsters uit de ondergrond te nemen en/of metingen aan de ondergrond te doen.

6.3.8.1 startdatum boring
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De datum waarop het boren is begonnen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1-1-1950 tot niet-gespecificeerd
Regels

De datum ligt niet na de rapportagedatum onderzoek van het Booronderzoek.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de rapportagedatum onderzoek de waarde onbekend hebben; in dat geval ligt het gegeven niet na het tijdstip registratie object.

6.3.8.2 einddatum boring
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De datum waarop het boren is beëindigd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1-1-1950 tot niet-gespecificeerd
Regels

De datum ligt niet voor de startdatum boring.
De datum ligt niet na de rapportagedatum onderzoek van het Booronderzoek.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de rapportagedatum onderzoek de waarde onbekend hebben; in dat geval ligt het gegeven niet na het tijdstip registratie object.

6.3.8.3 uitvoerder boring
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De identificatie die de organisatie die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van de boring en het eventueel leveren van monsters, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De onderneming moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.8.4 verbuizing gebruikt
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De aanduiding die aangeeft of verbuizing is aangebracht tijdens het boren.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Verbuizing wordt gezet om te voorkomen dat materiaal in het gat valt. De aanwezigheid van verbuizing kan invloed hebben op de kwaliteit van boormonsters en de resultaten van boorgatmeetonderzoek. Verbuizing wordt in het vakgebied bodemkunde alleen aangebracht wanneer een boor van het type pulsboor wordt gebruikt.

6.3.8.5 boorspoeling
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De vloeistof die tijdens het boren is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Boorspoeling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Boorspoeling kan bij mechanische boringen gebruikt worden om het doorboorde materiaal naar de oppervlakte te brengen, de boorkop te koelen of tegendruk te geven op het doorboorde gesteente. In bodemkundig onderzoek wordt geen spoeling gebruikt.

6.3.8.6 stopcriterium
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De reden waarom de uitvoerder van de boring met boren is opgehouden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Stopcriterium
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven geeft aan of de beoogde einddiepte is gehaald of dat het boren is gestopt omdat er bepaalde problemen waren. De aard van het eventuele probleem kan informatie geven over de opbouw van de ondergrond.

6.3.8.7 traject verwijderd
Type gegeven Attribuut van Boring
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er voorafgaand aan het boren materiaal uit de ondergrond is verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Wanneer het attribuut strooisellaag beschreven de waarde ja heeft, moet het gegeven de waarde nee hebben.

Toelichting

De laag strooisel die lokaal op het maaiveld ligt, maakt geen deel uit van de ondergrond. Wanneer de strooisellaag niet beschreven is, wordt er over het al dan niet aanwezig zijn van een dergelijke laag geen informatie vastgelegd.

6.3.8.8 boorprocedure
Type gegeven Gegevensgroep van Boring
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken het boren is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Boorprocedure
6.3.8.9 geboord traject
Type gegeven Gegevensgroep van Boring
Definitie

Het deel van de ondergrond dat doorboord is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Geboord traject
6.3.8.10 verwijderdTraject
Type gegeven Associatie van Boring
Definitie

Het deel van de ondergrond waaruit het materiaal verwijderd is voordat met boren is begonnen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam verwijderdTraject
Bron Boring
Doel Verwijderd traject
6.3.8.11 boorapparaat
Type gegeven Associatie van Boring
Definitie

Het apparaat of stuk gereedschap dat gebruikt is om een bepaald interval te boren.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam uitgevoerd met
Relatierol naam boorapparaat
Bron Boring
Doel Boorapparaat

6.3.9 Boorprocedure

Diagram Boorprocedure

Type gegeven Entiteit
Definitie

De procedure die bij het boren gevolgd is.

6.3.9.1 boornorm
Type gegeven Attribuut van Boorprocedure
Definitie

De norm of richtlijn die bij het boren is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Boornorm
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gebruik van normen varieert van vakgebied tot vakgebied.

6.3.10 Verwijderd traject

Diagram Verwijderde laagVerwijderd traject

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van de ondergrond waaruit het materiaal verwijderd is voordat met boren is begonnen.

6.3.10.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Verwijderd traject
Definitie

De diepte vanaf waar het materiaal uit de ondergrond is verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf -0.5
6.3.10.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Verwijderd traject
Definitie

De diepte tot waar het materiaal uit de ondergrond is verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.01
Regels

De einddiepte is groter dan de begindiepte van het verwijderd traject.

6.3.10.3 verwijderde laag
Type gegeven Associatie van Verwijderd traject
Definitie

Een deel van het verwijderde traject dat op grond van de aard van het materiaal als een laag is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam verwijderde laag
Bron Verwijderd traject
Doel Verwijderde laag

6.3.11 Verwijderde laag

Diagram Verwijderde laag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een deel van het verwijderde traject dat op grond van de aard van het materiaal als een laag is beschreven.

6.3.11.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Verwijderde laag
Definitie

De diepte van de bovenkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0
Regels

De bovengrens van de bovenste verwijderde laag is gelijk aan de begindiepte van het verwijderd traject.
De bovengrens van iedere andere verwijderde laag valt samen met de ondergrens van de verwijderde laag erboven.

6.3.11.2 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Verwijderde laag
Definitie

De diepte van de onderkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0
Regels

De ondergrens is groter dan de bovengrens van de verwijderde laag.
De ondergrens van de onderste verwijderde laag is gelijk aan de einddiepte van het verwijderd traject.

6.3.11.3 verwijderd materiaal
Type gegeven Attribuut van Verwijderde laag
Definitie

De omschrijving van het materiaal waaruit de verwijderde laag bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VerwijderdMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar

6.3.12 Geboord traject

Diagram Geboord traject

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van de ondergrond dat doorboord is.

6.3.12.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Geboord traject
Definitie

De diepte waarop het boren gestart is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf -0.5
Regels

De algemene regel is dat de begindiepte de waarde 0 heeft, tenzij er materiaal verwijderd is. In dat geval is de waarde groter dan 0 en gelijk aan die van de einddiepte van het Verwijderd traject.
Omdat het vakgebied bodemkunde is, kan de strooisellaag beschreven zijn en in dat geval is de waarde kleiner dan 0.

6.3.12.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Geboord traject
Definitie

De diepte waarop het boren geëindigd is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.2
Regels

De einddiepte is groter dan de begindiepte van het geboord traject.

6.3.13 Boorapparaat

Diagram Geboord intervalBoorapparaat

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het apparaat of stuk gereedschap dat gebruikt is om een bepaald interval te boren.

6.3.13.1 boortype
Type gegeven Attribuut van Boorapparaat
Definitie

De gebruikelijke benaming voor het boorapparaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Boortype
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.13.2 boordiameter
Type gegeven Attribuut van Boorapparaat
Definitie

De diameter van de boor.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid mm (millimeter)
  Waardebereik vanaf 10
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan de boordiameter niet bekend zijn; in dat geval en alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

6.3.13.3 geboord interval
Type gegeven Associatie van Boorapparaat
Definitie

Het interval dat met het boorapparaat is geboord.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam leidt tot
Relatierol naam geboord interval
Bron Boorapparaat
Doel Geboord interval

6.3.14 Geboord interval

Diagram Geboord interval

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het interval dat met een bepaald boorapparaat is geboord.

6.3.14.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Geboord interval
Definitie

De diepte vanaf waar het boorapparaat is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.5
6.3.14.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Geboord interval
Definitie

De diepte tot waar het boorapparaat is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.2
Regels

De einddiepte is groter dan de begindiepte van het interval.
De einddiepte van het onderste interval is gelijk aan de einddiepte van het geboord traject.
Wanneer de waarde van het attribuut strooisellaag beschreven niet gelijk is aan ja, is de einddiepte groter dan 0.

6.3.15 Terreintoestand

Diagram Terreintoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de toestand van het terrein tijdens het boren, die relevant zijn voor het onderzoek.

6.3.15.1 landgebruik
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het doel waarvoor het land waarop de locatie van het booronderzoek ligt in gebruik is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Landgebruik
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.15.2 gedraineerd
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het terrein tijdens het boren gedraineerd werd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A JaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
6.3.15.3 gemiddeld hoogste grondwaterspiegel
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het gemiddeld hoogste niveau van de grondwaterspiegel zoals geschat voor de locatie van het booronderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.25
Toelichting

Voor het onderzoek kan het van belang zijn te weten wat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plekke is. Wanneer dat gegeven niet uit de monsters kan worden afgeleid, zal de uitvoerder proberen de waarde te schatten op basis van andere informatie. Dat kan een boorprofiel van een nabijgelegen boring zijn, het waterpeil in een sloot of een andere observatie in het terrein.

6.3.15.4 gemiddeld laagste grondwaterspiegel
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het gemiddeld laagste niveau van de grondwaterspiegel zoals geschat voor de locatie van het booronderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.25
Regels

Het gegeven mag alleen aanwezig zijn wanneer het attribuut gemiddeld laagste grondwaterstand van de entiteit Boorprofiel ontbreekt.

6.3.16 Boormonsterbeschrijving

Diagram BodemclassificatieBoorprofielBoormonsterbeschrijving

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van het bodemkundig booronderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de monsters en het verwerken van de resultaten tot een samenvattende beschrijving van de opbouw van het bovenste deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel met daaruit afgeleid een classificatie van de bodem.

6.3.16.1 datum voltooiing beschrijving
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De datum waarop het beschrijven is voltooid en de resultaten zijn vastgelegd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1-1-1950 tot niet-gespecificeerd
Regels

De datum ligt niet na de rapportagedatum onderzoek van het Booronderzoek.

Regels IMBRO/A

Wanneer de rapportagedatum onderzoek de waarde onbekend heeft, is de waarde van dit gegeven ook onbekend.

Toelichting

Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is de datum van voltooiing de datum waarop de gegevens in die registratie zijn vastgelegd. Tevoren is de controle op de in het veld gemaakte beschrijving uitgevoerd.

6.3.16.2 beschrijfmethode
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De methode die bij het beschrijven van de monsters is gevolgd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Beschrijfmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De beschrijfmethode geeft aan volgens welk stelsel van afspraken de monsters beschreven zijn en welke aspecten worden beschreven.

6.3.16.3 beschrijflocatie
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De plek waar de boormonsterbeschrijving is gemaakt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Beschrijflocatie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven geeft globaal aan onder welke omstandigheden de boormonsterbeschrijving tot stand in gekomen. Een boormonsterbeschrijving wordt in de meeste gevallen in het veld gemaakt. Dat heeft als voordeel dat de monsters vers zijn en als nadeel dat de omstandigheden niet ideaal zijn bijvoorbeeld omdat weersomstandigheden negatief van invloed kunnen zijn. Het alternatief is de monsters op een later tijdstip te beschrijven in een beschrijfruimte waar de condities meer uniform zijn. Het kan ook voorkomen dat bepaalde aspecten in het veld, en andere aspecten in een beschrijfruimte worden beschreven. Binnen het vakgebied bodemkunde worden alle beschrijvingen van oudsher in het veld gemaakt.

6.3.16.4 uitvoerder beschrijving
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De identificatie die de organisatie die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van de boormonsterbeschrijving, als onderneming in het Handelsregister heeft.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De onderneming moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek bekend zijn.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.16.5 fractieverdeling bepaald
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de onderlinge verhouding van de fracties waaruit de grond is samengesteld consequent is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

In afwijking van de regel dat het gegeven de waarde ja moet hebben, wordt voor IMBRO/A ook de waarde nee toegestaan.

6.3.16.6 ondergrens zandfractie
Type gegeven Attribuut van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De korrelgrootte die in de beschrijving is gehanteerd als grens tussen de silt- en de zandfractie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam OndergrensZandfractie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In de bodemkunde wordt traditioneel de 50 µm-grens gehanteerd als ondergrens van de zandfractie. In andere vakgebieden wordt de 63 µm-grens gehanteerd. Het gegeven is opgenomen om voor alle gebruikers inzichtelijk te maken dat dit verschil bestaat.

