Praktijkrichtlijnen Standaarden Omgevingswet

Geonovum Praktijkrichtlijn
Vastgestelde versie

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/tpod/def-pr-pso-20190510/
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/tpod/pso/
Laatste werkversie:
https://geonovum.github.io/Praktijkrichtlijnen-Standaarden-Omgevingswet/
Redacteur:
PR04, Geonovum
Auteurs:
Lindy Heesters, Geonovum
Mira de Ree, Geonovum
Nadine van Dun, Geonovum
Britt van Waveren, Geonovum
Doe mee:
GitHub geonovum/Praktijkrichtlijnen-Standaarden-Omgevingswet
Dien een melding in
Revisiehistorie
Pull requests
Rechtenbeleid:

Status van dit document

Deze paragraaf beschrijft de status van dit document ten tijde van publicatie. Het is mogelijk dat er actuelere versies van dit document bestaan. Een lijst van Geonovum publicaties en de laatste gepubliceerde versie van dit document zijn te vinden op https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/alle-standaarden.

Dit is de definitieve versie van de praktijkrichtlijn. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd. Dit is de definitieve versie van de praktijkrichtlijn. Een praktijkrichtlijn is een product dat informatie geeft, vaak met een technisch karakter, dat nodig is voor het toepassen van een standaard. Een praktijkrichtlijn hoort altijd bij een standaard/norm.

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

Het motto van de Omgevingswet is ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en de Omgevingswet bundelt en moderniseert alle wetten in één wet voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Daarmee vormt de wet de basis voor de samenhangende benadering van de  fysieke leefomgeving. Het gaat om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Vanaf 2021 treedt deze wet in werking.

Digitalisering is een belangrijk instrument ter ondersteuning van de Omgevingswet. In het kader van digitalisering wordt momenteel het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ontwikkeld. Om alle uiteenlopende gegevens over de fysieke leefomgeving digitaal beschikbaar en uitwisselbaar te maken, zijn standaarden nodig.

1.2 TPOD en praktijkrichtlijnen

Er is door Kenniscentrum Officiële OverheidsPublicaties (KOOP) één generieke standaard ontwikkeld voor alle overheidspublicaties: de Standaard Officiële Overheids Publicaties, ofwel STOP. De standaard legt vast hoe de regels moeten worden ingedeeld en geannoteerd, hoe regeltekst aan locaties moet worden gekoppeld en welke waardelijsten van toepassing zijn.

Middels het Toepassingsprofiel Omgevingsdocumenten (TPOD) wordt de STOP verbijzonderd met specifieke toepassingen voor de Omgevingswet en de specifieke OW-besluiten, hier OW-besluiten genoemd. De TPOD OW-besluiten zijn vooral bedoeld voor de technische aspecten en toepassingen per OW-besluit. Deze bestaat uit normatieve en toelichtende tekst.

Voor de praktische invulling ten behoeve van het opstellen van OW-besluiten zijn de praktijkrichtlijnen in het leven geroepen. Hierin staat per type besluit beschreven hoe de standaard toegepast kan worden. De praktijkrichtlijn bevat toegankelijke inhoudelijke informatie over de standaard en specifiek over de afzonderlijke TPOD’s. De praktijkrichtlijn gaat in op de rechtsfiguur, de besluitdelen en inhoud per OW-besluit. Daarnaast gaat het in op de regeltekst, annoteren en werkingsgebieden van het OW-besluit en STOP-principe over het presenteren en muteren & consolideren.

De onderwerpen van de praktijkrichtlijnen zijn vastgelegd in de onderstaande afbeelding.

Onderwerpen praktijkrichtlijnen 0.97

De praktijkrichtlijnen zijn nog volop in ontwikkeling. Indien uitgewerkte casussen met praktijkvoorbeelden beschikbaar worden gesteld door het bevoegd gezag, worden deze toegevoegd aan de praktijkrichtlijnen.

In deze praktijkrichtlijnen is ook is het verhaal over het huis van de STOP-TPOD-standaarden opgenomen. Dit verhaal is een metafoor voor het opbouwen van inzicht, overzicht en handelingsperspectief m.b.t. de standaard.

De metafoor spreekt over de hoofdelementen van een woning (de STOP-TPOD-standaard) die samen de woning vormen.

Het dak van het huis van de standaarden: de praktijkrichtlijnen

De praktijkrichtlijnen behoren tot het dak van de woning.

1.3 Doelgroep

Generiek

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het bevoegd gezag om aan de slag te gaan met de OW-besluiten:

OP

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente om aan de slag te gaan met het omgevingsplan.

OV

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het bevoegd gezag, in dit geval de provincies om aan de slag te gaan met de omgevingsverordening.

WV

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het bevoegd gezag, in dit geval het waterschap om aan de slag te gaan met de waterschapsverordening.

AMvB en MR

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het bevoegd gezag, in dit geval het Rijk om aan de slag te gaan met de AMvB en MR.

PB

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het Rijk, de provincies en waterschappen om aan de slag te gaan met het projectbesluit.

Ovi

Deze praktijkrichtlijn is opgesteld voor het Rijk, de provincies en de gemeenten om aan de slag te gaan met de omgevingsvisie.

1.4 Leeswijzer

De generieke tekst die overal van toepassing is, is gewoon lopende tekst. De generieke tekst die specifiek genieriek is wordt aangegeven met een kopje Generiek. De tekst die specifiek bij een OW-besluit hoort is per OW-besluit met een kopje aangeduid:

Er kan ook een combinatie van deze afkortingen staan. In dat geval is de tekst van toepassing op de genoemde OW-besluiten.

1.5 Opbouw praktijkrichtlijn

De generieke praktijkrichtlijn bevat alle algemene informatie die van toepassing is voor alle TPOD's. De specifieke praktijkrichtlijnen gaan in op de verbijzondering van de standaard voor de verschillende OW-besluiten en geven specifieke toelichting en voorbeelden voor de bevoegde gezagen.

OP

De specifieke praktijkrichtlijn omgevingsplan gaat in op de verbijzondering van de standaard voor het omgevingsplan en geven toelichting en voorbeelden voor de gemeenten om de werking van de standaard te verduidelijken.

OV

De specifieke praktijkrichtlijn omgevingsverordening gaat in op de verbijzondering van de standaard voor de omgevingsverordening en geven toelichting en voorbeelden voor de provincies om de werking van de standaard te verduidelijken.

WV

De specifieke praktijkrichtlijn waterschapsverordening gaat in op de verbijzondering van de standaard van de waterschapsverordening en geven toelichting en voorbeelden voor de waterschappen om de werking van de standaard te verduidelijken.

AMvB en MR

De specifieke praktijkrichtlijn AMvB en MR gaat in op de verbijzondering van de standaard van de AMvB en MR en geven toelichting en voorbeelden voor het Rijk om de werking van de standaard te verduidelijken.

PB

De specifieke praktijkrichtlijn projectbesluit gaat in op de verbijzondering van de standaard van het projectbesluit en geven toelichting en voorbeelden voor het Rijk, de provincies en waterschappen om de werking van de standaard te verduidelijken.

Ovi

De specifieke praktijkrichtlijn omgevingsvisie gaat in op de verbijzondering van de standaard van de omgevingsvisie en geven toelichting en voorbeelden voor het Rijk, de provincies en de gemeenten om de werking van de standaard te verduidelijken.

2. Wetgeving

2.1 Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)

Het Programma DSO ontwikkelt een algemene Standaard Officiële Publicaties (STOP) die voor de Omgevingswet wordt verbijzonderd met specifieke toepassingen voor de OW-besluiten (TPOD’s). De Omgevingswet voorziet in het gebruik van informatiestandaarden voor het opstellen van digitale omgevingsbesluiten. De STOP en bijbehorende TPOD’s bevatten specificaties voor zowel opstellen, uitwisselen en beschikbaar stellen van OW-besluiten.

De standaarden vormen geen beperking voor de beleidsvrijheid ten aanzien van het inhoudelijk stellen van regels over de fysieke leefomgeving. Wel leggen ze vast hoe de regels moeten worden ingedeeld, hoe regeltekst aan werkingsgebieden gekoppeld moet worden en hoe de regels geannoteerd moeten worden.

2.2 STOP voor je begint

De algemene standaard zorgt ervoor dat de minimaal noodzakelijke gegevens over een door een bevoegd gezag genomen besluit langs digitale weg bij de voorziening voor bekendmaken (‘regels’ en de ‘gebieden‘ waarin zij hun werking hebben), publiceren en beschikbaar stellen (LVBB), komt. In het kader van de Bekendmakingswetgeving worden door KOOP de door het bevoegd gezag (BG) aangeleverde besluiten officieel gepubliceerd, waarna deze besluiten als gevolg van de bekendmaking op de door het bevoegd gezag aangegeven moment in werking treden. De standaard bestaat uit drie modellen voor het standaardiseren van gegevensverkeer:

Opbouw STOP standaard

Voor een uitgebreide uitleg over de standaard en haar drie modellen, bekijk de online video: Over modellen van de digitale werkelijkheid.

2.3 TPOD

De TPOD-standaard is hét toepassingsprofiel van de STOP-standaard voor OW-besluiten in het kader van de Omgevingswet. Deze profielen geven aan welke gegevens over een besluit moeten worden opgenomen. De profielen geven tevens aan op welke wijze de inhoud van een document -in digitale vorm- moet worden samengesteld. Voor elk type OW-besluit bestaat er een specifiek TPOD-profiel.

Relatie STOP en TPOD

De TPOD beschrijft de regels en richtlijnen voor toepassing van het Informatiemodel voor Officiële Publicaties (IMOP) in het domein van de Omgevingswet. Het IMOP bevat de generieke, abstracte basis voor de beschrijving van structuur en inhoud van officiële publicaties in officiële publicatiebladen van overheden en de daaruit afgeleide consolidaties en het aan die publicaties gerelateerde berichtenverkeer. De TPOD is een toepassing van IMOP dat weer een onderdeel is van de Standaard Officiële Publicaties (STOP) en moet begrepen worden in samenhang met de Berichtenmodel en het Presentatiemodel van STOP.

Link STOP:

<https: standaardenomgevingswet.geonovum.nl="" docs="" 1.%20stoptp%20v0.97.pdf="">

In de TPOD wordt IMOP ingevuld met specifieke eigenschappen en waardelijsten die gelden voor alle typen OW-besluiten. Daarnaast worden algemene onderwerpen, regels en richtlijnen toegelicht die voor alle OW-besluiten gelden maar niet op het niveau van IMOP gedefinieerd kunnen worden.

IMOP EN IMTP: TPOD is verbijzondering IMTP

Een TPOD wordt in digitale vorm geleverd in de vorm van een aantal XML-vormige schema’s (XSD, XSLT, SLD, CSS, GML), waarmee de verplichte elementen bij het vormgeven van een OW-besluit in digitale vorm worden gedefinieerd.

Relatie IMOP en TPOD

Er is geen inhoudelijke beschrijving van het Informatiemodel Toepassingsprofiel (IMTP) opgenomen en het IMTP schema wordt niet meegeleverd in de 0.97 versie van de Standaarden. Achtergrond: Bij de consultatie van de 0.96 versie is gebleken dat het IMTP mechanisme ingewikkeld gevonden wordt als centraal onderdeel in het beschrijven van de toepassingsprofielen. De rol van de middels IMTP beschreven producten, de TP.xml documenten blijkt in de huidige vorm moeilijk te realiseren.

Een TPOD wordt bij bevoegd gezag ingeladen in een programma wat een softwareleverancier heeft geleverd. Hiermee kan onder andere de regeltekst, de gebiedsgeometrie en annotaties bewerkt, toegevoegd of verwijderd worden. Verder kan gekozen uit waardenlijsten die behoren bij bijvoorbeeld activiteiten. De softwareprogrammatuur moet qua functionaliteit op al deze zaken berekend zijn.

Aanvullend is het mogelijk dat de restricties die van een TPOD uitgaan door een softwarebouwer worden ingebouwd in een applicatie. De ingebouwde/geladen TPOD zorgt ervoor dat het document, binnen de opmaak/modelleer grenzen die voor het document gelden, door de gebruiker kan worden opgesteld of kan worden veranderd. Daarbij geldt altijd volledige beleidsvrijheid voor het bevoegd gezag binnen de regels die gesteld zijn in de Omgevingswet.

De TPOD beperkt alleen de digitale vorm, waarin gegevens worden vastgelegd. Dit met als doel dat de gegevens zowel mens-leesbaar als machine-leesbaar zijn.

Verder regelt de standaard de basisvoorwaarden voor het kunnen ontsluiten van een OW-besluit en het kunnen raadplegen van de regels en de werkingsgebieden die in dat besluit zijn opgenomen.

2.4 Mechanismen binnen de STOP/TP Standaard

Binnen de standaard STOP/TP zijn er verschillende mechanismen te onderkennen:

2.5 Rechtsfiguren

Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten stellen elk (integraal) beleid en regels vast over de ontwikkeling, het gebruik, de bescherming en het beheer en onderhoud van de fysieke leefomgeving voor hun grondgebied. Zij leggen dit vast in één of meerdere OW-besluiten. Elk van deze bestuursorganen heeft in het stelsel voor het omgevingsrecht zijn eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden en daarmee samenhangende instrumenten, waaronder de OW-besluiten.

In het stelsel voor het omgevingsrecht zijn onderstaande rechtsfiguren de vormen waarin het recht zich voor kan doen:

Voor meer informatie per toepassingsprofiel, klik op de OW-besluiten om de betreffende TPOD te openen.

2.6 Kenschets rechtsfiguur omgevingsplan

Gemeenten stellen elk integraal beleid en regels vast over de ontwikkeling, het gebruik, de bescherming, het beheer en onderhoud van de fysieke leefomgeving voor hun grondgebied. Zij leggen dit vast in één of meerdere OW-besluiten, in dit geval de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

De gemeente heeft één omgevingsplan voor haar gehele grondgebied op grond van de Gemeentewet en andere bijzondere wetten.

Zie 3.1 van de TPOD omgevingsplan versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur

Juridische kenmerken omgevingsplan

Onderwerp  Specificatie 
Grondslag rechtsfiguur  Artikel 2.4 Omgevingswet 
Voorbereidingsprocedure  Verplichtingen: kennisgeving van voornemen omgevingsplan vast te stellen (art. 16.29 Ow)  toepassen afdeling 3.4 Awb (art. 16.30 Ow) 
Tijdstip bekendmaking/  terinzagelegging vastgesteld omgevingsplan  Terinzagelegging niet eerder dan 2 weken na datum vaststelling, tenzij: Gedeputeerde Staten geen zienswijze over ontwerp hebben ingebracht, t.o.v. ontwerp geen wijzigingen zijn aangebracht, of GS hebben bepaald dat omgevingsplan eerder mag worden bekendgemaakt (art. 16.77a Ow) 
Inwerkingtreding  Omgevingsplan treedt in werking 4 weken na dag terinzagelegging, tenzij in omgevingsplan later tijdstip is bepaald (art. 16.78 Ow). Aan regels omgevingsplan kan tijdelijke werking worden gegeven1 
Rechtsbescherming  beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 
Geldt TPOD ook voor ontwerpbesluit  Ja 
Rechtsfiguur roept meldingsplicht of vergunningplicht in het leven en/of bevat bepalingen waaraan aanvragen om omgevingsvergunning rechtstreeks getoetst moeten worden  Ja (art. 4.4 Ow) 
Rechtsfiguur bevat voor eenieder bindende regels  Ja 

2.7 Kenschets rechtsfiguur omgevingsverordening

De provincie stelt regels over de fysieke leefomgeving en legt deze vast in één omgevingsverordening voor haar gehele grondgebied. De omgevingsverordening bevat in de eerste plaats de regels die op grond van de Omgevingswet worden gesteld en daarnaast ook regels over de fysieke leefomgeving die worden gesteld op grond van de Provinciewet en andere bijzondere wetten.

De omgevingsverordening zorgt ervoor dat het beleid en de doelen zoals opgenomen in de Omgevingswet, AMvB’s en de provinciale omgevingsvisie en programma’s doorwerken naar derden. De provincie kan daartoe in de omgevingsverordening algemeen bindende regels en instructieregels opnemen, omgevingswaarden vaststellen en beperkingengebieden aanwijzen.

Voor zover het gaat om regels waarmee functies aan locaties worden toegedeeld ligt het primaat bij het omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de provincie op dat punt alleen instructieregels opneemt in de omgevingsverordening over de inhoud van omgevingsplannen. Alleen als het onderwerp van zorg niet doelmatig en doeltreffend met een instructieregel of een instructie kan worden behartigd, kunnen in de omgevingsverordening regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zie 3.1 van de TPOD omgevingsverordening versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur

Juridische kenmerken omgevingsverordening

Onderwerp Specificatie
Grondslag rechtsfiguur Artikel 2.6 Omgevingswet
Voorbereidingsprocedure Toepassen afdeling 3.4 Awb verplicht
Tijdstip bekendmaking/ terinzagelegging vastgestelde omgevingsverordening Door bestuursorgaan te bepalen
Inwerkingtreding Inwerkingtreding op achtste dag na dag van bekendmaking of op in besluit aangegeven andere datum
Rechtsbescherming hoofdregel: geen bezwaar en beroep mogelijk
Geldt toepassingsprofiel ook voor ontwerpbesluit Ja
Rechtsfiguur roept meldingsplicht of vergunningplicht in het leven en/of bevat bepalingen waaraan aanvragen omgevingsvergunning rechtstreeks getoetst moeten worden Ja
Rechtsfiguur bevat voor een ieder bindende regels Ja

2.8 Kenschets rechtsfiguur waterschapsverordening

Het waterschap stelt regels over de fysieke leefomgeving en legt deze vast in één waterschapsverordening voor zijn gehele grondgebied. De waterschapsverordening bevat in de eerste plaats de regels die op grond van de Omgevingswet worden gesteld en daarnaast ook regels over de fysieke leefomgeving die worden gesteld op grond van de Waterschapswet en andere bijzondere wetten.

