Basisregistratie Ondergrond Catalogus Bodemkaart

Geonovum Informatiemodel
Versie ter vaststelling

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/vv-im-SGM-20220328/
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/SGM/
Vorige versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/vv-im-SGM-20201026/
Laatste werkversie:
https://broprogramma.github.io/SGM/
Redacteur:
Geonovum
Auteur:
Geonovum
Doe mee:
GitHub BROprogramma/SGM
Dien een melding in
Revisiehistorie
Pull requests
Rechtenbeleid:

Samenvatting

Dit is de werkversie voor uitbreiding van registratieobject Bodemkaart.

Status van dit document

Deze paragraaf beschrijft de status van dit document ten tijde van publicatie. Het is mogelijk dat er actuelere versies van dit document bestaan. Een lijst van Geonovum publicaties en de laatste gepubliceerde versie van dit document zijn te vinden op https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/alle-standaarden.

Dit is een definitief concept van de nieuwe versie van het informatiemodel. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd.

1. Inleiding

1.1 Doel en doelgroep

In de basisregistratie ondergrond (BRO) wordt een aantal typen gegevens geregistreerd, de registratieobjecten.

Een catalogus is de gegevensdefinitie van een registratieobject en beschrijft welke gegevens van het object in de BRO zijn opgeslagen. Het document is bedoeld voor alle gebruikers van de BRO en moet duidelijk maken welke gegevens er precies in het systeem zitten. Aan aanleverende partijen moet het vertellen welke gegevens in de basisregistratie ondergrond moeten komen en aan welke eisen die moeten voldoen, en aan afnemende partijen welke gegevens zij in de basisregistratie ondergrond mogen verwachten. Het document is voor een breed publiek bedoeld en de informatie moet naast precies ook begrijpelijk zijn.

1.2 Totstandkoming

Een catalogus is het resultaat van een proces van standaardisatie dat geruime tijd in beslag kan nemen. De standaardisatie is een open proces waarin de belanghebbende partijen actief betrokken worden. Het eindresultaat wordt door de wetgever vastgesteld in een ministeriële regeling.

In bepaalde gevallen is de verscheidenheid aan gegevens van een object zo groot, dat er eerst deelverzamelingen worden gedefinieerd. Het standaardisatieproces wordt dan per deelverzameling doorlopen. De deelverzamelingen worden zo gekozen dat de gegevens die in de bijbehorende catalogus worden beschreven, direct na vaststelling aan de BRO kunnen worden aangeleverd. Wanneer er deelverzamelingen worden onderscheiden, komt de catalogus van het registratieobject dus gefaseerd tot stand. Omdat inzichten in de loop van de tijd kunnen wijzigen kan het aan het eind van het hele proces nodig blijken revisies door te voeren om ongewenste verschillen tussen deelverzamelingen weg te nemen.

1.3 Beheer

Een vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) wordt met het daarbij horende deel van het systeem van de basisregistratie ondergrond in gebruik genomen. De eerste formeel vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) krijgt het versienummer 1.0. Verwacht mag worden dat er na enige tijd behoefte gaat ontstaan aan gegevens die nog niet in de catalogus zijn opgenomen.

De beheerder hanteert drie typen versies voor een wijziging van een standaard. Bijvoorbeeld: versie 2.1.0 (=X.Y.Z):

In een jaar waarin een X-wijziging plaats vindt zullen er op hetzelfde registratieobject geen y-wijzigingen plaatsvinden. Als er een X- of een Y-wijziging in een jaar aan de orde is, wordt er geen z-wijziging gepland. De versie van de catalogus met inleiding (zoals hier gepubliceerd) volgt voor de normatieve stukken volledig de versie op wetten.nl. Wijzigingen aan niet normatieve teksten in dit document vallen altijd onder Z-wijzigingen en zullen maximaal 2 keer per jaar plaatsvinden.

Samenhang documenten

Deze documenten hangen samen zoals hieronder afgebeeld.

Figuur 1 Samenhang tussen documentatie

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is de bronhouder, en Wageningen Environmental Research (WENR) is de dataleverancier van het bodemkaart model (SGM).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 1 geeft het doel en de doelgroep van een catalogus.

Hoofdstuk 2 behandelt enkele algemene aspecten van het BRO-systeem en begrippen van algemene aard.

Hoofdstuk 3 vertelt hoe de catalogus is opgebouwd en welke aspecten van de gegevens daarin worden beschreven.

Hoofdstuk 4 en 5 beschrijft de entiteiten van het bodemkundig model.

Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op het bodemkundig model.

2. Algemene kenmerken en begrippen

2.1 Opzet van de landelijke voorziening

De landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond is een systeem dat een schakel vormt in een informatieketen. Aan het begin van de keten staan bestuursorganen die opdracht geven tot de productie van gegevens, of zelf gegevens produceren. Die bestuursorganen worden bronhouders genoemd. De geproduceerde gegevens worden door een dataleverancier geleverd aan de beheerder van het systeem, de registerbeheerder. De bronhouder is verantwoordelijk voor de levering van gegevens. Hij kan besluiten zelf dataleverancier te zijn of andere partijen een machtiging voor levering te verlenen. De beheerder van de landelijke voorziening van de BRO registreert de aangeleverde gegevens en levert ze voor (her)gebruik door aan allerlei afnemers.

De opzet van het systeem moet begrepen worden vanuit de verantwoordelijkheden die in de keten zijn belegd. De aangeleverde gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de bronhouder en de registerbeheerder mag die gegevens niet veranderen. De registerbeheerder moet echter wel gegevens toevoegen om het systeem te kunnen beheren en hij kan gegevens toevoegen om de afnemers goed van dienst te kunnen zijn.

Bij wet is geregeld dat de basisregistratie ondergrond zo wordt opgezet dat er onderscheid bestaat tussen de gegevens die aan de registerbeheerder zijn aangeleverd en de gegevens die de registerbeheerder aan de afnemers verstrekt. Het systeem valt uiteen in twee grote deelsystemen, het register brondocumenten ondergrond en de registratie ondergrond (Figuur 2).

Een geheel van gegevens dat door of onder verantwoordelijkheid van een bronhouder wordt aangeleverd, wordt een brondocument genoemd. De brondocumenten worden in het register brondocumenten ondergrond opgeslagen. De gegevens uit de brondocumenten worden samen met de gegevens die de registerbeheerder toevoegt in de registratie ondergrond vastgelegd. De registratie ondergrond is het deelsysteem dat gebruikt wordt voor uitgifte.

Figuur 2 De twee grote deelsystemen van de landelijke voorziening van de BRO.

Met deze opzet verkrijgt het systeem de nodige flexibiliteit. Zo kan een object in de registratie ondergrond gegevens bevatten die uit meer dan één brondocument afkomstig zijn en bij uitgifte kunnen gegevens van verschillende objecten met elkaar gecombineerd worden. Ook is het mogelijk met het brondocument gegevens op te slaan die alleen voor de bronhouder en de aanleverende partij van belang zijn.

De catalogus dekt alle gegevens die opgenomen zijn in de registratie ondergrond. Verreweg de meeste gegevens komen uit de brondocumenten die de dataleverancier aanlevert en een paar gegevens komen voort uit de overdracht van een brondocument aan de registerbeheerder. Aan de aangeleverde gegevens worden enkele gegevens door de registerbeheerder toegevoegd. Als een gegeven is toegevoegd door de BRO wordt dat in de beschrijving expliciet vermeld.

Alle gegevens in de registratie ondergrond worden uitgegeven, maar niet alle afnemers kunnen alle gegevens geleverd krijgen. De gegevens die niet aan alle afnemers worden uitgeleverd zijn de gegevens die alleen nodig zijn in de communicatie tussen de registerbeheerder enerzijds en de dataleveranciers en bronhouders anderzijds.

2.2 Registratieobject

Het registratieobject is dé eenheid in de data-architectuur van de basisregistratie ondergrond. Voor de registerbeheerder is het de elementaire bouwsteen van het systeem dat hij moet beheren.

Een registratieobject verwijst naar een eenheid van informatie die onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder valt en die met een bepaald doel is of wordt gemaakt. Het is in directe of indirecte zin gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een registratieobject een plaats op het aardoppervlak heeft of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een plaats op het aardoppervlak.

Een registratieobject is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd gedefinieerd. Het leven van een registratieobject begint op het moment dat de gegevens zijn geregistreerd en dat is zo kort mogelijk nadat de gegevens zijn geproduceerd. De levensduur van een registratieobject, en de veranderlijkheid van de gegevens verschilt van object tot object. Een grondwatermonitoringput kan tientallen jaren gebruikt worden voor het meten van grondwaterstanden en in de periode kunnen er nieuwe gegevens ontstaan. Dat betekent dat de gegevens van de put in de registratie ondergrond gedurende zijn hele levensduur bijgewerkt moeten kunnen worden. Aan de andere kant van het spectrum staan de objecten waarvan alle gegevens in een keer worden vastgelegd. Geotechnisch sondeeronderzoek is daar een voorbeeld van. Sondeeronderzoek is eenmalig onderzoek en het resultaat ervan kan al na een of enkele dagen aan de bronhouder worden overhandigd.

2.3 Registratiedomein

Registratieobjecten worden in de basisregistratie ondergrond gegroepeerd in domeinen. Vooralsnog worden zes domeinen onderscheiden:

De domeinen zijn vanuit het oogpunt van beheer van belang voor de ordening van het systeem. Daarnaast zijn zij nuttig in de communicatie met de partijen die bij de realisatie van het systeem betrokken zijn.

2.4 Kwaliteitsregime

In de basisregistratie ondergrond worden niet alleen gegevens geregistreerd die dateren van na de datum waarop de wet van kracht is geworden. Ook oudere gegevens zullen in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen. De noodzaak daartoe ligt in de wet verankerd. Die schrijft voor dat de gegevens uit de eerder bestaande systemen DINO en BIS zo veel mogelijk naar de BRO moeten worden overgezet. Verder staat de wet toe dat bronhouders tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet historische gegevens ter registratie mogen aanbieden.

Historische gegevens kunnen niet altijd voldoen aan de strikte regels die de BRO stelt. Zo kan het voorkomen dat voor gegevens die volgens de strikte regels van de BRO verplicht zijn, geen waarde bekend is. Om de verwerking van de twee categorieën gegevens naast elkaar mogelijk te maken, worden twee kwaliteitsregimes gehanteerd. Voor de aanlevering van gegevens volgens de strikte regels geldt het IMBRO-regime. Bij de aanlevering van historische gegevens wordt geaccepteerd dat een aantal formeel verplichte gegevens geen waarde heeft. Voor deze gegevens wordt het IMBRO/A-regime gehanteerd en dat kent dus minder strikte regels.

De introductie van de twee kwaliteitsregimes geeft de bronhouder gedurende een bepaalde periode een zekere mate van vrijheid. Het kan bijvoorbeeld praktisch blijken het IMBRO/A-regime te hanteren voor gegevens die weliswaar pas na de datum waarop de wet in werking is getreden zijn geproduceerd maar die voortkomen uit opdrachten die al voor die datum zijn gegeven. Ook kan het voorkomen dat historische gegevens wel aan alle strikte voorwaarden voldoen en dan is het wenselijk de gegevens onder IMBRO-regime aan te leveren.

De periode waarin de bronhouders die vrijheid hebben wordt de transitieperiode genoemd. Over de duur van de transitieperiode zijn nog geen afspraken gemaakt. Na afloop van de transitieperiode kan alleen onder het strikte IMBRO-regime worden aangeleverd.

2.5 Formele en materiële geschiedenis

De basisregistratie ondergrond maakt deel uit van een stelsel van basisregistraties. Binnen het stelsel maakt men onderscheid tussen de materiële geschiedenis en de formele geschiedenis van een object.

Het begrip materiële geschiedenis wordt gebruikt om de veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid aan te duiden. De materiële geschiedenis van een object wordt, voor zover relevant, in de registratie ondergrond vastgelegd. Niet alle registratieobjecten hebben een materiële geschiedenis, alleen de objecten met een levensduur, zoals de grondwatermonitoringput.

Het begrip formele geschiedenis wordt gebruikt voor de veranderingen van eigenschappen van een object in de registratie zelf. De meeste van die veranderingen gaan terug op een verandering van eigenschappen in de werkelijkheid, en de formele geschiedenis geeft aan wanneer de veranderingen in het systeem geregistreerd zijn. De formele geschiedenis kent ook gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van een verandering in de werkelijke eigenschappen van een object. Die gebeurtenissen hebben betrekking op correcties. Het kan gebeuren dat een bronhouder erachter komt dat er een onjuiste waarde was geregistreerd en dan zorgt hij ervoor dat die verbeterd wordt. De registratie van de verbetering is een formele gebeurtenis.

Alle registratieobjecten hebben een formele geschiedenis en die wordt in de registratie ondergrond globaal vastgelegd in de registratiegeschiedenis van het object. Globaal wil zeggen dat de registratie ondergrond alleen een overzicht van de formele geschiedenis geeft. Voor de details moet het register brondocumenten ondergrond worden geraadpleegd.

Bij correctie wordt het betreffende gegeven in de registratie ondergrond overschreven en is de oude waarde van het gegeven niet meer direct beschikbaar voor de afnemers. Zou een afnemer toch willen weten wat de eerdere foute waarde was, dan moet hij het register brondocumenten ondergrond raadplegen.

2.6 Coördinaten en referentiestelsels

De registratieobjecten van de basisregistratie ondergrond zijn gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een object zelf een plaats op het aardoppervlak, een locatie, heeft, of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een locatie. Afhankelijk van het type registratieobject, wordt de locatie geregistreerd als een punt, een lijn of een vlak.