6.3.16.7 boorprofiel
Type gegeven Associatie van Boormonsterbeschrijving
Definitie

Het boorprofiel als resultaat van de boormonsterbeschrijving.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam boorprofiel
Bron Boormonsterbeschrijving
Doel Boorprofiel
6.3.16.8 bodemclassificatie
Type gegeven Associatie van Boormonsterbeschrijving
Definitie

De bodemclassificatie als resultaat van de profielbeschrijving.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam resulteert in
Relatierol naam bodemclassificatie
Bron Boormonsterbeschrijving
Doel Bodemclassificatie

6.3.17 Boorprofiel

Diagram Vast gesteentelaagBodemlaagStrooisellaagBoorprofiel

Type gegeven Entiteit
Definitie

De opbouw van het bovenste deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel beschreven als een opeenvolging van lagen.

6.3.17.1 monsterhoedanigheid
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De gesteldheid die aangeeft of de monsters meer of minder representatief zijn voor het deel van de ondergrond waaruit zij genomen zijn.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Monsterhoedanigheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Aspecten die de representativiteit van monster beïnvloeden zijn de mate waarin de samenhang is verstoord en de mate van uitdroging. Voor het vakgebied bodemkunde zijn de aspecten eigenlijk niet van belang omdat de mate van verstoring direct volgt uit het gebruikte boorapparaat en de monsters altijd in verse toestand worden beschreven. Het is opgenomen om boorprofielen over alle vakgebieden heen op gelijke wijze te kunnen ontsluiten.

6.3.17.2 bewortelbare diepte bereikt
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de diepte tot waar beworteling mogelijk is, is bereikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
6.3.17.3 bewortelbare diepte
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De diepte in de bodem tot waar beworteling mogelijk is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut bewortelbare diepte bereikt.
De bewortelbare diepte mag niet groter zijn dan de einddiepte van het geboord traject.

Toelichting

Het landgebruik bepaalt naar welke soort begroeiing er wordt gekeken. In bossen gaat het om de wortels van bomen, terwijl bij akkers naar de wortels van gewassen wordt gekeken.

6.3.17.4 gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand in het profiel is bereikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de opdrachtgever daarom heeft gevraagd of de uitvoerder het op eigen initiatief heeft vastgelegd.

6.3.17.5 gemiddeld hoogste grondwaterstand
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De gemiddeld hoogste grondwaterstand bepaald in het profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt.
De waarde van het gegeven mag niet groter zijn dan de einddiepte van het geboorde traject.

6.3.17.6 gemiddeld laagste grondwaterstand
Type gegeven Attribuut van Boorprofiel
Definitie

De gemiddelde laagste grondwaterstand bepaald in het profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

Het gegeven kan alleen aanwezig zijn wanneer het attribuut gemiddeld hoogste grondwaterstand aanwezig is.
De waarde mag niet kleiner zijn dan de waarde van de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
De waarde mag niet groter zijn dan de einddiepte van het geboorde traject.

Toelichting

De diepte van het niveau wordt geschat op basis van aspecten als kleur, de aanwezigheid van ijzervlekken of concreties. De terreintoestand en het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde planten kunnen bijdragen aan de bepaling.

6.3.17.7 strooisellaag
Type gegeven Associatie van Boorprofiel
Definitie

De strooisellaag als onderdeel van het boorprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam strooisellaag
Bron Boorprofiel
Doel Strooisellaag
6.3.17.8 bodemlaag
Type gegeven Associatie van Boorprofiel
Definitie

De bodemlaag als onderdeel van het boorprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam bodemlaag
Bron Boorprofiel
Doel Bodemlaag
6.3.17.9 vast gesteentelaag
Type gegeven Associatie van Boorprofiel
Definitie

De vast gesteentelaag als onderdeel van het boorprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam vast gesteentelaag
Bron Boorprofiel
Doel Vast gesteentelaag

6.3.18 Strooisellaag

Diagram Zuurgraad strooisellaagStrooisellaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een laag organisch materiaal die plaatselijk op het maaiveld ligt en uit resten van voornamelijk bovengrondse plantendelen in verschillende stadia van omzetting bestaat.

6.3.18.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De verticale positie van de bovenkant van de strooisellaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 0
Regels

Voor de bovenste laag in het profiel is de waarde gelijk aan de begindiepte van het geboord traject.
Voor iedere andere laag is de waarde steeds gelijk aan de waarde van de ondergrens van de laag erboven.

6.3.18.2 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De verticale positie van de onderkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 0
Regels

De waarde is groter dan de waarde van de bovengrens van de laag.
De waarde van de ondergrens van de onderste strooisellaag is 0.00.

6.3.18.3 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De code van de horizon waartoe het strooisel volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het waardenbereik is beperkt tot codes die beginnen met de letter O.

Toelichting

Het systeem van classificatie berust vooral op eigenschappen die op bodemvormende processen en aard en herkomst van het uitgangsmateriaal zijn terug te voeren. Voor de strooisellaag is met name de mate waarin de plantenresten zijn omgezet van belang.

6.3.18.4 strooiselsoort
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De nadere aanduiding van de herkomst van het organisch materiaal waaruit de laag bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Strooiselsoort
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.18.5 organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

Het gehalte aan organische stof.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens kan het organische stofgehalte niet bepaald zijn; in dat geval en alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

6.3.18.6 zuurgraad strooisellaag
Type gegeven Gegevensgroep van Strooisellaag
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Gegevensgroeptype Zuurgraad strooisellaag

6.3.19 Zuurgraad strooisellaag

Diagram Zuurgraad strooisellaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Toelichting

In het veld kan de zuurgraad op bepaalde dieptes worden bepaald met een indicatorpapiertje. Met een mes wordt een inkeping in de wand gemaakt op de beschrijflijn en daar wordt het pH-indicatorpapier in de wand gestoken. Eventueel wordt het pH-indicator papier bevochtigd met demi-water als de veldmedewerker dat nodig vindt. Het pH-indicator papier wordt na 5 minuten afgelezen. In het veld kan de pH van 2 tot 9 betrouwbaar worden afgelezen. De zuurgraad wordt vaak bepaald bij natuuronderzoek, bijvoorbeeld om een kwelprofiel of een inzijgingsprofiel te bepalen.

6.3.19.1 diepte
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad strooisellaag
Definitie

De diepte waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m
  Waardebereik -0.5 tot 0
6.3.19.2 pH
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad strooisellaag
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 2 tot 9

6.3.20 Bodemlaag

Diagram Zuurgraad bodemlaagLaagcomponentBodemlaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een laag in het bovenste deel van de ondergrond die uit ongeconsolideerd materiaal bestaat.

6.3.20.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De diepte van de bovenkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

Voor de bovenste laag in het profiel is de waarde gelijk aan de begindiepte van het geboord traject, behalve wanneer strooisellaag beschreven de waarde ja heeft want dan is de waarde gelijk aan 0.00.
Voor iedere andere laag is de waarde steeds gelijk aan de ondergrens van de laag erboven.

6.3.20.2 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De diepte van de onderkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

De waarde is groter dan de waarde van de bovengrens van de laag.
Wanneer er geen vast gesteentelaag voorkomt, is de waarde voor de onderste laag gelijk aan de einddiepte van het geboord traject.

6.3.20.3 antropogeen
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag grotendeels of geheel bestaat uit door de mens van elders aangevoerd materiaal, of door de mens bewerkt is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
6.3.20.4 aantal laagcomponenten
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

Het aantal componenten waaruit de laag bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Aantal
  Waardebereik vanaf 1
Toelichting

Een bodemlaag is gewoonlijk een homogeen interval waarvan de grenzen in de monsters bepaald kunnen worden. Maar het komt voor dat de beschrijver ziet dat een interval van aangrenzende intervallen verschilt en tegelijkertijd constateert dat het uit dunne laagjes moet zijn opgebouwd waarvan hij de onderlinge positie niet kan vaststellen. In dat geval beschrijft hij de laag als opgebouwd uit componenten.

6.3.20.5 laagcomponent
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemlaag
Definitie

Een qua grondsoort en horizontcode homogeen deel van een bodemlaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Gegevensgroeptype Laagcomponent
6.3.20.6 zuurgraad bodemlaag
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemlaag
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Gegevensgroeptype Zuurgraad bodemlaag

6.3.21 Zuurgraad bodemlaag

Diagram Zuurgraad bodemlaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Toelichting

In het veld kan de zuurgraad op bepaalde dieptes worden bepaald met een indicatorpapiertje. Met een mes wordt een inkeping in de wand gemaakt op de beschrijflijn en daar wordt het pH-indicatorpapier in de wand gestoken. Eventueel wordt het pH-indicator papier bevochtigd met demi-water als de veldmedewerker dat nodig vindt. Het pH-indicator papier wordt na 5 minuten afgelezen. In het veld kan de pH van 2 tot 9 betrouwbaar worden afgelezen. De zuurgraad wordt vaak bepaald bij natuuronderzoek, bijvoorbeeld om een kwelprofiel of een inzijgingsprofiel te bepalen.

6.3.21.1 diepte
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad bodemlaag
Definitie

De diepte waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
6.3.21.2 pH
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad bodemlaag
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 2 tot 9

6.3.22 Laagcomponent

Diagram GrondsoortLaagcomponent

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een qua grondsoort en horizontcode homogeen deel van een bodemlaag.

6.3.22.1 volumepercentage
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

Het aandeel van de component in het volume van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 1 tot 99
Regels

Het gegeven ontbreekt wanneer de waarde van het attribuut aantal laagcomponenten van de entiteit Bodemlaag gelijk is aan 1.
In andere gevallen is het gegeven aanwezig, maar in het geval alle laagcomponenten alleen van elkaar verschillen in de waarde van het attribuut horizontcode, mag de waarde ontbreken.

6.3.22.2 afzettingskarakteristiek
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De geologische typering van het sediment waaruit de bodem bestaat naar periode en milieu van afzetting.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Afzettingskarakteristiek
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven geeft kernachtige informatie over de omgeving en de periode waarin het sediment is gevormd, en in voorkomende gevallen ook dat het sediment zich niet meer in zijn oorspronkelijke positie bevindt, maar door het landijs is gestuwd of door erosie is verplaatst. De informatie is van belang voor de bodemkundige classificatie. De bron van informatie is in formele zin een geologisch model. Omdat de waarde van het gegeven bepaald wordt door de actualiteit van het (impliciet) gebruikte model en strijdig kan zijn met de informatie in de modellen die deel uit (zullen) maken van registratie ondergrond, is het gegeven niet authentiek.

6.3.22.3 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De code van de horizont waartoe het deel van de bodem volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het waardenbereik omvat alle codes die niet beginnen met de hoofdletter O of R.

6.3.22.4 verzadigde doorlatendheid
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De snelheid waarmee water door de met water verzadigde grond kan stromen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m/d (meter per 24 uur)
  Waardebereik 0 tot 10
6.3.22.5 grondsoort
Type gegeven Gegevensgroep van Laagcomponent
Definitie

De gegevens over de samenstelling van de grond waar de laagcomponent uit bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Grondsoort

6.3.23 Grondsoort

Diagram Onvolledige fractiespecificatieFractieverdelingGrondsoort

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de samenstelling van de grond waar de laagcomponent uit bestaat.

6.3.23.1 standaard grondsoortnaam
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De naam van de grondsoort volgens de classificatie die in Nederland als standaard geldt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam StandaardGrondsoortnaam
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

De waarde nietBepaald is alleen toegestaan onder IMBRO/A en alleen wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling bepaald van de entiteit Boormonsterbeschrijving gelijk is aan nee.

Toelichting

De naam is afgeleid uit de waarden voor de fractieverdeling. De namen zijn, zolang de NEN-EN-ISO 14688-norm niet is omgezet naar standaardnamen, voorlopig.

6.3.23.2 grondsoort volgens leemdriehoek
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bodemkundige naam van de grondsoort is gebaseerd op de leemdriehoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

In de bodemkunde zijn voor de grondsoort eigenlijk twee classificatiesystemen naast elkaar in gebruik. Het verschil tussen de twee is dat in het ene geval de zgn. kleidriehoek en in het andere de zgn. leemdriehoek wordt gebruikt. De uitvoerder bepaalt op basis van zijn kennis van de geologische context welke van de twee driehoeken wordt gebruikt.