De waterschapsverordening richt zich specifiek op het watersysteem en bevat onder andere regels met betrekking tot beheer en onderhoud, regels over lozingen of beperkingengebiedactiviteiten m.b.t. een waterstaatswerk.

Daarnaast kan de waterschapsverordening zich richten op het vaarwegbeheer en wegenbeheer, voor die gebieden waarvoor het waterschap dat soort beheer uitvoert. De provincies delen het vaarwegbeheer toe, en kunnen dat zowel bij de provincie zelf als bij het waterschap of de gemeente beleggen. Wegenbeheer wordt in bepaalde delen van het land door waterschappen gedaan buiten de bebouwde kom – dit zijn van oudsher wegen die nodig waren voor de waterbeheertaken van het waterschap, zoals dijkwegen.

De regels in de waterschapsverordening zijn gebodsbepalingen, plichten voor bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden en bepalingen over in welke gevallen een vergunning of een melding vereist is voor bepaalde activiteiten/handelingen of voldaan moet worden aan algemene regels. Tevens kan het waterschap beperkingengebieden aanwijzen.

Zie 3.1 van de TPOD waterschapsverordening versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur

Juridische kenmerken Waterschapsverordening

Onderwerp Specificatie
Grondslag rechtsfiguur Artikel 2.5 Omgevingswet
Voorbereidingsprocedure Toepassen afdeling 3.4 Awb verplicht
Tijdstip bekendmaking/ terinzagelegging vastgestelde waterschapsverordening Door bestuursorgaan te bepalen
Inwerkingtreding Inwerkingtreding op achtste dag na dag van bekendmaking of op in besluit aangegeven andere datum
Rechtsbescherming hoofdregel: geen bezwaar en beroep mogelijk
Geldt toepassingsprofiel ook voor ontwerpbesluit Ja
Rechtsfiguur roept meldingsplicht of vergunningplicht in het leven en/of bevat bepalingen waaraan aanvragen omgevingsvergunning rechtstreeks getoetst moeten worden Ja
Rechtsfiguur bevat voor een ieder bindende regels Ja

2.9 Kenschets rechtsfiguur AMvB en MR

Het Rijk werkt de hoofdregels over de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet nader uit in Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en Ministeriële Regeling (MR).

De AMvB’s bevatten regels ter uitwerking van de instrumenten de wet. Hierin zijn de inhoudelijke normen opgenomen voor bestuurlijk handelen en rechtstreeks werkende regels gericht op burgers, bedrijven en overheden over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Bij AMvB’s kunnen onder andere instructieregels worden gesteld en omgevingswaarden worden vastgesteld.

Bij MR’s kunnen onder andere instructieregels worden gesteld en worden werkingsgebieden geometrisch begrensd. Alleen AMvB’s en MR’s die hun grondslag in de Omgevingswet hebben zijn OW-besluiten.

Zie 3.1 van de TPOD AMvB en MR versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur

Juridische kenmerken AMvB en MR

Onderwerp Specificatie AMvB Specificatie MR
Grondslag rechtsfiguur diverse artikelen Omgevingswet, of andere wetten of besluiten. diverse artikelen Omgevingswet of andere wetten of besluiten
Voorbereidingsprocedure Nee, afdeling 3.4 Awb niet van toepassing Nee, afdeling 3.4 Awb niet van toepassing
Consultatie Eenieder wordt langs elektronische weg in de gelegenheid gesteld gedurende een periode van ten minste vier weken opmerkingen te maken. Eenieder wordt langs elektronische weg in de gelegenheid gesteld gedurende een periode van ten minste vier weken opmerkingen te maken.
Tijdstip bekendmakingvast-gestelde AMvB/MR PM PM
Inwerkingtreding Wordt geregeld in het OW-besluit zelf, of in een afzonderlijk besluit. Als het niet geregeld is de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad Wordt geregeld in de MR zelf.
Rechtsbescherming geen bezwaar en beroep mogelijk geen bezwaar en beroep mogelijk
Geldt toepassingsprofiel ook voor ontwerpbesluit Nee Ja
Rechtsfiguur roept meldingsplicht of vergunningplicht in het leven. Ja, bij AMvB kunnen activiteiten worden aangewezen waarvoor een vergunningplicht, al dan niet een meldingsplicht geldt. Nee
Rechtsfiguur bevat bepalingen waaraan aanvragen om omgevingsvergunning rechtstreeks getoetst moeten worden Ja, AMvB bevat rechtstreeks werkende regels waar vergunningaanvragen aan getoetst moeten worden. Ja, MR bevat rechtstreeks werkende regels waar vergunningaanvragen aan getoetst moeten worden.
Rechtsfiguur bevat voor eenieder bindende regels Ja, AMvB kan rechtstreeks werkende regels gericht op burgers en bedrijven bevatten Ja, MR kan rechtstreeks werkende regels gericht op burgers en bedrijven bevatten

2.10 Kenschets rechtsfiguur omgevingsvisie

Het Rijk, de provincie en de gemeenten leggen de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de fysieke leefomgeving en de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, de bescherming, het beheer en het behoud van hun gehele grondgebied vast in één omgevingsvisie.

De bestuursorganen kunnen ook gezamenlijk een omgevingsvisie opstellen, die zij vaststellen voor het deel dat over het eigen grondgebied gaat. Integraal betekent dat de visie betrekking heeft op alle terreinen van de fysieke leefomgeving. Het gaat hier om een samenhangende visie op strategisch niveau, niet om een optelsom van beleidsvisies voor de diverse domeinen. Dat is ook de reden dat ieder bestuursorgaan slechts één omgevingsvisie vaststelt: één kenbaar en integraal beleidsdocument met het gehele strategische omgevingsbeleid voor het hele grondgebied.

De omgevingsvisie is als instrument onderdeel van de start van de beleidscyclus, die van beleidsontwikkeling. Een omgevingsvisie biedt een samenhangende beleidsmatige basis voor inzet van juridische, financiële of andere instrumenten om de beleidsdoelen in de visie na te streven en bevat geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De omgevingsvisie is een politiek-bestuurlijk document en bindt uitsluitend het vaststellende bestuursorgaan. Het kent dus geen hiërarchie en geen doorwerking in juridische zin, ook niet tussen bestuurslagen. De verantwoordelijkheden en de omgevingsvisies van een ‘hoger’ of aangrenzend bestuursorgaan maken uiteraard wel onderdeel uit van de context waarbinnen het desbetreffende bestuursorgaan zijn visie vaststelt.

Voor een omgevingsvisie van bijvoorbeeld een gemeente zullen beleidsontwikkelingen en -documenten van buurgemeenten, provincie en het Rijk wel van betekenis zijn.

Zie 3.1 van de TPOD omgevingsvisie versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur Juridische kenmerken omgevingsvisie

2.11 Kenschets rechtsfiguur projectbesluit

Rijk, provincies en waterschappen kunnen besluiten tot het uitvoeren van een (vaak) complex project in de fysieke leefomgeving door middel van het projectbesluit. Het projectbesluit heeft alleen betrekking op projecten waar een nationaal, provinciaal of waterstaatsbelang mee gemoeid is of indien een privaat belang samenvalt met een publiek belang, zoals de aanleg van een windpark.

Het projectbesluit is gericht op het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan. Voor een aantal categorieën van projecten is het vaststellen van een projectbesluit verplicht, voor andere projecten van publiek belang is het mogelijk om een projectbesluit, na toepassing van de projectprocedure, vast te stellen. Het projectbesluit heeft een bijzonder karakter. Het bevat de maatregelen en kan alle toestemmingen bevatten die nodig zijn voor de uitvoering van het project.

Het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor de expliciet in het projectbesluit genoemde activiteiten en als toestemming voor andere in het projectbesluit benoemde activiteiten. Met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit kunnen provinciale staten respectievelijk de minister een voorbereidingsbesluit nemen.

Zie 3.1 van de TPOD projectbesluit versie 0.97 voor een uitgebreide toelichting op het rechtsfiguur

Juridische kenmerken projectbesluit

2.12 Besluit en besluitonderdelen

Deze sectie beschrijft het model van het besluit. Een besluit is in de Nederlandse wetgeving een schriftelijke beslissing van een bevoegd gezag, waarvan de inhoud een publiekrechtelijke rechtshandeling is.

2.13 Toelichting besluitonderdelen

Een besluit bestaat in de meeste gevallen uit drie besluitonderdelen. Deze sectie geeft een beschrijving van de onderdelen waaruit het besluit bestaat:

De besluitonderdelen zijn hieronder schematisch weer gegeven.

Schematische weergave besluitonderdelen

Deel één: Motivering

Deel één van het besluit bestaat uit de vaststellings- c.q. wijzigingsdocumenten van het OW-besluit. Dit deel begint met de overwegingen die leiden tot het nemen van het besluit. Hierin wordt bijvoorbeeld aangegeven op welke onderdelen het OW-besluit wordt aangepast en wordt verwezen naar, voor die wijzigingen relevant beleid.

Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens en bescheiden bij dit eerste deel van het vaststellingsbesluit gevoegd zijn.

Deel twee: Regels

Het tweede deel van het OW-besluit wordt gevormd uit het eigenlijke OW-besluit: de regels die deel gaan uitmaken van het OW-besluit dan wel de visie- of beleidstekst, inclusief hun werkingsgebieden. In het geval van een wijzigingsbesluit wordt in dit deel concreet aangegeven op welke wijze het OW-besluit wordt aangepast. Aangegeven wordt welke regels, visietekst of beleidstekst worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere. Dit deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening. Deel twee kan bijlagen bevatten.

Deel drie: Artikelsgewijze toelichting (facultatief)

Het derde deel aan het besluit bevat bij iedere regel van het OW-besluit een artikelsgewijze toelichting, dit is de volledige artikelsgewijze toelichting. Dit deel van het vaststellingsbesluit zal dus overeenkomen met de artikelsgewijze toelichting zoals die bij wetten gebruikelijk is. In dit onderdeel wordt ook de algemene toelichting van het betreffende OW-besluit opgenomen. Indien gewenst kunnen bij dit deel bijlagen worden gevoegd.

Deze indeling geldt niet voor de Omgevingsvisie. Daar is sprake van een vormvrije tekststructuur en kent geen onderscheid in de drie besluitonderdelen.

2.14 Besluitonderdelen omgevingsplan

Tot de geldende onderdelen van het omgevingsplan (of de wijziging daarvan) behoort alleen het tweede deel van het besluit tot vaststelling of wijziging. Dit zijn de regels, beleids- of visietekst en de bijbehorende werkingsgebieden. Alle tweede delen van alle opeenvolgende besluiten vormen samen het actuele geldende omgevingsplan.

De in het eerste deel van het vaststellingsbesluit opgenomen motivering en de daarbij behorende gegevens en bescheiden over bijvoorbeeld onderzoek en zienswijzen maken geen deel uit van het OW-besluit. Dat geldt ook voor de artikelsgewijze en de algemene toelichting uit het (facultatieve) derde deel van het vaststellingsbesluit.

Het omgevingsplan moet binnen het DSO goed raadpleegbaar en bruikbaar zijn, daarom moeten het tweede deel van het besluit en de geconsolideerde versie in hoge mate gestructureerd en van (extra) intelligentie voorzien zijn. Alle besluitonderdelen moeten aan de STOP/TPOD voldoen. Hoge mate van structurering geldt voor het 2e besluitdeel (is artikelstructuur) voor het 1e en 3e deel geldt vormvrije structuur. Hier wordt verder op ingegaan in H3.2.1 van de praktijkrichtlijn.

Om eventueel de artikelsgewijze toelichting bij het juiste artikel te kunnen raadplegen, moet ook het (facultatieve) derde deel van het besluit gestructureerd zijn en aan de STOP TPOD omgevingsplan voldoen.

2.15 Besluitonderdelen omgevingsverordening

Het besluit waarbij een omgevingsverordening of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, bestaat uit twee onderdelen. Facultatief kan daar een derde deel aan worden toegevoegd.

Deel één van het besluit bestaat uit de motivering van het besluit tot vaststelling c.q. wijziging van de omgevingsverordening. Dit deel is onderdeel van een combinatie van het statenbesluit, het statenvoorstel en de toelichting met bijlagen. Dit deel begint met de overwegingen die leiden tot het nemen van het besluit. Vervolgens wordt een inhoudelijke motivering van het besluit gegeven. Hierin wordt bijvoorbeeld aangegeven op welke onderdelen de omgevings-verordening wordt aangepast en waarom, en wordt verwezen naar voor die wijzigingen relevant beleid uit de omgevingsvisie van het Rijk of de provincie zelf. Er wordt toegelicht op welke wijze gevolg is gegeven aan de van toepassing zijnde instructieregels en instructies van het Rijk.

Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens en bescheiden bij dit eerste deel van het vaststellingsbesluit gevoegd zijn.

Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van de omgevingsverordening. De regels bestaan in ieder geval uit de Regeltekst, de daarbij behorende werkingsgebieden (de gebieden waar de afzonderlijke regels gelden en die worden begrensd door coördinaten) en de verplichte annotaties. Bij dit tweede deel kunnen bijlagen worden gevoegd.

In het geval van een wijzigingsbesluit wordt in dit tweede deel concreet aangegeven op welke wijze de omgevingsverordening wordt aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Dit deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening.

Aan het besluit kan een derde deel worden toegevoegd in de vorm van een algemene toelichting en/of een artikelsgewijze toelichting. Beide zijn facultatief en dus niet verplicht.

In de algemene toelichting kunnen bijvoorbeeld gegevens over de provincie worden toegevoegd en een beschouwing over de visie van de provincie op de omgevingsverordening (globaal of gedetailleerd, de wijze waarop invulling is gegeven aan de provinciale beleidsvrijheid, etc.). Voor de opbouw van de tekst kan gebruik worden gemaakt van vormvrije tekstdelen (alinea’s). Wanneer dat nodig is kan bij een wijziging van de regels van het omgevingsplan ook de algemene toelichting worden geactualiseerd. Als dat gewenst is kunnen ook aan deel 3 bijlagen worden toegevoegd.

Als de provincie bij de eerste vaststelling van een omgevingsverordening kiest voor een artikelsgewijze toelichting, bestaat het derde deel van het besluit uit de volledige artikelsgewijze toelichting voor elke regel die in de omgevingsverordening is opgenomen. Dit derde deel van het vaststellingsbesluit komt overeen met de artikelsgewijze toelichting zoals die bij wetten en verordeningen gebruikelijk is.

Bij een besluit tot wijziging van regels in de omgevingsverordening zullen ook wijzigingen worden aangebracht in de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting.

2.16 Besluitonderdelen waterschapsverordening

Het besluit waarbij een waterschapsverordening of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, bestaat uit twee onderdelen. Facultatief kan daar een derde deel aan worden toegevoegd.

Deel één van het besluit bestaat uit de motivering van het besluit tot vaststelling c.q. wijziging van de waterschapsverordening. Dit deel kan bestaan uit een combinatie van het besluit van het Algemeen Bestuur, het voorstel van het Dagelijks Bestuur aan het Algemeen Bestuur van het waterschap en eventueel een zienswijzennota en een inhoudelijke toelichting op het besluit.

Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens en bescheiden bij dit eerste deel van het vaststellingsbesluit gevoegd zijn.

Het tweede deel van het besluit bevat de regels die deel gaan uitmaken van de water-schapsverordening. De regels bestaan uit juridische Regeltekst, de werkingsgebieden (de gebieden waar de afzonderlijke regels gelden en die worden begrensd door coördinaten) en de annotaties. Bij dit tweede deel kunnen bijlagen worden gevoegd.

In dit tweede deel wordt concreet aangegeven op welke wijze de waterschaps-verordening wordt aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere. Dit deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening.

Het derde deel kan aan het besluit worden toegevoegd als het waterschapsbestuur ervoor kiest om bij iedere regel van de waterschapsverordening een artikelsgewijze toelichting te geven. De artikelsgewijze toelichting is facultatief, niet verplicht. Als er voor een artikelsgewijze toelichting is gekozen, bestaat het derde deel van het besluit uit de volledige artikelsgewijze toelichting (bij de eerste vaststelling van een waterschapsverordening) dan wel uit de wijzigingen die worden aangebracht in de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij elke regel uit de waterschapsverordening (bij een besluit tot wijziging van de waterschapsverordening). Dit deel van het vaststellingsbesluit zal dus overeenkomen met de artikelsgewijze toelichting zoals die bij wetten en verordeningen gebruikelijk is. Bij elke wijziging van regels van de waterschapsverordening wordt dan ook de artikelsgewijze toelichting op die regels geactualiseerd.

Aan deze artikelsgewijze toelichting kan ook een algemene toelichting worden toegevoegd met bijvoorbeeld gegevens over het waterschap en een beschouwing over de visie van het waterschap op de waterschapsverordening (globaal, gedetailleerd, etc). Wanneer dat nodig is kan bij een wijziging van de regels van de waterschapsverordening ook deze algemene toelichting worden geactualiseerd. Als dat gewenst is kunnen ook aan deel 3 bijlagen worden toegevoegd.

2.17 Besluitonderdelen AMvB en MR

Het besluit waarbij een AMvB en MR of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, bestaat uit twee onderdelen.