De locatie is de horizontale positie van een object. Voor bepaalde objecten is het voldoende dat alleen die horizontale positie wordt vastgelegd, maar voor veel objecten is ook de verticale positie van belang.

Posities worden vastgelegd in coördinaten en die zijn gedefinieerd in een bepaald referentiestelsel.

Er zijn verschillende typen referentiestelsels. Zo spreekt men van horizontale referentiestelsels (2D), verticale referentiestelsels (1D), gecombineerde referentiestelsels (2D, 1D) en werkelijke 3D referentiestelsels. In Nederland worden de horizontale en de verticale component van een positie in een afzonderlijk stelsel uitgedrukt. Het is vandaag de dag mogelijk met gps een positie in een 3D-referentiestelsel vast te leggen, maar de wens over te stappen op het gebruik van 3D is nog door geen van de partijen die betrokken zijn bij de basisregistratie ondergrond naar voren gebracht.

2.6.1 Referentiestelsels voor de horizontale positie

In Nederland zijn traditioneel verschillende referentiestelsels voor de horizontale positie in gebruik. In 2009, bij de eerste voorbereidingen voor de totstandkoming van de basisregistratie ondergrond, is al vastgesteld dat de verscheidenheid aan referentiestelsels de basisregistratie ondergrond voor problemen stelt omdat de registratie dan niet gemakkelijk op een eenduidige manier bevraagd kan worden. In de registratie ondergrond worden namelijk zowel gegevens met een locatie op land als gegevens met een locatie op zee geregistreerd. In de toenmalige praktijk werden op land en op zee verschillende stelsels gebruikt. Op land werd RD gebruikt en op zee waren verschillende stelsels in gebruik, waarvan WGS84 de belangrijkste was.

In 2009 was ook al bekend dat de Europese kaderrichtlijn INSPIRE de lidstaten vraagt de gegevens in Europa in één referentiestelsel uit te gaan wisselen, te weten in ETRS89. Met dat in gedachten, is het besluit genomen het BRO-systeem zo in te richten dat de registratie bevraagd gaat worden in ETRS89.

Het besluit wordt ondersteund door ontwikkelingen in Nederland. Sinds 2013 wordt er door de drie belangrijkste autoriteiten in Nederland op het gebied van referentiestelsels, het Kadaster, de Dienst der Hydrografie en Rijkswaterstaat, gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe afspraken. Die afspraken moeten in lijn zijn met Europese afspraken en leiden tot heldere en eenduidige transformatieprocedures tussen referentiestelsels. Concreet betekent dit dat in Nederland op termijn het ETRS89-stelsel als standaard zal worden gehanteerd voor het uitwisselen van geo-informatie.

Het besluit betekent niet dat de gegevens ook in ETRS89 aangeleverd moeten worden. De basisregistratie ondergrond voorziet een periode van transitie waarin de aanleverende partijen zelf bepalen wanneer zij overstappen op ETRS89. Die periode zal naar verwachting jaren duren. Om de transitie te ondersteunen hanteert de basisregistratie ondergrond de volgende spelregels:

  • Gegevens mogen in een beperkt aantal referentiestelsels worden aangeleverd (RD, WGS84 en ETRS89).
    • Voor locaties op land wordt alleen RD of ETRS89 toegestaan.
    • Voor locaties op zee wordt alleen WGS84 of ETRS89 toegestaan.
  • De aangeleverde coördinaten worden in de registratie opgeslagen.
  • De aangeleverde coördinaten worden door de basisregistratie ondergrond getransformeerd naar het ETRS89 referentiestelsel.
  • De getransformeerde coördinaten worden naast de aangeleverde coördinaten opgeslagen.
  • Bij de getransformeerde coördinaten wordt ook een identificatie van de gebruikte transformatiemethode opgeslagen.
  • Als de coördinaten in ETRS89 zijn aangeleverd, dan staat bij aangeleverde en getransformeerde positie dezelfde informatie. Voor de locatie worden de getransformeerde coördinaten en de aangeleverde coördinaten beide aan de afnemers verstrekt.

2.6.2 Referentiestelsels voor de verticale positie

In Nederland zijn voor verticale posities op land en zee verschillende referentiestelsels in gebruik. Op land wordt NAP gebruikt. Op zee is het in de voor de BRO relevante werkvelden gebruikelijk posities uit te drukken t.o.v. het gemiddeld zeeniveau (MSL, Mean Sea Level), maar posities t.o.v. LAT komen ook voor (Lowest Astronomical Tide). Dit laatstgenoemde stelsel wordt in de kaderrichtlijn INSPIRE genoemd als het stelsel van voorkeur voor het uitdrukken van verticale posities op zee. De basisregistratie ondergrond staat daarom op zee het gebruik van LAT naast MSL toe. Aangeleverde verticale posities worden door de BRO niet getransformeerd.

2.7 Gegevens op land en op zee

De basisregistratie ondergrond bevat gegevens over de ondergrond van Nederland en zijn zgn. Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het van belang te weten of de locatie van een object op zee of op land ligt.

Als scheidingslijn tussen land en zee wordt in de basisregistratie ondergrond de UNCLOS-basislijn gehanteerd. Het beheer van de basislijn valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst der Hydrografie van het ministerie van Defensie. Deze dienst voert die taak uit op basis van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties uit 1982, dat in het Engels de United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) heet. De basislijn is opgebouwd uit de nulmeterdieptelijn zoals weergegeven op de zeekaarten en enkele rechte basislijnen die onder meer de monding van de Westerschelde en de wateren tussen de Waddeneilanden afsluiten.

De grens tussen land en zee is veranderlijk. De Dienst der Hydrografie stelt de grens opnieuw vast wanneer daartoe voldoende aanleiding is. De BRO hanteert bij inname de meest recente versie van de UNCLOS-basislijn en controleert daarmee of de juiste referentiestelsels gebruikt worden.

Tussen het moment waarop de locatie van een object wordt bepaald en het moment waarop het gegeven in de basisregistratie ondergrond wordt vastgelegd verloopt enige tijd. In die periode kan de positie van de UNCLOS-basislijn opnieuw zijn vastgesteld, en dan ontstaat er een discrepantie die bij het aanleveren van gegevens tot problemen kan leiden. Wanneer een dergelijk probleem zich voordoet, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met betrekking tot de begrenzing van Nederland, met name van het Nederlands territoir. De grenzen van Nederland worden ieder jaar op 1 januari vastgesteld door het Kadaster en vastgelegd in de basisregistratie kadaster. De BRO controleert bij inname of een object in het gebied ligt dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat, en hanteert daarbij de actuele grenzen. Ook bij problemen die te herleiden zijn tot een verandering in de begrenzing van Nederland, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Binnen het domein Mijnbouwwet wordt de scheidingslijn tussen land en zee niet bepaald door de UNCLOS-basislijn, maar door een over zee lopende lijn die is vastgelegd in een bijlage bij de Mijnbouwwet. In de registratie ondergrond wordt deze lijn aangeduid als mijnbouwgrens. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het binnen het domein Mijnbouwwet van belang te weten of de locatie van een object aan landzijde of aan zeezijde van de mijnbouwgrens ligt. Waar in voorgaande paragrafen ‘op land’ en ‘op zee’ is genoemd, houdt dat binnen het domein Mijnbouwwet in: aan landzijde respectievelijk aan zeezijde van de mijnbouwgrens.

2.8 Nauwkeurigheid van meetwaarden

Voor zinvol gebruik van gegevens met een gemeten, berekende of anderszins bepaalde waarde is het noodzakelijk dat de nauwkeurigheid van die gegevens bekend is.

Het begrip nauwkeurigheid laat zich in deze context het best omschrijven als de juistheid van een gemeten of berekende waarde. In de meeste processen waarin de waarde van een gegeven wordt bepaald, kan de afwijking van de daadwerkelijke waarde slechts via een kalibratie- of statistisch proces worden verkregen. Het resultaat omvat dan niet alleen een van de mogelijke realisaties van een meetwaarde maar ook informatie over de mogelijke spreiding van de meetwaarden.

De basisregistratie ondergrond gaat ervan uit dat de producenten van gegevens de metingen en berekeningen uitvoeren binnen een stelsel van afspraken dat binnen het desbetreffende werkveld is vastgelegd. Uitgangspunt is dat ook de eisen waaraan de gegevens op het gebied van nauwkeurigheid moeten voldoen in afspraken zijn vastgelegd. Dat kunnen praktische werkafspraken zijn, maar ook afspraken die vertaald zijn naar ISO- en NEN-normen. In de catalogus wordt in beginsel verwezen naar die normen. Waar deze normen niet voorzien in afspraken over de nauwkeurigheid, stelt de basisregistratie ondergrond hieraan specifieke eisen. Deze zijn dan vermeld in de catalogus.

2.9 Authentiek gegeven

In de wet is een aantal gegevens expliciet als authentiek aangeduid. Dit wordt in de catalogus nader uitgewerkt; verreweg de meeste gegevens zijn authentiek.

Met de aanduiding authentiek wordt, zoals geformuleerd in de memorie van toelichting op de wet, tot uitdrukking gebracht dat:

  1. Het gegeven in samenhang met andere gegevens door een groot aantal bestuursorganen in verschillende processen wordt gebruikt en derhalve bestemd is voor informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen;
  2. de verantwoordelijkheid voor betrouwbaarheid van het gegeven eenduidig geregeld is;
  3. het gegeven onderworpen is aan intern en extern kwaliteitsonderzoek, en
  4. het gegeven zich leent voor verplicht gebruik door bestuursorganen en eenmalige verstrekking door burgers en bedrijven aan de overheid.

In de praktijk mag een gebruiker van de gegevens ervan uitgaan dat alle gegevens correct zijn. De catalogus moet de gebruiker alle informatie geven die voor een goed begrip daarvan nodig is. Heeft een gebruiker echter gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven dan wordt verwacht dat hij de registerbeheerder daarvan op de hoogte brengt. Bestuursorganen zijn, bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven (of het ontbreken ervan), zelfs verplicht daarvan melding te maken.

Voor alle gegevens is aangegeven of ze authentiek zijn. Ook is voor alle gegevens aangegeven of ze aanwezig moeten zijn en een waarde moeten hebben. Dat laat zien dat er gegevens kunnen zijn die authentiek zijn maar geen waarde hoeven te hebben. Juist omdat er verplichtingen gelden t.a.v. authentieke gegevens, vraagt dit om een korte toelichting. Wanneer een authentiek gegeven geen waarde heeft moet de gebruiker ervan uitgaan dat het gegeven niet is geproduceerd. Dat geval kan zich uiteraard alleen voordoen wanneer er vrijheid van beslissen bestaat bij de bronhouder of de producent. Voor de duidelijkheid, als er wel een waarde is dan moet die ook in de BRO worden opgenomen. Bij gerede twijfel over het ontbreken van een waarde, moet een bestuursorgaan dat melden.

3. De inhoud van de catalogus

De gegevensdefinitie

De gegevensdefinitie vormt het hart van de catalogus en geeft een beschrijving van alle gegevens van het registratieobject. Eerst wordt de definitie van het registratieobject gegeven inclusief de plaatjes van het zgn. domeinmodel, en vervolgens de definities van de entiteiten waaruit het object is opgebouwd met de eigenschappen van die entiteiten, de attributen. De entiteiten worden op volgorde van de nummers in het domeinmodel behandeld. De volgende aspecten van de gegevens worden vastgelegd:

De gegevensdefinitie dekt de beide kwaliteitsregimes die worden onderscheiden, IMBRO en IMBRO/A. Het kwaliteitsregime IMBRO is leidend en bij het opstellen van de gegevensdefinitie is geprobeerd de verschillen tussen de twee regimes zo klein te houden. Het streven is een object altijd in termen van dezelfde gegevens te beschrijven en voor IMBRO/A alleen aanvullende regels te formuleren en extra waarden toe te staan. Bij uitzondering kan het echter nodig zijn gebleken voor IMBRO/A aparte entiteiten, attributen of domeinen te definiëren.

3.1 Domeinen

Een domein beschrijft welke waarden een attribuut mag hebben. Domeinen zijn van een bepaald type en de typen die in de catalogus worden gebruikt worden hieronder toegelicht. Sommige domeinen zijn samengesteld en die worden als laatste besproken.

3.1.1 Aantal

Het domein Aantal wordt gebruikt voor een telbare hoeveelheid. Het is een natuurlijk getal met een bepaalde maximale lengte.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding aantal ook de maximale lengte mee te (Aantal N). Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Aantal.

3.1.2 Code

Een code is een opeenvolging van cijfers, van letters of van cijfers en letters met een bepaalde opbouw en met een specifieke betekenis. Een code heeft gewoonlijk een betekenis die ook buiten de basisregistratie ondergrond geldt. Een code wordt uitgegeven door een verantwoordelijke instantie. Om de opbouw van een code weer te geven wordt gebruik gemaakt van de letters C en N. De letter C staat voor character (Eng.) en duidt een letter aan, de letter N staat voor number (Eng.) en duidt een cijfer aan. Een code heeft een bepaalde naam.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de naam van de code ook de opbouw mee te geven. Uit de definitie van het attribuut zelf moet blijken wat de specifieke betekenis is van de code. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

3.1.3 Tijdstip

Voor gegevens die over tijdstippen gaan worden twee domeinen gebruikt. Een voor een tijdstip tot op de seconde nauwkeurig (DatumTijd) en een voor een tijdstip tot op de dag nauwkeurig (Datum).