6.3.23.3 bodemkundige grondsoortnaam
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De naam van de grondsoort volgens de Nederlandse bodemkundige classificatie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BodemkundigeGrondsoortnaam
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan zandigeLeem, kleiigeLeem, siltigeLeem, leemarmZand, zwakLemigZand, sterkLemigZand of zeerSterkLemigZand wanneer de waarde van het attribuut grondsoort volgens leemdriehoek gelijk is aan ja.
In andere gevallen zijn die waarden niet toegestaan.

Toelichting

Het organische-stofgehalte bepaalt of de bodemkundige grondsoortnaam bepaald wordt op basis van de veendriehoek, en de afzettingskarakteristiek bepaalt vervolgens of de leemdriehoek of de kleidriehoek wordt gebruikt.

6.3.23.4 organische stofklasse
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

Het gehalte aan organische stof uitgedrukt in een klasse volgens de classificatie die in Nederland als standaard geldt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OrganischestofGehalteKlasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven ontbreekt wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan veen, kleiigVeen, venigeKlei, zandigVeen of venigZand.
In andere gevallen is het gegeven aanwezig.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag het attribuut niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan moerigMateriaal.

Toelichting

De organische stofklasse wordt niet bepaald als de grondsoort al aangeeft dat de grond in belangrijke mate uit organische stof bestaat. Voor bodemkunde is het gegeven redundant wanneer de fractieverdeling bekend is. Het wordt toch systematisch opgenomen om de informatie beter toegankelijk te maken voor gebruikers uit andere vakgebieden.

6.3.23.5 zandmediaan
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De mediaan van de zandfractie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 50 tot 2000
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van de bodemkundige grondsoortnaam eindigt op Zand en niet gelijk is aan venigZand.
In andere gevallen kan het gegeven aanwezig zijn.

Toelichting

De zandfractie is voor het vakgebied bodemkunde de fractie 50-2000 µm van het minerale bestanddeel van de grond. Wanneer de beschrijver met zijn vingers voelt dat er zand in het monster voorkomt, schat hij de zandmediaan. Het gegeven is van belang voor het beoordelen van de bruikbaarheid van de grond voor landbouw.

6.3.23.6 veensoort
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

Een nadere typering van het als veen omschreven bestanddeel van grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Veensoort
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan veen, kleiigVeen, venigeKlei, zandigVeen of venigZand.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan moerigMateriaal.

6.3.23.7 kalkklasse
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

Het gehalte aan koolzure kalk uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Kalkklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De kalklasse wordt geschat aan de mate van opbruisen met verdund zoutzuur (10% HCl).

6.3.23.8 rijpingsklasse
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De graad van rijping van klei- en leemhoudende grond uitgedrukt in klassen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Rijpingsklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van de bodemkundige grondsoortnaam eindigt op Silt, Zavel, Klei (behalve venigeKlei) of Leem.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

6.3.23.9 grindhoudend
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De aanduiding die aangeeft of grond die geen grind is wel grind bevat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het gegeven ontbreekt wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan grind.
In andere gevallen is het gegeven aanwezig.

6.3.23.10 grindgehalteklasse
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

Het gehalte aan grind van grond die tussen nul en dertig procent grind bevat, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Grindgehalteklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut grindhoudend.

Toelichting

Het gegeven is redundant wanneer de fractieverdeling bepaald is. Het is opgenomen met het oog op de standaardisatie van de grondsoortbenaming in booronderzoek.

6.3.23.11 schelpmateriaalhoudend
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

De aanduiding die aangeeft of grond die niet uit schelpen bestaat, schelpmateriaal bevat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het gegeven ontbreekt wanneer de bodemkundige grondsoortnaam gelijk is aan schelpmateriaal.
In andere gevallen is het gegeven aanwezig.

6.3.23.12 klasse schelpmateriaalgehalte
Type gegeven Attribuut van Grondsoort
Definitie

Het gehalte aan schelpmateriaal van grond die niet uit schelpen bestaat maar wel schelpmateriaal bevat, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam KlasseSchelpmateriaalgehalte
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het al dan niet aanwezig zijn van het gegeven wordt bepaald door de waarde van het attribuut schelpmateriaalhoudend.

Toelichting

Het gegeven is redundant wanneer de fractieverdeling bepaald is. Het is opgenomen met het oog op de standaardisatie van de grondsoortbenaming in booronderzoek.

6.3.23.13 fractieverdeling
Type gegeven Gegevensgroep van Grondsoort
Definitie

De samenstelling van de grond beschreven als een mengsel van organische stof, schelpmateriaal, grind en fijnkorrelig materiaal van minerale herkomst.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Fractieverdeling
6.3.23.14 onvolledige fractiespecificatie
Type gegeven Gegevensgroep van Grondsoort
Definitie

Een niet volledige beschrijving van de samenstelling van de grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Onvolledige fractiespecificatie

6.3.24 Fractieverdeling

Diagram Verdeling fijne fractieFractieverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

De samenstelling van de grond beschreven als een mengsel van organische stof, schelpmateriaal, grind en fijnkorrelig materiaal van minerale herkomst.

6.3.24.1 grindgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het gehalte aan grind.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels

Wanneer de waarde van het attribuut grindhoudend gelijk is aan ja of de bodemkundige grondsoortnaam de waarde grind heeft, is de waarde groter dan 0.
In alle andere gevallen is de waarde 0.

6.3.24.2 schelpmateriaalgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het gehalte aan schelpmateriaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels

Wanneer de waarde van het attribuut schelpmateriaalhoudend gelijk is aan ja of de bodemkundige grondsoortnaam de waarde schelpmateriaal heeft, is de waarde groter dan 0.
In alle andere gevallen is de waarde 0.

6.3.24.3 organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het gehalte aan organische stof.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Toelichting

Bij Wageningen Environmental Research wordt het gehalte aan organische stof sinds 2010 systematisch vastgelegd.

6.3.24.4 gehalte fijne fractie
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het gehalte aan materiaal van minerale herkomst met een korrelgrootte kleiner dan 2 mm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.24.5 verdeling fijne fractie
Type gegeven Gegevensgroep van Fractieverdeling
Definitie

De samenstelling van de fijne fractie beschreven als een mengsel van zand, silt en lutum.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Verdeling fijne fractie

6.3.25 Verdeling fijne fractie

Diagram Verdeling fijne fractie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De samenstelling van de fijne fractie beschreven als een mengsel van zand, silt en lutum.

6.3.25.1 lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.25.2 siltgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 2 en 50 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.25.3 zandgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 50 µm en 2 mm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.26 Onvolledige fractiespecificatie

Diagram Onvolledige fractiespecificatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een niet volledige beschrijving van de samenstelling van de grond.

6.3.26.1 organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het gehalte aan organische stof.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.26.2 lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.26.3 siltgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 2 en 50 µm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.26.4 zandgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 50 µm en 2 mm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.27 Vast gesteentelaag

Diagram Vast gesteentelaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een laag die uit geconsolideerd gesteente bestaat.

6.3.27.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Vast gesteentelaag
Definitie

De diepte van de bovenkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

De waarde van het gegeven is gelijk aan de waarde van de ondergrens van de onderste bodemlaag.

6.3.27.2 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Vast gesteentelaag
Definitie

De diepte van de onderkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 15
Regels

De waarde is groter dan de waarde van de bovengrens en gelijk aan de einddiepte van het geboord traject.

6.3.27.3 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Vast gesteentelaag
Definitie

De code van de horizon waartoe het geconsolideerd gesteente volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.27.4 gesteentesoort
Type gegeven Attribuut van Vast gesteentelaag
Definitie

De naam van het geconsolideerde gesteente.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Gesteentesoort
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In de bodemkunde wordt de zachte kalksteen die in Zuid-Limburg binnen de geologie en de geotechniek als mergel wordt onderscheiden beschreven als grond.

6.3.28 Bodemclassificatie

Diagram Bijzonderheid onderinBodemclassificatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De karakteristiek van de bodem volgens de systematiek van de standaardpuntencode.

6.3.28.1 codegroep
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De categorie die in de systematiek de bodem op het hoogste niveau typeert en de opbouw van de standaardpuntencode bepaalt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Codegroep
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.28.2 standaardpuntencode
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De bodemkundige karakteristiek vastgelegd als code.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Tekst 200
Toelichting

De standaardpuntencode is opgenomen om specialistische gebruikers direct te kunnen bedienen. De code bestaat uit zeven onderdelen, achtereenvolgens zijn dat de toevoegingen vooraan, het subgroepdeel, het cijferdeel, het kalkverloop, de toevoegingen achteraan, de vergravingen en de grondwatertrap.

6.3.28.3 bijzonderheid bovenin
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Een bijzonder aspect van het bovenste deel van de bodem of het ontbreken ervan.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BijzonderheidBovenin
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het bovenste deel van de bodem omvat het interval tussen 0 en 40 cm diepte; alleen voor de bijzonderheid ijzerrijk wordt ook wat dieper gekeken. Het gegeven is als toevoegingen vooraan in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.4 bodemklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De subgroep waartoe de bodem behoort volgens het Nederlands systeem van bodemclassificatie, zo nodig aangevuld met informatie over de bovengrond en de herkomst van zavel- en kleigronden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De term bovengrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het bovenste deel van de bodem of meer in het bijzonder naar de bouwvoor of de A-horizont. Het gegeven is als subgroepdeel in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.5 textuurklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De klasse waartoe de bodem op grond van de korrelgrootteverdeling van het minerale deel van de grond in een bepaald diepte-interval behoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Textuurklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven ontbreekt alleen wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond.

Toelichting

Het diepte-interval verschilt per codegroep, en soms ook daarbinnen. Voor details wordt naar TD19A verwezen. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.6 veenklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de veensoort die het meest voorkomt in het bovenste deel van het bodemprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Veenklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond en het gegeven ondergrond veen ontbreekt.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Toelichting

De indeling van soorten veen is betrekkelijk globaal. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.7 ondergrond veen
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die niet tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de nadere omschrijving van de minerale ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OndergrondVeen
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond en het gegeven veenklasse ontbreekt.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Toelichting

Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen. De term ondergrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het deel van de bodem dat onder het veen ligt.

6.3.28.8 veenondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die niet tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de diepte van de grens tussen het veen en de minerale ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0.4 tot 1.2
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer het attribuut ondergrond veen aanwezig is.
In het andere geval ontbreekt het gegeven.

Toelichting

Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.9 ondergrond duinvaaggrond
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van zandgronden die geclassificeerd zijn als duinvaaggrond, de nadere omschrijving van de grond onder het stuifzand.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OndergrondDuinvaaggrond
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut bodemklasse begint met duinvaaggrond.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Toelichting

Duinvaaggronden komen voor in holoceen stuifzand. De term ondergrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het deel van de bodem dat direct onder het stuifzand ligt. Dat is veelal pleistoceen zand en daarin kan een podzolprofiel aanwezig zijn. Ook kan er onder het stuifzand een moerige laag voorkomen. De aard van de ondergrond is van invloed op de vochtvoorziening van diep wortelende begroeiing, zoals bomen. De duinvaaggronden vallen of onder de codegroep van de kalkhoudende zandgronden of onder die van de kalkloze zandgronden. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.10 profielverloop
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van kleigronden, de opeenvolging van de lagen in het bovenste deel van het bodemprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Profielverloop
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan kleigrond.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Toelichting

Er wordt gekeken naar de bovenste 120 cm onder maaiveld. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.11 kalkverloopklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van kalkhoudende zandgronden en kleigronden, de klasse die het verloop van het kalkgehalte in het bovenste deel van de bodem aangeeft.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Kalkverloopklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het gegeven is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan zandgrondKalkhoudend of kleigrond.
In andere gevallen ontbreekt het gegeven.