Deel een van het besluit (regels) bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van de AMvB of MR. De regels bestaan uit juridische regeltekst en de werkingsgebieden: de gebieden waar de afzonderlijke regels gelden en die worden begrensd door coördinaten. Het werkingsgebied op algeheel AMvB-niveau is hierbij heel Nederland inclusief EEZ. Het werkingsgebied van individuele tekstelementen of tekstfragmenten kan zijn Nederland exclusief EEZ. Bij dit eerste deel kunnen bijlagen worden gevoegd. Hier kunnen tabellen, afbeeldingen en/of plaatjes aan toegevoegd worden.

In dit deel wordt concreet aangegeven op welke wijze de AMvB of MR wordt aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Dit deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening.

Het tweede deel van de AMvB of MR is de toelichting. De toelichting bestaat uit een algemene en artikelsgewijze toelichting bij wetten gebruikelijk is. Indien gewenst kunnen bij zowel de algemene als de artikelsgewijze toelichting bijlagen worden gevoegd. Zowel de toelichting als de bijlagen kunnen tabellen, afbeeldingen en/of plaatjes bevatten.

2.18 Besluitonderdelen omgevingsvisie

Een omgevingsvisie heeft een vormvrije tekststructuur en kent geen onderscheid in de drie afzonderlijke besluitonderdelen die voor OW-besluiten met regels wel gelden. Voor de omgevingsvisie geldt dat het bevoegd gezag het besluit tot vaststelling (of wijziging) van de omgevingsvisie, inclusief de inhoud van de omgevingsvisie zelf, aanlevert via de LVBB aan het DSO.

2.19 Besluitonderdelen projectbesluit

Het besluit waarbij een projectbesluit of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, bestaat uit twee onderdelen. Facultatief kan daar een derde deel aan worden toegevoegd.

Deel één van het projectbesluit zelf (of de wijziging daarvan) bestaat alleen uit het eerste deel van het besluit tot vaststelling of wijziging van het projectbesluit en eventueel bijgevoegde bijlagen. Deel één bevat in ieder geval de volgende onderdelen (geen exclusieve opsomming):

Bijvoorbeeld: In het projectbesluit is bepaald dat een brug over een rivier gebouwd wordt, maar de exacte hoogte en locatie van de brug moet nog bepaald worden. Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens en bescheiden bij dit eerste deel van het vaststellingsbesluit gevoegd worden.

Deel twee: Wijziging regels omgevingsplan (verplicht indien nodig) Het projectbesluit kent een vast onderdeel waarin de regels voor het wijzigen van het omgevingsplan worden opgenomen. In dit onderdeel staat - vergelijkbaar met een wetswijziging of de wijziging van een verordening - aangegeven of het betrokken omgevingsplan wordt aangepast. Aangegeven wordt op welke wijze regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Dit onderdeel gaat op in de geconsolideerde (doorlopende) versie van het omgevingsplan dat digitaal raadpleegbaar beschikbaar moet zijn gesteld. De regels van het omgevingsplan wijzigen tegelijk met de bekendmaking van het projectbesluit. In tegenstelling tot de rest van het document is voor dit onderdeel een vormvaste opmaak verplicht om integratie in het omgevingsplan mogelijk te maken.

Deel drie: Artikelsgewijze toelichting (alleen nodig indien gewijzigde regels in het omgevingsplan toelichting behoeven) Het derde deel bestaat uit de regels die aan het besluit kunnen worden toegevoegd als het bevoegd gezag ervoor kiest om bij iedere regel - van het deel dat één of meerdere omgevingsplannen wijzigt - een artikelsgewijze toelichting te geven. De artikelsgewijze toelichting is facultatief, niet verplicht. Dit deel van het vaststellingsbesluit zal dus overeenkomen met de artikelsgewijze toelichting zoals die bij wetten en verordeningen gebruikelijk is. Bij elke wijziging van regels van het omgevingsplan wordt dan ook de artikelsgewijze toelichting op die regels geactualiseerd.

2.20 Regels en onderwerpen omgevingsplan

In de wet staan vervolgens -soms expliciet, vaker ook impliciet- specifiekere bepalingen over de inhoud van het omgevingsplan, zoals het aanwijzen van onderwerpen waarover regels alleen in een omgevingsplan mogen worden opgenomen. In de Omgevingswet is bepaald dat bij AMvB gevallen kunnen worden aangewezen:

Het aanwijzen van deze gevallen zal plaatsvinden in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Naast de regels die, als ze worden gesteld, in het omgevingsplan moeten worden opgenomen en de regels over onderwerpen die daarin niet mogen worden opgenomen, ontstaat als vanzelf ook een categorie regels over onderwerpen die in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen maar waarvan dat niet verplicht wordt gesteld. Over deze onderwerpen kunnen regels ook in een aanvullende verordening worden gesteld in plaats van in het omgevingsplan.

2.21 Meervoudig bronhouderschap omgevingsplan

De gemeenteraad (en na delegatie ook B&W) stelt het omgevingsplan vast over het gebied waar zij zeggenschap hebben. Andere bevoegde gezagen en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kunnen besluiten nemen respectievelijk uitspraken doen die leiden tot wijziging van dat omgevingsplan.

Het uitgangspunt bij meervoudig bronhouderschap is dat het bevoegd gezag een besluit neemt dat ingrijpt op het omgevingsplan en daarbij het mutatiebericht aanlevert aan het DSO, wat leidt tot wijzigingen in de geconsolideerde versie van het omgevingsplan. Ten aanzien van uitspraken van de bestuursrechter geldt dat de gemeente de gevolgen van die uitspraak in het omgevingsplan verwerkt.

2.22 Overgangsrecht omgevingsplan

Na het inwerkingtreden van de Omgevingswet vormen de volgende plannen tezamen het van rechtswege voor het gehele grondgebied van een gemeente geldende omgevingsplan [art 22.1 OW en 4.6 Invoeringswet Omgevingswet]:

Hier komen nog de regels bij die het Rijk decentraliseert als onderdeel van de zogenoemde 'bruidsschat'. Deze gaat onderdeel uitmaken van het omgevingsplan, zoals dat geldt ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (art. 22.2 OW). Denk bijvoorbeeld aan regels voor geur en geluid voor de horeca. Zij kunnen hiervoor hun eigen afwegingen maken. Voor een goede overgang van de oude naar de nieuwe situatie is er de bruidschat.

De bruidsschat

De reeds elektronisch beschikbaar gestelde plannen, nu via www.ruimtelijkeplannen.nl, blijven via een overbruggingsfunctie die het Kadaster aanbiedt, raadpleegbaar als onderdeel van het omgevingsplan. Deze plannen zijn straks dus ook zichtbaar in de LVBB.

2.23 De inhoud van de omgevingsverordening

2.23.1 Regels en onderwerpen omgevingsverordening

De Omgevingswet geeft geen sluitend overzicht van onderwerpen waarover in de omgevingsverordening regels gesteld moeten of kunnen worden. Wel is bepaald welke aspecten de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat en welke gevolgen worden aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

In de wet staan vervolgens -soms expliciet, vaker ook impliciet- specifiekere bepalingen over de inhoud van de omgevingsverordening, zoals het aanwijzen van onderwerpen waarover regels alleen in een omgevingsverordening mogen worden opgenomen. In de Omgevingswet is bepaald dat bij AMvB gevallen kunnen worden aangewezen:

  • waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in de omgevingsverordening mogen worden opgenomen;

  • waarin regels over de fysieke leefomgeving niet in de omgevingsverordening mogen wor-den opgenomen.

Het aanwijzen van deze gevallen zal plaatsvinden in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 2.3 van het Omgevingsbesluit. Naast de regels die, als ze worden gesteld, in de moeten worden opgenomen en de regels over onderwerpen die daarin niet mogen worden opgenomen, ontstaat als vanzelf ook een categorie regels over onderwerpen die in de kunnen worden opgenomen maar waarvan dat niet verplicht wordt gesteld. Over die onderwerpen kunnen regels ook in een (andere) verordening worden gesteld. In tabel 4 van de TPOD Omgevingsverordening staat een overzicht van de belangrijkste regels en onderwerpen die de omgevingsverordening op grond van de Omgevingswet en de AMvB’s moet, respectievelijk kan, bevatten.

2.23.2 Regels en besluiten die leiden tot wijziging omgevingsverordening

Een bestuursorgaan is verantwoordelijk voor het opstellen, vaststellen en wijzigen van het OW-besluit waarvoor het op grond van de Omgevingswet is aangewezen als bevoegd gezag. In specifieke gevallen hebben regels en besluiten van andere bestuursorganen invloed op dat OW-besluit.

2.23.3 Voorbereidingsbesluit en voorbeschermingsregels

Op grond van artikelen 4.15 Ow kunnen provinciale staten en gedeputeerde staten (in delegatie) een voorbereidingsbesluit nemen dat de omgevingsverordening wijzigt met voorbeschermingsregels.

2.23.4 Niet van toepassing op de omgevingsverordening

De volgende zaken zijn niet van toepassing op de omgevingsverordening

  • Meervoudig bronhouderschap

  • Projectbesluit en projectprocedure

  • Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit

  • In de omgevingsverordening is niet voorzien in overgangsrecht. Streven is dat de provincies hun omgevingsverordeningen op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben vastgesteld.

Daarnaast geldt dat er voor de provincies geen sprake is van een ‘bruidschat’. Provincies streven ernaar hun omgevingsverordening af te hebben als de Omgevingswet in werking treedt en hebben dus geen bruidsschat nodig.

2.24 De inhoud van de waterschapsverordening

2.24.1 Regels en onderwerpen waterschapsverordening

De Omgevingswet geeft geen sluitend overzicht van onderwerpen waarover in de waterschapsverordening regels gesteld moeten of kunnen worden. Wel is bepaald welke aspecten de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat en welke gevolgen worden aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In tabel 4 van de TPOD waterschapsverordening 0.97 is aangegeven over welke onderwerpen de waterschapsverordening regels moet of kan stellen.

2.24.2 Overgangsfase waterschapsverordening

Na inwerkingtreden van de Omgevingswet vormen bij AMvB aan te wijzen delen van de huidige keur en andere regels die in de waterschapsverordening opgaan de van rechtswege voor het gehele grondgebied van een waterschap geldende waterschapsverordening (art. 22.14 Ow).

Daarnaast zullen ook de regels die het Rijk decentraliseert als onderdeel van de zogenoemde 'bruidsschat' onderdeel gaan uitmaken van de waterschapsverordening zoals die geldt ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (art. 22.14 Ow). Het Rijk draagt er zorg voor de regels uit de bruidsschat als onderdeel van de waterschapsverordening elektronisch geraadpleegd kunnen worden.

De bruidschat

De verplichting tot vaststelling van een waterschapsverordening geldt pas vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Vanaf dat moment worden regels over de fysieke leefomgeving alleen nog in de waterschapsverordening gesteld (art. 22.15 Ow). Bij het stellen van de termijn zal rekening worden gehouden met het feit dat een provinciale omgevingsverordening instructieregels kan bevatten voor waterschapsverordeningen, waar de algemene besturen van de waterschappen bij het vaststellen van hun verordeningen rekening mee moeten houden. Dat wordt mogelijk doordat de waterschapsverordeningen als bedoeld in artikel 2.5 nog niet op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgesteld hoeven te zijn. Een reden om een termijn te bieden is ook dat nieuwe waterbeheerprogramma’s moeten worden vastgesteld op basis van de plancyclus uit het Europese recht. De termijn voor de waterschapsverordening kan hierop aansluiten. Dit tijdstip zal na overleg met de Unie van Waterschappen worden vastgesteld. Vooralsnog is de verwachting dat het tijdstip zal worden gesteld op twee jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat gemeenten bij de vernieuwing van hun omgevingsplan waar dat nodig is toepassing kunnen geven aan de nieuwe waterschapsverordening.

2.25 De inhoud van het AMvB en MR

2.25.1 Regels en onderwerpen AMvB en MR

Alhoewel de Omgevingswet overzicht geeft van onderwerpen waarover in de regels gesteld moeten of kunnen worden, kunnen er in de toekomst onderwerpen binnen de reikwijdte vallen waar op dit moment geen rekening mee gehouden kan worden.

In de TPOD AMvB en MR staan overzichten over de inhoud van de AMvB en MR die zijn gebaseerd op de bestaande thema’s met betrekking tot de fysieke leefomgeving.

In de wet staan vervolgens specifiekere bepalingen over de inhoud van de, zoals het aanwijzen van onderwerpen waarover regels alleen in een mogen worden opgenomen.

2.26 Onderwerpen omgevingsvisie

De Omgevingswet geeft geen sluitend overzicht van onderwerpen waarover in de omgevingsvisie uitwerking aan moet of kan worden gegeven. Wel is bepaald welke aspecten de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat en welke gevolgen worden aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In de wet staan vervolgens, soms expliciet, vaker ook impliciet, specifiekere bepalingen over de kenmerken van de omgevingsvisie, zoals beginselen, aanpak en participatie die van toepassing zijn.

  1. Inhoud op hoofdlijnen

  2. een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

  3. de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied

  4. de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid.

  5. Uitgangspunten. Rekening houden met:

  6. samenhang van relevante onderdelen en aspecten van fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks betrokken belangen.

  7. een aantal beginselen voor inhoudelijke sturing op het beleid voor de fysieke leefomgeving:

  8. voorzorgsbeginsel;

  9. beginsel van preventief handelen;

  10. beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestreden dienen te worden, en;

  11. beginsel dat de vervuiler betaalt.

  12. Integrale aanpak

  13. Uitgangspunten en wensen voor de fysieke leefomgeving vanuit de verschillende thema’s in beeld brengen.

  14. Gewenste kwaliteiten en functies op hoofdlijnen beschrijven, uitgaande van opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

  15. Samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed, inclusief onder- en bovengrond op verschillende niveaus en het water.

  16. Samenvoegen van verschillende terreinen en het in vroegtijdig stadium verbinden van mogelijk strijdige of juist mee koppelende ontwikkelingen.

  17. Accenten leggen en prioriteiten stellen binnen de omgevingsvisie.

  18. Zelfbindend

  19. Geen doorwerking in juridische zin, ook niet tussen bestuurslagen.

  20. Verantwoordelijkheden en omgevingsvisies van andere bestuursorganen maken wel onderdeel uit van de context waarbinnen het desbetreffende bestuursorgaan zijn visie vaststelt.

  21. Sturingsfilosofie

In de omgevingsvisie kan worden ingegaan op sturingsfilosofie, waarmee de eigen rol van het vaststellende bestuursorgaan bij de realisatie van die visie wordt belicht en de voorziene rol van anderen.

  1. Inzet instrumenten

Beleidsuitwerking en uitvoering vindt in samenhang plaats via de inzet van andere type instrumenten, zoals economische, financiële, juridische, beleidsmatige en communicatieve instrumenten. Voorbeelden van de juridische instrumenten zijn het programma, de omgevingsverordening en het omgevingsplan.

  1. Participatie

Bij het vaststellen van een omgevingsvisie wordt aangegeven hoe maatschappelijke organisaties, burgers, bedrijven en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

2.27 Overgangsfase omgevingsvisie

Voor Rijk, provincies en gemeenten is het verplicht een omgevingsvisie vast te stellen. Hoewel de Omgevingswet geen doorwerking kent van de omgevingsvisie van een hoger bestuursorgaan naar de omgevingsvisie van andere bestuursorganen, spelen de omgevingsvisies van andere bestuursorganen wel een rol bij de beleidsvorming. Voor de omgevingsvisies van gemeenten en provincies is de nationale omgevingsvisie van bijzondere betekenis. Daarom heeft het kabinet het voornemen om de nationale omgevingsvisie al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vast te stellen. Voor gemeenten is het van belang om de provinciale omgevingsvisie te betrekken bij het opstellen van hun eigen omgevingsvisie. Daarom wordt de provincies gevraagd om hun omgevingsvisie zo snel mogelijk vast te stellen en geldt er voor hen geen uitgestelde werking van de plicht een omgevingsvisie vast te stellen. De gemeenten krijgen wel een overgangstermijn: op grond van het overgangsrecht geldt de verplichting een omgevingsvisie te hebben voor hen vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Gestreefd wordt naar een overgangstermijn van drie jaar. Het overgangsrecht maakt het overigens (onder voorwaarden) voor gemeenten ook mogelijk om al voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvisie vast te stellen. Er geldt geen overgangsrecht in de zin van een gelijkstelling van onder de oude wetgeving vastgestelde visie-achtige documenten met de omgevingsvisie. Om te voorkomen dat er ten aanzien van bepaalde majeure onderwerpen helemaal geen beleid geldt, blijven de hoofdzaken van gemeentelijke milieubeleidsplannen, verkeers- en vervoersplannen en structuurvisies gelden totdat een gemeentelijke omgevingsvisie van kracht wordt.

2.27.1 Niet van toepassing op de omgevingsvisie

De volgende zaken zijn niet van toepassing op de omgevingsvisie:

  • Regels en besluiten die leiden tot wijziging omgevingsplan

  • Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit

2.28 De inhoud van het projectbesluit

Regels en onderwerpen projectbesluit De Omgevingswet geeft geen limitatieve lijst van projecten of activiteiten waarover een projectbesluit genomen kan worden. In de wet staan vervolgens specifiekere bepalingen over de inhoud van het projectbesluit, zoals omschrijving van het project, maatregelen die getroffen worden hoe de participatie is verlopen.

2.28.1 Het projectbesluit heeft een ander karakter dan andere OW-besluiten en bevat de maatregelen en alle toestemmingen die nodig zijn voor de uitvoering van het project en kan regels bevatten die het omgevingsplan wijzigen.

2.29 Onderwerpen projectbesluit

  1. Directe werking projectbesluit

Geldt als omgevingsvergunning voor de expliciet in het projectbesluit genoemde activiteiten wijzigt -voor zover strijdig- het omgevingsplan (of meerdere omgevingsplannen) met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project.