In ieder domein gaat het om de datum gemeten volgens de Gregoriaanse kalender. Bij het domein DatumTijd wordt de tijd gemeten volgens UTC en moet de tijdzone worden meegegeven. UTC is de mondiaal geaccepteerde standaardtijd en de opvolger van GMT (Greenwich Mean Time); de drie letters staan voor Coordinated Universal Time. Door de tijdzone mee te geven kan lokale tijd worden omgezet naar UTC.

De opbouw van de twee domeinen volgt dezelfde conventies, conform ISO 8601. Het eerste element in de opbouw staat voor het jaar, dan volgt de maand, enz., en het laatste element staat voor de tijdzone. Om de verschillende elementen aan te geven worden letters gebruikt: jaar (J), maand (M), dag (D), uur (U), minuut (M)en seconde (S), gevolgd door de tijdzone. Het aantal letters geeft de lengte aan.

Voor de meest uitgebreide variant van de opbouw, die van DatumTijd, wordt dit JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM. De T is het teken dat de datum en het tijdstip op die datum scheidt. De + is het scheidingteken tussen het tijdstip en de tijdzone. Zoals uit de opbouw blijkt wordt de tijdzone in uren en minuten gegeven. De meeste tijdzones zijn overigens uitgedrukt in gehele uren (UU:00). In Nederland geldt Centraal Europese Tijd (UTC+1:00) of Centraal Europese Zomertijd (UTC+2.00).

3.1.3.1 Datum

Het domein Datum wordt gebruikt om een datum volgens de Gregoriaanse kalender tot op de dag nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DD.
Bij het domein Datum is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

3.1.3.2 DatumTijd

Het domein DatumTijd wordt gebruikt om een tijdstip volgens de Gregoriaanse kalender tot op de seconde nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM.
Bij het domein DatumTijd is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

3.1.3.3 OnvolledigeDatum

Voor gegevens die onder het kwaliteitsregime IMBRO/A aangeleverd worden, geldt een derde domein met vier keuzemogelijkheden.

  • De datum tot op de dag nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM-DD
  • De datum tot op de maand nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM
  • De datum tot op het jaar nauwkeurig, met als opbouw JJJJ
  • Geen datum bekend, met als vaste waarde onbekend.

De keuze die gemaakt wordt is gebaseerd op de beschikbaarheid van gegevens. De gebruiker moet ervan uit gaan dat de informatie zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen. Bij het domein OnvolledigeDatum is het voldoende de naam te geven, omdat de vier keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

3.1.4 Meetwaarde

Het domein Meetwaarde wordt gebruikt wanneer de nauwkeurigheid van de waarde altijd hetzelfde is.
Het is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is variabel maar begrensd. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde ook de opbouw (Meetwaarde N.N) en de eenheid mee te geven. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde.

3.1.5 Tekst

Het domein Tekst bestaat uit een stuk tekst van een bepaalde maximale lengte. De tekst mag alleen bestaan uit de tekens die voorkomen in de MES-1 set. De MES-1 set omvat 335 tekens en wordt gebruikt binnen de landen van de Europese Unie die een Latijns schrift kennen.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding tekst ook de maximale lengte mee te (Tekst N). In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Tekst.

3.1.6 Waardelijst niet-uitbreidbaar

Een niet-uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding niet mogelijk is. Alle waarden van de lijst staan vast.
Bij een niet-uitbreidbare waardelijst is het voldoende de naam te geven, omdat de inhoud altijd hetzelfde is. In de basisregistratie ondergrond worden drie niet-uitbreidbare waardelijsten gebruikt.

IndicatieJaNee
Waarde
ja
nee
IndicatieJaNeeOnbekend
Waarde
ja
nee
onbekend
Kwaliteitsregime
Waarde
IMBRO
IMBRO/A

3.1.7 Waardelijst uitbreidbaar

Een uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding mogelijk moet zijn. Iedere waarde van de lijst heeft een specifieke betekenis (omschrijving) en geldt voor een bepaald kwaliteitsregime, IMBRO en/of IMBRO/A. Eventueel worden andere aspecten van de waarde vastgelegd.
Bij een uitbreidbare waardelijst wordt de naam van de lijst geven. De inhoud van de lijst is in een apart hoofdstuk van de gegevensdefinitie opgenomen.

3.1.8 Organisatie

Het domein Organisatie wordt gebruikt om de organisaties die een rol hebben in de basisregistratie ondergrond te identificeren. De invulling van het domein hangt af van waar de organisatie gevestigd is en voor de basisregistratie ondergrond gaat het daarbij om Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie.

In het geval de organisatie in Nederland gevestigd is, wordt het domein ingevuld met het gegeven dat een onderneming of de maatschappelijke activiteit van een rechtspersoon in het Handelsregister identificeert, het KvK-nummer. Het KvK-nummer is van het type code en de opbouw is NNNNNNNN.

Voor organisaties buiten Nederland wordt het domein ingevuld met het equivalent van het KvK-nummer in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, het EuropeesHandelsnummer. Het Europees handelsnummer, de zogenaamde EUID, is geïntroduceerd ten behoeve van de koppeling van handelsregisters. De code is gebaseerd op ISO 6523 en is opgebouwd uit een landcode, registeridentificatiecode, inschrijvingsnummer en controlegetal. De landcode is de 2-letterige code van ISO3166, de registeridentificatiecode is de identificatie van het nationale register omdat in sommige landen meerdere handelsregisters bestaan en het inschrijvingsnummer is het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven in het betreffende register. Het controlegetal ter voorkomen van identificatiefouten wordt nog niet gebruikt. De opbouw per element is variabel en daarom is het Europees Handelsnummer in de BRO als domein Tekst 40 opgenomen.

Bij het domein Organisatie is het voldoende de naam te geven, omdat de twee keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

3.2 Het domeinmodel

Het domeinmodel geeft een overzicht van de gegevens van het registratieobject en laat de onderlinge samenhang zien. Modellering van informatie kent verschillende invalshoeken. In de catalogus is het inhoudelijke perspectief gekozen omdat dat de meeste waarde heeft voor de mensen die de informatie moeten begrijpen. Een dergelijk model wordt in de basisregistratie ondergrond een domeinmodel genoemd. Uit het domeinmodel wordt een technisch model afgeleid dat meeweegt dat informatiesystemen efficiënt met elkaar moeten kunnen spreken. Voor het domeinmodel wordt de UML-notatie gebruikt. Met kennis van de gebruikte symbolen is het gemakkelijk te lezen.

Het domeinmodel kent een aantal vaste elementen die bij ieder registratieobject terugkomen. Een begrip van deze elementen vergroot de leesbaarheid van het domeinmodel en de catalogus. De elementen zijn: entiteiten, attributen, gegevensgroepen en relaties. Een entiteit is een onderscheidend geheel van eigenschappen die gezamenlijk betekenis hebben. Een entiteit heeft altijd een naam en een definitie. In het domeinmodel zijn de entiteiten te herkennen aan het begrip Objecttype.

In de entiteiten staan de namen opgesomd van de attributen, de eigenschappen van de entiteiten, met daarachter de naam van de bijbehorende waardenverzameling (domein) en de kardinaliteit. Bij attributen is de kardinaliteit alleen opgenomen wanneer die ongelijk is aan 1. Overigens moet de kardinaliteit altijd in samenhang met de regels die in de definitie van het gegeven zijn opgenomen worden begrepen. De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. De figuren laten ook zien welke attributen alleen aan de dataleverancier en de bronhouder worden uitgeleverd. In het domeinmodel zijn de attributen te herkennen aan het begrip Attribuutsoort.

Soms zijn een aantal attributen gegroepeerd in een groep, aangeduid als gegevensgroep. Het blijven attributen van de entiteit, maar de inhoudelijke definiëring van de gegevensgroep staat elders. Gegevensgroepen kunnen bij meerdere entiteiten terugkomen.

Het domeinmodel laat daarnaast ook zien hoe entiteiten aan elkaar gerelateerd zijn. Een beschrijving van deze relatie is opgenomen bij de bron-entiteit van de relatie. Een relatie heeft altijd een richting en in de meeste gevallen loopt deze van bron naar doel. In het plaatje van een domeinmodel heeft de relatie een naam en een kardinaliteit. Om de leesbaarheid te vergroten staat de kardinaliteit bij de doelentiteit.

Bovenstaand voorbeeld is te lezen als: de entiteit Bepaling bevat één of meerdere metingen. Een meting bestaat uit een meetwaarde en meetconfiguratie-gegevens. De meetconfiguratie bestaat uit twee parameters.

3.3 Verplichte gegevens, verplichte waarden

De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Voor een goed begrip van de gegevensdefinitie is dat nog niet zorgvuldig genoeg geformuleerd. In de praktijk van gegevensuitwisseling is het namelijk mogelijk een attribuut op te nemen zonder waarde. Verbijzonderd voor attributen is de juiste formulering daarom dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een attribuut al dan niet aanwezig is en of een attribuut al dan niet een waarde heeft.

Uitgangspunt is dat een attribuut dat aanwezig is een waarde heeft. Een attribuut wordt alleen bij uitzondering zonder waarde in de berichten opgenomen. Het onderstaande overzicht geeft de vier mogelijkheden die voorkomen.

Voor de kardinaliteiten [0..*] en [1..*] geldt in essentie hetzelfde.

4. Gegevensdefinitie

4.1 Registratieobject

Naam
Code SGM
Definitie

Een entititeit met het geheel van generieke gegevens die voorkomen bij alle verschillende soorten registratieobjecten in de basisregistratie ondergrond (BRO).

4.2 Het domeinmodel

Diagram BodemvlakcollectieRegistratieobjectFysischeBodemKenmerkenChemischeBodemkenmerkenProfiellaagBodemlaagBodemhorizontAfgeleid profielBodemkaartKaartvlakVlak van bodemkundig belangBodemvlakBodemeenheid

Bodemkaart 1:50.000

4.3 Entiteiten en attributen

4.3.1 Bodemvlakcollectie

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een verzameling van één of meer bij elkaar horende bodemvlakken, met een bodemkundige beschrijving, en vlakken van bodemkundig belang, zonder een bodemkundige beschrijving.

Toelichting Een collectie is een logische verzameling bodemkaartvlakken die als een geheel zijn gedocumenteerd. Als voorbeeld is dit de bodemkaart 1:50.000. Het model geeft tot een diepte van 1,2 m onder maaiveld informatie over de verbreiding van bodemkundige kenmerken.
4.3.1.1 soort
Type gegeven Attribuut van Bodemvlakcollectie
Definitie

De soort deelverzameling van het model.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BodemvlakcollectieSoort
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting Biijvoorbeeld kaartbladnummer of actualisatieproject
4.3.1.2 citation
Type gegeven Attribuut van Bodemvlakcollectie
Definitie

CI_Citation wordt gebruikt voor het verschaffen van informatie over een publicatie (wetenschappelijk, handleiding, ...) of citeerbare informatie te verschaffen over een bron (gegevensverzameling, dienst, ...).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam CI_Citation
Materiële geschiedenis Nee

4.3.2 Bodemkaart

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een bodemkundig model van de Nederlandse bodem, bestaande uit een verzameling van bodemvlakcollecties.

4.3.2.1 naam
Type gegeven Attribuut van Bodemkaart
Definitie

De naam van de deelverzameling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam CHARACTERSTRING
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting Bijvoorbeeld het kaartbladnummer of naam van het project.
4.3.2.2 soort
Type gegeven Attribuut van Bodemkaart
Definitie

De soort deelverzameling van het model.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BodemvlakcollectieSoort
Materiële geschiedenis Nee
4.3.2.3 citation
Type gegeven Attribuut van Bodemkaart
Definitie

CI_Citation wordt gebruikt voor het verschaffen van informatie over een publicatie (wetenschappelijk, handleiding, ...) of citeerbare informatie te verschaffen over een bron (gegevensverzameling, dienst, ...).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam CI_Citation
Materiële geschiedenis Nee
4.3.2.4 gerelateerdKaartvlak
Type gegeven Associatie van Bodemkaart
Definitie

De unieke aanduiding van een Kaartvlak waar het Kaartvlak onderdeel van uitmaakt.

Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam gerelateerdKaartvlak
Bron Bodemkaart
Doel Kaartvlak

4.3.3 Bodemhorizont

Type gegeven Entiteit
Definitie

Laag in de grond met kenmerken en eigenschappen die verschillen van de erboven en/of eronder liggende lagen; in het algemeen ligt een horizont min of meer evenwijdig aan het maaiveld.

Toelichting De lagen waaruit de bodem is opgebouwd, worden in de bodemkunde horizonten genoemd. Horizonten ontstaan als gevolg van bodemvormende processen en worden van elkaar onderscheiden op basis van verschillen in onder meer grondsoort, kleur, gehalte aan humus, ijzer en kalk, structuur, consistentie of een combinatie daarvan.
4.3.3.1 staringreeks bouwsteen
Type gegeven Attribuut van Bodemhorizont
Definitie

Indeling van het bodemmateriaal in klassen waaraan hydrofysische karakteristieken zijn gekoppeld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam StaringreeksBouwsteen
4.3.3.2 chemische bodemkenmerken
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemhorizont
Definitie

De chemische kenmerken van de bodemhorizont.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel ChemischeBodemkenmerken
4.3.3.3 fysische bodemkenmerken
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemhorizont
Definitie

De fysische kenmerken van de bodemhorizont.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel FysischeBodemKenmerken

4.3.4 Bodemlaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Profiellaag.

4.3.4.1 afzettingskarakteristiek
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De geologische typering van minerale sedimenten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Afzettingskarakteristiek

4.3.5 Profiellaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Abstract objecttype voor het definiëren van de gemeenschappelijke kenmerken voor Bodemhorizont en Bodemlaag.