Toelichting

Het gegeven is als kalkverloop in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.12 vergravingsklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De klasse die aangeeft of de bodem ingrijpend door de mens verstoord is en wat de aard van de verstoring is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Vergravingsklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Een verstoring is ingrijpend wanneer bodemlagen met elkaar vermengd zijn of wanneer bodemlagen zijn verwijderd of opgebracht. Het gegeven is als vergravingsdeel in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.13 grondwatertrap
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De mate waarin de stand van het grondwater fluctueert, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grondwatertrap
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

De grondwatertrap is een afgeleide van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Het gegeven is van belang voor de beoordeling van de geschiktheid van de bodem voor bepaalde vormen van landgebruik. Het gegeven is als grondwatertrap in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.14 afwijkend grondwaterregime
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De aanduiding die aangeeft dat er ter plaatse omstandigheden zijn die het meer regionaal bepaalde gedrag van de grondwaterspiegel beïnvloeden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam AfwijkendGrondwaterRegime
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

Het gegeven ontbreekt wanneer de waarde van het attribuut grondwatertrap gelijk is aan onbekend.

Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer er bijzondere omstandigheden zijn geconstateerd. Het gegeven is als toevoeging aan de grondwatertrap in de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.15 bijzonderheid locatie
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bodem op een plaats in het landschap ligt die van bodemkundige betekenis is en wat de ligging dan is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BijzonderheidLocatie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het gegeven heeft alleen betekenis in Zuid-Limburg. Het gegeven is in toevoeging achteraan van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.28.16 bijzonderheid onderin
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemclassificatie
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het onderste deel van de bodem een bijzonder kenmerk heeft en wat dat dan is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Gegevensgroeptype Bijzonderheid onderin

6.3.29 Bijzonderheid onderin

Diagram Bijzonderheid onderin

Type gegeven Entiteit
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het onderste deel van de bodem een bijzonder kenmerk heeft en wat dat dan is.

Toelichting

Het onderste deel van de bodem begint bij een diepte van 40 cm. Het gegeven, of de reeks van gegevens, is in toevoegingen achteraan van de standaardpuntencode opgenomen.

6.3.29.1 bijzonderheid
Type gegeven Attribuut van Bijzonderheid onderin
Definitie

De omschrijving van de bijzonderheid in het onderste deel van het profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bijzonderheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
6.3.29.2 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Bijzonderheid onderin
Definitie

De diepte waarop de bijzonderheid begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0.4 tot 1.8
Regels

Het gegeven ontbreekt wanneer de waarde van het attribuut bijzonderheid gelijk is aan bolster, spalterveen of geen.
In andere gevallen is het gegeven aanwezig.

6.3.30 Boormonsteranalyse

Diagram Onderzocht intervalBoormonsteranalyse

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van het booronderzoek dat betrekking heeft op uitvoeren van metingen aan monsters.

Toelichting

De analyse richt zich in de huidige praktijk alleen op het analyseren van monsters die uit de strooisellaag of de lagen die uit grond bestaan zijn genomen. Lagen die uit bijzonder materiaal of uit gesteente bestaan worden niet onderzocht. Het op basis van hydrofysische metingen modelleren van eigenschappen zoals de waterretentiekarakteristiek, is onderdeel van de boormonsteranalyse.

6.3.30.1 rapportagedatum analyse
Type gegeven Attribuut van Boormonsteranalyse
Definitie

De datum waarop de uitvoerder van de analyse alle gegevens van de boormonsteranalyse aan de bronhouder heeft overgedragen, of in het geval van historische gegevens de datum waarop alle gegevens zijn vastgesteld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Toelichting

Voor hydrofysisch onderzoek dateren de oudste bepalingen in het archief van WEnR uit 1970 en voor de andere bepalingen is dat 1950.

6.3.30.2 soort analyse
Type gegeven Attribuut van Boormonsteranalyse
Definitie

De aanduiding die aangeeft tot welke categorie de analyse hoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam SoortAnalyse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het soort analyse geeft globaal aan welk soort bepalingen er zijn uitgevoerd en of er naast het meten van eigenschappen ook sprake kan zijn van het modelleren van eigenschappen.

6.3.30.3 locatiespecifiek
Type gegeven Attribuut van Boormonsteranalyse
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de boormonsteranalyse alleen betrekking heeft op de locatie van de boring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Boormonsteranalyse wordt vaak uitgevoerd aan monsters die afkomstig zijn uit het geboorde gat en uit de monsterkuil die vlak naast het boorgat is gegraven voor het verkrijgen van ongeroerde monsters. Dat wordt locatiespecifiek onderzoek genoemd. Voor bodemchemisch onderzoek wordt veelal een andere bemonsteringsstrategie gevolgd, waarbij de monsters worden genomen uit boringen die volgens een bepaald patroon uit een bepaald gebied rond een centrale boring worden genomen. Dat wordt niet-locatiespecifiek onderzoek genoemd. De boring in het midden van het gebied levert altijd het boorprofiel dat als referentie dient. De individuele monsters uit de andere boringen worden gemengd om een representatief monster te verkrijgen dat voor een bepaald interval en het hele oppervlak geldt.

6.3.30.4 onderzocht oppervlak
Type gegeven Attribuut van Boormonsteranalyse
Definitie

De omschrijving van het onderzochte oppervlak, in het geval de analyse zich niet beperkt tot de locatie van de boring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OnderzochtOppervlak
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut locatiespecifiek gelijk is aan nee.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De bemonsteringsstrategie bij niet-locatiespecifiek onderzoek kent een aantal varianten, waarbij het onderzochte opppervlak en het patroon van bemonstering verschillen. Voor het onderzoek dat onder de basisregistratie ondergrond valt is er een grens gesteld aan de grootte van het onderzochte oppervlak, die mag niet groter zijn dan 35 bij 35 meter.

6.3.30.5 uitvoerder analyse
Type gegeven Attribuut van Boormonsteranalyse
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van de boormonsteranalyse, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van booronderzoek.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

6.3.30.6 onderzocht interval
Type gegeven Associatie van Boormonsteranalyse
Definitie

Het interval dat is onderzocht als onderdeel van de boormonsteranalyse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam onderzocht interval
Bron Boormonsteranalyse
Doel Onderzocht interval

6.3.31 Onderzocht interval

Diagram Modellering van hydrofysische karakteristiekenBepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaalBepaling waterretentie stapsgewijsBepaling waterdoorlatendheidBepaling krimpverloopBepaling droge bulkdichtheidBepaling organisch koolstofgehalteBepaling organischestofgehalteBepaling korrelgrootteverdelingBepaling zuurgraadOnderzocht interval

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het diepte-interval waarop de bepalingen betrekking hebben.

Toelichting

Het diepte-interval heeft altijd betrekking op het boorprofiel van het onderzoek. De bodemkundige monsteranalyse kan erop gericht zijn monsters te analyseren die van een bepaalde diepte komen ongeacht de horizont die op die diepte ligt. Het doel kan ook zijn een bepaalde horizont te onderzoeken. Bij uitzondering worden de beide doelen in de monsteranalyse gecombineerd en heeft een deel van de onderzochte intervallen betrekking op een bepaalde horizont en een deel niet. Aan een interval kunnen verschillende bepalingen zijn gedaan en onderzochte intervallen kunnen elkaar overlappen.

6.3.31.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De diepte waarop het interval dat is onderzocht begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 15
6.3.31.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De diepte waarop het interval dat is onderzocht eindigt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 15
Regels

De einddiepte moet groter zijn dan de begindiepte van het Onderzocht interval.
De einddiepte van het onderste interval mag niet groter zijn dan de einddiepte van de entiteit Geboord traject.

Toelichting

De einddiepte is gewoonlijk minder dan 2 meter.

6.3.31.3 locatiespecifiek
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het onderzochte interval alleen betrekking heeft op de locatie van de boring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut locatiespecifiek van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan nee. Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Wanneer de boormonsteranalyse niet locatiespecifiek is, strekt het onderzochte interval zich gewoonlijk uit over het gehele onderzochte oppervlak, maar voor sommige onderzochte intervallen geldt dat het alleen betrekking heeft op de locatie van de boring .

6.3.31.4 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De code van de horizont die door het onderzochte interval wordt vertegenwoordigd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaUitgebreid, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A gegevens mag het attribuut ontbreken.

Toelichting

De horizontcode wordt gegeven wanneer het bepalen van eigenschappen van een bepaalde horizont de doelstelling is geweest. Mocht het niet zijn gelukt monsters uit alleen die bepaalde horizont te analyseren, dan omvat het interval meer dan een horizont. Voor hydrofysische bepalingen is het doel altijd het onderzoeken van bepaalde horizonten en wordt de horizontcode altijd vastgelegd. Voor chemisch onderzoek is dat betrekkelijk bijzonder.

6.3.31.5 karakteristiek gemodelleerd
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De aanduiding die aangeeft of ook het modelleren van eigenschappen is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaUitgebreid, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse gelijk is aan nietGespecificeerd.

Toelichting

Een karakteristiek is een functie die het resultaat is van het modelleren van meetgegevens. Een karakteristiek vereist dat er bepaalde metingen beschikbaar zijn.

6.3.31.6 bepalingWaterdoorlatendheid
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van de waterdoorlatendheid die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..20
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingWaterdoorlatendheid
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling waterdoorlatendheid
6.3.31.7 bepalingWatergehalteEnDoorlatendheidBij
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentieel die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingWatergehalteEnDoorlatendheidBij
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
6.3.31.8 bepalingOrganischestofgehalte
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van het organischestofgehalte die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingOrganischestofgehalte
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling organischestofgehalte
6.3.31.9 bepalingDrogeBulkdichtheid
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van de droge bulkdichtheid die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingDrogeBulkdichtheid
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling droge bulkdichtheid
6.3.31.10 bepalingKrimpverloop
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van het krimpverloop die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingKrimpverloop
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling krimpverloop
6.3.31.11 bepalingZuurgraad
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van de zuurgraad die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingZuurgraad
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling zuurgraad
6.3.31.12 bepalingKorrelgrootteverdeling
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van de korrelgrootteverdeling die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingKorrelgrootteverdeling
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling korrelgrootteverdeling
6.3.31.13 bepalingOrganischKoolstofgehalte
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van het organisch koolstofgehalte die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingOrganischKoolstofgehalte
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling organisch koolstofgehalte
6.3.31.14 bepaligWaterretentieStapsgewijs
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De bepaling van de waterretentie stapsgewijs die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..50
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepaligWaterretentieStapsgewijs
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling waterretentie stapsgewijs
6.3.31.15 modelleringVanHydrofysicheKarakteristiek
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Definitie

De modellering van de hydrofysische karakteristieken die is uitgevoerd aan het onderzocht interval.

Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam modelleringVanHydrofysicheKarakteristiek
Bron Onderzocht interval
Doel Modellering van hydrofysische karakteristieken

6.3.32 Bepaling zuurgraad

Diagram Bepaling zuurgraad

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de zuurgraad.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan basis, chemieKlimaat of chemieNatuur.
De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan chemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd. De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. De zuurgraad wordt potentiometrisch bepaald.

6.3.32.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De manier waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan NENISO10390v2005.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

6.3.32.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De manier waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan zuurgraadKCl, zuurgraadH2O of zuurgraadCaCl2.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Toelichting

De zuurgraad wordt potentiometrisch bepaald van een mengsel van grond of strooisel met water waaraan een bepaalde reagent is toegevoegd. De zuurgraad wordt uitgedrukt in pH.

6.3.32.3 pH
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 0 tot 14

6.3.33 Bepaling korrelgrootteverdeling

Diagram Niet gestandaardiseerde fractieBasis korrelgrootteverdelingBepaling korrelgrootteverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel van bepaalde korrelgroottefracties in de droge massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan chemieKlimaat, chemieNatuur, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Voor de korrelgrootteverdeling wordt grond gezien als een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte. De minerale deeltjes noemen we korrels. Het materiaal waaruit het onderzochte interval bestaat wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, materiaal groter dan 2 millimeter wordt eruit gezeefd en wordt verder buiten beschouwing gelaten. Carbonaten en organische stof worden verwijderd en samengeklonterde korreltjes worden van elkaar los gemaakt (dispersie). Het materiaal wordt vervolgens op een bepaalde manier verdeeld in fracties. De droge massa van iedere fractie wordt bepaald en het resultaat wordt omgerekend naar een percentage van de totale massa van alle deeltjes kleiner dan 2 millimeter. De bepaling wordt uitgevoerd aan grond en aan alle soorten monsters.