  1. Overdracht bevoegdheid tot vaststellen projectbesluit

Het Rijk kan de bevoegdheid voor het vaststellen van het projectbesluit overdragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, als gedeputeerde staten daarmee instemmen.

  1. Voorbereidingsbesluit

Met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit kunnen provinciale staten respectievelijk de minister een voorbereidingsbesluit nemen.

  1. Projectbesluit door waterschap

In een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap mogen geen regels worden gesteld die in strijd zijn met regels die op grond van een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk in het omgevingsplan zijn opgenomen. Uitzondering daarop vormen de gevallen waarin instructieregels dan wel instructies van Rijk respectievelijk provincie daartoe nopen.

  1. Projectbesluit door provincie

In een projectbesluit dat wordt vastgesteld door gedeputeerde staten mogen geen regels worden gesteld die in strijd zijn met regels die op grond van een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit van het Rijk in het omgevingsplan zijn opgenomen.

2.30 Regels en besluiten die leiden tot wijziging projectbesluit

Een bestuursorgaan is verantwoordelijk voor het opstellen, vaststellen en wijzigen van het OW-besluit waarvoor het op grond van de Omgevingswet is aangewezen als bevoegd gezag. In specifieke gevallen hebben regels en besluiten van andere bestuursorganen invloed op dat OW-besluit. Zo kunnen Rijk, provincie en waterschap met een projectbesluit de regels van het omgevingsplan wijzigen.

Hier wordt speciaal aandacht besteed aan de regels en besluiten die invloed hebben op het omgevingsplan. De complexiteit die hiermee samenhangt en de impact die de regels in het omgevingsplan hebben op initiatiefnemers, burgers, bedrijven en instellingen rechtvaardigen een nadere uitwerking.

2.31 Meervoudig bronhouderschap projectbesluit

Met een projectbesluit kunnen DB van het waterschap, GS en de minister de regels van het omgevingsplan wijzigen. Uitgangspunt bij meervoudig bronhouderschap is dat het bevoegd gezag dat een besluit neemt dat ingrijpt op het omgevingsplan het mutatiebericht aanlevert dat leidt tot wijzigingen in de geconsolideerde versie van het omgevingsplan.

2.32 Projectbesluit en projectprocedure

Rijk, provincies en waterschappen kunnen overgaan tot nemen van een projectbesluit.

Het is het sluitstuk van een projectprocedure waarin de volgende (tussen)producten worden opgeleverd:

Het projectbesluit zelf is aangewezen als OW-besluit, maar bestaat weer uit een aantal onderdelen die zelf OW-besluiten zijn of dat mogelijk worden (enige tijd) na de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

Het projectbesluit kan tijdens de implementatie van de Omgevingswet dan ook nog een aantal veranderingen in vorm doormaken als gevolg van nader te ontwikkelen standaarden voor andere OW-besluiten.

2.33 Overgangsfase projectbesluit

Door de Invoeringswet wordt aan de Omgevingswet een hoofdstuk over overgangsrecht toegevoegd. Artikel 22.16 voorziet in een overgangsfase voor het projectbesluit waar het de relatie met het omgevingsplan betreft. Deze overgangsfase bestaat uit twee onderdelen.

Ten eerste hoeft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip het projectbesluit niet de regels van het omgevingsplan te wijzigen. Voor zover een projectbesluit in deze periode in strijd is met het omgevingsplan, geldt het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Ten tweede hoeft, voor zover een projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, het omgevingsplan niet eerder dan een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met die vergunning in overeenstemming te zijn gebracht. In de overgangsperiode is het dus niet verplicht dat het projectbesluit de regels van het omgevingsplan wijzigt, maar het is wel mogelijk.

3. Regels

3.1 Regels in het algemeen

Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om diverse soorten regels op te stellen over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet stelt dit overigens niet verplicht. De Omgevingswet gaat uit van het principe ‘Decentraal, tenzij'. Tevens is bij het opstellen van regels over activiteiten de decentrale beleidsvrijheid ook het uitgangspunt. Het wel of niet stellen van regels is in beginsel een keuze van de decentrale overheden. Dit betekent dat de taken en de bevoegdheden in principe worden uitgevoerd door gemeenten en waterschappen.

De regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving, kunnen in verschillende OW-besluiten staan, namelijk in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening en in algemene maatregelen van bestuur van het Rijk. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om regels over aanlegactiviteiten, bouwactiviteiten of sloopactiviteiten. Of regels over het uitvoeren van bedrijfsmatige of beheersmatige activiteiten.

Ook bij het stellen van regels over activiteiten is decentrale beleidsvrijheid het uitgangspunt. Het wel of niet stellen van regels is in beginsel een keuze van decentrale overheden. In de praktijkrichtlijnen van de specifieke OW-besluiten is in het onderdeel ‘Inhoud van het OW-besluit’ aangegeven waar regels over gesteld kunnen worden.

3.2 Opbouw van de regels

Om de regels in het Digitale Stelsel Omgevingswet te laten landen bestaan deze uit verschillende onderdelen:

Dit is middels de STOP/TP en TPOD van toepassing op alle verschillende OW-besluiten.

Onderdelen van regels

3.3 Opbouw OW-besluiten: regeltekst

Het IMOP-tekstmodel benoemt tekstobjecten en beschrijft de structuur waarin die tekstobjecten toegepast kunnen worden. Het tekstmodel geldt voor alle officiële overheidspublicaties. IMOP onderscheidt twee soorten tekststructuren:

In onderstaande afbeelding is weergegeven dat een regeling uit regelteksten bestaat.

Links geeft weer hoe een regelingstructuur met een vaste indeling van structuurelementen, zoals een artikel of een lid, eruit ziet. Deze vaste indeling is voor alle teksten met een regelingstructuur ook verplicht.

Rechts staat een vrije tekststructuur die opgebouwd wordt met divisies, die onder elkaar kunnen voorkomen. Het bevoegd gezag kan zelf beslissen of er een heel artikel of maar één lid gekoppeld wordt aan een werkingsgebied of wellicht de gehele regeling.

Twee typen tekststructuren

Per OW-besluit en per besluitonderdeel van het OW-besluit is in de TPOD vastgelegd welke tekststructuur gebruikt kan of moet worden. De OW-besluiten zonder regels hebben een vrijer karakter en kennen geen artikelsgewijze indeling. Voor deze besluiten geldt dan ook de VrijeTekstStructuur.

De OW-besluiten zonder regels vragen expliciet om andere eigenschappen voor het realiseren van raadpleegbaarheid. Een goed voorbeeld hiervan is het meegeven van extra weergavekenmerken op basis van type werkingsgebieden. Verder is er door middel van de divisies een eigen structuur voor hiërarchie en samenhang tussen werkingsgebieden mogelijk.

Opbouw OW-besluit

Het facultatieve derde deel van het OW-besluit is ingedeeld in een vrije tekststructuur. Met andere woorden, er wordt gebruik gemaakt van divisies. Deze divisies kunnen oneindig onder elkaar gehangen worden. Het is volledig vrij aan het bevoegd gezag om de informatie uit deze delen te structureren.

Aangezien het derde besluitonderdeel artikelsgewijze toelichting is, is het logisch om met behulp van de vrije tekststructuur een vergelijkbare structuur te maken als die in het tweede besluitonderdeel is gemaakt. Dat kan met behulp van verwijzingen.

In onderstaand figuur is een voorbeeld uitgewerkt hoe dat er in mens- en machine leesbare tekst uitziet, zie IntRef in de XML in het rode kader. In het geval van de koppeling naar de artikelsgewijze toelichting zal de tekst er anders uitzien, maar het principe is hetzelfde.

Artikel in mensleesbare tekst

Artikel in machine-leesbare tekst

3.4 Opbouw tekststructuur omgevingsplan, omgevingsverordening en waterschapsverordening

Voor het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening gelden de tekststructuren per besluitonderdelen zoals in onderstaande afbeelding.

Opbouw besluit_OP OV WV

Besluitonderdelen en tekststructuren omgevingsplan, omgevingsverordening en waterschapsverordening

3.5 Opbouw teksstructuur AMvB

Voor de AMvB en MR gelden de tekststructuren per besluitonderdeel zoals in onderstaande afbeelding.

Opbouw besluit_AMvB

Besluitonderdelen en tekststructuur AMvB en MR

3.6 Opbouw tekststructuur omgevingsvisie

De omgevingsvisie kent geen onderscheid in de drie afzonderlijke besluitonderdelen. Het is dus een samengevoegde tekst, zonder indeling en met een vrije tekststructuur. Er komen geen regels voor in de omgevingsvisie.

3.7 Opbouw tekststructuur projectbesluit

Voor het projectbesluit gelden de structuren per besluitonderdeel zoals in onderstaande afbeelding.

3.8 Tekststructuur omgevingsplan

Het omgevingsplan zelf, dus het tweede deel van ieder besluit tot vaststelling c.q. wijziging van het omgevingsplan, én de geconsolideerde versie van het omgevingsplan bestaan uit regels en kennen derhalve een RegelingStructuur, oftewel een artikelsgewijze opzet.

Bij het omgevingsplan horen ook een motivering (het eerste deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit) en (facultatief) een artikelsgewijze toelichting (het derde deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit). Deze onderdelen hebben een VrijeTekstStructuur. Dit geldt alleen voor de geconsolideerde versie. De beschrijving van de tekstelementen en de regels daarvoor gelden op dit moment alleen voor de geconsolideerde versie van het omgevingsplan. Er is nog te weinig inzicht in de manier waarop wijzigingsbesluiten moeten worden opgesteld om uitspraken over de daarin te gebruiken tekstelementen te kunnen doen.

Om de gemeente de mogelijkheid te bieden het omgevingsplan naar eigen inzicht in te delen wordt slechts een zeer beperkte vorm van standaardinhoudsopgave voorgeschreven. De enige verplichting is dat ieder omgevingsplan een eerste hoofdstuk heeft met het opschrift 'Algemene regels'. Uitgangspunt is dat in hoofdstuk 1 'Algemene regels' alleen algemene regels worden opgenomen, waarvan het werkingsgebied het hele werkingsgebied van het omgevingsplan is.

Als houvast is er qua indeling van het omgevingsplan een casco opgesteld door de VNG. Hierin staan tekststructuren en inhoudelijke indelingen. Het is overigens een facultatieve richtlijn die niet verplicht is. Het document wordt nog beschikbaar gesteld via <https: wetgevingswerken.nl="" projecten="" omgevingsplan-structuur="">

3.9 Tekststructuur omgevingsvisie

Om de provincie de mogelijkheid te bieden de omgevingsverordening naar eigen inzicht in te delen wordt er slechts een zeer beperkte vorm van standaardinhoudsopgave voorgeschreven.

De enige verplichting is dat iedere omgevingsverordening een eerste hoofdstuk heeft met het opschrift 'Algemene bepalingen'.

Uitgangspunt is dat in hoofdstuk 1 'Algemene bepalingen' alleen algemene bepalingen worden opgenomen waarvan het werkingsgebied het hele werkingsgebied van de omgevingsverordening is.

Doel van dit uitgangspunt is tweeledig. Enerzijds wordt het gehanteerd om ervoor te zorgen dat een gebruiker alle regels die op een locatie gelden gepresenteerd krijgt. Anderzijds voorkomt dit uitgangspunt dat een gebruiker die de regels die voor een bepaalde locatie gelden wil raadplegen ook allerlei regels te zien krijgt die daar niet van toepassing zijn, alleen omdat ze als algemene bepaling zijn geformuleerd zonder er een specifiek werkingsgebied aan te koppelen. In hoofdstuk 1 'Algemene bepalingen' komt verplicht een artikel Begripsbepalingen en facultatief een artikel Meet- en rekenbepalingen voor.

Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft een handreiking omgevingsverordening 2.0 opgesteld. Deze geldt als handvat voor de provincies. Hierin wordt een keur van wettelijke verplichtingen en mogelijkheden tot opbouw in beeld gebracht en toegelicht. Waar mogelijk zijn ook voorbeelden gegeven. https://ipo.nl/index.php/download_file/force/4918/172/

3.10 Tekststructuur waterschapsverordening

De waterschapsverordening zelf, dus het tweede deel van ieder besluit tot vaststelling c.q. wijziging van de waterschapsverordening, én de geconsolideerde versie van de waterschapsverordening bestaan uit regels en kennen derhalve een RegelingStructuur, oftewel een artikelsgewijze opzet. Bij de waterschapsverordening horen ook een motivering (het eerste deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit) en (facultatief) een artikelsgewijze toelichting (het derde deel van het vaststellings- of wijzigingsbesluit). Deze onderdelen hebben een VrijeTekstStructuur.

De waterschappen gaan nu aan de slag met een handreiking waterschapsverordening.

3.11 Teksstructuur projectbesluit

Het projectbesluit zelf bestaat uit deel 1 welke een vrije tekststructuur kent. Mogelijk nog aangevuld met de nodige bijlagen.

Echter als er sprake is van wijziging van de regels in het omgevingsplan na het nemen van een besluit, wordt deel 2 toegevoegd in dezelfde structuur als de regels in het omgevingsplan en kennen derhalve een RegelingStructuur, oftewel een artikelsgewijze opzet.

Om de bestuursorganen de mogelijkheid te bieden het projectbesluit naar eigen inzicht in te delen schrijft dit toepassingsprofiel slechts een zeer beperkte vorm van standaardinhoudsopgave voor. De enige verplichting is dat ieder projectbesluit een eerste hoofdstuk heeft met het opschrift 'Algemene regels'.

Uitgangspunt is dat in hoofdstuk 1 'Algemene regels' alleen algemene regels worden opgenomen waarvan het werkingsgebied het hele werkingsgebied van het projectbesluit is. Het doel van dit uitgangspunt is tweeledig. Enerzijds wordt het gehanteerd om ervoor te zorgen dat een gebruiker alle regels die op een locatie gelden gepresenteerd krijgt. Anderzijds voorkomt dit uitgangspunt dat een gebruiker die de regels die voor een bepaalde locatie gelden wil raadplegen ook allerlei regels te zien krijgt die daar niet van toepassing zijn, alleen omdat ze als algemene regel zijn geformuleerd zonder er een specifiek werkingsgebied aan te koppelen. In hoofdstuk 1 'Algemene regels' komen verplicht een artikel Begrippen en een artikel Meet- en rekenbepalingen voor.

3.12 Teksstructuur AMvB & MR en omgevingsvisie

De AMvB en MR en de omgevingsvisie kennen geen voorgeschreven inhoudsopgave. Zij hebben hierbij ook een vrije tekststructuur.

3.13 Kop en structuur van regeltekst

Zoals eerder aangegeven, bestaat een regeling uit regelteksten. Een regeltekst bestaat ook weer uit juridische regels, maar kan ook uit weer uit structuurelementen opgebouwd zijn. De regeltekst heeft altijd een kop. Een kop bestaat uit een label (de naam van het type tekstelement, zoals artikel of divisie) een nummer en een opschrift. Met uitzondering van lid moeten alle tekstelementen worden voorzien van een opschrift; over het algemeen kan het bevoegd gezag het Opschrift zelf kiezen.

In Artikelen en Leden kunnen Lijsten voorkomen. Er gelden regels voor het maximum aantal niveaus in Lijsten en de nummering van Lijsten. In onderstaand figuur is een voorbeeld opgenomen van een artikel met daarin de mens- en machineleesbare weergave. Andere voorbeelden van koppen zijn een artikel of lid in het geval van een regelingstructuur en een divisie in het geval van een vrije tekststructuur.

Opbouw van een kop

Structuur regeling, regeltekst, juridische regels en Regelingsstructuur of VrijeTekstStructuur

3.14 Locatie

Een Locatie is een met coördinaten afgebakend gebied of object. Locatie bevat één of meer geometrieën. Een Locatie kan aan een inhoudelijke annotatie gekoppeld worden en kan aan de tekst gekoppeld worden. Belangrijk is te vermelden dat het object Locatie een STOP-gegeven is. Vanwege de centrale rol die Locatie speelt in de toepassingsprofielen in het domein van de Omgevingswet, wordt Locatie ook in dit TPOD beschreven. Een gedetailleerdere toelichting van Locatie is te vinden in de STOP-documentatie.

3.15 Locatie en inhoudelijke annotatie

Een Locatie duidt de geometrische afbakening aan van enkele inhoudelijke annotaties. Dit is het geval bij Activiteit, Beperkingengebied, Functie, Onderwerp, Omgevingswaarde en Omgevingsnorm (zie paragraaf 5.8 TPOD’s voor een toelichting en normering op al deze annotaties). Daarvoor hebben deze inhoudelijke annotaties de eigenschap Locatie. Wanneer de gewenste annotatie de eigenschap Locatie heeft, is het verplicht deze vorm van Locatie te gebruiken. De Locatie die aan een inhoudelijke annotatie is gekoppeld, wordt Locatie genoemd en niet Werkingsgebied.

3.16 Locatie en tekst

In de gevallen waarin geen annotatie wordt toegevoegd of een annotatie wordt gebruikt die geen eigenschap Locatie heeft, zoals Thema, wordt gebruik gemaakt van de vorm van Locatie die aan een tekstelement of tekstfragment is gekoppeld. In een OW-besluit heeft (de inhoud van) een tekstelement of tekstfragment een werking voor een Locatie.

Een Locatie die aan een tekstelement of tekstfragment is gekoppeld, wordt Werkingsgebied genoemd.

Dat geldt voor zowel OW-besluiten met regels als voor OW-besluiten zonder regels. Dit betekent dat OW-besluiten zonder regels óók werkingsgebieden bevatten.