4.3.6 Kaartvlak

Type gegeven Entiteit
Definitie

Abstract objecttype voor het definiëren van de gemeenschappelijke kenmerken voor Vlak van bodemkundig belang en Bodemvlak.

4.3.6.1 geometrie
Type gegeven Attribuut van Kaartvlak
Definitie

De geometrie bepaald voor het Kaartvlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam GM_Surface
4.3.6.2 gerelateerdeBodemvlakcollectie
Type gegeven Associatie van Kaartvlak
Definitie

De unieke aanduiding van een Bodemvlakcollectie waar het Kaartvlak onderdeel van uitmaakt.

Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam maakt onderdeel uit van
Relatierol naam gerelateerdeBodemvlakcollectie
Bron Kaartvlak
Doel Bodemvlakcollectie

4.3.7 Bodemvlak

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een begrensd gebied met overeenkomstige bodemkundige kenmerken.

Toelichting De begrenzing is de 2D afbeelding van het 3D bodemlichaam (soil body in INSPIRE) op het aardoppervlak (maaiveld), zodat het als kaart is te gebruiken
4.3.7.1 bodemhelling
Type gegeven Attribuut van Bodemvlak
Definitie

De indeling voor de overheersende helling in het bodemvlak in procenten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemhellingklasse
Materiële geschiedenis Ja
4.3.7.2 gerelateerd bodemlichaam
Type gegeven Attribuut van Bodemvlak
Definitie

De geometrie, als een begrensd 3D-object, bepaald voor het bodemobject met gelijke bodemkenmerken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam GM_Solid
Materiële geschiedenis Ja
4.3.7.3 bodemeenheid
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemvlak
Definitie

Bodemklasse onderscheidend in kenmerken onderlaag en kenmerken bovenlaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Doel Bodemeenheid
Toelichting Bodemeenheid is bodemklasse met eventuele uitbreiding van daarvoor geplaatst BodemkenmerkenBovenlaag en erachter geplaatst BodemkenmerkenOnderlaag.
4.3.7.4 gerelateerdProfiel
Type gegeven Associatie van Bodemvlak
Definitie

De unieke aanduiding van Afgeleid profiel waar het Bodemvlak door wordt getypeerd.

Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam wordt getypeerd door
Relatierol naam gerelateerdProfiel
Bron Bodemvlak
Doel Afgeleid profiel

4.3.8 Vlak van bodemkundig belang

Type gegeven Entiteit
Definitie

Vlak waarvoor geen bodemkundige beschrijving mogelijk is (stedelijk gebied, water, etc), maar wel relevant voor de interpretatie van de bodem in de directe omgeving.

4.3.8.1 bodemkundig belang
Type gegeven Attribuut van Vlak van bodemkundig belang
Definitie

Aanduiding van het type vlak waarmee aangegeven wordt wat mogelijk het belang ervan is voor omliggende bodemvlakken

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BodemkundigBelang
Materiële geschiedenis Ja

4.3.9 Afgeleid profiel

Type gegeven Entiteit
Definitie

Beschrijving van de bodem die wordt gekenmerkt door een verticale opeenvolging van profielelementen (horizonten en lagen).

Toelichting Een representatief bodemprofiel van een bodemeenheid. Een afgeleid profiel is geconstrueerd uit waarnemingen en analyses aan wanden en boorgaten gelegen in kaartvlakken die tot dezelfde bodemeenheid behoren. Een vaak gebruikte andere naam is standaardprofiel of geschematiseerde profielschets.
4.3.9.1 identificatie
Type gegeven Attribuut van Afgeleid profiel
Definitie

Unieke aanduiding van een afgeleid profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Integer
Materiële geschiedenis Nee
4.3.9.2 bodemeenheid
Type gegeven Attribuut van Afgeleid profiel
Definitie

Bodemklasse onderscheidend in kenmerken onderlaag en kenmerken bovenlaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemeenheid
Materiële geschiedenis Ja
4.3.9.3 landgebruik
Type gegeven Attribuut van Afgeleid profiel
Definitie

Indeling van het land naar het type gebruik.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Domein
  Naam Landgebruik
Materiële geschiedenis Ja
Toelichting Indien Landgebruik is leeg, dan geldt het afgeleid profiel voor alle typen landgebruik.
4.3.9.4 regio
Type gegeven Attribuut van Afgeleid profiel
Definitie

Geografisch gebied.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Regio
Materiële geschiedenis Ja
4.3.9.5 gerelateerdeProfielelement
Type gegeven Associatie van Afgeleid profiel
Definitie

De unieke aanduiding van Profiellaag waar het Afgeleid profiel uit bestaat.

Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam gerelateerdeProfielelement
Bron Afgeleid profiel
Doel Profiellaag

4.3.10 ChemischeBodemkenmerken

Type gegeven Entiteit
Definitie

De bodemchemische typering van de BodemHorizont.

4.3.10.1 organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Mediane waarde van het gehalte aan organische stof, uitgedrukt in massaprocenten op de totale massa grond waaruit delen groter dan 2 mm zijn verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.2 10-percentiel organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Het 10-percentiel voor de variatie in het organische stofgehalte, uitgedrukt in massaprocenten op de totale massa grond waaruit delen groter dan 2 mm zijn verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.3 90-percentiel organische stofgehalte
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Het 90-percentiel voor de variatie in het organische stofgehalte, uitgedrukt in massaprocenten op de totale massa grond waaruit delen groter dan 2 mm zijn verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.4 pH-KCl
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Mediane waarde van de zuurgraad uitgedrukt als pH-KCl.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid pH
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.5 10-percentiel pH-KCl
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Het 10-percentiel voor de variatie in zuurgraad uitgedrukt als pH-KCl.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid pH
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.6 90-percentiel pH-KCl
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Het 90-percentiel voor de variatie in zuurgraad uitgedrukt als pH-KCl.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid pH
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.7 cn verhouding
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Veel gebruikte verhouding tussen de hoeveelheid koolstof en stikstof in de organische stof.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.8 veensoort
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Een nadere typering van het als veen omschreven bestanddeel van grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Veensoort
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.9 kalkgehalte
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Mediane waarde van het kalkgehalte (CACO3), uitgedrukt in massaprocenten op de totale massa grond waaruit delen groter dan 2 mm zijn verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.10.10 Fe-dith
Type gegeven Attribuut van ChemischeBodemkenmerken
Definitie

Mediane Fe2O3-gehalte, geëxtraheerd met dithioniet-citraat-bicarbonaat en uitgedrukt in massaprocenten op de totale massa grond waaruit delen groter dan 2 mm zijn verwijderd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja

4.3.11 FysischeBodemKenmerken

Type gegeven Entiteit
Definitie

De bodemfysische typering van de BodemHorizont

4.3.11.1 leemgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Mediane waarde van het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 50 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.2 10-percentiel leemgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 10-percentiel voor de variatie in het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 50 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.3 90-percentiel leemgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 90-percentiel voor de variatie in het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 50 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.4 lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Mediane waarde van het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.5 10-percentiel lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 10-percentiel voor de variatie in het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.6 90-percentiel lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 90-percentiel voor de variatie in het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.7 zandmediaan
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Mediane waarde van de zandfractie (uitgedrukt in µm).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid µm
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.8 10-percentiel zandmediaan
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 10-percentiel voor de variatie in zandmediaan (uitgedrukt in µm).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid µm
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.9 90-percentiel zandmediaan
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Het 90-percentiel voor de variatie in zandmediaan (uitgedrukt in µm).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid µm
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.10 siltgehalte
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Mediane waarde van het gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 50 µm en 2 mm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid massaprocenten
Materiële geschiedenis Ja
4.3.11.11 dichtheid
Type gegeven Attribuut van FysischeBodemKenmerken
Definitie

Mediane waarde voor de volumieke massa (g/cm3).

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde
  Eenheid g/cm3 (gram/kubieke centimeter)
Materiële geschiedenis Ja

4.3.12 Bodemeenheid

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een bodemeenheid is de meest gedetailleerde eenheid van de bodemkaart en vormt de basis voor elke interpretatie.

4.3.12.1 bodemklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemeenheid
Definitie

De indeling van de bodemtypen op specifiek niveau.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemklasse
Materiële geschiedenis Ja
4.3.12.2 bodemhoofdklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemeenheid
Definitie

indeling van bodemtypen op generiek niveau

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemhoofdklasse
Materiële geschiedenis Ja
4.3.12.3 kenmerken bovenlaag
Type gegeven Attribuut van Bodemeenheid
Definitie

De bodemspecifieke kenmerken in de eerste 40 à 50 cm van het bodemprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam BodemkenmerkenBovenlaag
Materiële geschiedenis Ja
4.3.12.4 kenmerken onderlaag
Type gegeven Attribuut van Bodemeenheid
Definitie

De bodemspecifieke kenmerken in het bodemprofiel tussen 40 en 120 cm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam BodemkenmerkenOnderlaag
Materiële geschiedenis Ja

5. Uitbreidbare waardelijsten

5.1 Afzettingskarakteristiek

De lijst met de afzettingskarakteristieken vanuit bodemkundig perspectief.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
dekzandFluvioperiglaciaal

Afzetting van dekzand van vroeg pleistocene ouderdom, in de warmere periode tussen de ijstijden met water meegevoerd.

dekzandLaatWeichselien

Afzetting van dekzand van laat-Weichselien ouderdom.

dekzandMiddenWeichselien

Afzetting van dekzand van midden-Weichselien ouderdom.

dekzandPremorenaal

Afzetting van dekzand van vroeg pleistocene ouderdom.

duinKustLaatHoloceen

Stuifzand in de vorm van duinen aan de kust, van laat-holocene ouderdom.

duinKustVroegHoloceen

Stuifzand in de vorm van duinen aan de kust, van vroeg-holocene ouderdom.

duinLandHoloceen

Stuifzand in de vorm van duinen aan land, van holocene ouderdom.

duinRivierHoloceen

Stuifzand in de vorm van duinen langs/naast de rivieren, van holocene ouderdom.

eolischZand

Eolische of fluvioperiglaciale afzetting van zand, anders dan dekzand, stuifzand en löss.

fluviatielBeekHoloceen

Afzetting van holocene ouderdom gevormd door beken of kleine rivieren.

fluviatielMaasHoloceen

Afzetting van Maas, van holocene ouderdom.

fluviatielMaasRijnLaatPleistoceen

Afzetting van Rijn of Maas, van laat-pleistocene ouderdom.

fluviatielMaasRijnVroegMiddenPleistoceen

Afzetting van Rijn of Maas, van vroeg- of midden-pleistocene ouderdom.

fluviatielOostelijkeRivieren

Afzetting van het systeem van oostelijke rivieren dat het Eridanos riviersysteem wordt genoemd en in het Neogeen en Pleistoceen actief was.

fluviatielRijnHoloceen

Afzetting van Rijn, van holocene ouderdom.

fluviatielUiterwaardHoloceen

Afzetting van Rijn of Maas, vanaf het moment van het bouwen van dijken.

gebrokenDek

Zandbijmening in klei.

gestuwdMaasRijnPleistoceen

Afzetting van Rijn of Maas, van pleistocene ouderdom, in gestuwde positie.

gestuwdOostelijkeRivieren

Afzetting van het Eridanos riviersysteem in gestuwde positie.

gestuwdTertiair

Afzetting van tertiaire ouderdom in gestuwde positie.

glaciaalKeileem

Sterk zandige tot uiterst siltige vaste veelal grijze klei met grove tot zeer grove secundaire fractie, grondmorene gevormd onder de ijskap van de voorlaatste ijstijd (Saalien). Formatie van Drente, Laagpakket van Gieten.

glaciaalKeizand

Keizand.

glaciaalPotklei

Zwak tot matig siltig of zandige, stevig tot (zeer) harde, veelal kalkrijke en glimmerhoudende, licht- tot donkergrijze, of donkerbruine tot zwarte, nabij het maaiveld door oxidatie soms rode klei. Formatie van Peelo, Laagpakket van Nieuwolda. Sedimenten die afgezet zijn in diepe sub-glaciale smeltwatergeulen, direct na het afsmelten van het Elsterien landijs. Hoge tot zeer hoge lutum percentages zijn kenmerkend, in enkele gevallen oplopend tot 60%. Kenmerkend voor de Formatie van Peelo is de sterke wisseling in dikte over korte afstanden. Klei soms gelamineerd in warven. Fijnkorrelige smeltwaterafzetting die volledig uit vettig klei bestaat.

glaciaalWarvenklei

Zeer regelmatig gelamineerde opeenvolging ontstaan door seizoensinvloed op afzetting in glaciaal meer, bijvoorbeeld potklei en glaciale klei in Bekken van Amsterdam (Laag van Oosterdok, Formatie van Drente). Warven tonen een afwisseling in zomerlagen (licht) en winterlagen (donker). Fijnkorrelige smeltwaterafzetting die uit laagjes potklei afgewisseld met laagjes zand bestaat.

glaciaalZand

Afzetting van zand door smeltwater in pleistoceen, meestal in de vorm van waaiers (sandrs).

hellingGrof

Hellingafzetting van grof materiaal, meestal vermengd met fijner materiaal, van pleistocene ouderdom.

hellingLoess

Hellingafzetting van holocene ouderdom die uit in pleistoceen op de helling afgezette löss bestaat.

loessdek

Afzetting van löss op heuvels, op een groot aaneengesloten areaal.

loessinsluiting

Afzetting van löss in kleine, versnipperde, lager liggende, natte gebieden.

marienFluviatielHoloceen

Afzetting van holocene ouderdom gevormd in het overgangsbereik tussen rivier en zee.

marienLagunairHoloceen

Afzetting van holocene ouderdom gevormd in de lagunen.

marienLaatHoloceen

Afzetting van laat-holocene ouderdom gevormd in zee.

marienVroegHoloceen

Afzetting van vroeg-holocene ouderdom gevormd in zee.

tertiair

Afzetting van tertiaire ouderdom.

dekzandPleistoceen

Afzetting van dekzand van pleistocene ouderdom zonder nadere specificatie.

duinKustHoloceen

Zandafzetting in de vorm van duinen aan de kust, van holocene ouderdom zonder nadere specificatie.

fluviatielMaasRijnHoloceen

Afzetting van Rijn of Maas, van holocene ouderdom.

fluviatielMaasRijnPleistoceen

Afzetting van Rijn of Maas, van pleistocene ouderdom zonder nadere specificatie.

gestuwd

Afzetting in gestuwde positie, de afkomst en ouderdom niet gespecificeerd.

glaciaal

Afzetting van ongespecificeerd materiaal door smeltwater, van pleistoceen ouderdom.

loess

Lössafzetting van pleistocene ouderdom zonder nadere specificatie.

marienHoloceen

Afzetting van holocene ouderdom gevormd in zee, zonder nadere specificatie.