6.3.33.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan NEN5753v2018plusWENR of ISO11277v2009.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

6.3.33.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De manier waarop de korrelgrootteverdeling is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan natZeven, natDroogZeven of natDroogZevenPipet.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Toelichting

Afhankelijk van de opdracht en de aard van het materiaal wordt vooraf bepaald welke methode of combinatie van methoden wordt gebruikt. Bij de methode natDroogZevenPipet wordt het materiaal na de voorbehandeling nat gezeefd over de 50µm-zeef en de 63µm-zeef. Hiermee worden de korrels kleiner dan 50 µm, gescheiden van de korrels van 50 µm tot 63 µm en van de korrels van 63 µm tot 2000 µm. Van oudsher is voor bodemkunde de grens van 50 µm belangrijk om de zandmediaan te kunnen bepalen. Om aan te sluiten bij internationale standaarden wordt sinds 2012 standaard de fractie van 50 µm tot 63 µm bepaald. De fractie van 63 µm tot 2000 µm wordt verder onderverdeeld. Dit gebeurt door het droge materiaal te zeven. De fijne fractie wordt normaliter ook verder onderverdeeld. De verdeling van de fijne fractie wordt bepaald op basis van de bezinksnelheid van de korrels en die wordt bepaald met behulp van een pipet.

6.3.33.3 korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de korrelgrootteverdeling een voorgeschreven indeling in fracties heeft.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ja.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan nee.

Toelichting

Bij gegevens die aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is het resultaat veelal niet gestandaardiseerd. Bij Wageningen Environmental Research bijvoorbeeld wordt pas vanaf 2012 gewerkt met een aantal vaste indelingen. Voor oudere archiefgegevens is dat bijna nooit het geval.

6.3.33.4 fractieverdeling
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractieverdeling die is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam FractieverdelingLab
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Bij Wageningen Environmental Research wordt er sinds 2012 altijd eerst een verdeling in drie klassen bepaald: het aandeel van de korrels kleiner dan 50 µm, het aandeel tussen de 50 µm en de 63 µm en het aandeel van de korrels van 63 µm tot 2000µm. Vervolgens wordt de fractie kleiner dan 50 µm en/of de fractie van 63 µm tot 2000 µm nader onderverdeeld. De fractie kleiner dan 50 µm kan worden onderverdeeld in een minimum, standaard of eventueel een uitbreiding van een nog meer gedetailleerde verdeling van enkele fracties. De fractie van 63 µm tot 2000 µm kan worden onderverdeeld in een standaard of eventueel een uitbreiding van een nog meer gedetailleerde verdeling van enkele fracties.

6.3.33.5 dispersiemethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De manier waarop samengeklonterde korrels van elkaar zijn losgemaakt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Dispersiemethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Bij de methode natDroogZevenPipet wordt standaard gedispergeerd om de korrels in het materiaal los te maken. Bij de methode natDroogZeven is er niet gedispergeerd.

6.3.33.6 bijzonderheid uitvoering
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

Een bijzonderheid die zich tijdens de uitvoering van de bepaling heeft voorgedaan en die van invloed kan zijn op de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderheidUitvoering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Het kan voorkomen dat bij de voorbehandeling van het materiaal niet alle organische stof is verwijderd. Als dat het geval is, legt de uitvoerder dit vast. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven geen betekenis worden toegekend.

6.3.33.7 basis korrelgrootteverdeling
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De verdeling in 3 fracties die de basis voor iedere verdere indeling is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Gegevensgroeptype Basis korrelgrootteverdeling
6.3.33.8 niet gestandaardiseerde fractie
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

Een fractie in de niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Gegevensgroeptype Niet gestandaardiseerde fractie

6.3.34 Basis korrelgrootteverdeling

Diagram Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000umStandaard verdeling fractie 63tot2000umUitgebreide verdeling fractie kleiner50umStandaard verdeling fractie kleiner50umMinimale verdeling fractie kleiner50umBasis korrelgrootteverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

De verdeling in 3 fracties die de basis voor iedere verdere indeling is.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan nee.
De entiteit moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De som van de fracties mag niet kleiner zijn dan 95 en mag niet groter zijn dan 105.

Toelichting

De fijne fractie (< 50 µm) en de fractie van 63 µm tot 2000 µm kan verder worden onderverdeeld. Voor de IMBRO/A gegevens die worden aangeleverd bij de methode natDroogZeven wordt de fijne fractie nooit nader onderverdeeld.

6.3.34.1 fractie kleiner50um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.34.2 fractie 50tot63um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 50 tot 63 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.34.3 fractie 63tot2000um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 2000 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.34.4 minimale verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die minimaal worden onderscheiden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Minimale verdeling fractie kleiner50um
6.3.34.5 standaard verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Standaard verdeling fractie kleiner50um
6.3.34.6 uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
6.3.34.7 standaard verdeling fractie 63tot2000um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractie van 63 tot 2000 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Standaard verdeling fractie 63tot2000um
6.3.34.8 uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractie van 63 µm tot 2000 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

6.3.35 Minimale verdeling fractie kleiner50um

Diagram Minimale verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die minimaal worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan minimaalBasis, minimaalStandaard of minimaalUitgebreid. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald. De minimale verdeling wordt gekozen wanneer het voor het onderzoek volstaat het aandeel van de lutumfractie (fractie 0 tot 2 um) te bepalen.

6.3.35.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Minimale verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.35.2 fractie 2tot50um
Type gegeven Attribuut van Minimale verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.36 Standaard verdeling fractie kleiner50um

Diagram Standaard verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan standaardBasis, standaardStandaard of standaardUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald.

6.3.36.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.36.2 fractie 2tot16um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 16 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.36.3 fractie 16tot50um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 16 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.37 Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um

Diagram Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan uitgebreidBasis, uitgebreidStandaard of
uitgebreidUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald.

6.3.37.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.2 fractie 2tot4um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 4 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.3 fractie 4tot8um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 4 tot 8 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.4 fractie 8tot16um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 8 tot 16 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.5 fractie 16tot25um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 16 tot 25 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.6 fractie 25tot35um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 25 tot 35 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.37.7 fractie 35tot50um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 35 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.38 Standaard verdeling fractie 63tot2000um

Diagram Standaard verdeling fractie 63tot2000um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie van 63 tot 2000 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan basisStandaard, minimaalStandaard, standaardStandaard of uitgebreidStandaard.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.38.1 fractie 63tot105um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 105 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.38.2 fractie 105ot210um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 105 tot 210 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.38.3 fractie 210tot420um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 210 tot 420 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.38.4 fractie 420tot2000um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 420 tot 2000µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.39 Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

Diagram Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie van 63 µm tot 2000 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan basisUitgebreid, minimaalUitgebreid, standaardUitgebreid of uitgebreidUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.39.1 fractie 63tot105um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 105 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.2 fractie 105ot210um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 105 tot 210 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.3 fractie 210tot300um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 210 tot 300 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.4 fractie 300tot420um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 300 tot 420 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.5 fractie 420tot600um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 420 tot 600 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.6 fractie 600tot850um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 600 tot 850 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.7 fractie 850tot1200um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 850 tot 1200 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.8 fractie 1200tot1700um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 1200 tot 1700 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
6.3.39.9 fractie 1700tot2000um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 1700 tot 2000 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.40 Niet gestandaardiseerde fractie

Diagram Niet gestandaardiseerde fractie

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een fractie in de niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan ja en dat is onder IMBRO altijd het geval.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

De entiteit moet aanwezig wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan nee.

Toelichting

In het verleden zijn fractieverdelingen in vele verschillende reeksen gemeten met verschillende grenzen van de fracties. Ook is niet altijd de gehele reeks vastgelegd, maar bijvoorbeeld alleen de fractie van 0 tot 2 µm omdat dat het lutumgehalte vertegenwoordigt. Dit impliceert dat de rest van de fractie 2 tot 2000 µm is. In principe geldt dat alle ontbrekende fracties samen met de bekende fractie 100 % voorstelt.

De fracties die bij archiefgegevens van Wageningen Environmental Research voorkomen zijn: 0 µm tot 2 µm, 0 µm tot 50 µm, 0 µm tot 150 µm, 0 µm tot 210 µm, 0 µm tot 300 µm, 2 µm tot 4 µm, 2 µm tot 16 µm, 2 µm tot 50 µm, 2 µm tot 2000 µm, 4 µm tot 8 µm, 8 µm tot 16 µm, 16 µm tot 25 µm, 16 µm tot 35 µm, 16 µm tot 50 µm, 25 µm tot 35 µm, 35 µm tot 50 µm, 75 µm tot 105 µm, 105 µm tot 150 µm, 125 µm tot 180 µm, 150 µm tot 210 µm, 150 µm tot 2000 µm, 180 µm tot 250 µm, 210 µm tot 300 µm, 210 µm tot 420 µm, 210 µm tot 2000 µm, 250 µm tot 355 µm, 300 µm tot 420 µm, 300 µm tot 2000 µm, 355 µm tot 500 µm, 420 µm tot 50 µm tot 63 µm, 50 µm tot 75 µm, 50 µm tot 105 µm, 50 µm tot 2000 µm, 63 µm tot 75 µm, 63 µm tot 105 µm, 63 µm tot 125 µm, 75 µm tot 105 µm, 105 µm tot 150 µm, 125 µm tot 180 µm, 150 µm tot 210 µm, 150 µm tot 2000 µm, 180 µm tot 250 µm, 210 µm tot 300 µm, 210 µm tot 420 µm, 210 µm tot 2000 µm, 250 µm tot 355 µm, 300 µm tot 420 µm, 300 µm tot 2000 µm, 355 µm tot 500 µm, 420 µm tot 600 µm, 420 µm tot 2000 µm, 500 µm tot 1000 µm, 600 µm tot 850 µm, 600 µm tot 2000 µm, 850 µm tot 1200 µm, 1000 µm tot 2000 µm, 1200 µm tot 1700 µm en 1700 µm tot 2000 µm.

6.3.40.1 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

De minimale diameter van de korrels.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 0 tot 2000
6.3.40.2 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

De maximale diameter van de korrels.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 0 tot 2000
Regels

De bovengrens is groter dan de ondergrens van de fractie.

6.3.40.3 aandeel
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

Het aandeel van de korrels in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100

6.3.41 Bepaling organischestofgehalte

Diagram Bepaling organischestofgehalte

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel organische stof in de massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan chemieNatuur, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. Het gehalte aan organische stof wordt berekend uit het massaverlies dat het gevolg is van de verwijdering van de organische stof uit het materiaal.

6.3.41.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan NEN5754v2014 of NEN5754v2014plusWENR .

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Toelichting

Als de bepaling uitgevoerd wordt volgens NEN5754v2014plusWENR, gebruikelijk voor chemisch onderzoek, is de voorbehandeling als volgt: de grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd.

6.3.41.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De manier waarop het organischestofgehalte bepaald is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan verhitten550.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan verhitten600 of onbekend.

Toelichting

De meest gangbare methode voor het bepalen van het gehalte aan organische stof is verhitten bij een temperatuur van 550 graden Celsius. Het organische stofgehalte dat op die manier bepaald wordt, wordt in de bodemkundige praktijk veelal het gloeiverlies (Eng.: loss on ignition, LOI) genoemd.

6.3.41.3 rapportagegrens
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De laagste waarde die gerapporteerd wordt aan de opdrachtgever.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De rapportagegrens wordt vastgesteld in overleg met de opdrachtgever en is nooit lager dan de bepaalbaarheidsgrens. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor chemisch onderzoek ligt een rapportagegrens nooit onder 0.6 % gebruikt. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor hydrofysisch onderzoek kan de rapportagegrens lager zijn. De rapportagegrens is van historische gegevens niet in alle gevallen te achterhalen. Dat is de enige reden waarom de waarde mag ontbreken.