In principe wordt bij ieder tekstelement expliciet een Werkingsgebied aangegeven. Indien er geen Werkingsgebied is gekoppeld aan een tekstelement, geldt hiervoor het volledige Werkingsgebied van het besluit tot vaststelling of wijziging of van het hele OW-besluit.

Dit Werkingsgebied kan het grondgebied van het bevoegd gezag zijn dat het OW-besluit heeft vastgesteld, maar dat hoeft niet. Bijvoorbeeld als een Werkingsgebied van het besluit alleen een deel van het grondgebied van het bevoegd gezag betreft of als een gebied de uiterste grenzen van een projectbesluit aangeeft.

Ieder tekstelement gekoppeld aan een werkingsgebied

3.17 Eigenschappen van Locatie

Locatie bevat zoals gezegd één of meer geometrieën. Een geometrie legt een positie vast door middel van coördinaten. Het gaat hier om de geometrische beschrijving en niet om een geografische beschrijving in woorden. Voor geometrie geldt een aantal functionele normen.

De tweede eigenschap van Locatie is Idealisatie. Idealisatie geeft aan hoe nauwkeurig het bevoegd gezag Locatie heeft bedoeld en hoe Locatie derhalve geïnterpreteerd moet worden. Een Locatie kan exact bedoeld zijn, maar ook indicatief. Een voorbeeld van dat laatste is als een grens met een formule berekend is; de grens houdt dan geen rekening met de situering van objecten als woningen e.d. terwijl dat in de interpretatie wel zou moeten. Als Locatie gekoppeld is aan een tekstelement of tekstfragment, kan bij deze koppeling bijgehouden worden wat de idealisatie van de Locatie is. Aan ieder tekstelement of tekstfragment dat aan een Locatie is gekoppeld kan dus een eigen idealisatie toegekend worden. Dat betekent dat eenzelfde Locatie verschillende idealisatie kan hebben, afhankelijk van welk tekstelement of tekstfragment wordt bevraagd.

Wanneer de Idealisatie indicatief is, kan optioneel worden aangegeven met welke marge Locatie geïnterpreteerd moet worden. De marge geeft de afstand in meters voor de interpretatie van de begrenzing aan.

Bij de Locatie wordt de bron bijgehouden. Bron geeft aan of een basisregistratie is gebruikt om geometrieën uit over te nemen en zo ja welke, dan wel dat een geometrie berekend of zelf gecreëerd is.

De noemer is een tekstuele beschrijving van de locatie die de verbinding legt tussen de aanduiding in de tekst van een locatie en de verwijzing naar het informatie-object in de bijlage bij de regels. Voorbeelden voor omgevingsplan respectievelijk omgevingsverordening, waarbij de noemer in cursieve tekst is weergegeven, zijn:

| Geometrie | De beschrijving van de positie door middel van coördinaten. | | | Voor Geometrie gelden de volgende functionele normen: | |-----------|------------------------------------------------------------------------------------------------------------------|

-   Bij Locatie is Geometrie verplicht.


Locatie kan bestaan uit één of meer Geometrieën.

Een Geometrie mag alleen een vlak of multivlak zijn.

Per Locatie kan de coordinate reference system (crs)
verschillen. Deze wordt bijgehouden bij Geometrie. Als een
Locatie bestaat uit meerdere Geometrieën moeten deze allemaal
dezelfde crs hebben. De standaard ondersteunt de volgende
crs-en:
EPSG:28992 (=RD) en EPSG:4258 (=ETRS89)
Bron De bron die is gebruikt voor, dan wel de wijze van inwinning van de geometrie. Bron wordt gekozen uit een limitatieve waardelijst.
Idealisatie De manier waarop de begrenzing van Locatie geïnterpreteerd moet worden en door het bevoegd gezag bedoeld is. Idealisatie wordt gekozen uit een limitatieve waardelijst.
Marge De afstand in meters waarmee de indicatief bedoelde begrenzing van Locatie geïnterpreteerd moet worden. Marge is een optionele eigenschap die alleen kan worden gebruikt wanneer de waarde van Idealisatie indicatief is. De marge is de afstand in meters en wordt aangegeven met decimal.
Noemer De tekstuele beschrijving van de locatie.

Eigenschappen van locatie toegelicht

Dat ziet er in de STOP dan als volgt uit:

3.18 Locatie specifiek voor AMvB en MR

Specifiek voor de AMvB en MR zijn een aantal uitgangspunten van belang voor het toepassen van locaties. Deze worden in onderstaande alinea’s verder toegelicht.

In het TPOD wordt mogelijk gemaakt dat de benoeming van een locatie, de aanwijzing van een locatie en de begrenzing van de locatie elk in aparte regelingen zijn opgenomen (het mag echter ook dat deze alle in één regeling staan). De basis hiervoor is gelegd in STOP, waarin individuele componenten van een geo-informatieobject los zijn gemodelleerd (en dus in aparte regelingen kunnen voorkomen) en naar elkaar verwijzen, in een volgende constructie:

  1. Een AMvB bevat een InformatieobjectVaststelling. Deze heeft alleen een noemer en geldt als de benoeming van een locatie die nog niet begrensd is of nog niet begrensd hoeft te zijn.

  2. InformatieobjectVaststelling heeft vervolgens relatie met een Locatie, waar de daadwerkelijke begrenzing in voorkomt.

  3. InformatieobjectVaststelling en DataCollectie mogen in verschillende regelingen staan.

  4. Elk voorkomen van een InformatieobjectVaststelling is een apart onderdeel van de standaard. Hierdoor wordt het mogelijk vanuit verschillende regelingen te verwijzen één informatieobject.

  5. InformatieobjectObject bevat het ID van het informatieobject en wordt gebruikt om in de juridische tekst te vermelden bij welke InformatieobjectVaststelling, welk ID hoort. Dit mag ook in een andere regeling staan dan waarin het informatieobject is vastgesteld en waar de begrenzingen in zijn opgenomen.

3.19 Stapeling van Locaties

Locaties kunnen geheel of gedeeltelijk gestapeld worden. Dat geldt zowel voor Locaties bij tekstelementen of annotaties van hetzelfde type als voor Locaties bij tekstelementen of annotaties van verschillende typen. De navolgende figuren laten een aantal voorbeelden van stapelingen van Locaties zien voor het omgevingsplan.

./media/image1.png ./media/image2.png
Gedeeltelijke stapeling van locaties van hetzelfde type: de locaties van 3 verschillende functies die gedeeltelijk op dezelfde plek liggen Volledige stapeling van locaties van hetzelfde type: de locaties van 3 verschillende functies die precies op dezelfde plek liggen
./media/image3.png ./media/image4.png
Gedeeltelijke stapeling van locaties van verschillende typen: de locaties van omgevingswaarde, functie en activiteit die gedeeltelijk op dezelfde plek liggen Volledige stapeling van locaties van verschillende typen: de locaties van omgevingswaarde, functie en activiteit die precies op dezelfde plek liggen

Voorbeelden van stapeling van Locaties

De standaard stelt geen beperkingen aan de stapeling: niet in aantal en niet in type.

3.20 Beschrijving werkingsgebied in woorden

Locatie legt het gebied waar een regeltekst zijn werking heeft in coördinaten vast. Soms is het wenselijk om het gebied waar een regeltekst zijn werking heeft niet exact te begrenzen. In die gevallen wordt het werkingsgebied in woorden beschreven.

Een voorbeeld is het beschrijven van het gebied waar een functie gerelateerde gebruiksactiviteit zijn werking heeft: "In het werkingsgebied van de functie Woongebied is in ieder hoekpand de activiteit ‘het uitoefenen van detailhandel' toegelaten." Deze regeltekst is gekoppeld aan het werkingsgebied van de functie Woongebied. Bij een beschrijving van het gebied in woorden kan een kaartviewer deze niet op de kaart tonen omdat zo'n gebied doorgaans niet bekend is in de kaart. Een raadpleger ziet deze regel bij het opvragen van de geldende regels voor zowel een hoekpand als een niet-hoekpand.

Zonder eigen interpretatie kan de raadpleger niet eenduidig vaststellen waar de regel geldt. Wanneer een geometrisch begrensd werkingsgebied gebruikt wordt, kan een kaartviewer het wel tonen.

Bijvoorbeeld: "De activiteit 'het uitoefenen van detailhandel' is uitsluitend toegelaten ter plaatse van het werkingsgebied 'het uitoefenen van detailhandel'". Voor deze aanpak is het wel nodig om iedere afzonderlijke locatie van het werkingsgebied in te tekenen. Het werkingsgebied van de afzonderlijk begrensde gebruiksactiviteit moet binnen het werkingsgebied van de functie liggen, ongeacht of dat werkingsgebied door middel van een geometrie of in woorden begrensd is.

In de onderstaande wordt dit principe aan de hand van het voorgaande voorbeeld schematisch weergegeven: A is de kaartweergave bij de beschrijving van het werkingsgebied van de gebruiksactiviteit in woorden; B is de kaartweergave bij een begrenzing van het werkingsgebied van de gebruiksactiviteit door middel van geometrieën.

Begrenzing werkingsgebied in woorden (A) en met coördinaten (B)

Elk OW-besluit heeft een werkingsgebied: minstens het volledige besluitgebied of een deel daarvan

Volume is de maat voor een 3D geometrie. 3D is onderdeel van het STOP-TPOD model. 3D kan daarmee gestandaardiseerd worden uitgewisseld. Zie onderstaande figuur voor een schematische weergave.

Werkingsgebied in 3D

In de eerste fase ondersteunt DSO-LV 3D echter nog niet. Daarom is 2D in eerste instantie de verplichte geometrie. Eenvoudige 3D volumes kunnen worden toegevoegd, maar dan alleen als extra informatie zonder juridische betekenis, bijvoorbeeld in een toelichtende bijlage bij het besluit. Complexe 3D volumes worden nu nog niet ondersteund.

3.21 Cirkelbogen

Cirkelbogen (of delen daarvan) komen in de juridische wet- en regelgeving op meerdere plekken voor. Voorbeelden zijn de brandaandachtsgebied, gifwolkaandachtsgebied, maar ook voorbeelden waarbij bijvoorbeeld bouwen niet toegestaan is in een gebied van X meter rondom een object (boom, monument enz). In de praktijk formuleert de jurist vaak in gebied of/en gebied om een object en daarmee wordt deze wiskundig/meetkundig gemodelleerd naar een omhullende met een straal ten opzichte van de buitenzijde van een object. Wordt het object als een punt gezien, dan ontstaat een cirkel. Wordt het object als een polygoon (qua geometrie) weergegeven ontstaat een omhullende waarin delen van een cirkelboog kunnen voorkomen.

Bij de implementatie in het DSO-stelsel is de verwerking van exacte cirkelbogen bewerkelijk en complex. Om die reden wordt veelal een benadering van de juridisch geldende kromme gebruikt door deze te modelleren als een serie lijnstukken die allen op de cirkelboog liggen: ofwel verstroken. Naar keuze kunnen deze onderling verbonden zijn met rechte lijnstukken van punt naar punt (de inwendige benadering) dan wel het midden vormen van de lijnstukken die deels inwendig en deel uitwendig ten opzichte van de cirkelboog liggen. Deze laatste manier van verstroken van de cirkelboog heeft een zeer kleine afwijking van de juridische geldende boog.

Voorgesteld wordt om het verstroken van cirkelbogen in de implementatie te kiezen boven een complexe kosten intensieve meetkundig geheel juiste toepassing. De kosten overtreffen het beoogde doel binnen het DSO stelsel. Voor juristen geldt de wiskundige beschrijving ongeacht de presentatie daarvan.

De methode van verstroken is eerder door Geonovum in samenwerking met het kadaster en andere organisaties in het geo-werkveld beschreven. We verwijzen dan ook naar deze methode. Aandachtpunt is dat Geo-applicatie programmatuur de wijze van verstroken zoals aangeduid niet altijd juist toepassen. Dit laatste kan door het aanbieden van een validator m.b.t. deze functionaliteit mogelijk worden ondervangen. In de BGT opbouw wordt al als zodanig gebruikt.

Om te voorkomen dat cirkelbogen te gedetailleerd verstrookt worden en er heel veel plaatsbepalingspunten ontstaan, beschrijft deze praktijkrichtlijn een aanbevolen tolerantiewaarde voor het verstroken van cirkelbogen. Algemeen cirkelbogen Een koorde is het lijnstuk dat twee punten op een cirkel met elkaar verbindt. De pijl is het lijnstuk tussen het midden van een (cirkel)boog en het midden van de koorde op die boog. De pijl staat loodrecht in het midden op de koorde. Verstroken en tolerantiewaarde Een cirkelboog wordt opgedeeld in rechte lijnstukken tussen de coördinaten van de cirkelboog tot dat de pijl minder is dan een bepaalde tolerantiewaarde.

De aanbevolen tolerantiewaarde voor het verstroken van cirkelbogen in de geometrie van BGT/IMGeo objecten is 0.05m, ofwel 5 centimeter. Er bestaan verschillende technische algoritmen voor het verstroken van cirkelbogen. Deze praktijkrichtlijn laat leveranciers c.q. bronhouder de keuze welke verstrokingsalgoritme wordt toegepast.

Een koorde is het lijnstuk dat twee punten op een cirkel met elkaar verbindt. De pijl is het lijnstuk tussen het midden van een (cirkel)boog en het midden van de koorde op die boog. De pijl staat loodrecht in het midden op de koorde.

3.22 Relatie tussen werkingsgebieden, functies en (gebruiks)activiteiten

Voor afhankelijkheden tussen locaties, functies en activiteiten gelden enkele eigenschappen. Zo kunnen locaties bijvoorbeeld overlappend zijn en kunnen functies en/ of gebruiksactiviteiten in één locatie worden toegepast. De relatie tussen locatie, functies en activiteiten bij de toepassing van functie-aanduidingen worden in de volgende delen toegelicht.

3.23 Toepassing van verschillende functies en/of gebruiksactiviteiten in één gebied.

Er zijn verschillende methoden om in één gebied verschillende functies toe te delen en/of verschillende gebruiksactiviteiten toe te staan. Voorbeelden van de vier volgende methoden zijn uitgewerkt in de praktijkrichtlijnen:

  1. De eerste methode is het toedelen van een samengestelde functie aan de locatie, waarbij de samengestelde functie een heel scala aan gebruiksactiviteiten mogelijk maakt.

  2. De tweede methode bestaat uit het stapelen van een (of meer) enkelvoudige functie(s) en een samengestelde functie. De samengestelde functie maakt een heel scala aan gebruiksactiviteiten mogelijk, de enkelvoudige functie slechts een beperkt aantal.

  3. Bij de derde methode wordt aan een locatie een samengestelde functie toegedeeld, waarbij één gebruiksactiviteit een eigen, kleiner, werkingsgebied heeft; de overige gebruiksactiviteiten hebben hetzelfde werkingsgebied als de functie.

  4. De vierde methode bestaat uit het op elkaar stapelen van het gewenste aantal enkelvoudige functies.

3.24 Overlap, stapeling en begrenzing locaties

De locaties van verschillende functies mogen elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen of gestapeld worden. Onderstaande figuur toont als voorbeeld een stapeling van de functies Centrumgebied, Herstructureringsgebied en Beschermd monument.

Stapeling van locaties

3.25 Geo-informatieobjecten (werkingsgebieden) refereren

Wel moet duidelijk zijn welke referentie en versie gebruikt is voor de begrenzing van de werkingsgebieden. Zoals hierboven geduid hoeft deze versie niet te worden getoond bij de illustratie in de bekenmaking. Bij een rechtszaak dient deze referentie wel te kunnen worden gereproduceerd. De STOP standaard kent kenmerken om deze informatie vast te leggen. Deze informatie heeft juridische betekenis, maar is geen onderdeel van het authentieke deel van het besluit.

Het kenmerk Bron kent een verwijzing van een geometrie naar de gebruikte ondergrond waarop deze gebaseerd is.

Daarnaast is het kenmerk Idealisatie dat aangeeft hoe hard de begrenzing van een werkingsgebied moet worden geïnterpreteerd.

Voor de gebruikte referentie of achtergrond van de werkingsgebieden kan worden volstaan met een verwijzing; de referentieobjecten hoeven geen onderdeel te zijn van het besluit of te worden meegestuurd. Wel moet de gebruikte referentie reproduceerbaar zijn bij een rechtszaak. Het bevoegd gezag is hier verantwoordelijk voor, maar kan hiervoor gebruik maken van de landelijke voorzieningen in het kader van de basisregistraties. Hoewel er geen directe online beschikbaarheid is, is de historie wel in de registraties geborgd.

3.26 Het begrip annoteren

Annoteren is het toevoegen van informatie aan een te ‘markeren’ deel tekst van een OW-besluit. Een markering heet een annotatie. We kennen de volgende synoniemen voor het voor annoteren: labelen, markeren, taggen, indexeren, van zoeksleutels voorzien en metadateren. Annoteren is dus een containerbegrip. Het feitelijk ‘markeren’ of van een (ken)merk voorzien van tekst, kan handmatig of geautomatiseerd gedaan worden.

3.27 Het doel van annoteren

Het doel van annoteren is om de mensleesbare tekst (gewone platte tekst) ook machine-leesbaar te maken en het mogelijk te maken dat bepaalde gegevens op een kaart weergegeven worden. De annotatie gegevens worden dus niet direct in de lopende, mensleesbare tekst weergegeven. Ze zijn wel zichtbaar in de machine-leesbare XML en komen terug in de UML’s.

Annotaties zijn op vrijwel alle objecten of tekstelementen mogelijk. Ze helpen om regels op hun eigenschappen te vinden wanneer zoektermen worden gebruikt. Ze helpen ook om regels op hun eigenschappen te kunnen presenteren.