5.2 Bodemhellingklasse

De klasse van de overheersende helling in het Bodemvlak in procenten

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
A

Vlak en bijna vlak, hellingspercentage <2%.

B

Zwak hellend, hellingspercentage 2-5%.

C

Matig hellend, hellingspercentage 5-8%

D

Sterk hellend, hellingspercentage 8-16%.

E

Vrij steil, hellingspercentage 16-25%.

F

Zeer steil, hellingspercentage >25%.

5.3 Bodemhoofdklasse

Generalisatie van bodemtypen op basis van moedermateriaal (grondsoort en afzettingswijze) en bodemvorming.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
V

Veengronden

W

Moerige gronden

H en Y

Podzolgronden

B

Brikgronden

EZ, EL, EK

Dikke eerdgronden

Z

Kalkloze zandgronden

Z..A

Kalkhoudende zandgronden

S..A

Kalkhoudende bijzonder lutumarme gronden

MO en RO

Niet-gerijpte minerale gronden

M

Zeekleigronden

R

Rivierkleigronden

KR

Oude rivierkleigronden

KX en KT

Oude kleigronden

L

Leemgronden

MZ, MK, MA, FK, FG, KM, KK, KS

Oude gronden in Zuid-Limburg

5.4 Bodemklasse

Een bodemklasse is een onderverdeling van de bodemhoofdklasse tot een bodemeenheid (ookwel: legenda-eenheid).

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
AAK

Afgegraven kleigronden

AAP

Aangemaakte petgaten

ABH

Brunsumer-heidegronden

ABk

Kleiige beekdalgronden

ABl

Lössige beekdalgronden

ABv

Venige beekdalgronden

ABz

Zandige beekdalgronden

AD

Duin- en kweldergronden

AEk9

Geëgal. en verw. zeekleigronden zonder veen binnen 120 cm, zware zavel en lichte klei

AEm5

Geëgal. en verw. zeekleigronden met plaatselijk veen binnen 120 cm, zavel

AEm8

Geëgal. en verw. zeekleigronden met plaatselijk veen binnen 120 cm, klei

AEm9

Geëgal. en verw. zeekleigronden met plaatselijk veen binnen 120 cm, zware zavel en lichte klei

AEm9A

Geëgal. en verw. zeekleigronden met plaatselijk veen binnen 120 cm of met niet-gerijpte ondergrond, zware zavel en lichte klei

AEp6A

Geëgal. en verw. zeekleigronden (eerd- en vaaggronden met gerijpte ondergrond), zavel en lichte klei, kalkrijk

AEp7A

Geëgal. en verw. zeekleigronden (eerd- en vaaggronden met gerijpte ondergrond), zware zavel en klei, kalkrijk

aEVc

Boveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen (al dan niet op zand, beginnend ondieper dan 120 cm)

aEVs

Boveengronden op veenmosveen (al dan niet op zand, beginnend ondieper dan 120 cm)

AFk

Roodoornige kleiige Vechtdalgronden

AFz

Roodoornige zandige Vechtdalgronden

AGm9C

Hollebollige, gemoerde zeekleigronden, zware zavel en lichte klei

AHa

Glauconiethellinggronden

AHb

Breukhellinggronden

AHc

Löss-, terras- en kalksteenhellinggronden

AHk

Kalksteenhellinggronden

AHl

Löss-, en terrashellinggronden

AHs

Vuursteenhellinggronden

AHt

Terrashellinggronden

AHv

Terras-, tertiair-, kalksteen- en veenhellinggronden

AHz

Löss-, tertiair- en terrashellinggronden

AK

Kreekbeddingen

ALu

Linge-uiterwaardgronden

AM

Mengelgronden

AMm

Gronden in oude maasmeanders

AO

Overslaggronden

AP

Petgaten

AQ

Met huisvuil opgehoogde gronden

AR

Roergronden

AS

Stuifzandgronden

aVc

Madeveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen

AVk

Veenafbraakgebied

AVo

Veen in ontginning

aVp

Madeveengronden op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

aVs

Madeveengronden op veenmosveen

aVz

Madeveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

AWg

Warmoezerijgronden (gerijpt)

AWo

Warmoezerijgronden (ongerijpt)

AWv

Warmoezerijgronden (veen)

AZ1

Strandwalgronden

AZW0A

Wieringermeergronden, zand, kalkrijk

AZW1A

Wieringermeergronden, zand en lichte zavel, kalkrijk

AZW5A

Wieringermeergronden, zand en zavel, kalkrijk

AZW6A

Wieringermeergronden, zavel en klei, kalkrijk

AZW7A

Wieringermeergronden, zware zavel en klei, kalkrijk

AZW8A

Wieringermeergronden, klei, kalkrijk

bEZ21

Hoge bruine enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

bEZ23

Hoge bruine enkeerdgronden, lemig fijn zand

bEZ30

Hoge bruine enkeerdgronden, grof zand

BKd25

Radebrikgronden, fijnzandige lichte zavel

BKd26

Radebrikgronden, fijnzandige, siltige, lichte zavel

BKd35

Radebrikgronden, grofzandige, siltige, lichte zavel

BKh25

Daalbrikgronden, fijnzandige lichte zavel

BKh26

Daalbrikgronden, fijnzandige, siltige, lichte zavel

BKh35

Daalbrikgronden, grofzandige, siltige, lichte zavel

BKn25

Kuilbrikgronden, fijnzandige lichte zavel

BKn26

Kuilbrikgronden, fijnzandige, siltige, lichte zavel

BKn35

Kuilbrikgronden, grofzandige, siltige, lichte zavel

Blb5

Bergbrikgronden, zandige leem

Blb6

Bergbrikgronden, siltige leem

BLd5

Radebrikgronden, zandige leem

BLd6

Radebrikgronden, siltige leem

BLh5

Daalbrikgronden, zandige leem

BLh6

Daalbrikgronden, siltige leem

BLn5

Kuilbrikgronden, zandige leem

BLn6

Kuilbrikgronden, siltige leem

bRn46C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei (bruine komgrond), zware klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

BZd23

Rooibrikgronden, zwak en sterk lemig fijn zand

BZd24

Rooibrikgronden, zeer sterk lemig fijn zand

BZh24

Delbrikgronden, zeer sterk lemig fijn zand

BZn24

Beemdbrikgronden, zeer sterk lemig fijn zand

cHd21

Kamppodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

cHd23

Kamppodzolgronden, lemig fijn zand

cHd30

Kamppodzolgronden, grof zand

cHn21

Laarpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

cHn23

Laarpodzolgronden, lemig fijn zand

cHn30

Laarpodzolgronden, grof zand

cY21

Loopodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

cY23

Loopodzolgronden, lemig fijn zand

cY30

Loopodzolgronden, grof zand

cZd21

Akkereerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

cZd23

Akkereerdgronden, lemig fijn zand

cZd30

Akkereerdgronden, grof zand

EK16

Tuineerdgronden, lichte zavel, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

EK19

Tuineerdgronden, lichte zavel, profielverloop 5, of 5 en 2, of 2

EK76

Tuineerdgronden, zware zavel en klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

EK79

Tuineerdgronden, zware zavel en klei, profielverloop 5, of 5 en 2, of 2

EL5

Tuineerdgronden, zandige leem

EZ50A

Kalkhoudende enkeerdgronden, matig fijn zand

EZg21

Lage enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

EZg23

Lage enkeerdgronden, lemig fijn zand

EZg30

Lage enkeerdgronden, grof zand

FG

Fluviatiele afzettingen ouder dan laat-pleistoceen, grind en grof zand

FK

Fluviatiele afzettingen ouder dan laat-pleistoceen, zavel en klei

G1

Grindgronden

gMn15C

Knippige poldervaaggronden, lichte zavel, profielverloop 5

gMn25C

Knippige poldervaaggronden, zware zavel, profielverloop 5

gMn52C

Knippige poldervaaggronden, zavel, profielverloop 2

gMn53C

Knippige poldervaaggronden, zavel, profielverloop 3

gMn58C

Knippige poldervaaggronden, zavel, profielverloop 4, of 4 en 3

gMn82C

Knippige poldervaaggronden, klei, profielverloop 2

gMn83C

Knippige poldervaaggronden, klei, profielverloop 3

gMn85C

Knippige poldervaaggronden, klei, profielverloop 5

gMn88C

Knippige poldervaaggronden, klei, profielverloop 4, of 4 en 3

Hd21

Haarpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Hd23

Haarpodzolgronden, lemig fijn zand

Hd30

Haarpodzolgronden, grof zand

hEV

Aarveengronden

Hn21

Veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Hn23

Veldpodzolgronden, lemig fijn zand

Hn30

Veldpodzolgronden, grof zand

hVb

Koopveengronden op bosveen (of eutroof broekveen)

hVc

Koopveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen

hVd

Koopveengronden op bagger, verslagen veen, gyttja of andere veensoorten

hVk

Koopveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel of klei, beginnend ondieper dan 120 cm

hVr

Koopveengronden op rietveen of zeggerietveen

hVs

Koopveengronden op veenmosveen

hVz

Koopveengronden op zand, beginnend ondieper dan 120 cm

iVc

Veengronden met een veenkoloniaal dek op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen

iVp

Veengronden met een veenkoloniaal dek op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

iVs

Veengronden met een veenkoloniaal dek op veenmosveen

iVz

Veengronden met een veenkoloniaal dek op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

iWp

Moerige podzolgronden met een veenkoloniaal dek en een moerige tussenlaag

iWz

Moerige eerdgronden met een veenkoloniaal dek en een moerige tussenlaag op zand

KK

Kleefaarde

KM

Ondiep kalksteen

kMn43C

Knippoldervaaggronden, zware klei, profielverloop 3

kMn48C

Knippoldervaaggronden, zware klei, profielverloop 4, of 4 en 3

kMn63C

Knippoldervaaggronden, zavel en lichte klei, profielverloop 3

kMn68C

Knippoldervaaggronden, zavel en lichte klei, profielverloop 4, of 4 en 3

KRd1

Ooivaaggronden in oude rivierklei, lichte zavel

KRd7

Ooivaaggronden in oude rivierklei, zware zavel en klei

KRn1

Poldervaaggronden in oude rivierklei, lichte zavel

KRn2

Poldervaaggronden in oude rivierklei, zware zavel

KRn8

Poldervaaggronden in oude rivierklei, klei

KS

Vuursteen eluvium

KT

Overige kleigronden (tertiair)

kVb

Waardveengronden op bosveen (of eutroof broekveen)

kVc

Waardveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen

kVd

Waardveengronden op bagger, verslagen veen, gyttja of andere veensoorten

kVk

Waardveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel of klei, beginnend ondieper dan 120 cm

kVr

Waardveengronden op rietveen of zeggerietveen

kVs

Waardveengronden op veenmosveen

kVz

Waardveengronden op zand, beginnend ondieper dan 120 cm

kWp

Moerige podzolgronden met een zavel- of kleidek en een moerige tussenlaag

kWz

Moerige eerdgronden met een zavel- of kleidek en een moerige tussenlaag op zand

KX

Ondiepe keileem, potklei, enz.