6.3.41.4 lutumcorrectie toegepast
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het meetresultaat is gecorrigeerd voor het verlies van water dat aan korrels kleiner dan 2 µm gebonden is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut is gelijk aan verhitten550.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut gelijk zijn aan verhitten600 of natOxiderenH2O2 of onbekend.

Toelichting

Het organischestofgehalte kan gecorrigeerd zijn voor het verlies van water dat door kleideeltjes wordt vastgehouden. De correctie is gebaseerd op het aandeel van de fractie 0-2 µm (de lutumfractie) zoals bepaald in de korrelgrootteverdeling.

6.3.41.5 vrij ijzercorrectie toegepast
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

Aanduiding die aangeeft of het meetresultaat is gecorrigeerd voor het verlies aan water dat aan vrij ijzer is gebonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Het organischestofgehalte kan gecorrigeerd zijn voor de hoeveelheid ijzer die in de vorm van ijzeroxiden in de grond voorkomt. Dat is zelden nodig en gebeurt alleen wanneer vermoed wordt dat de grond meer dan 5 % vrij ijzer bevat. Het voorkomen van veel vrij ijzer betekent dat het uitgangsmateriaal een niet te verwaarlozen hoeveelheid water bevat die pas tijdens het verhitten verdampt. De correctie is gebaseerd op de bepaling van het gehalte aan vrij ijzer in lijn met NEN 5739:1996 nl.

6.3.41.6 organischestofgehalte
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

Het aandeel organische stof in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Het kan voorkomen dat de waarde van het gegeven kleiner is dan de rapportagegrens, alleen in dat geval ontbreekt de waarde.

6.3.42 Bepaling organisch koolstofgehalte

Diagram Bepaling organisch koolstofgehalte

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel organische koolstof in de massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan chemieKlimaat, chemieNatuur. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan chemieNietGespecificeerd, hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd. De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. Het organische koolstofgehalte wordt bepaald door koolstofverbindingen door oxidatie om te zetten in CO2. Er wordt onderscheid worden gemaakt tussen natte en droge oxidatiemethoden. Bij de natte oxidatiemethoden vindt de oxidatie plaats in een waterig millieu en gebruik makend van kaliumdichromaat of kaliumpermanganaat en zwavelzuur. Bij de droge oxidatiemethode wordt het anorganisch koolstof verwijderd en wordt het monster verhit tot een temperatuur hoger dan 900°C.

6.3.42.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan EN15936v2012.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut gelijk zijn aan ISO14235v1998.

6.3.42.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De manier waarop het organische koolstofgehalte is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan verhittenCO2meten of natOxiderenDichromaatKurmies.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waardes mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan natOxiderenDichromaatWalkleyBlack, natOxiderenDichromaatNietKurmies of natOxiderenKMnO4.

6.3.42.3 rapportagegrens
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De laagste waarde die gerapporteerd wordt aan de opdrachtgever.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid g/kg (gram per kilogram)
  Waardebereik vanaf 6
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

De rapportagegrens wordt vastgesteld in overleg met de opdrachtgever en is nooit lager dan de bepaalbaarheidsgrens. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor chemisch onderzoek ligt een rapportagegrens nooit onder 6 g/kg. De rapportagegrens is van historische gegevens niet in alle gevallen te achterhalen. Dat is de enige reden waarom de waarde mag ontbreken.

6.3.42.4 bijzonderheid uitvoering
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

Een bijzonderheid die zich tijdens de uitvoering van de bepaling heeft voorgedaan en die van invloed kan zijn op de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderheidUitvoering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Tijdens de uitvoering kunnen zich kleine problemen voordoen waardoor de uitvoerder de bepaling niet helemaal op de ideale wijze kan uitvoeren. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet en het probleem van invloed kan zijn op het resultaat, legt de uitvoerder het als bijzonderheid vast.

6.3.42.5 organisch koolstofgehalte
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

Het aandeel organische koolstof in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid g/kg (gram per kilogram)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Het kan voorkomen dat de waarde van het gegeven kleiner is dan de rapportagegrens, alleen in dat geval ontbreekt de waarde.

6.3.43 Bepaling droge bulkdichtheid

Diagram Bepaling droge bulkdichtheid

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de massa van droge grond per eenheid volume.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

De bepaling wordt altijd gedaan aan een monster met een bekend volume. In de huidige praktijk wordt het monster eerst met water verzadigd, dan in de oven gedroogd en ten slotte gewogen. De droge bulkdichtheid wordt berekend uit het massaverlies. Het gegeven is een basisparameter in hydrofysisch onderzoek die gebruikt wordt om het massa watergehalte om te rekenen naar het volumetrisch watergehalte. Het gegeven wordt ook als zodanig gebruikt, met name in verdichtingsonderzoek. Gewoonlijk wordt de bepaling op verschillende monsters uitgevoerd om een beeld te krijgen van de mate van de variatie in het onderzochte interval.

6.3.43.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan
ISO11272v2017plusWENR.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Toelichting

In de huidige praktijk wordt het monster in de oven gedroogd totdat het gewicht minder dan 0.6% afneemt per 24 uur. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht is zelden informatie over de bepalingsprocedure vastgelegd. In dat geval is deze waarde onbekend.

6.3.43.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De manier waarop de droge bulkdichtheid is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan drogenOven.

Toelichting

De methode drogenOven wordt in de ISO11272 omschreven als de core methode.

6.3.43.3 ringdiameter
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De inwendige diameter van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een diameter van 5 centimeter; van historische gegevens is de diameter niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.43.4 ringhoogte
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De hoogte van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een hoogte van 5 centimeter; van historische gegevens is de hoogte niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.43.5 droogtemperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De temperatuur waarop het materiaal is gedroogd, in dit geval de temperatuur van de oven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Droogtemperatuur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In de huidige praktijk wordt er altijd gedroogd bij 105 graden Celsius. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht kan de droogtemperatuur ook 40 of 60 °C zijn. De temperatuur is van historische gegevens echter niet altijd te achterhalen.

6.3.43.6 volume waterverzadigd
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het volume betrekking heeft op waterverzadigde grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht kan de bepaling zijn uitgevoerd aan grond die veldvochtig is of aan grond waarvan de mate van verzadiging niet is vastgelegd. Daarmee is de beginconditie van het volume van zwellende gronden minder goed gedefinieerd.

6.3.43.7 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Voor de bepaling is het relevant te weten of er insluitsels, scheuren of wormgangen in het monster voorkomen. In het verleden is dit niet altijd vastgelegd. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven daarom geen betekenis worden toegekend.

6.3.43.8 droge bulkdichtheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De massa van het ovendroge materiaal per eenheid van volume.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid g/cm3 (gram/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 5
Toelichting

In de geotechniek wordt voor het begrip droge bulkdichtheid het begrip droge volumieke massa gebruikt. De twee termen zijn synoniem.

6.3.44 Bepaling krimpverloop

Diagram KrimpverloopBepaling krimpverloop

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de afname van de massa en het volume van de grond bij uitdroging.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Het krimpverloop wordt bepaald door de massa en het volume van het monster in een steeds drogere toestand te bepalen. De massa wordt bepaald met een balans en voor het bepalen van het volume bestaan verschillende methodes. Het monster wordt voor de eerste meting in de reeks verzadigd met water en de laatste meting wordt gedaan aan een volledig uitgedroogd monster. De uitvoerder bepaalt hoeveel metingen daartussen worden gedaan. De factor tijd is als zodanig niet belangrijk, maar in het begin van de bepaling wordt wel vaak frequenter gemeten dan aan het einde. In manier waarop het volume wordt bepaald vindt veel ontwikkeling plaats, en in de nabije toekomst zullen laseropstellingen en cameraopstellingen worden gebruikt.

6.3.44.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan bronswijk1986, cameraprocedureWENRv1 of laserprocedureWENRv1 of geen.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Toelichting

Met het oog op de nabije toekomst heeft Wageningen Environmental Research procedures benoemd voor de toepassing van laser- en cameramethoden.

6.3.44.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De manier waarop het krimpverloop is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan archimedes, camera, laserVolume, aantalD1, aantalD2.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan aantalDOnbekend of onbekend.

Toelichting

De methoden verschillen alleen in de manier waarop het volume van het monster wordt bepaald. Traditioneel wordt het volume bepaald op basis van de wet van Archimedes of door de afmetingen van het monster in een of meer richtingen te meten en het resultaat om te rekenen. De methodes met betrekking tot het toepassen van laser en camera zijn in ontwikkeling voor de nabije toekomst.

6.3.44.3 verstoord
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een verstoord monster is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Voor de bepaling van het krimpverloop wordt over het algemeen uitgegaan van ongeroerde monsters, monsters die in hun geheel uit de bodem zijn genomen. Het kan voorkomen dat het monster dat wordt onderzocht al eerder in het laboratorium voor bepalingen die het krimpproces kunnen beïnvloeden is gebruikt en in dat geval wordt het als verstoord beschouwd.

6.3.44.4 temperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De temperatuur waaronder de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid °C (graden Celsius)
  Waardebereik 4 tot 40
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Het is goede praktijk de temperatuur zo te reguleren dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan een graad afwijkt van de ingestelde waarde.

6.3.44.5 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..2
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Voor de bepaling van het krimpverloop is het relevant te weten of er insluitsels, scheuren of wormgangen in het monster voorkomen. In het verleden is dit niet altijd vastgelegd. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven daarom geen betekenis worden toegekend.

6.3.44.6 krimpverloop
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling krimpverloop
Definitie

De afname in de massa en het volume van het monster bij uitdroging.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Krimpverloop

6.3.45 Krimpverloop

Diagram KrimpverloopKrimptoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De afname in de massa en het volume van het monster bij uitdroging.

Toelichting

Er worden minimaal 2 metingen uitgevoerd, namelijk aan een verzadigd monster en aan een volledig uitgedroogd monster. Het aantal metingen ertussenin hangt af van de grondsoort en de aard van de opdracht waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd. Bij traditionele methodes worden er zelden meer dan 30 toestanden bepaald.

6.3.45.1 krimptoestand
Type gegeven Gegevensgroep van Krimpverloop
Definitie

De massa en het volume van het monster bij een bepaald watergehalte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 2..30
Gegevensgroeptype Krimptoestand

6.3.46 Krimptoestand

Diagram Krimptoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De massa en het volume van het monster bij een bepaald watergehalte.

Toelichting

Afhankelijk van de bepalingsmethode worden ook de hoogte en/of de diameter van het monster vastgelegd. Het watergehalte op het moment van meten wordt niet als zodanig vastgelegd omdat het af te leiden is uit het massaverlies.

6.3.46.1 massa
Type gegeven Attribuut van Krimptoestand
Definitie

De massa van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.1
  Eenheid g (gram)
  Waardebereik 0 tot 3000
6.3.46.2 volume
Type gegeven Attribuut van Krimptoestand
Definitie

Het volume van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.1
  Eenheid cm3 (kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 1000
Regels

Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode van de entiteit Bepaling krimpverloop gelijk is aan aantalD1.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

6.3.46.3 hoogte
Type gegeven Attribuut van Krimptoestand
Definitie

De gemiddelde hoogte van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik 0 tot 50
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode van de entiteit Bepaling krimpverloop gelijk is aan aantalD2.
Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode van de entiteit Bepaling krimpverloop gelijk is aan aantalD1.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen vastgelegd voor de traditionele bepalingsmethoden waarbij het monster wordt opgemeten. De dimensies van een monster worden beschreven met de termen die ook voor het beschrijven van een monsterring worden gebruikt omdat de monsters bij deze methoden meestal ringmonsters zijn.

6.3.46.4 diameter
Type gegeven Attribuut van Krimptoestand
Definitie

De gemiddelde diameter van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik 0 tot 50
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode van de entiteit Bepaling krimpverloop gelijk is aan aantalD2.
Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode van de entiteit Bepaling krimpverloop gelijk is aan aantalD1.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Het gegeven wordt alleen vastgelegd voor de traditionele bepalingsmethoden waarbij het monster wordt opgemeten. De dimensies van een monster worden beschreven met de termen die ook voor het beschrijven van een monsterring worden gebruikt omdat de monsters bij deze methoden meestal ringmonsters zijn.