In het samenstel van STOP en TPOD worden drie categorieën van annotaties onderscheiden:

Voor meer informatie:

<https: standaardenomgevingswet.geonovum.nl="" docs="" 26.%20beslisnotitie%20annoteren.pdf="">

3.28 Waardelijsten

Bij veel annotaties hoort een lijst vooraf gedefinieerde waarden die de annotatie kan aannemen (aan kan worden toegekend). De waarden staan niet in de objectencatalogus, maar in een waardelijst. Om de uniformiteit te bevorderen worden zoveel mogelijk eenduidige begrippen gebruikt. Daar waar de waarden voor verschillende OW-besluiten gelijk zijn, worden ze onderling afgestemd.

Waardelijsten zijn er in twee vormen:

3.29 Voor en nadelen van annoteren

In de afbeelding hieronder is te zien dat er een juridisch minimum is aan zaken die geannoteerd moeten worden. Daarnaast kan het bevoegd gezag schuiven tot er digitaal optimaal mee gewerkt kan worden. Ieder bevoegd gezag kan zelf bepalen wanneer het digitaal optimaal is. Dit hangt af van het ambitieniveau, de beschikbare capaciteit voor het opstellen van het OW-besluit en de beschikbare capaciteit voor het beheer.

Annotatie-schaal van juridisch minimum tot digitaal optimaal

Voordelen van veel annoteren zijn:

Nadelen van veel annoteren zijn:

Het is dus een afweging die per bevoegd gezag gemaakt dient te worden in combinatie met een zekere mate van verplichting van annoteren in de standaarden. Het opgeven van Bekendmakingswet-annotaties is het juridisch minimum. In de volgende sectie worden de annotatiesoorten en hun werking besproken.

3.30 Bekendmakingswet-annotaties

De bekendmakingswet-annotaties zijn noodzakelijk voor bekendmaken en consolideren van o.a. besluiten (Borging via de Bekendmakingswet BkW). Dit is het juridisch minimumniveau waarop bevoegde gezagen dienen te annoteren.

De bekendmakingswet-annotaties zijn verplicht om een besluit te kunnen publiceren, bekend te maken en te consolideren.

Het betreft hoofdzakelijk de metadata van het OW-besluit. Metadata zijn de kenmerken die een besluit of regeling als geheel beschrijven en zijn noodzakelijk om een besluit in de ‘Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen’ (LVBB) te kunnen verwerken en in de regeling te kunnen consolideren.

Metadata hebben hun herkomst deels in STOP en deels in TPOD. Het toevoegen van metadata is verplicht. Dit komt de vindbaarheid van besluiten op de LVBB ten goede.

Er is een aantal metadata die onderdeel zijn van het OW-besluit en dus alleen door een besluit van het bevoegd gezag gewijzigd kunnen worden, bijvoorbeeld de naam van een besluit. De overige metadata zijn geen onderdeel van het OW-besluit, maar worden gebruikt voor de regeling. Deze kunnen gewijzigd worden zonder dat het bevoegd gezag daarover een besluit neemt. Een deel vult de planapplicatie zelf in en een deel zal expliciet door de opsteller moeten worden ingevuld.

Verplichte bekendmakingswet-annotaties: metadata

3.31 Omgevingswet-annotaties

In omgevingswet-annotaties kan informatie worden opgenomen die niet eenvoudig in tekstuele vorm te beschrijven is. Bijvoorbeeld de aanduiding van het werkingsgebied van een regel door middel van geo-coördinaten of de waarden die per perceel voor een bepaalde norm zijn vastgesteld. Deze informatie wordt vastgelegd in informatie-objecten.

Omgevingswet-annotaties hebben hun herkomst in de TPOD’s. Ze zijn onderdeel van het OW-besluit en kunnen derhalve alleen door een besluit van het bevoegd gezag worden gewijzigd. Het gebruik van omgevingswet-annotaties is onder voorwaarden verplicht, namelijk wanneer de informatie niet in de regeltekst is opgenomen. Daarmee wordt bedoeld dat het bevoegd gezag ervoor kan kiezen om het werkingsgebied van een bepaalde regel te specificeren door middel van coördinaten.

‘Omgevingswet-annotaties’ maken het mogelijk dat het DSO op de beoogde wijze kan functioneren, ze worden in het DSO programma ook nog weleens aangeduid als “functionele annotaties”. Voorbeelden zijn het annoteren van activiteit, functie en omgevingswaarde. Door het plaatsen van deze annotaties is het bijvoorbeeld mogelijk om de regels in het DSO activiteitgericht te bevragen. Deze annotatiesoort zorgt er ook voor dat de werkingsgebieden van regels op een kaart worden weergegeven. De presentatiestandaard gebruikt deze annotaties als presentatie-entiteiten om te bepalen met welk symbool (kleur, lijntype, vlakarcering, etc.) het werkingsgebied wordt weergegeven. Dit zorgt ervoor dat wordt voldaan aan de eis dat een besluit kenbaar moet zijn.

De omgevingswet-annotaties zijn optioneel indien ze niet vereist zijn op grond van de Bekendmakingswet of voor het tonen van een OW-besluit via LVBB in DSO-LV. Hierbij ligt de keuze bij het bevoegd gezag.

Zonder Omgevingswet-annotaties kan een flink deel van de ingebouwde functionaliteit in DSO-LV, zoals bijvoorbeeld de activiteitenfilter, niet gebruikt worden. Het gaat dan ten koste van het dienstverleningsniveau die zij aan hun gebruikers willen aanbieden. Om digitale bekendmaking en beschikbaarstelling van OW-besluiten (via LVBB en DSO-LV) goed te laten werken, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de te tonen OW-besluiten annoteert, ofwel: gegevens toevoegt aan besluiten en regelingen of onderdelen daarvan.

De meeste Omgevingswet-annotaties zullen door mensen worden gemaakt. Dat zal overigens wel deels geautomatiseerd kunnen worden door ondersteunende applicatiefunctionaliteit in de planapplicatie (maak- en muteerprogrammatuur) op basis van automatische herkenning en tekstaanvulling uit waardelijsten.

Voorbeeld Omgevingsplan:

De regeltekst kan luiden: "Ter plaatse van het werkingsgebied 'bebouwde kom' is het verboden om zonder omgevingsvergunning een boom te kappen met een stamomtrek van 100 centimeter of meer.", waarbij het werkingsgebied 'bebouwde kom' met coördinaten is begrensd en daardoor met een kaartbeeld kan worden weergegeven. De coördinaten vormen een informatie-object. Het bevoegd gezag kan er ook voor kiezen het werkingsgebied in de regeltekst te beschrijven.

Wanneer het bevoegd gezag daar niet voor kiest, geldt de verplichting uiteraard niet.

Voorbeelden van onder voorwaarden verplichte omgevingswet-annotaties zijn:

Het annoteren van een functie hoort ook tot de categorie ‘omgevingswet-annotaties’, deze is altijd verplicht.

3.32 Service-annotaties

Service-annotaties zijn annotaties die gebruikers een meer gedetailleerd inzicht bieden, maar niet noodzakelijk zijn om het DSO op de beoogde wijze te laten functioneren.

Voorbeelden van deze annotatiesoort zijn de annotaties:

Wanneer het bevoegd gezag ervoor kiest om een aanpak te hanteren, vereist de standaard bepaalde technische annotaties. Deze annotaties zijn niet verplicht, maar stellen de gebruiker wel in staat nauwkeuriger informatie te vinden.

3.33 Toepassen van annoteren

In het IMOP is vastgelegd welke mogelijkheden er zijn met betrekking tot annoteren. In de TPOD is vervolgens gespecificeerd van welke annotatie mogelijkheden er gebruik gemaakt kan of moet worden. In onderstaande tabel is voor de omgevingswet- en services annotaties uitgewerkt welke van toepassing zijn in welke OW-besluiten. Een kleine leeswijzer:

Groen=Van toepassing

Rood=Niet van toepassing

Oranje=Er wordt aan gewerkt om deze annotatie gereed te krijgen in de standaarden 0.98

Annotatiemogelijkheden per OW-besluit

In de TPOD van het specifieke OW-besluit is in elk hoofdstuk 5.6 nader uitgewerkt wat deze annotaties omvatten. Het is niet de bedoeling om in deze praktijkrichtlijn volledig alle annotaties uit te werken, maar om meer uitwerking te geven aan hoe die annotaties in de praktijk gaan werken.

Vormen van annoteren

In paragraaf 3.2.1 van de praktijkrichtlijn is uitgelegd hoe regelteksten zich verhouden tot de regeling, juridische regels, structuurelementen en welke tekststructuur zij kunnen bevatten. Naast deze structuren, bevatten regelteksten ook annotaties.

Een juridische regel kun je annoteren op een activiteitregelkwalificatie, activiteit en/of functie, maar ook delen van zinnen of woorden kunnen annotaties bevatten. Wordt de juridische regel niet geannoteerd dan is deze als regel ook niet vindbaar of gekwalificeerd. Zie onderstaande figuren voor een schematische weergave.

Annoteren regeltekst

Eén van de annotaties is de regelkwalificatie, die aangeeft of de regel bijvoorbeeld een vergunningsplicht of meldingsplicht betreft. Deze wordt altijd aan het niveau van de regeltekst geannoteerd. Met andere woorden, deze zit nooit als annotatie vast aan één woord. Zie het figuur hieronder voor de schematische weergave.

Annoteren regelkwalificatie

In elke TPOD van de afzonderlijke OW-besluiten is aangegeven of de annotaties in het OW-besluit kunnen voorkomen. Daarnaast is aangegeven welke regels er gelden voor het gebruik van de annotatie.

4. Presenteren

4.1 Presentatiemodel

Onder presenteren wordt verstaan het weergeven, verbeelden en visualiseren van de inhoud van een besluit en regeling. Met andere woorden: dit gaat over hoe omgevingswetbesluiten in tekst en kaartbeeld getoond worden in de systemen van het bevoegd gezag, in DSO-LV en in de LVBB.

Een besluit bestaat uit de regeltekst van het besluit aangevuld met objecten, zoals bijvoorbeeld het werkingsgebied en de (niet-technische) annotaties. Deze inhoud dient zowel mens- als machineleesbaar te worden aangeboden.

De inhoud van de digitale informatie uit OW-besluiten wordt opgeslagen in xml-bestanden (machineleesbaar). Het presentatiemodel maakt de inhoud van daarvan toegankelijk en leesbaar voor de gebruiker in een voor gedefinieerde vorm. Hiermee is de digitale informatie mensleesbaar.

Het presentatiemodel beschrijft tevens hoe tekst, geometrie van werkingsgebieden (als geo-informatieobject vastgelegd) en annotaties eruitzien. Het gaat over het gebruik van symbolen, kleur, lijndikte, arcering, karakterset.

Het doel is het bereiken van inzichtelijkheid van de publicaties, besluiten en regelingen voor de gebruiker, in het geval van:

Lees hier meer over Het presentatiemodel

<https: standaardenomgevingswet.geonovum.nl="" docs="" 9a.%20presentatiemodel%20v0.97.pdf="">

4.2 Principes van het functioneel presenteren

Het presentatiemodel wil grote complexiteit voorkomen en toch de nodige flexibiliteit bieden in vormgeving, daarvoor hanteren we het principe van ‘functioneel presenteren’: het presentatiemodel stelt daarom functionele eisen die de eenduidige weergave van deze informatie uit het besluit mogelijk maken. Dit zijn eisen zoals de relatieve grootte van het lettertype van onderdelen ten opzichte van elkaar. Het presentatiemodel gaat níet over de stijl, zoals de exacte korpsgrootte van het lettertype, regelafstand of opmaakstijl van het publicatiemiddel.

De functionele eisen in het presentatiemodel schrijven voor wát er moet worden weergegeven, maar gaan niet over de opmaakstijl. Er is een duidelijke scheiding tussen de in het besluit vastgelegde informatie en de wijze waarop deze informatie zichtbaar wordt gemaakt. De fonts, symbolen en kleurkenmerken zijn geen onderdeel van het aan te leveren besluit. De stijl van de presentatie staat los van het besluit. Dat maakt het flexibel. Dat betekent dat dezelfde informatie op de eigen website weergegeven kan worden met een andere kleur of een ander font.

4.3 Functioneel presenteren van tekst

Om tekst correct weer te geven is in het presentatiemodel vastgelegd welke relatieve grootte van het lettertype de tekstonderdelen ten opzichte van elkaar hebben. Het presentatiemodel gaat niet over de stijl, zoals de exacte korpsgrootte van het lettertype, regelafstand of opmaakstijl van het publicatieblad. Zie in de afbeelding hieronder de presentatieregels die ervoor zorgen dat een machineleesbare XML (links) mensleesbaar wordt gemaakt (rechts). Daartussen zitten verschillende presentatieregels. Deze zijn verschillend omdat de bruikbaarheid voorop staat en de vertaling dus afhankelijk is van het medium. Lees verder over de weergave van regeltekst bij de toelichting.

4.4 Presentatieregels

Bij functioneel presenteren zijn er verschillende presentatieregels gespecifieerd. Er zijn presentatieregels voor teksten en voor werkingsgebieden. Het principe van presenteren van tekst is generiek. Er is echter voor de presentatie een onderscheid tussen documenten met regelteksten en documenten met vrijere teksten; het verschil zit in de aan- of afwezigheid van een hiërarchische structuur.

De eisen die gesteld worden aan de weergave van OW-besluiten die juridisch directe regels bevatten (zoals een verordening), zijn strikter dan voor OW-besluiten die een vrijere opzet hebben (zoals visie). De regelstructuur is van toepassing bij tekstweergave voor OW-besluiten met regels.

De vrije tekststructuur is van toepassing bij OW-besluiten zonder regels. De presentatieregels voor werkingsgebieden zijn voor beide typen OW-besluiten hetzelfde.

4.5 Presentatieregels bij regelingstructuur

Bij regelteksten is de artikelsgewijze opbouw kenmerkend. Functionele presentatieregels volgen de volgorde die voorgeschreven wordt door de Aanwijzing voor de regelgeving. Hierin wordt de volgorde van groot naar klein vastgelegd en hebben de tekstonderdelen een relatieve grootte ten opzichte van elkaar. Deze presentatieregels zijn onderdeel van de landelijke standaard en het juridische spoor. In de afbeelding hiernaast is weergegeven hoe dat eruit ziet. In de afbeelding hieronder is in het tweede blok van links een conceptuele weergave gemaakt van hoe de functionele presentatieregels eruitzien.

Functionele weergave regels

Vertaling machine-leesbare tekst naar mensleesbare gestructureerde tekst

De functionele presentatieregels moeten worden vertaald naar regels die voor het gebruikte medium bruikbaar zijn. Hiervoor is er een tweede set presentatieregels voor specifieke formaten ontwikkelt. Zie het middelste blok in bovenstaande afbeelding. Te denken valt aan een set regels voor html-formaten en een set regels voor PDF/A-formaat.

Hierbij moet nog extra opgemerkt worden dat dit gemaakt is voor een digitale weergave. Analoog verbeelden geen onderdeel van de standaard uitmaakt en hooguit een optie is, maar geen verplichting.

De derde set regels, presentatieregels specifieke uitgave/portaal, zal onderdeel zijn van de specifieke uitgave zelf. Denk hierbij aan het CSS-opmaakbestand van een gemeentelijke site. Deze zal anders zijn dan het CSS-opmaakbestand binnen een website als Overheid.nl. Het staat eenieder vrij om een eigen specifieke uitgave te maken en hierbij een volledig andere weergave te maken.

In het tweede blok van rechts is conceptueel weergegeven hoe deze presentatieregels eruitzien.

Een sprekend voorbeeld is de Omgevingsvisie die ook in de communicatie met het grote publiek een belangrijke rol speelt. De mogelijkheid om functionele regels via verschillende mediums te publiceren biedt de bestuursorganen de flexibiliteit om het instrument zoveel mogelijk naar eigen inzicht vorm te geven.

4.6 Presentatieregels bij vrije tekststructuur

Dezelfde principes gelden als hierboven, echter de uitwerking is anders omdat de hiërarchische structuur naar eigen inzicht toegepast kan worden. Voor OW-besluiten zonder regels zal de structuur vrijer zijn. De presentatieregels zullen hierdoor ook beperkter zijn: er zijn immers minder “vaste haakjes” om de presentatie mee vast te maken.

De vrije tekst heeft als eigenschap dat er maar één structuurelement is: de divisie. Een structuur van: deel, hoofdstuk, titel, afdeling, (sub)paragraaf, artikel, lid bestaat niet voor omgevingsdocumenten met een vrije tekststructuur. Dit maakt het onmogelijk om aan alleen de elementnamen functionele eigenschappen te koppelen. Wat wel kan is het gebruikmaken van het feit dat elementen genest zijn. Nesten betekent dat er een handmatige hiërarchie is aangebracht.

De functionele presentatie zegt dan iets over een nulpunt (hoogste niveau of laagste niveau) en alle andere regels doen een relatieve uitspraak ten opzichte van het element waarbinnen ze voor komen. In de afbeelding hieronder is te zien hoe het ingevuld wordt.

Functionele weergave van vrije tekst

4.7 Presentatieregels voor werkingsgebieden

De presentatieregels voor gebieden vormen een vergelijkbaar principe als bij de teksten; er is een scheiding tussen de functionele aanduiding van het symbool via de legenda en de concrete kleurwaarden en mate van transparantie.

Een OW-besluit kan werkingsgebieden bevatten die inhoudelijke waarden kennen, zoals een functie, activiteit, onderwerp, beperkingengebied, omgevingswaarde of omgevingsnorm.