Ld5

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, zandige leem in situ

Ld6

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, siltige leem in situ

Ldd5

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, zandige leem, colluvium in dal

Ldd6

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, siltige leem, colluvium in dal

Ldh5

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, zandige leem, colluvium in hellingvoet of uitspoelingswaaier

Ldh6

Ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm, siltige leem, colluvium in hellingvoet of uitspoelingswaaier

Lh5

Ooivaaggronden met roest beginnend tussen 50 en 80 cm, zandige leem in situ

Lh6

Ooivaaggronden met roest beginnend tussen 50 en 80 cm, siltige leem in situ

Ln5

Poldervaaggronden, zandige leem in situ

Ln6

Poldervaaggronden, siltige leem in situ

Lnd5

Poldervaaggronden, zandige leem, colluvium in dal

Lnd6

Poldervaaggronden, siltige leem, colluvium in dal

Lnh5

Poldervaaggronden, zandige leem, colluvium in hellingvoet of uitspoelingswaaier

Lnh6

Poldervaaggronden, siltige leem, colluvium in hellingvoet of uitspoelingswaaier

MA

Mariene afzettingen ouder dan pleistoceen, glauconietklei

Md10

Ooivaaggronden in zeeklei, lichte zavel

Md20

Ooivaaggronden in zeeklei, zware zavel

Md80

Ooivaaggronden in zeeklei, klei

MK

Mariene afzettingen ouder dan pleistoceen, zavel en klei

Mn12A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, lichte zavel, profielverloop 2

Mn15A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, lichte zavel, profielverloop 5

Mn15C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, lichte zavel, profielverloop 5

Mn22A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, zware zavel, profielverloop 2

Mn25A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, zware zavel, profielverloop 5

Mn25C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, zware zavel, profielverloop 5

Mn35A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, lichte klei, profielverloop 5

Mn45A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, zware klei, profielverloop 5

Mn52C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, zavel, profielverloop 2

Mn56A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, zavel, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Mn56C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, zavel, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Mn82A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 2

Mn82C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 2

Mn85C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 5

Mn86A

Kalkrijke poldervaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Mn86C

Kalkarme poldervaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Mo10A

Kalkrijke nesvaaggronden in zeeklei, lichte zavel

Mo20A

Kalkrijke nesvaaggronden in zeeklei, zware zavel

Mo50C

Kalkarme nesvaaggronden in zeeklei, zavel

Mo80A

Kalkrijke nesvaaggronden in zeeklei, klei

Mo80C

Kalkarme nesvaaggronden in zeeklei, klei

MOb12

Gorsvaaggronden in zeeklei, lichte zavel, zand beginnend ondieper dan 80 cm

MOb15

Gorsvaaggronden in zeeklei, lichte zavel, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

MOb72

Gorsvaaggronden in zeeklei, zware zavel en klei, zand beginnend ondieper dan 80 cm

MOb75

Gorsvaaggronden in zeeklei, zware zavel en klei, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

MOo02

Slikvaaggronden in zeeklei, zand beginnend ondieper dan 80 cm

MOo05

Slikvaaggronden in zeeklei, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

Mv41C

Kalkarme drechtvaaggronden in zeeklei, zware klei, profielverloop 1

Mv51A

Kalkrijke drechtvaaggronden in zeeklei, zavel, profielverloop 1

Mv61C

Kalkarme drechtvaaggronden in zeeklei, zavel en lichte klei, profielverloop 1

Mv81A

Kalkrijke drechtvaaggronden in zeeklei, klei, profielverloop 1

MZk

Mariene afzettingen ouder dan pleistoceen, fijn zand en zavel

MZz

Mariene afzettingen ouder dan pleistoceen, fijn zand

pKRn1

Leek-/woudeerdgronden in oude rivierklei, lichte zavel

pKRn2

Leek-/woudeerdgronden in oude rivierklei, zware zavel

pKRn8

Leek-/woudeerdgronden in oude rivierklei, klei

pLn5

Leek-/woudeerdgronden, zandige leem, in situ

pLn6

Leek-/woudeerdgronden, siltige leem, in situ

pMd50

Hofeerdgronden in zeeklei, zavel

pMd80

Hofeerdgronden in zeeklei, klei

pMn52A

Kalkrijke leek-/woudeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 2

pMn52C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 2

pMn55A

Kalkrijke leek-/woudeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 5

pMn55C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 5

pMn56C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

pMn82A

Kalkrijke leek-/woudeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 2

pMn82C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 2

pMn85A

Kalkrijke leek-/woudeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 5

pMn85C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 5

pMn86C

Kalkarme leek-/woudeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

pMo50

Tochteerdgronden in zeeklei, zavel

pMo80

Tochteerdgronden in zeeklei, klei

pMv51

Liedeerdgronden in zeeklei, zavel, profielverloop 1

pMv81

Liedeerdgronden in zeeklei, klei, profielverloop 1

pRn56

Leek-/woudeerdgronden in rivierklei, zavel, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

pRn59

Leek-/woudeerdgronden in rivierklei, zavel, profielverloop 5, of 5 en 2, of 2

pRn86

Leek-/woudeerdgronden in rivierklei, klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

pRn89

Leek-/woudeerdgronden in rivierklei, klei, profielverloop 5, of 5 en 2, of 2

pRv51

Liedeerdgronden in rivierklei, zavel, profielverloop 1

pRv81

Liedeerdgronden in rivierklei, klei, profielverloop 1

pVb

Weideveengronden op bosveen (of eutroof broekveen)

pVc

Weideveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen

pVd

Weideveengronden op bagger, verslagen veen, gyttja of andere veensoorten

pVk

Weideveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel of klei, beginnend ondieper dan 120 cm

pVr

Weideveengronden op rietveen of zeggerietveen

pVs

Weideveengronden op veenmosveen

pVz

Weideveengronden op zand, beginnend ondieper dan 120 cm

pZg10A

Kalkhoudende beekeerdgronden, uiterst fijn zand

pZg20A

Kalkhoudende beekeerdgronden, zeer fijn en matig fijn zand

pZg21

Beekeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

pZg23

Beekeerdgronden, lemig fijn zand

pZg30

Beekeerdgronden, grof zand

pZn21

Gooreerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

pZn23

Gooreerdgronden, lemig fijn zand

pZn30

Gooreerdgronden, grof zand

Rd10A

Kalkhoudende ooivaaggronden in rivierklei, lichte zavel

Rd10C

Kalkloze ooivaaggronden in rivierklei, lichte zavel

Rd40A

Kalkhoudende ooivaaggronden in rivierklei, zware klei

Rd40C

Kalkloze ooivaaggronden in rivierklei, zware klei

Rd90A

Kalkhoudende ooivaaggronden in rivierklei, zware zavel en lichte klei

Rd90C

Kalkloze ooivaaggronden in rivierklei, zware zavel en lichte klei

Rn14C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, lichte zavel, profielverloop 4

Rn15A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, lichte zavel, profielverloop 5

Rn15C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, lichte zavel, profielverloop 5

Rn42C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 2

Rn44C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 4

Rn45A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 5

Rn45C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 5

Rn46A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Rn47C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware klei, profielverloop 3, of 3 en 4

Rn52A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, zavel, profielverloop 2

Rn62C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zavel en lichte klei, profielverloop 2

Rn66A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, zavel en lichte klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

Rn67C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zavel en lichte klei, profielverloop 3, of 3 en 4

Rn82A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, klei, profielverloop 2

Rn94C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware zavel en lichte klei, profielverloop 4

Rn95A

Kalkhoudende poldervaaggronden in rivierklei, zware zavel en lichte klei, profielverloop 5

Rn95C

Kalkloze poldervaaggronden in rivierklei, zware zavel en lichte klei, profielverloop 5

Ro40A

Kalkhoudende nesvaaggronden in rivierklei, zware klei

Ro40C

Kalkloze nesvaaggronden in rivierklei, zware klei

Ro60A

Kalkhoudende nesvaaggronden in rivierklei, zavel en lichte klei

Ro60C

Kalkloze nesvaaggronden in rivierklei, zavel en lichte klei

ROb12

Gorsvaaggronden in rivierklei, lichte zavel, zand beginnend ondieper dan 80 cm

ROb15

Gorsvaaggronden in rivierklei, lichte zavel, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

ROb72

Gorsvaaggronden in rivierklei, zware zavel en klei, zand beginnend ondieper dan 80 cm

ROb75

Gorsvaaggronden in rivierklei, zware zavel en klei, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

ROo02

Slikvaaggronden in rivierklei, zand beginnend ondieper dan 80 cm

ROo05

Slikvaaggronden in rivierklei, geen zand beginnend ondieper dan 80 cm

Rv01A

Kalkhoudende drechtvaaggronden in rivierklei, profielverloop 1

Rv01C

Kalkloze drechtvaaggronden in rivierklei, profielverloop 1

Sn13A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, zwak en sterk lemig, kleiig, uiterst fijn zand (in IJsselmeerpolders andere omschrijving)

Sn14A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, zeer sterk lemig, kleiig, uiterst fijn zand (in IJsselmeerpolders andere omschrijving)

tZd21

Kanteerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

tZd23

Kanteerdgronden, lemig fijn zand

tZd30

Kanteerdgronden, grof zand

uVc

Meerveengronden, mineraal dek 5-8% lutum, op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen

uVp

Meerveengronden, mineraal dek 5-8% lutum, op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

uVs

Meerveengronden, mineraal dek 5-8% lutum, op veenmosveen

uVz

Meerveengronden, mineraal dek 5-8% lutum, op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

uWp

Moerige podzolgronden met een mineraal dek 5-8% lutum en een moerige tussenlaag

uWz

Moerige eerdgronden met een mineraal dek 5-8% lutum en een moerige tussenlaag op zand

Vb

Vlierveengronden op bosveen (of eutroof broekveen)

Vc

Vlierveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen

Vd

Vlierveengronden op bagger, verslagen veen, gyttja of andere veensoorten

Vk

Vlierveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel of klei, beginnend ondieper dan 120 cm

Vo

Vlietveengronden

Vp

Vlierveengronden op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

Vr

Vlierveengronden op rietveen of zeggerietveen

Vs

Vlierveengronden op veenmosveen

vWp

Moerige podzolgronden met een moerige bovengrond

vWz

Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand

Vz

Vlierveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

Wg

Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op gerijpte zavel of klei

Wo

Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op niet-gerijpte zavel of klei

Y21

Holtpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Y21b

Horstpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Y23

Holtpodzolgronden, lemig fijn zand

Y23b

Horstpodzolgronden, lemig fijn zand

Y30

Holtpodzolgronden, grof zand

Zb20A

Kalkhoudende vorstvaaggronden, fijn zand

Zb21

Vorstvaaggronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Zb23

Vorstvaaggronden, lemig fijn zand

Zb30

Vorstvaaggronden, grof zand

Zb30A

Kalkhoudende vorstvaaggronden, grof zand

Zd20A

Kalkhoudende duinvaaggronden, fijn zand

Zd21

Duinvaaggronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Zd23

Duinvaaggronden, lemig fijn zand

Zd30

Duinvaaggronden, grof zand

Zd30A

Kalkhoudende duinvaaggronden, grof zand

zEZ21

Hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

zEZ23

Hoge zwarte enkeerdgronden, lemig fijn zand

zEZ30

Hoge zwarte enkeerdgronden, grof zand

Zn10A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, uiterst fijn zand

Zn21

Vlakvaaggronden, leemarm en zwak lemig fijn zand

Zn23

Vlakvaaggronden, lemig fijn zand

Zn30

Vlakvaaggronden, grof zand

Zn30A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, grof zand

Zn40A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, zeer fijn zand

Zn50A

Kalkhoudende vlakvaaggronden, matig fijn zand

zVc

Meerveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen

zVp

Meerveengronden op zand met humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

zVs

Meerveengronden op veenmosveen

zVz

Meerveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm

zWp

Moerige podzolgronden met een humushoudend zanddek en een moerige tussenlaag

zWz

Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand

Zn30Ab

Kalkhoudende vlakvaaggronden met oppervlakkige ontkalking, grof zand

Zn50Ab

Kalkhoudende vlakvaaggronden met oppervlakkige ontkalking, matig fijn zand

Zd20Ab

Kalkhoudende duinvaaggronden met oppervlakkige ontkalking, fijn zand

5.5 BodemkenmerkenBovenlaag

Opsomming van de toegestane waarden van specifieke kenmerken in de eerste 40 cm van het bodemprofiel.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
b...

Kruinige percelen

d...

Plaatselijk verdrogende lagen in de bovengrond

e...

Bij zeekleigronden (eM...): Zoete getijdenafzetting, ten minste 40 cm dik; bij rivierkleigronden (eR...): Getijdenafzetting, 15 à 40 cm dik, op rivierklei.

f...

Plaatselijk ijzerrijk, binnen 50 cm beginnend en ten minste 10 cm dik

g...

Grind ondieper dan 40 cm beginnend

k...

Zavel- of kleidek, 15 à 40 cm dik

m...

Stenen in de bovengrond

n...

Plaatselijk zout

o...

Opgebracht moerig dek, 15 à 50 cm dik

s...

Zanddek, 5 à 15 cm dik

u...

Kleiig, uiterst fijn silt- ofzanddek, 15 a 40 cm dik

z...