6.3.47 Bepaling waterdoorlatendheid

Diagram WaterdoorlatendheidstoestandWaterdoorlatendheidsverloopBepaling waterdoorlatendheid

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de snelheid waarmee water door de grond stroomt.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

De waterdoorlatendheid wordt gemeten door water door de grond te laten stromen tot de hoeveelheid water die per eenheid van tijd en per eenheid van oppervlak door de grond stroomt niet meer verandert. Gewoonlijk meet men eerst de doorlatendheid van de met water verzadigde grond, en vervolgens het verloop in doorlatendheid bij stapsgewijs droger wordende grond. De manier waarop de waterstroom in gang wordt gehouden is voor niet-verzadigde grond anders dan voor verzadigde grond. De waterdoorlatendheid wordt standaard bepaald aan verticaal en soms aan horizontaal gestoken monsters.

6.3.47.1 bepalingsID
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De binnen het onderzochte interval unieke identificatie van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingscode
  Type Code
  Opbouw WDHNN
Toelichting

Het gegeven wordt gebruikt om binnen het onderzoek aan te kunnen geven welke bepalingen als input voor het modelleren van karakteristieken is gebruikt. De opbouw van het gegeven bestaat uit drie letters voor de naam van de bepaling (WDH) en een volgnummer dat uit 2 cijfers (NN) bestaat.

6.3.47.2 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan bakker2021 of NEN5789plusWENR.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

6.3.47.3 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De manier waarop de waterdoorlatendheid is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan k50, constantHead of constantHeadEnK50.

Toelichting

Wanneer de methode constanthead en k50 is gebruikt, wordt de verzadigde waterdoorlatendheid bepaald met de constanthead methode en het verdere verloop met de k50 methode.

6.3.47.4 verticaal bemonsterd
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bepaling is uitgevoerd aan een monster dat verticaal uit de bodem is gestoken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

De waterdoorlatendheid van de bodem is meestal niet in alle richtingen hetzelfde (anisotropie). In de bodemkunde is met name de verticale waterdoorlatendheid van belang en die wordt bepaald aan ringmonsters die verticaal uit de bodem zijn genomen. Bij uitzondering wordt de horizontale waterdoorlatendheid bepaald. Voor verticaal gestoken monsters wordt de grond in de wand eerst tot de bovenkant van het gewenste diepte-interval verwijderd.

6.3.47.5 ringdiameter
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De inwendige diameter van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een diameter van 19.1 centimeter; van historische gegevens is de diameter niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.47.6 ringhoogte
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De hoogte van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een hoogte van 10 centimeter; van historische gegevens is de hoogte niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.47.7 stroming neerwaarts
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de stroming van boven naar onder is gericht.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Het water stroomt meestal van boven door het monster. In de geotechniek is de stroming juist meestal opwaarts.

6.3.47.8 gebruikt medium
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De vloeistof die of het gas dat in de bepaling is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam GebruiktMedium
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In deze bepaling gaat het om het soort water dat men door de grond laat stromen. In de bodemkunde wordt standaard leidingwater gebruikt.

6.3.47.9 water ontgast
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het gebruikte water ontgast is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

In de bodemkunde is het water dat in de bepaling wordt gebruikt standaard niet ontgast.

6.3.47.10 temperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De temperatuur waaronder de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid °C (graden Celsius)
  Waardebereik 10 tot 40
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De waterdoorlatendheid varieert met de viscositeit van het water en die is weer afhankelijk van de temperatuur. In het hydrofysisch laboratorium van Wageningen Environmental Research wordt de temperatuur zo gereguleerd dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan een graad afwijkt van de ingestelde waarde.

6.3.47.11 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Tijdens de uitvoering kunnen er bijzonderheden worden geconstateerd die extra informatie over de aard van het onderzochte materiaal geven. In de huidige praktijk legt de uitvoerder eventuele bijzonderheden altijd vast. In het verleden was dat niet altijd het geval en voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven geen betekenis worden toegekend.

6.3.47.12 bijzonderheid uitvoering
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

Een bijzonderheid die zich tijdens de uitvoering van de bepaling heeft voorgedaan en die van invloed kan zijn op de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderheidUitvoering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In de bepaling van de waterdoorlatendheid kan er voor gekozen worden om eventuele wormgaten op te vullen met materiaal van eenzelfde samenstelling als de rest van het monster.

6.3.47.13 verzadigde waterdoorlatendheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De snelheid waarmee water door het met water verzadigde monster stroomt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3 in machten
  Eenheid cm/d (centimeter per 24 uur)
  Waardebereik 1.000·10-8 tot 1.000·104
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode gelijk is aan constantHead. Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De uitvoerder van de bepaling bepaalt wanneer er een constante hoeveelheid water door het monster stroomt. Op dat moment wordt de meting gestart en worden er achtereenvolgens 3 metingen gedaan. Het gemiddelde van 3 metingen wordt vastgelegd. Het symbool voor de verzadigde waterdoorlatendheid is ksat.

6.3.47.14 waterdoorlatendheidsverloop
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling waterdoorlatendheid
Definitie

De verandering in de snelheid waarmee water door het monster stroomt bij een stapsgewijs veranderende bodemvochtpotentiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Gegevensgroeptype Waterdoorlatendheidsverloop

6.3.48 Waterdoorlatendheidsverloop

Diagram WaterdoorlatendheidsverloopWaterdoorlatendheidstoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De verandering in de snelheid waarmee water door het monster stroomt bij een stapsgewijs veranderende bodemvochtpotentiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode gelijk is aan k50 of constantHeadEnK50.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Het stapsgewijs droger worden van de grond wordt bepaald door de bodemvochtpotentiaal te meten uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte). De mogelijkheid bestaat daarnaast het volumetrisch watergehalte te bepalen.

6.3.48.1 waterdoorlatendheidstoestand
Type gegeven Gegevensgroep van Waterdoorlatendheidsverloop
Definitie

De snelheid waarmee water door het monster stroomt bij een bepaalde bodemvochtpotentiaal met eventueel een bepaald watergehalte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..10
Gegevensgroeptype Waterdoorlatendheidstoestand

6.3.49 Waterdoorlatendheidstoestand

Diagram Waterdoorlatendheidstoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De snelheid waarmee water door het monster stroomt bij een bepaalde bodemvochtpotentiaal met eventueel een bepaald watergehalte.

Toelichting

In sommige gevallen wordt ook het volumetrisch watergehalte bepaald.

6.3.49.1 bodemvochtpotentiaal
Type gegeven Attribuut van Waterdoorlatendheidstoestand
Definitie

De zuigende kracht die de grond per eenheid van lengte en per eenheid van massa op het water uitoefent, uitgedrukt als drukhoogte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 8.1
  Eenheid cm H2O (centimeter waterkolom)
  Waardebereik tot 0
Toelichting

De bodemvochtpotentiaal (Eng. soil water potential) geeft aan hoe sterk de zuigende kracht is die de grond op het water in de onverzadigde zone en de capillair verzadigde zone van de bodem uitoefent. De potentiaal is 0 op het freatisch vlak en wordt daarboven steeds negatiever. Het begrip potentiaal wordt gebruikt voor een potentiële energie per eenheid van massa, oftewel N.m.kg-1. In de laboratoriumpraktijk meet men een druk uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte h, Eng. pressure head) en stelt men N. m-2 (druk) gelijk aan N.m.m-3 (potentiaal).

De bodemvochtpotentiaal heeft eigenlijk het symbool ψ, maar omdat die uitgedrukt wordt in drukhoogte is het symbool h.

6.3.49.2 waterdoorlatendheid
Type gegeven Attribuut van Waterdoorlatendheidstoestand
Definitie

De snelheid waarmee water door het monster stroomt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3 in machten
  Eenheid cm/d (centimeter per 24 uur)
  Waardebereik 1.000·10-8 tot 1.000·104
Toelichting

Wat bij een bepaalde bodemvochtpotentiaal gemeten wordt, is het volume water dat per eenheid van tijd per eenheid oppervlak loodrecht op de stromingsrichting door het monster stroomt. De doorlatendheid wordt vervolgens berekend uit de wet van Darcy. Het symbool voor waterdoorlatendheid is k.

6.3.49.3 volumetrisch watergehalte
Type gegeven Attribuut van Waterdoorlatendheidstoestand
Definitie

De verhouding tussen het volume van het water en het waterverzadigde volume van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid cm3/cm3 (kubieke centimeter/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 1
Toelichting

Het watergehalte van het monster op het moment van meten wordt altijd omgerekend naar het aandeel in het volume van het met water verzadigde monster.
Het symbool voor het volumetrisch watergehalte is θ.

6.3.50 Bepaling waterretentie stapsgewijs

Diagram WaterretentieBepaling waterretentie stapsgewijs

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het watergehalte van de grond bij discrete waarden van de bodemvochtpotentiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Veranderingen in de bodemvochtpotentiaal leiden tot veranderingen in de hoeveelheid water in de bodem: hoe kleiner (meer negatief) de potentiaal des te droger de grond. Het bepalen van het watergehalte van grond bij een af- of toenemende bodemvochtpotentiaal, wordt het bepalen van de waterretentie genoemd. De geproduceerde gegevens worden gebruikt voor het modelleren van een van de belangrijkste hydrofysische karakteristieken van de bodem, de waterretentiekarakteristiek.

De waterretentie kan in het laboratorium stapsgewijs of meer continu worden bepaald. Bij de stapsgewijze bepaling wordt de bodemvochtpotentiaal stapsgewijs veranderd. In een stap wordt het monster een bepaalde bodemvochtpotentiaal opgelegd en die wordt gemeten in centimeters waterkolom (drukhoogte, h). Na bereiken van evenwicht wordt het watergehalte bepaald. Afhankelijk van de methode levert de bepaling een kleine serie gegevens of een enkel gegeven. De methode bepaalt ook welk deel van het bereik van de bodemvochtpotentiaal wordt bemeten.

6.3.50.1 bepalingsID
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De binnen het onderzochte interval unieke identificatie van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingscode
  Type Code
  Opbouw WRSNN
Toelichting

Het gegeven wordt gebruikt om binnen het onderzoek aan te kunnen geven welke bepalingen als input voor het modelleren van karakteristieken is gebruikt. De opbouw van het gegeven bestaat uit drie letters voor de naam van de bepaling (WRS) en een volgnummer dat uit 2 cijfers (NN) bestaat.

6.3.50.2 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ISO11274v2014plusWENR2020.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

6.3.50.3 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De manier waarop de waterretentie is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan zandbak, zandbakDrukplaat, drukplaat of luchtdroog.

6.3.50.4 ringmonster gebruikt
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een niet verstoord monster is gebruikt dat met een ring uit de bodem is gestoken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

De bepaling wordt voor een bodemvochtpotentiaal van 0 tot circa -1000 cm waterkolom uitgevoerd aan ringmonsters met een bekend volume. Bij de drukplaat methode wordt voor kleinere waarden van de bodemvochtpotentiaal volstaan met verstoorde monsters. Dat kan omdat bij dergelijk kleine potentialen de binding van water nauwelijks nog door de structuur van de grond wordt bepaald.

6.3.50.5 ringdiameter
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De inwendige diameter van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut ringmonster gebruikt gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een diameter van 5 centimeter; van historische gegevens is de diameter niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.50.6 ringhoogte
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De hoogte van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut ringmonster gebruikt gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een hoogte van 5 centimeter; van historische gegevens is de hoogte niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.50.7 temperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De temperatuur waaronder de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid °C (graden Celsius)
  Waardebereik 10 tot 40
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Het is goede praktijk de temperatuur zo te reguleren dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan een graad afwijkt van de ingestelde waarde.