Het toepassingsprofiel van OW-besluit bepaalt welke werkingsgebieden er van toepassing zijn in dat type OW-besluit en regelt op basis van welke eigenschappen van deze objecten gepresenteerd kunnen worden in een kaart of viewer.

In de afbeelding hieronder wordt het principe van functioneel presenteren van werkingsgebieden weergegeven. In het presentatiemodel wordt gesproken over geo-informatieobjecten.

Functioneel presenteren werkingsgebieden

De tekststructuur bepaalt de structuur van het OW-besluit. Besluiten binnen de Omgevingswet kennen werkingsgebieden, dat wil zeggen een gebied waar de regel-, beleids- of visietekst van toepassing is. Het is ook een uitgangspunt van het DSO stelsel dat de gebruiker op een kaart kan klikken om te zien welke regels daar gelden en omgekeerd.

Om bovenstaande mogelijk te maken, zal het Bevoegd Gezag werkingsgebieden vastleggen. De vastlegging van deze werkingsgebieden gebeurt middels coördinaten in zogeheten geo-informatieobjecten. Vanuit de juridische tekst zal naar de geo-informatieobjecten worden verwezen.

De in de regel-, beleids- of visietekst is de leesbare identificatie van de locatie en is de verbinding tussen de tekst en de locatie. De geeft hierbij de betekenis van de locatie.

Een goede standaardfrase voor de locatieaanduiding is daarom:

“Ter plaatse van het gebied …”

Of

“maximum bouwhoogte als aangeven in

Voorbeelden hiervan zijn functies zoals Horeca, Centrum, etc. of onderwerpen zoals Grondwaterbeschermingsgebied, Hoge archeologische verwachtingswaarde, etc. De locatie kan ook een locatiegroep zijn, waaronder een set werkingsgebieden of andere groepen vallen.

Een ‘noemer’ heeft daarmee een andere functie dan de geografische naam van een gebied. Soms kan dit echter wel gelijk zijn, als bijvoorbeeld in een regel over activiteiten in de Noordzee.

Van belang is dat gebieden kunnen wijzigen en dat het ongewenst is daarbij steeds een andere aanduiding in de vorm van een andere ‘noemer’ aan te moeten geven, zoals natuurnetwerk1 en natuurnetwerk2. De ‘noemer’ moet in de regeling een constante blijven. Het versienummer zal wel wijzigen als er wijzigingen zijn in het geo-informatieobject.

De is de verbinding tussen de tekst en de locatie. In de webversie van het besluit bevat het tevens de hyperlink naar de pagina van het geo-informatieobject. Zie afbeelding. Die pagina van een geo-informatieobject bevat een interactieve kaart waar het betreffende object zichtbaar is zodat de gebruiker de geometrie kan interpreteren. Het bevat ook een download mogelijkheid om de geometrie van het object te kunnen downloaden. Van belang is dat de geometrie zelf wél onderdeel is van het besluit, want dat is wat het Bevoegd Gezag formeel heeft vastgesteld. De presentatie van de geometrie in de viewer moet wel correct zijn maar is illustratief en is géén formeel onderdeel van het besluit. De ondergrond die gebruikt wordt om het geo-informatieobject te kunnen interpreteren kan een actuele ondergrond zijn.

De geo-informatieobjecten zijn als onderdeel van het besluit officieel vastgesteld en het is daarom van belang dat de inhoud van de informatieobjecten altijd beschikbaar is (ook in de toekomst), met open software raadpleegbaar is en dat de inhoud van de vastgestelde informatieobjecten níet kan wijzigen.

Daarom bestaat de verwijzing naar een informatieobject in ieder geval uit:

Informatieobjecten in een (OW-)besluit dienen in de mensleesbare weergave van het besluit opgenomen te worden zodat duidelijk is welke informatie als onderdeel van het besluit is vastgesteld. Het presentatiemodel legt deze verbinding door de verwijzing naar (de pagina met het) informatieobject in de regel-, beleids- of visietekst op te nemen. Dat wordt gedaan door een in de tekst op te nemen. De mensleesbare verwijzing zit in de Bijlage bij de regels.

</noemer> </noemer> </noemer> </noemer> </noemer> </noemer>

4.8 Symbolisatie van werkingsgebieden

Het uitgangspunt voor de weergave van objecten met een geometrie is dat de inhoudelijke waarde van het object bepaalt met welke symboliek (kleur/arcering) een werkingsgebied wordt weergegeven. Voorbeelden van inhoudelijke waarden zijn een functie, een onderwerp of een norm.

Het presentatiemodel bedient verschillende mogelijkheden om de werkingsgebieden weer te geven in een viewer.

  1. Een default symbool.

  2. Symbolisatie op basis van een afgesproken standaard symbolisatie.

  3. Een eigen symbolisatie die afwijkt van de standaard symbolisatie.

  4. Een symbolisatie specifiek bedoeld voor een kaartviewer, afwijkend van bovenstaande symbolisatie.

In een TPOD van de OW-besluiten wordt bepaald welke inhoudelijke waarden van toepassing zijn in dat type besluit. Daarnaast wordt daarin ook geregeld op basis van welke inhoudelijke waarden de werkingsgebieden gepresenteerd worden

Voor elke TPOD worden afspraken gemaakt over standaard symbolisatie. Hiermee wordt bedoeld dat er afspraken worden gemaakt over een vaste symbolisatie van vergelijkbare geo-objecten.

Werkingsgebieden worden op een kaart met ondergrond getoond om de locatie juist te interpreteren. De gebruikte ondergrond maakt géén onderdeel uit van het besluit. Wel is het van juridisch belang te duiden welke ondergrond is gebruikt bij vaststelling en bij het begrenzen van de geometrie. Bevoegde gezagen mogen daarvoor alleen geografische basisregistraties gebruiken. Het is verplicht in het besluit vast te leggen welke basisregistratie en de bijbehorende versie(datum) is gebruikt om de werkingsgebieden te begrenzen en vast te stellen. Deze informatie moeten ook op de informatiepagina van het geo-informatieobject bij de presentatie van het besluit kunnen worden getoond. De presentatie van werkingsgebieden in de viewer moet wel correct zijn maar is illustratief en is géén formeel onderdeel van het besluit. De ondergrond die gebruikt in de viewer kan een actuele ondergrond zijn.

Een OW-besluit kan werkingsgebieden bevatten die inhoudelijke waarden kennen, zoals een functie, activiteit, onderwerp, beperkingengebied, omgevingswaarde of omgevingsnorm. Deze inhoudelijke waarden worden gebruikt om het werkingsgebied weer te geven voor opties 2 tot en met 4.

Het toepassingsprofiel van OW-besluit bepaalt welke werkingsgebieden er van toepassing zijn in dat type OW-besluit en regelt op basis van welke eigenschappen van deze objecten gepresenteerd kunnen worden in een kaart of viewer.

4.9 Een default symbool

Zonder gespecificeerde presentatie kan een viewer de gebieden met een default symbool weergeven. Zo zullen alle functies op de kaart in het onderstaande voorbeeld grijs getoond worden. Wanneer er gebieden zonder kenmerken zijn, zal dit de enige methode zijn.

Een voorbeeld van een default symbool voor functies uit een Omgevingsplan

4.10 Een standaard symbool

Het hanteren van een standaard symbolisatie biedt vooral mogelijkheden om geüniformeerde weergave te genereren, bijvoorbeeld voor een landelijk overzicht of tussen verschillende besluiten binnen de eigen instrumenten. Het biedt ook voordelen voor eenvoud in beheer en het komt de leesbaarheid van de kaart ten goede. In het onderstaande voorbeeld is gebruik gemaakt van de standaard semantiek binnen ‘functiegroep’ om tot een standaard legenda te komen.

Een voorbeeld van een standaard symbool voor functies uit een Omgevingsplan

4.11 Een afwijkend symbool

Wanneer er behoefte is om een afwijkend symbool te kiezen, kan er op basis van een ander kenmerk worden gepresenteerd. In dit geval de functienaam; dit betreft geen standaard semantiek en kent een ongelimiteerd aantal varianten.

In het voorbeeld hebben twee functies identieke symbolen gekregen, omdat ze tot dezelfde semantische groep behoren. Om toch onderscheid te hebben, wordt voor Restaurant afgeweken van de standaard. Voor de presentatie van Restaurant stuurt de bronhouder in dit geval het symbool kenmerk mee.

Een voorbeeld van een standaard symbool met afwijkend eigen symbool voor functies uit een Omgevingsplan

4.12 Een specifiek symbool

Binnen een besluit kunnen meerdere kaartviewers worden geplaatst om de inhoud van de werkingsgebieden kenbaar te maken. Soms is er de wens om eenzelfde object in een specifieke kaart een ander symbool te geven. In dat geval kan dit worden aangegeven bij de specifieke kaartopbouw. In het onderstaande voorbeeld is voor een specifieke kaartviewer het symbool voor Horeca en uitgaan blauw gemaakt.

Een voorbeeld van een standaard symbool met specifiek symbool binnen een kaartviewer voor functies uit een Omgevingsplan

4.13 Symbolenbibliotheek

Bij het functioneel presenteren wordt gebruik gemaakt van een symbolenbibliotheek, waarin allerhande vormen van presenteren (arceringen, kleuren, lijn types enz.) zijn opgenomen. Deze symbolen worden gekoppeld via een symbolisatietabel aan een te presenteren entiteit zoals activiteit(groep), functie(groep), omgevingswaarde/norm of onderwerp. Hiermee wordt functioneel de inhoud van de presentatie gescheiden. Ofwel: de symbool- en kleurkenmerken zijn geen onderdeel van het aan te leveren besluitbericht.

Deel van de gehele symbolenbibliotheek

4.14 Symboolkenmerk

De weergave wordt via de symbolisatie vastgelegd in een symboolkenmerk ‘Symbool’. Feitelijk is een Symbool met een symboolcode een eigenschap bij een annotatie.

De weergave wordt vastgelegd in een symboolkenmerk ‘Symbool’

Voor technische informatie over de systematiek van de symbolisatie wordt verwezen naar: Documentatie STOP TP v0.97 Module symbolisatie.

Bij OW-besluiten zijn een aantal annotaties (en hun eigenschappen) waarvoor presentatie van werkingsbieden op een kaartbeeld van toepassing is: de presentatie-entiteiten. Dit zijn de presentatie-entiteiten:

Voor deze annotaties is Symbolisatie van toepassing; een symbolisatiemethode wordt gebruikt om in het kaartbeeld het werkingsgebied in een bepaalde stijl weer te kunnen weergeven. De annotatie-eigenschap symboolcode kan voor presentatie vergeleken worden met een waarde uit de symbolenbibliotheek en de bijbehorende stijl wordt gebruikt bij het visualiseren.

In de bijlagen van het presentatiemodel zijn afbeeldingen van de Symbolisatietabellen presentatie-entiteiten_STOP_v0.97 opgenomen.

4.15 Voorbeeld hoe annotaties zorgen voor de presentatie op het kaartbeeld

Deze paragraaf laat door middel van voorbeeld zien hoe de annotaties zorgen voor de weergave op het kaartbeeld. Het principe is generiek, hier wordt een voorbeeld beschreven voor een Functie in een omgevingsverordening.

In de omgevingsverordening kunnen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit abstracte criterium kan concreet worden toegepast door het gebied waar een functie van toepassing is met coördinaten te begrenzen en de annotatie Functie toe te voegen.

De annotatie Functie kent een aantal eigenschappen. De eigenschap Functiegroep zorgt er voor dat de werkingsgebieden van een bepaalde groep functies worden weergegeven op een kaartbeeld. Functiegroep kan worden gekozen uit een limitatieve waardelijst.

Een voorbeeld van een functie is Bedrijf categorie 2. De functie Bedrijf categorie 2 behoort tot de Functiegroep Bedrijf, één van de waarden van de waardelijst Functiegroep. Wanneer regels over de functie Bedrijf categorie 2 worden geannoteerd met de Functiegroep Bedrijf zorgt de symboolcode van deze Functiegroep voor weergave met een paarse kleur zoals weer gegeven in onderstaand voorbeeld.

Voorbeeldweergave Functiegroep

Door deze methodiek worden de werkingsgebieden van functies die behoren tot de Functiegroep Bedrijf door middel van de annotatie-eigenschap Functiegroep en de waarde Bedrijf met een paars vlak op het kaartbeeld weergegeven, zie onderstaande afbeelding.

Voorbeeld presentatie Functie Bedrijf categorie 2 op kaartbeeld d.m.v. annotatie-eigenschap Functiegroep en waarde Bedrijf

De veelheid van domeinen die in de fysieke leefomgeving samenkomen in één of meerdere omgevingsbesluiten in een gebied, leidt ertoe dat ondanks de zorgvuldigheid van de standaard om éénduidig te zijn, er een combinatie van symbolen ontstaat die net geen goed leesbaar beeld oplevert. In dat geval kan de maker zelf een ander symbool toewijzen aan de entiteit die hij/zij wil tonen. Dit afwijkend symboolgebruik wordt onthouden en doorgegeven aan de LVBB om te gebruiken bij bekendmaken. Juridisch wordt immers onveranderlijkheid van het besluit gevraagd.

Daarnaast geeft deze methodiek de mogelijkheid om in een viewer zelf lagen of selecties te activeren voor een optimaal beeld voor een vraag. Dit is onderdeel van het servicespoor.

4.16 Weergeven van verschillen

Het presentatiemodel regelt de juridisch gevraagde weergave van de inhoud van het genomen wijzigingsbesluit. Dit wordt gedaan door het verschil tussen de toestand voor en na de wijziging te tonen, een zogenaamde was-wordt. Daarnaast is het verplicht om het verschil te visualiseren. Het bevoegd gezag neemt immers het besluit over de verandering. De functionaliteit voor de verschilweergave wordt met het presentatiemodel voorgeschreven. Het gaat zowel om de presentatie van (regel)tekst als de werkingsgebieden.

Voorbeeld: verschilweergave (regel)tekst

Ook bij de verschilweergave wordt de systematiek van functioneel presenteren gehanteerd: het presentatiemodel schrijft voor dat het wijzigingsbesluit de oude en de nieuwe versie inzichtelijk moet maken door ze gecombineerd te presenteren en dat ook de verschillen visueel moeten worden geduid. De symboliek (kleuren, font, grootte, arcering etc.) worden echter in stylesheets buiten het besluit gedefinieerd. In bovenstaand voorbeeld wordt de tekst die niet wijzigt, in de renvooiweergave, zonder markering weergegeven. De tekst uit de oude versie wordt rood gemarkeerd en doorgehaald. De nieuwe tekst wordt eraan toegevoegd en groen gemarkeerd.

Aan de formulering van een wijzigingsartikel dient toegevoegd te worden hoe de wijzigingen worden gepresenteerd, bijvoorbeeld:

De formulering van een wijzigingsartikel luidt bijvoorbeeld als volgt:

Het omgevingsplan wordt gewijzigd zoals in bijlage A is aangegeven.

De teksten die wijzigingen worden rood gemarkeerd en doorgehaald weergegeven. De nieuwe tekst wordt groen gemarkeerd.

In bijlage A wordt de tekst van de onderdelen die wijzigen in de renvooiweergave, zoals in het wijzigingsartikel is beschreven, gepresenteerd.

In bijlage A wordt de tekst van de onderdelen die wijzigen in de renvooiweergave, zoals in het wijzigingsartikel is beschreven, gepresenteerd.

Conceptuele weergave van een wijzigingsbesluit

De verschilweergave wordt ook gebruikt om wijzigingen van geo-informatieobjecten kenbaar te maken. Ook de systematiek van functioneel presenteren wordt gehanteerd: het presentatiemodel schrijft voor dat het wijzigingsbesluit de oude en de nieuwe versie inzichtelijk moet maken door ze gecombineerd te presenteren en dat ook de verschillen visueel moeten worden geduid.

4.17 Weergeven van annotaties

Wijzigingen in aangebrachte annotaties worden in principe NIET via het presentatiemodel voorgeschreven. Ze vormen immers geen onderdeel van het authentieke juridische besluit. Het presentatiemodel voorziet beperkt in de standaardisering van weergave van annotaties. De juridisch verplichte annotaties worden in de opmaak van het besluit al meegenomen. Denk aan metadata over inwerkingtreden, bevoegd gezag enz. Verwijzingen naar informatieobjecten worden apart gemarkeerd, waardoor zichtbaar is dat er een verwijzing “onder” ligt. Deze wordt zichtbaar gemaakt door een muis-over handeling en zijn ook door te klikken om nadere informatie te verkrijgen.

Digitaal verplichte en vrije annotaties worden op dezelfde wijze zichtbaar gemaakt. Deze weergave vindt in principe alleen plaats buiten de LVBB om de juridische en niet-juridische weergave niet te vermengen. Dit zou immers twijfel kunnen zaaien over de juridisch geldende situatie.

4.18 Wijzigen van de symbolenbibliotheek en symbolisatietabellen

Het wijzigen van de in de symbolenbibliotheek opgenomen symbolen is een interbestuurlijke beheeractiviteit, waarin alle bestuurslagen samen de vraagarticulatie voor wijzigingen specificeren. Wijzigingen in de symbolisatietabellen, waar de voorkeur symbolen aan de presentatie-entiteiten gekoppeld worden, worden eveneens interbestuurlijk beheerd. Dit is noodzakelijk, omdat de besluiten op een locatie gepresenteerd worden en er besluiten van meerdere bestuurslagen over elkaar heen getoond kunnen worden.

In theorie zouden de visualisaties per soort OW-besluit kunnen verschillen, maar dit breekt de mensleesbaarheid af en hiermee ook de begrijpelijkheid van deze presentaties in hoge mate.