Zanddek, 15 a 40 cm dik

5.6 BodemkenmerkenOnderlaag

Opsomming van de toegestane waarden van specifieke kenmerken in het bodemprofiel dieper dan 40 cm.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
...c

Spalterveen, ten minste 5 cm dik

...d

Dalfase

...g

Grof zand en/of grind beginnend tussen 40 en 80 cm en ten minste 40 cm dik, of beginnend dieper dan 80 cm en doorgaand tot dieper dan 120 cm

...l

Plaatselijk katteklei binnen 80 cm beginnend en ten minste 10 cm dik

...p

Pleistoceen zand beginnend tussen 40 en 120 cm

...r

Meestal niet geheel gerijpte zavel en klei beginnend tussen 40 en 120 cm

...t

Gerijpte oude klei, anders dan keileem of polklei beginnend tussen 40 en 120 cm en ten minste 20 cm dik

...v

Moerig materiaal beginnend dieper dan 80 cm en doorgaand tot dieper dan 120 cm

...w

Moerig materiaal, 15 a 40 cm dik en beginnend tussen 40 en 80.cm

...x

Keileem of potklei beginnend tussen 40 en 120 cm en ten minste 20 cm.dik

5.7 BodemkundigBelang

Gebieden op de bodemkaart waar door bijzondere omstandigheden de bodem niet getypeerd kan worden.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
|a GROEVE

Zand, leem- of grindgroeve

|b AFGRAV

Afgegraven

|c OPHOOG

Opgehoogd of opgespoten

|d EGAL

Geëgaliseerd

|e VERWERK

Vergraven

|f TERP

Oude bewoningsplaatsen (terpen en woerden)

|g MOERAS

Moeras

|g WATER

Open water

|h BEBOUW

Niet gekarteerd, bebouwde kom, enz.

|h DIJK

Dijk

|i BOVLAND

Bovenlandstrook

|j MYNSTRT

Mijnstort

5.8 BodemvlakcollectieSoort

Aanduiding van de soorten Bodemvlakcollecties.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
03OOST

03OOST

03WEST

03WEST

05W05O

05W05O

06O02O

06O02O

06W02W

06W02W

07OOST

07OOST

07WEST

07WEST

08WEST

08WEST

10W10O

10W10O

11OOST

11OOST

11WEST

11WEST

12OOSTDR

12OOSTDR

12OOSTGR

12OOSTGR

12WEST

12WEST

13WEST

13WEST

14O15W

14O15W

14WEST

14WEST

15W15O

15W15O

16OOSTDR

16OOSTDR

16OOSTGRFR

16OOSTGRFR

16WEST

16WEST

17OOST

17OOST

17WESTDR

17WESTDR

17WESTGR

17WESTGR

18W23W

18W23W

19O20W

19O20W

19WEST

19WEST

20W20O

20W20O

21OOST

21OOST

21WEST

21WEST

22OOST

22OOST

22WEST

22WEST

24O25W

24O25W

25OOSTFL

25OOSTFL

25OOSTNH

25OOSTNH

26OOST

26OOST

26WESTFL

26WESTFL

26WESTNHUT

26WESTNHUT

27OOST

27OOST

27WEST

27WEST

28O29W

28O29W

28WEST

28WEST

30W30O

30W30O

31OOST

31OOST

31WEST

31WEST

32OOST

32OOST

32WESTFL

32WESTFL

32WESTUT

32WESTUT

33OOST

33OOST

33WEST

33WEST

34O35W

34O35W

34WEST

34WEST

36OOST

36OOST

37OOST

37OOST

37WEST

37WEST

38OOST

38OOST

38WEST

38WEST

39OOST

39OOST

39WEST

39WEST

40OOST

40OOST

40WEST

40WEST

41OOST

41OOST

41WEST

41WEST

42W42O

42W42O

43OOST

43OOST

43WEST

43WEST

44OOST

44OOST

44WEST

44WEST

45OOST

45OOST

45WEST

45WEST

46W46O

46W46O

47O48W

47O48W

48OOST

48OOST

49OOST

49OOST

49WEST

49WEST

50OOST

50OOST

50WEST

50WEST

51OOST

51OOST

51WEST

51WEST

52OOST

52OOST

52WESTBR

52WESTBR

52WESTLI

52WESTLI

53O54W

53O54W

54OOST

54OOST

55WEST

55WEST

56O57W

56O57W

57OOST

57OOST

58OOST

58OOST

58WEST

58WEST

59O60WO

59O60WO

61O62WO

61O62WO

Ameland

Ameland

Schiermon

Schiermon

Terschel

Terschel

Texel

Texel

Vlieland

Vlieland

Veengebieden in Noord Nederland

Veengebieden in Noord Nederland

Niet-gerijpte kleigronden in de provincie Noord- en Zuid-Holland

Niet-gerijpte kleigronden in de provincie Noord- en Zuid-Holland

Dikke veengronden in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta

Dikke veengronden in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta

Veengronden, zeeklei- en zeezandgronden in de provincie Flevoland

Veengronden, zeeklei- en zeezandgronden in de provincie Flevoland

Veengebieden in Eemland

Veengebieden in Eemland

Veengebieden aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug

Veengebieden aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug

5.9 Landgebruik

Het gebruik van de grond in relatie tot de gewasgroepen die er op worden geteelt of de vegetatie die er van nature aanwezig is.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
A

Akkerbouw

B

Bos

G

Grasland

N

Natuur

5.10 Regio

Gebieden die voor een bepaald bodemkundig aspect een sterke afwijking vertonen ten opzichte van het landelijk gemiddelde.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
Flevoland
Oost-Nederland
Kustregio
Nederland zonder Flevoland
Nederland zonder Oost-Nederland
Nederland zonder kustregio

5.11 StaringreeksBouwsteen

Code voor de bodemfysische eenheid (grondsoort).

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
B1

leemarm, zeer fijn tot matig fijn zand

O1

leemarm, zeer fijn tot matig fijn zand

B2

zwak lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

B3

sterk lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

B4

zeer sterk lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

B5

grof zand

B6

keileem

B7

zeer lichte zavel

B8

matig lichte zavel

B9

zware zavel

B10

lichte klei

B11

matig zware klei

B12

zeer zware klei

B13

zandige leem

B14

siltige leem

B15

venig zand

B16

zandig veen en veen

B17

venige klei

B18

kleiig veen

O2

zwak lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

O3

sterk lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

O4

zeer sterk lemig, zeer fijn tot matig fijn zand

O5

grof zand

O6

keileem

O7

beekleem

O8

zeer lichte zavel

O9

matig lichte zavel

O10

zware zavel

O11

lichte klei

O12

matig zware klei

O13

zeer zware klei

O14

zandige leem

O15

siltige leem

O16

oligotroof veen

O17

mesotroof en eutroof veen

O18

moerige tussenlaag

5.12 Veensoort

De lijst met de soorten veen.

Waarde IMBRO IMBRO/A Omschrijving
bagger

Mengsel van gedeeltelijk vergane, van organismen overgebleven stoffen en oeverafslag, dat als een slappe laag de bodem van stilstaande of langzaam stromende wateren bedekt.

bolster

Zwak gehumificeerd jongveenmos-veen. De net afgestorven veenmosplantjes hebben een vuilwitte kleur.

bosveen

Veen bestaande uit een matrix die weinig samenhang vertoont met daarin resten van hout die typisch millimeters tot decimeters groot zijn. Dit type veen kan een relatief grote minerale component hebben.Veen bestaande uit een matrix die weinig samenhang vertoont met daarin resten van hout die typisch millimeters tot decimeters groot zijn. Dit type veen kan een relatief grote minerale component hebben.

broekveenEutroof

Veen gevormd in broekbossen in een voedselrijk milieu. Meestal bestaande uit zegge, hout (els, wilg) en soms wat riet.

broekveenMesotroof

Veen gevormd in broekbossen in een matig voedselrijk milieu. Meestal bestaande uit zegge, hout (els, wilg) en soms wat riet.

gliede

Zwarte vervloeide humus die wordt aangetroffen in humeuze inspoelingshorizonten aan de basis van veenpakketten.

gyttja

Modderige humusvorm, afgezet op de bodem van voedselrijke wateren, bestaande uit micro-organismen, plantenresten en de resten van excrementen van waterdieren.

heideveen

Veen bestaande uit een samenhangende matrix van fijn vezelig materiaal met daarin veel als zodanig herkenbare resten van worteltjes en takjes van heide. Dit type veen is gewoonlijk mineraalarm.

rietveen

Veen voornamelijk bestaande uit resten van riet. Dit type veen kan een relatief grote minerale component hebben.

rietzeggeveen

Veen voornamelijk bestaande uit een combinatie van resten van zegge en een kleinere hoeveelheid riet.

spalterveen

Gelaagd mosveen.

veenmosveen

Veen bestaande uit resten van veenmos, veelal met een zeer hoog organischestofgehalte.

verslagen

Afgeslagen veen dat elders is gesedimenteerd op veelal meerbodems.

verweerdKleirijk

Sterk amorf veen dat totaal gehumificeerd is onder invloed van oxidatie en rijk is aan klei.

verweerdMineraalarm

Sterk amorf veen dat totaal gehumificeerd is onder invloed van oxidatie en weinig minerale delen bevat.

verweerdZandrijk

Sterk amorf veen dat totaal gehumificeerd is onder invloed van oxidatie en rijk is aan zand.

wollegrasveen

Veen, voornamemelijk bestaande uit resten van wollegras. Dit type veen is gewoonlijk mineraalarm.

zeggerietveen

Veen voornamelijk bestaande uit een combinatie van resten van riet en een kleinere hoeveelheid zegge.

zeggeveen

Veen voornamelijk bestaande uit zegge. Dit type veen kan een geringe minerale component hebben.

nietGespecificeerd

Het soort veen is onderzocht maar niet nader gespecificeerd. Het gaat om een soort veen die niet in de classificate is opgenomen, zoals scheuchzeriaveen.

nietBepaald

Het soort veen is niet bepaald.

6. Toelichting

De Bodemkaart is één van de registratieobjecten in de BRO, en wordt aangeduid als een ‘model’. Voor de bodemkaart betekent dit dat de kaart zelf het ‘model’ is, dat tot stand gekomen is via de bodemkundige kartering. De kaart is een resultaat van de interpretatie van data die in het veld zijn ingewonnen door experts, de ‘veldbodemkundigen’. Dit is Informatie die ook in de BRO is opgenomen, met name in de registratieobjecten bodemkundig boormonsteronderzoek (BHR-p) en bodemkundig wandonderzoek (SFR-p), en grondwaterdynamiek zijn hiervoor van belang. In deze objecten wordt profielopbouw met fysische en chemische analyses geregistreerd.

6.1 Bodem en bodemkartering

De bodem is het buitenste deel van de aarde. Het materiaal waaruit de bodem bestaat (het moedermateriaal of uitgangsmateriaal) is in ons land grotendeels van elders aangevoerd, o.a. door de wind (löss, dekzand, stuifzand, duinzand), de rivieren (rivierklei en –zand), de zee (zeeklei en –zand) en door het landijs (smeltwaterafzettingen, keileem), soms is het ter plaatse ontstaan (veen).

Landschap profiel

Figuur 3 Vier bodemeenheden in hun landschappelijk verband. De eenheden op de rug, op de helling en in het dal zijn verschillend. Elke eenheid (Hd21, Hn23, pZg23 en Vc) wordt op de bodemkaart onderscheiden met een eigen code en kleur. Onder het diagram een schematische voorstelling van de bodemprofielen van de vier eenheden.

Door veranderingen in de sedimentatie vertoont het moedermateriaal vaak een zekere gelaagdheid. Onder invloed van uitwendige omstandigheden treedt bodemvorming op, waarbij veranderingen in het moedermateriaal ontstaan door omzetting, uitspoeling en ophoping van minerale en organische stoffen . Elke grond heeft dus als gevolg van de afzetting en van de bodemvorming een opeenvolging van min of meer horizontale lagen, die verschillen in samenstelling en eigenschappen. Deze lagen heten horizonten. Samenstelling, dikte en opeenvolging van horizonten –het bodemprofiel- verschillen per grond. Gronden met een ongeveer gelijk bodemprofiel beschouwt men als een eenheid [Simonson1968]. Bij de bodemkartering stelt men door boringen de bodemeenheden vast en bepaalt op basis van overeenkomsten en verschillen tussen (groepen van) bodemprofielen de grenzen van die eenheden. Verschillen in bodemgesteldheid en landschap gaan vaak samen, omdat beide zijn ontstaan onder invloed van dezelfde uitwendige omstandigheden (figuur 3). Dit is bij de bodemkartering van groot belang, omdat het daardoor mogelijk is met betrekkelijk weinig boringen de grenzen tussen de verschillende gronden op te sporen en in kaart te brengen [Schelling-etal1975].

6.2 Gebruikersperspectief Bodemkaart

De bodemkundige informatie op de Bodemkaart van Nederland 1: 50 000, die de basis vormt voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond, heeft betrekking op de aard en samenstelling van de bovengrond (grondsoort) met een verdere onderverdeling naar bodemvorming, veensoort, afwijkende lagen in het profiel, aanwezigheid van kalk en verstoringen door vergraving en egalisatie. De kaart geeft bodemkundige informatie over de stedelijke gebieden op het moment van de kartering. De bodemkaart is bedoeld voor nationale, regionale en lokale studies op het gebied van hydrologie, bodemgeschiktheid, bodemkwetsbaarheid, natuurontwikkeling, landschapsplanning en ruimtelijke planvorming.

Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de bodemkaart niet geschikt voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. Op locaties waar na de kartering stedelijk gebied is ontstaan kan de bodemopbouw op die locatie gewijzigd zijn. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker. 

Het bodemkundig model is geschikt voor het afleiden van thematische kaarten. Deze thematische kaarten vallen echter niet binnen de verantwoordelijkheid van de Basisregistratie Ondergrond. In het gebruik voor nationale, regionale en lokale toepassingen geldt dat de informatiebehoefte per oppervlakte-eenheid toeneemt naarmate het probleem grootschaliger (‘lokaler’) wordt. De opnameschaal van de data is 1:50.000 en geeft op dat schaalniveau het bijbehorende detail (1 cm2 op de kaart = 25 ha in het terrein). De beoordeling of het geleverde informatieniveau overeenkomt met de informatiebehoefte voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker. 