6.3.50.8 relatieve luchtvochtigheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die de lucht in het laboratorium bevat en de hoeveelheid waterdamp die de lucht maximaal kan bevatten tijdens de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 30 tot 80
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Voor de bepaling met de zandbakmethode is het goede praktijk de luchtvochtigheid zo te reguleren dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan vijf procent absoluut afwijkt.

6.3.50.9 vernattend
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bepaling is uitgevoerd terwijl de grond stapsgewijs natter wordt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer het attribuut bepalingsmethode gelijk is aan zandbak of zandbakDrukplaat.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Gewoonlijk wordt verdrogend (of desorptief) gemeten en dat betekent dat het monster vooraf verzadigd wordt, waarna steeds drogere omstandigheden worden gerealiseerd (de bodemvochtpotentiaal krijgt een steeds kleinere (meer negatieve) waarde). Alleen bij toepassing van de zandbakmethode kan de bepaling ook vernattend (adsorptief) worden uitgevoerd en dan start men met een monster dat relatief droog is, maar voldoende nat om waterafstotendheid uit te sluiten.

Het watergehalte van een monster dat met de zandbak methode vernattend is bepaald zal afwijken van het watergehalte van een monster dat verdrogend is bepaald bij dezelfde bodemvochtpotentiaal. Dit fenomeen wordt hysterese genoemd.

6.3.50.10 droogtemperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De temperatuur waarop het materiaal aan het eind van de bepaling is gedroogd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Droogtemperatuur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Aan het eind van de bepaling wordt het monster op een bepaalde temperatuur in de oven gedroogd. Standaard is dat bij 105 graden Celsius. Bij gegevens die aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is niet altijd te achterhalen wat de droogtijd is geweest.

6.3.50.11 droogtijd
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De lengte van de periode gedurende welke het materiaal aan het eind van de bepaling is gedroogd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Droogtijd
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Aan het eind van de bepaling wordt het monster gedurende een bepaalde tijd in de oven gedroogd. Standaard is dat tot de massa stabiel is (en dat is wanneer de afname van de massa minder is dan 0.6% per 24 uur). In het verleden is de droogtijd niet altijd te achterhalen.

6.3.50.12 bepalingsmethode volumetrisch watergehalte
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De manier waarop het volumetrische watergehalte is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BepalingsmethodeVolumetrischWatergehalte
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

In het laboratorium wordt eerst het massa watergehalte (gram water per gram droge grond) berekend en die wordt omgerekend naar het volumetrisch watergehalte (cm3 water per cm3 verzadigde grond) door het massa watergehalte te vermenigvuldigen met de droge bulkdichtheid (aanname: de dichtheid van water is 1 g/cm3). De droge bulkdichtheid kan niet worden bepaald wanneer er alleen verstoorde monsters voorhanden zijn en dan wordt volstaan met het massa watergehalte.

6.3.50.13 droge bulkdichtheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De massa van het ovendroge materiaal per eenheid van volume.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid g/cm3 (gram/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 5
Regels

Het attribuut moet aanwezig wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode volumetrisch watergehalte gelijk is aan volumetrischAfgeleid.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens moet het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode volumetrisch watergehalte gelijk is aan onbekend.

Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode volumetrisch watergehalte gelijk is aan onbekend.

Toelichting

Het volume grond wordt altijd bepaald bij waterverzadiging. Het gegeven is opgenomen om inzichtelijk te maken wat de droge bulkdichtheid is die gebruikt is om het volumetrisch watergehalte te berekenen. Wanneer er voor de droge bulkdichtheid van het onderzochte interval meer dan een waarde is bepaald, beslist de uitvoerder welke waarde voor de berekening moet worden gebruikt. Dit kan een specifieke waarde zijn of het gemiddelde van de waarden. Bij gegevens die aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is niet altijd te achterhalen welke waarde voor de berekening is gebruikt.

6.3.50.14 zoutcorrectiemethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

De manier waarop het watergehalte is gecorrigeerd voor het gehalte aan opgeloste zouten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Zoutcorrectiemethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Poriënwater kan zouten bevatten. Bij het bepalen van het watergehalte wordt het water verdampt en gaan de opgeloste zouten deel uitmaken van de massa van de droge stof. Voor het juiste gebruik van het gegeven is het van belang te weten of het watergehalte is gecorrigeerd voor het gehalte aan opgeloste zouten en of dat is gebeurd op basis van een aanname of op basis van een gemeten zoutgehalte.

6.3.50.15 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Toelichting

Tijdens de uitvoering kunnen er bijzonderheden worden geconstateerd die extra informatie over de aard van het onderzochte materiaal geven. In de huidige praktijk legt de uitvoerder eventuele bijzonderheden altijd vast. In het verleden was dat niet altijd het geval en voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven geen betekenis worden toegekend.

6.3.50.16 waterretentie
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling waterretentie stapsgewijs
Definitie

Het watergehalte van een monster bij discrete waarden van de bodemvochtpotentiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Gegevensgroeptype Waterretentie

6.3.51 Waterretentie

Diagram WaterretentieWaterretentiewaarde

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het watergehalte van een monster bij discrete waarden van de bodemvochtpotentiaal.

Toelichting

Het watergehalte wordt bij de zandbakmethode een aantal keren bepaald en steeds bij een andere bodemvochtpotentiaal. Bij de methode luchtdroog wordt er maar één gegeven geproduceerd en dat is het watergehalte bij een bodemvochtpotentiaal van -106 cm waterkolom. Bij de drukplaat methode kunnen er in het natte bereik (tot minus 1000 cm waterkolom) meerdere meetresultaten zijn, in het droge bereik levert de bepaling altijd maar één resultaat. Standaard wordt het massa watergehalte omgerekend naar het volumetrisch watergehalte, maar wanneer de droge bulkdichtheid niet is bepaald, wordt het massa watergehalte, gegeven.

6.3.51.1 waterretentiewaarde
Type gegeven Gegevensgroep van Waterretentie
Definitie

Het watergehalte bij een bepaalde waarde van de bodemvochtpotentiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Gegevensgroeptype Waterretentiewaarde

6.3.52 Waterretentiewaarde

Diagram Waterretentiewaarde

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het watergehalte bij een bepaalde waarde van de bodemvochtpotentiaal.

6.3.52.1 bodemvochtpotentiaal
Type gegeven Attribuut van Waterretentiewaarde
Definitie

De zuigende kracht die de grond per eenheid van lengte en per eenheid van massa op het water uitoefent, uitgedrukt als drukhoogte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 8.1
  Eenheid cm H2O (centimeter waterkolom)
  Waardebereik tot -0.1
Toelichting

De bodemvochtpotentiaal (Eng. soil water potential) geeft aan hoe sterk de zuigende kracht is die de grond op het water in de onverzadigde zone en de capillair verzadigde zone van de bodem uitoefent. De potentiaal is 0 op het freatisch vlak en wordt daarboven steeds negatiever. Het begrip potentiaal wordt gebruikt voor een potentiële energie per eenheid van massa, oftewel N.m.kg-1. In de laboratoriumpraktijk meet men een druk uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte h, Eng. pressure head) en stelt men N. m-2 (druk) gelijk aan N.m.m-3 (potentiaal).

De bodemvochtpotentiaal heeft eigenlijk het symbool ψ, maar omdat die uitgedrukt wordt in drukhoogte is het symbool h.

6.3.52.2 volumetrisch watergehalte
Type gegeven Attribuut van Waterretentiewaarde
Definitie

De verhouding tussen het volume van het water en het waterverzadigde volume van het monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid cm3/cm3 (kubieke centimeter/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 1
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode volumetrisch watergehalte van de entiteit Bepaling waterretentie stapsgewijs gelijk is aan volumetrischAfgeleid of volumetrischBepaald.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Het watergehalte van het monster op het moment van meten wordt altijd omgerekend naar het aandeel in het volume van het met water verzadigde monster. Het symbool voor het volumetrisch watergehalte is θ.

6.3.52.3 massa watergehalte
Type gegeven Attribuut van Waterretentiewaarde
Definitie

De verhouding tussen de massa van het water en de massa van het ovendroge monster.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid g/g (gram/gram)
  Waardebereik 0 tot 1
Toelichting

Het symbool voor het massa watergehalte is w.

6.3.53 Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal

Diagram Watergehalte en doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaalOverzicht tensiometergegevensWaterretentie verdampingBepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het watergehalte en de doorlatendheid van de grond bij een veranderende bodemvochtpotentiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd. De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Boormonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd. De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Veranderingen in de bodemvochtpotentiaal van de bodem leiden tot veranderingen in de hoeveelheid water in de grond en in de snelheid waarmee water door de grond stroomt: hoe kleiner (d.w.z. meer negatief) de potentiaal, des te droger de grond en des te lager de snelheid. Voor de bepaling wordt in de huidige laboratoriumpraktijk eerst de waterretentie bepaald volgens de verdampingsmethode. Een monster wordt voorzien van 2 tot 4 tensiometers en blootgesteld aan verdamping. Aan de hand van de afname in het gewicht wordt eerst berekend wat de watergehalten zijn corresponderend met de gemeten bodemvochtpotentialen op de gemeten dieptes. Vervolgens wordt op basis van de zogenaamde Instantaneous Profile methode (IPM-methode) berekend wat de doorlatendheid is geweest. Uiteindelijk levert deze methode een tabel met waarden voor bodemvochtpotentiaal als drukhoogte (h), volumetrisch watergehalte (θ) en doorlatendheid (k). De tabel omvat maximaal 10.000 k-h-θ rijen en dekt een potentiaalbereik van 0 tot minus 1000 cm waterkolom. Dat resultaat kan vervolgens gebruikt worden om waterretentie- en/of doorlatendheidskarakteristieken af te leiden. Van resultaten die uit de archieven van Wageningen Environmental Research afkomstig zijn, is de methode van bepalen niet altijd te achterhalen.

6.3.53.1 bepalingsID
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De binnen het onderzochte interval unieke identificatie van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingscode
  Type Code
  Opbouw WGDNN
Toelichting

Het gegeven wordt gebruikt om binnen het onderzoek aan te kunnen geven welke bepalingen als input voor het modelleren van karakteristieken is gebruikt. De opbouw van het gegeven bestaat uit drie letters voor de naam van de bepaling (WGD) en een volgnummer dat uit 2 cijfers (NN) bestaat.

6.3.53.2 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ISO11275v2014plusWENR.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

6.3.53.3 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De manier waarop het watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan verdampingsmethodeStandaardIPM.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend of onbekendBeuving.

6.3.53.4 verticaal bemonsterd
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bepaling is uitgevoerd aan een monster dat verticaal uit de bodem is gestoken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Omdat de waterdoorlatendheid van de bodem meestal niet in alle richtingen hetzelfde is (anisotropie), is het van belang te weten in welke richting de monsterring in de bodem is gestoken. In de bodemkunde wordt meestal de verticale waterdoorlatendheid bepaald. Dat gebeurt aan een monster dat verticaal uit de bodem genomen is, na verwijdering van de grond die op het te onderzoeken diepte-interval ligt. Bij uitzondering wordt de horizontale waterdoorlatendheid bepaald.

6.3.53.5 ringdiameter
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De inwendige diameter van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een diameter van 10 centimeter; van historische gegevens is de diameter niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.53.6 ringhoogte
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De hoogte van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een hoogte van 8 centimeter; van historische gegevens is de hoogte niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

6.3.53.7 folie gebruikt
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het monster bij aanvang van de metingen in folie is gewikkeld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Toelichting

Bij potentieel krimpende gronden wordt het monster uit de ring gehaald en aan de zij- en onderkant omwikkeld met folie. Het is aan de uitvoerder van de analyse om te bepalen wanneer dit nodig is.

6.3.53.8 temperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De temperatuur waaronder de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid °C (graden Celsius)
  Waardebereik 10 tot 40
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De snelheid van de verdamping wordt beïnvloed door de omgevingstemperatuur. Het is goede praktijk de temperatuur zo te reguleren dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan een graad afwijkt van de ingestelde waarde.

6.3.53.9 relatieve luchtvochtigheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal
Definitie

De verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die de lucht in het laboratorium bevat en de hoeveelheid waterdamp die de lucht maximaal kan bevatten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1