6.3 Domeinmodel Bodemkaart

In het model is het deel dat gerelateerd is aan het registratieobject Bodemkundig boormonsteronderzoek in de catalogus nu niet meegenomen. In dit model volgen we de internationale standaard van INSPIRE[^1] zoals beschreven in de ‘technical guideline’, omdat dat aansluit op het model ‘bodemkaart’ zoals deze in Nederland wordt gebruikt. Pas als de samenhang op basis van het Metamodel voor informatiemodellen, MIM[^2] (KKG metamodel) verder duidelijk is geworden kunnen we die relaties leggen en het model daarop laten aansluiten.

[^1]: INSPIRE Data Specification Theme SOIL, oktober 2018

[^2]: Metamodel voor Informatiemodellen, juni 2017

6.3.1 Versiebeheer

De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.

Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.

6.3.2 De bodemkaart als bodemkundig model

De Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50 000 vormt de basis voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond. De kaart geeft voor het landelijk gebied door middel van kaartvlakken informatie over de bodemopbouw en bodemkenmerken tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. [Steur-Heijink1991]. Elk kaartvlak of object bevat een code voor de bodemeenheid. De bodemkaart is een 2-dimensionaal model dat de bodem als profiel tot 1,2 m –mv beschrijft, waarmee het impliciet voor een deel 3D eigenschappen meekrijgt.

6.3.3 Indeling bodemeenheden

Een bodemeenheid verstrekt informatie over belangrijke kenmerken van het bodemprofiel tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. De hoofdindeling van de bodemeenheden is in hoofdlijnen een indeling naar moedermateriaal (grondsoort en afzettingswijze) en bodemvorming. De verdere onderverdeling in hoofdklassen sluit nauw aan bij die van het Systeem van Bodemclassificatie voor Nederland [Bakker-Schelling1989] tot en met het niveau van de subgroep. Dit niveau is in de legenda naamgevend. De hoofdklassen worden op de bodemkaart gecodeerd met één of twee hoofdletters. De volgende hoofdklassen worden onderscheiden:

  • Veengronden (code V);

  • Moerige gronden (code W);

  • Podzolgronden (codes Y en H);

  • Brikgronden (code B);

  • Dikke eerdgronden (codes EZ, EL en EK);

  • Kalkloze zandgronden (code Z);

  • Kalkhoudende zandgronden (code Z…A);

  • Kalkhoudende bijzondere lutumarme gronden (code S…A);

  • Niet-gerijpte minerale gronden (codes MO en RO);

  • Zeekleigronden (code M);

  • Rivierkleigronden (code R);

  • Oude rivierkleigronden (code KR);

  • Oude kleigronden (codes KX en KT);

  • Leemgronden (code L);

  • Oude gronden in Zuid-Limburg (codes MA, MK, MZ, FG, FK, KM, KK, KS).

De gronden worden in de legenda verder onderverdeeld naar o.a. aard en textuur van de bovengrond, de gelaagdheid in het bodemprofiel, veensoort bij veengronden, voorkomen van hydromorfe kenmerken en de aanwezigheid van kalk in het profiel. Deze onderverdeling wordt in de code aangegeven met letters en cijfers (bijvoorbeeld Hn21: veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand, of Zn23: vlakvaaggronden in lemig fijn zand). Met lettertoevoegingen aan het begin en aan het eind van de code worden specifieke kenmerken van de bovengrond en ondergrond aangeduid (bijvoorbeeld kHn21: veldpodzolgronden met een kleidek (k…) of Hn21x: veldpodzolgronden met keileem in de ondergrond, beginnend tussen 40 en 120 cm (…x).

6.3.3.1 Afgeleide profielen

De Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50.000, onderscheidt meer dan 1700 unieke eenheden, verdeeld over iets meer dan 52.000 verschillende kaartvlakken. Alterra-rapport 654 (De Vries, 1999) bevat documentatie over deze landelijke bodemeenheden. Voor alle bodemeenheden met een landelijke oppervlakte van tenminste 2000 ha geven afgeleide profielen informatie over belangrijke kenmerken. Afgeleide profielen (ook wel standaardprofielen of profielschetsen genoemd) zijn representatieve bodemprofielen voor de eenheden op de bodemkaart. In totaal zijn er 315 verschillende bodemeenheden beschreven, gezamenlijk beslaan deze eenheden ca. 83 % van de Nederlandse oppervlakte. De eenheden van de bodemkaart met een gering oppervlakte (&lt; 2000 ha) zijn geassocieerd met aanverwante beschreven eenheden. Op deze manier is de fysischchemische karakterisering voor alle eenheden van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50.000, beschikbaar.

De afgeleide profielen geven een beschrijving van de laagopbouw tot 1,20 m diepte. Ze bevatten per horizont of laag informatie over:

• Mediane, 10- en 90-percentiel waarden voor het organische-stofgehalte, lutumgehalte, leemgehalte, zandgrofheid (M50) en de pH.

• Mediane waarden voor het siltgehalte, kalkgehalte, ijzergehalte, C/N-quotiënt en de dichtheid.

• Codering voor de afzettingskarakteristiek.

• Bouwsteen van de Staringreeks voor bodemfysische karakterisering.

Bij elk afgeleid profiel is ook het dominante grondgebruik aangegeven. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in akkerbouw, grasland, bos en korte natuurlijke vegetatie. Een aantal kenmerken van de bovengrond of bouwvoor wordt beïnvloed door het grondgebruik, zoals de dikte, het organische stofgehalte, pH en C/N-quotiënt. Het maakt een groot verschil of een grond een agrarisch gebruik heeft of dat er bos op staat. Onder bos is de humeuze bovengrond vaak dunner, maar de variatie in dikte is groter. Bij zandgronden is onder bos de pH lager. Voor deze kenmerken is zo veel mogelijk uitgegaan van gegevens die bij het betreffende grondgebruik horen. Van ca. 40 eenheden met een aanzienlijke landelijke oppervlakte (> 50.000 ha) en uiteenlopend grondgebruik zijn voor meerdere grondgebruiksvarianten afgeleide profielen opgesteld. In totaal zijn er daarom voor de 315 bodemeenheden 370 afgeleide profielen beschikbaar.

De afgeleide profielen zijn opgesteld met informatie uit het Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) van Alterra. Dit is een database met beschrijvingen en geanalyseerde gegevens van de bodemopbouw op meer dan 5.000 locaties. Per bodemeenheid zijn de gegevens voor de afzonderlijke horizonten geselecteerd, zoals begin- en einddiepte van de horizont, modale, minimum en maximum gehalten, enz. Als eindcontrole zijn de resultaten van de selecties geverifieerd met gegevens uit de toelichtingen bij de afzonderlijke kaartbladen van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50.000. Bij bepaalde eenheden van de bodemkaart komen regionale afwijkingen voor. In Flevoland zijn bijvoorbeeld de kleidekken bij de zandgronden (kHn21) kalkrijk, terwijl de kleidekken elders in Nederland veelal kalkarm zijn. Informatie over de kalk komt bij deze gronden niet in de code tot uiting. Hetzelfde geldt ook voor de veengronden met een zanddek of kleidek in Flevoland. Daarnaast zijn er gronden met veenmosveen (Vs) die zowel in hoogveengebieden in het oosten van het land als in laagveengebieden in het westen voorkomen. In het westen van het land zijn deze gronden met lutum verrijkt. Voor dit soort eenheden zijn twee afgeleide profielen beschikbaar die gekoppeld zijn op basis van de regio.

6.3.4 Inventarisatiemethoden

Rond 1960 is Stiboka in Zeeland gestart met de landelijke kartering van de bodem op schaal 1 : 50 000. De kaart is uitgegeven per kaartblad van de topografische kaart, schaal 1 : 50 000, met daarbij een toelichting in boekvorm. Door de aanpak per kaartblad verschilt de periode van opname van blad tot blad (fig. 2). Het veldwerk voor het laatste kaartblad is in 1995 afgerond. De bodemkaart is als GIS-bestand beschikbaar (versie 1). Hiervoor zijn de analoge kaarten gedigitaliseerd. Na de eerste opname zijn vanaf 2010 fragmenten van de kaart geactualiseerd. De inventarisatiemethode bij de actualisatie wijkt af van de methode die bij de eerste opname is gehanteerd.

6.3.4.1 Uitgebreide veldverkenning voor de eerste opname van de bodemkaart

Voor de eerste opname van de bodemkaart (zie figuur 4) is een uitgebreide veldverkenning uitgevoerd. Afhankelijk van de ingewikkeldheid van het bodempatroon, zijn voor de kaartschaal 1 : 50 000 10 tot 25 grondboringen per 100 ha verricht. Bij elke boring is een zgn. bodemkundige boormonsterbeschrijving opgesteld. Daarbij beschrijft de karteerder kenmerken die ontstaan zijn door bodemvorming en schat hij van elke laag o.a. het gehalte aan organische stof en koolzure kalk, het lutumgehalte en leemgehalte en de grofheid van het zand. De schattingen worden geijkt en gevalideerd door grondmonsteronderzoek. Aan de hand van deze boormonsterbeschrijvingen en allerlei landschappelijke kenmerken (o.a. reliëf en verschillen in vegetatie) zijn de eenheden op kaart ingetekend. De kaartschaal bepaalt mede de mate van detail waarmee de bodemgesteldheid kan worden weergegeven. Om druktechnische redenen en vanwege de leesbaarheid van de kaart zijn de afmetingen van kaartvlakken aan minimumgrenzen gebonden. Voor de kaartschaal 1 : 50 000 gold bij de eerste uitgave ca. 10 ha aanvankelijk als kleinste afmeting (1 cm2 op de kaart = 25 ha in het terrein). Later is de minimum oppervlakte verminderd naar ca. 5 ha. De beschrijving van de eenheden op de bodemkaart, schaal 1 : 50 000, is daarom ruim van inhoud.

In de BRO is de diepte en fluctuatie van het grondwater (grondwatertrappen) als een ander registratieobject opgenomen. In de veldverkenning werden bij de eerste opname van de bodemeenheden ook gelijktijdig de grondwatertrappen in kaart gebracht.

De basis waarop het kaartbeeld is vastgelegd, werd gevormd door de topografische kaart, schaal 1 : 50 000, verstrekt door de Topografische Dienst. Voor de eerste uitgave is deze basiskaart vereenvoudigd. Rond 1980 is gestart met proeven voor het digitaliseren van de kaartbeelden. Er was toen nog geen GIS-bestand met de topografische kaart beschikbaar, zodat bij het digitaliseren niet gecontroleerd kon worden op de juiste afstemming met de topografie, zoals die later in GIS-bestanden beschikbaar kwam. Hierdoor kan de aansluiting van de begrenzing van oppervlaktewater in het bodemkundige model lokaal afwijken van de begrenzing in GIS-bestanden met de topografie.

Bodemkaart en actualisaties

Figuur 4 Overzicht van jaar van opname eerste uitgave van de bodemkaart en van de actualisaties

6.3.4.2 Digitale bodemkartering voor de actualisatie van de bodemeenheden

In 2010 is gestart met de actualisatie van de informatie op de bodemkaart. Deze activiteit richt zich vooral op bodemtypen en gegevens die door het landgebruik en de daarbij behorende ontwatering aan verandering onderhevig zijn. Bij veengronden bijvoorbeeld is sprake van geleidelijke oxidatie en afbraak van het organische materiaal, waardoor de veenlagen slinken of zelfs geheel verdwijnen. De actualisatie richt zich daarom op specifieke bodemtypen.

In de periode 2010 – 2014 is de bodemkaart van de gebieden met veengronden geactualiseerd [Vries-etal2014] en in 2016 in Noord- en Zuid-Holland de bodemkaart van de gebieden met kleigronden die een slappe, ongerijpte ondergrond hebben (fig. 2). De actualisatie wordt steeds uitgevoerd met behulp van ‘Digitale Bodemkartering’ (DBK). Dit is een methode waarin met statistische modellen bodemkaarten worden gemaakt, gebruikmakend van veldwaarnemingen van de bodem op punten en gebiedsdekkende kaarten van hulpvariabelen, zoals reliëf, grondwaterstanddiepte en landgebruik. Vanwege de kosten en de doorlooptijd is voor deze methode gekozen in plaats van de karteringsmethode die gehanteerd is bij de eerste opname van de bodemkaart. Bij DBK is het benodigde aantal boringen per oppervlakte-eenheid geringer en worden de patronen via ruimtelijke interpolatie verkregen. Dit bespaart tijd en kosten.

Op hoofdlijnen omvat de werkwijze bij DBK de volgende onderdelen:

  • Analyse van de beschikbare gegevens in het Bodemkundig InformatieSysteem (BIS) van WenR (Alterra). Hierbij gaat het vooral om recente boorbeschrijvingen. In de toekomst worden de boorbeschrijvingen beschikbaar in de BRO hier eveneens bij betrokken;

  • Dataverzameling. Na het opstellen van een dataverzamelingsplan worden in het veld aanvullende grondboringen verricht voor het opstellen van boorbeschrijvingen;

  • Creëren GIS-bestanden met hulpvariabelen. Om met behulp van DBK bodemkaarten te vervaardigen, zijn GIS-bestanden nodig met gebiedskenmerken die gerelateerd kunnen zijn aan de bodemkenmerken die in kaart gebracht worden;

  • Fitten model voor de ruimtelijke voorspelling van bodemkenmerken. Hierbij wordt naar de beste relatie gezocht tussen kenmerken ter plekke van de boorlocaties en één of meer hulpvariabelen;

  • Creëren ruimtelijke verbreiding van de kenmerken;

  • Valideren voorspellingen;

  • Toekennen bodemtype op basis van de ruimtelijke voorspellingen van bodemkenmerken;

  • Geactualiseerde fragmenten toevoegen aan het landelijke bestand van de bodemkaart.