4.19 Keuzevrijheid presenteren

Bevoegde overheden hebben op grond van de Omgevingswet veel beleidsvrijheid v.w.b. de inhoud van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen etc. Echter, het is daarnaast ook de bedoeling dat het omgevingsrecht inzichtelijker wordt voor gebruikers. Hiervoor is juist een zekere mate van uniformiteit van belang: als elke gemeente compleet zelf mag bedenken hoe een omgevingsplan in tekst en kaartbeeld eruitziet, is de regelgeving tussen gemeentes niet of lastig onderling vergelijkbaar en wordt het voor de gebruiker lastiger om deze te doorgronden. Bovendien leidt het ondersteunen van een veelvoud aan verschillende vormen van verbeelding voor alle omgevingswetsdocumenten door de viewer tot meer complexiteit en daardoor meer kosten aan de zijde van DSO-LV. Daarom behelst STOP-TPOD tevens een presentatiestandaard, waar de overheden die DSO-LV gebruiken aan moeten voldoen. Dit is vergelijkbaar met de huidige manier van werken bij ruimtelijkeplannen.nl: de IMRO-standaard vereist bijvoorbeeld dat alle overheden de functies wonen en groen op dezelfde manier inkleuren op de kaart.

Aan de behoefte van bevoegde overheden om gebruik te maken van de in de Omgevingswet toegekende keuzevrijheid m.b.t. de middelen die zij inzetten om hun doelen voor de leefomgeving te bereiken wordt tegemoetgekomen door te werken met een vaste symbolenbibliotheek met een voorkeursinstelling. Bevoegde overheden mogen afwijken van deze voorkeursinstellingen. De voorkeursinstelling voor bv wonen is rood, maar het bevoegd gezag kan kiezen voor bv geel. De gekozen kleur en daarmee symboolcode wordt opgeslagen bij het omgevingsplan. Deze weergave, gekozen door bevoegd gezag, wordt wel op die manier getoond door de LVBB/ bekendmakingen.nl. De LVBB moet op grond van de Bekendmakingswet het besluit tonen in de vorm zoals dat door het bevoegd gezag is vastgesteld, dus met de afwijkende symbolen.

Voorgesteld wordt in DSO-LV uit te gaan van de standaardpresentatie. Dat betekent dat DSO-LV in het gegeven voorbeeld automatisch de standaardkleur toont die is gekoppeld aan de desbetreffende symboolcode, dus bijvoorbeeld: functie wonen is rood. Hierdoor ziet het kaartbeeld er voor de gebruikers van DSO-LV uniform uit en zijn de diverse omgevingswetbesluiten onderling vergelijkbaar. Desgewenst kunnen gebruikers in het DSO ook de presentatie die het bevoegde gezag heeft gekozen zien (waarschijnlijk door middel van het zetten van een vinkje in de viewer).

5. Muteren en Consolideren

5.1 De Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen

De Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (LVBB) biedt alle functionaliteiten om besluiten te ontvangen, valideren, bekendmaken, consolideren en beschikbaar stellen als besluiten en geconsolideerde regelgevingen. De LVBB wordt ontwikkeld in het kader van de Omgevingswet, maar de ambitie is deze voor alle wet- en regelgeving van Nederland in te zetten. De LVBB is een e-overheidsbouwsteen. Omgevingswetbesluiten die overheden publiceren, komen via deze landelijke voorziening ook in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

5.2 Het proces muteren & consolideren

Muteren en consolideren betreft het geautomatiseerd samenstellen van de toestanden van geconsolideerde regelingen op basis van consolidatie informatie die in een besluit of mutatie ligt besloten. Bij het aanpassen en/of wijzigen van OW-besluiten wordt er gesproken over muteren. Het consolideren is het daadwerkelijk vastleggen van een OW-besluit.

5.3 De stappen voor het wijzigen van een besluit

Het wijzigen van een OW-besluit begint bij het vinden van het geldende besluit. Deze staat in ieder geval op de LVBB als juridische waarheid, maar kan ook in de software worden opgeslagen. Je kunt deze met een nieuwe versie aanmaken en bewerken.

Weergave hoe daadwerkelijk een OW-besluit gewijzigd wordt binnen de Omgevingswet

Bevoegd gezag maakt op basis van een eerder bekendgemaakte versie een nieuwe versie waarin de beoogde wijzigingen zijn aangebracht. Betreft het een nieuwe regeling, dan maken medewerkers de initiële versie. Dit is het startpunt in de afbeelding hierboven.

Een nieuwe versie van het besluit is nodig om later te kunnen tijdreizen en aan te wijzen welke besluiten zijn genomen in een bepaalde versie. De laatste versie wordt in de eerste instantie bewerkt tot een nieuwe geconsolideerde versie.

Het bevoegd gezag moet een formeel besluit nemen over de wijziging. De beschrijving van de wijzigingen wordt door software bepaald; de medewerkers vullen dat aan met bijvoorbeeld een motivatie voor het wijzigen van de regeling.

Na goedkeuring zal het besluit ter bekendmaking aan de LVBB worden verstuurd. Onderdeel van het bericht is de mutatie zoals door IMOP wordt beschreven.

5.4 De stappen voor het wijzigen van een werkingsgebied van een besluit

In de afbeelding hieronder staat een vorige versie van een OW-besluit in de software: Was. De volgende stap is om een gewijzigde versie van het besluit te maken. Hier worden in de software wijzigingen aangebracht. Dit kan een wijziging zijn aan de gehele regeling of slechts een annotatie die men als extra service voor de vindbaarheid of het opvragen van toepasbare regels toevoegt. Muteren betekent kort gezegd toevoegen, verwijderen of wijzigen van het besluit. In het vorige besluit hierboven wordt een kopie gemaakt met een nieuwe versie.

Oude/vorige versie van een OW-besluit

Er wordt een deel van het gebied verwijderd in de afbeelding hieronder in het gebied. Dat betekent dat ook het werkingsgebied van deze activiteiten gewijzigd moet worden.

De software bepaalt het verschil tussen het oude en het nieuwe (gewijzigde) besluit. Het verschil gaat als bericht naar de LVBB voor bekendmaking waar de wijzigingen vervolgens ook opgenomen worden.

De LVBB verwerkt het verschil tussen de twee besluiten en maakt een nieuwe geconsolideerde versie van het OW-besluit. Het verschil heet ook wel de delta.

Wijziging van een OW-besluit

In de afbeelding hieronder zijn de locaties die niet meer van toepassing zijn, geschrapt. De geometrie is aan de rechterkant in zijn geheel verwijderd, omdat er geen werkingsgebied meer van toepassing is op deze set aan besluiten.

Het nieuwe (gewijzigde) OW-besluit

Als onderdeel van de validatie van een besluit zal de LVBB de geconsolideerde regeling samenstellen. De LVBB voert geen consolidatie uit maar gebruikt de informatie uit de mutatie om de versie van de regeling samen te stellen.

Als dit niet mogelijk is, of als de geconsolideerde regeling niet aan de gestelde eisen voldoet (zoals vermeld in de STOP standaard en in het toepassingsprofiel voor de regeling), dan wordt het besluit als niet valide beschouwd en kan het niet bekendgemaakt worden.

De LVBB zorgt ervoor dat het besluit bekendgemaakt wordt. Pas na bekendmaking van het besluit kan de inhoud ervan (en de nieuwe toestand van de geconsolideerde regeling) in werking treden. De LVBB zorgt er ook voor dat zowel het besluit als de regeling verder verspreid worden. Zo zijn de omgevingsdocumenten na de bekendmaking beschikbaar voor het DSO.

Deze wijziging wordt ook verspreid richting het digitaal stelsel Omgevingswet, bijvoorbeeld naar alle wettenbanken, het Omgevingsloket en DSO-LV. Zij halen hier informatie op.

Na validatie en registratie van het besluit, dus nog vóór de bekendmaking, zal via het aanleverkoppelvlak een notificatie verstuurd worden aan bevoegd gezagen die (mede)bronhouder zijn van het besluit en/of de resulterende regelingen dat nieuwe versies beschikbaar zijn. Ze krijgen een terugkoppeling en validatie terug richting de eigen software.

De besluiten en regelingen zijn ook op te halen. In principe worden er afspraken gemaakt, waarin staat wie er naast de bronhouder nog mag muteren.

5.5 De stappen voor het wijzigen van tekst van een besluit

Voor een mutatie in de tekst van een besluit werkt het op gelijke wijze, zoals met de activiteiten en de bijbehorende werkingsgebieden in het voorbeeld hierboven. Alleen is er mogelijk geen mutatie zichtbaar in de werkingsgebieden, maar slechts in de inhoud, ofwel de tekst.

Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld dat bevoegd gezag een artikel 2 wil aanpassen. Er staat slechts beschreven dat "Auto's 2 uur mogen parkeren in vlakken die blauw omlijnd zijn", maar men is tot het nieuwe inzicht gekomen dat dit ook geldt voor motoren.

In besluit 1 wordt daarom ook de aanpassing gemaakt dat "auto's en motoren 2 uur mogen parkeren in vlakken die blauw omlijnd zijn". In de tekst is het groen gemarkeerde deel toegevoegd.

Dan wordt er nog een aanpassing aan het artikel gemaakt. "Auto's mogen 4 uur parkeren in de vakken die groen omlijnd zijn". Deze wijziging wordt meegenomen in besluit 2.

Dit is een separaat besluit wat apart genomen is. Dan worden uiteindelijk de twee besluiten samengevoegd en ontstaat er een geconsolideerde versie. Hierbij is alle aangepaste tekst uit meerdere besluiten meegenomen in het nieuwe artikel 2.

Hierbij dient aangetekend te worden dat het uiteraard handiger is om de besluiten zelf al samen te voegen en dan pas aan te merken als geconsolideerde versie van artikel 2. Het moet maar net in de tekst passen en het scheelt veel verschilberekeningen.

5.6 Was-wordt berichten

De mutaties aan artikel 2 worden vervolgens meegenomen als een WAS-WORDT-bericht naar de Landelijke voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). De was is het huidige besluit en de wordt is het nieuwe besluit. Het verschil hier is de zogenoemde delta. Er gaat een bericht uit gestuurd naar de (LVBB) dat artikel 2 gewijzigd is. Vervolgens worden deze wijzigingen goedgekeurd en het oude artikel 2 verdwijnt uit het geconsolideerde plan en de gewijzigde versie wordt daarin geschoven.

Was: Auto's mogen maximaal 2 uur parkeren in vakken die blauw omlijnd zijn.

Verschil: Groen gemarkeerde tekst

Wordt: Auto's en motoren mogen maximaal 2 uur parkeren in vakken die blauw omlijnd zijn en 4 uur in vakken die groen omlijnd zijn.

Mutaties van regels, werkingsgebieden en annotaties worden via WAS-WORDT-mutaties (ook al bekend in de wereld van de BGT) aangeleverd en in de LVBB geconsolideerd.

Een WAS-WORDT-mutatie beschrijft de wijziging van de ene naar de andere versie van de regeling.

Elke wijzigbare component (ofwel: tekst, informatieobject, annotatie) bestaat uit individueel adresseerbare objecten. De mutatie geeft aan:

Alleen voor de juridische componenten (tekst, informatieobjecten) ook voor de gewijzigde objecten:

Was

Huidige werkingsgebieden en regel Artikel 3.9

Uitsluitingen: Alleen laagbouw toegestaan

Verschil/delta

splitsen werkingsgebieden en wijziging regel Artikel 3.9

Uitsluitingen: Bouwen hoger dan 50 m niet toegestaan

Wordt

1 werkingsgebied aangepast en 1 werkingsgebied verwijderd en gewijzigd Artikel 3.9 Uitsluitingen: Bouwen hoger dan 50 m is niet toegestaan.

Het borgen van juridische onveranderlijkheid vereist dat de aangeleverde WAS-WORDT-mutaties volgens dezelfde principes zijn gemaakt als de principes die gebruikt worden om ze te verwerken in de LVBB.

Voor een bevoegd gezag is de stapeling van besluiten de regeling, en zijn de uitgeschreven versies na een wijziging een serviceproduct voor de gebruiker.

Samenvattend wordt er eerst een nieuwe versie van een reeds geconsolideerde regeling opgesteld. Er wordt door bevoegd gezag bepaald welke wijzigingen er hebben plaatsgevonden middels een wijzigingsartikel. Ook worden meteen de verschilweergaven van de bijlagen vastgelegd. Daarna wordt een besluit vastgesteld bij het bevoegd gezag. Hierna wordt het besluit bekendgemaakt. Dit gebeurt nog steeds via de reeds bekende Officiële Bekendmakingen.

Website Officiële Bekendmakingen

Dan kan het omgevingsbesluit gepubliceerd worden met behulp van WAS-WORDT-mutaties en een bijgevoegd bericht op de LVBB. Als het bericht goedgekeurd wordt door het digitale loket dan wordt het nieuwe omgevingsbesluit geconsolideerd met de voorgaande versie. Hiermee wordt meteen de onveranderlijkheid en beschikbaarheid geborgd van het besluit en de bijgevoegde informatieobjecten.

Ook voor werkingsgebieden geldt een was-wordt variant, zoals eerder ook al beschreven bij stappen voor het wijzigen van een werkingsgebied van een OW-besluit.

Was-wordt voor werkingsgebieden (geo-informatieobjecten)

5.7 Mutatie scenario’s

Er zijn een aantal zaken die aan een OW-besluit gewijzigd kunnen worden. Dit kan een gehele regeling betreffen, maar ook delen van een regeltekst of een annotatie. Er kan dus op verschillende schaalniveaus worden gemuteerd.

De mutatie moeten voornamelijk ondersteunend zijn aan het volgende proces:

Er zijn totaal 16 mutatiescenario’s.

Met STOP/TP-versie 0.97 worden de volgende vier mutatiescenario's reeds ondersteund:

  1. Nieuwe regeling met artikelstructuur (tekst, plaatjes, datacollecties) met datum inwerkingtreding.

  2. Nieuwe regeling met artikelstructuur met gefaseerde inwerkingtreding met bekende datums inwerkingtreding.

  3. Eenvoudige wijzigingen van een regeling met artikelstructuur met datum inwerkingtreding:

  4. wijziging in de lopende tekst;

  5. toevoegen van een onderdeel zoals artikel of paragraaf aan een regeling;

  6. verwijderen van een onderdeel zoals een artikel of paragraaf uit een regeling;

  7. verwijderen en vervangen van afbeeldingen;

  8. verwijderen van tabellen, lijsten e.d.

  9. Wijzigen van een toelichting, die als onderdeel van een regeling is opgenomen.

Er worden ook een aantal scenario’s nog niet ondersteund met STOP/TP-versie 0.97:

  1. Muteren van regelingen met tekststructuur (inclusief nieuwe regelingen).

  2. Losse inwerkingtredingsbesluiten.

  3. Losse intrekkingsbesluiten.

  4. Inwerkingtredingen met terugwerkende kracht.

  5. Gefaseerde inwerkingtreding met deels onbekende datum inwerkingtreding.

  6. Complexere wijzigingen:

  7. verwijderen van structuur onderdelen zoals paragraaf, hoofdstuk (met v0.97 kan de tekst wel verwijderd worden, maar de indeling van de artikelen in het hoofdstuk blijft staan);

  8. tussenvoegen van structuuronderdelen aan een bestaande tekstuele indeling (met v0.97 kan dit alleen via het aanleveren van het nieuwe structuur onderdeel bv. een paragraaf met daarbinnen alle tekstueel ongewijzigde artikelen).

  9. wijzigingen binnen tabellen (met v0.97 kan wel de hele tabel verwijderd en nieuw aangeleverd worden)

  10. Laten vervallen van artikelen (geen status overgang artikel mogelijk; met v0.97 is het wel mogelijk de tekst van het artikel te wijzigen naar de tekst 'Vervallen').

  11. Juncto's en herdrukken (rectificaties en verbeterbladen).

  12. Het los van een tekstuele wijziging aanleveren van wijzigingen in annotaties (bij een wijziging van de tekst kunnen aangepaste annotaties van het onderdeel worden aangeleverd. Het schema ondersteunt niet dat aangegeven kan worden wat de wijzigingen in de annotaties zijn.)

  13. Aanleveren van een directe mutatie op een Toestand (voor het oplossen van samenloop).

  14. Rechterlijke macht scenario's.

  15. Toevoegen/ wijzigen van informatieobject (datacollectie).

5.8 Berichtenverkeer tussen de bronhouder en de LVBB

In het Informatiemodel vindt de gebruiker wat er wordt uitgewisseld.

In het Berichtenmodel vindt de gebruiker hoe er wordt uitgewisseld

Via het Presentatiemodel wordt een kaartbeeld, duidelijk leesbaar voor de eindgebruiker, getoond.

Praktisch betekent dit dat uitwisselen van automatisch berichtenverkeer loopt via het systeem van de bronhouder welke koppelt met systeem van de LVBB. Er is geen handmatige upload of download van berichten of leveringen. Mogelijk komt er een uploadportaal. Er wordt gewerkt via het clean order principe. Dat betekent dat in een bericht een duidelijke opdracht voor verwerking meegegeven wordt.

5.9 Componenten voor het berichtenverkeer

Een regeling, of versie daarvan, bestaat uit verschillende componenten, zoals:

Niet elke component wordt in elke mutatie gewijzigd en is soms het wijzigen ook toegestaan zonder besluit.

Het doel van consolideren is het vereenvoudigen van het proces. Er is minder handwerk noodzakelijk en tegelijkertijd meer automatisering van het hele proces. De informatie uit het besluit is direct bruikbaar voor de geconsolideerde regeling.

Waar hierbij rekening mee gehouden dient te worden, zijn de volgende zaken:

5.10 Digikoppeling

Digikoppeling is een set van standaarden voor elektronisch berichtenverkeer tussen overheidsorganisaties. Het is een bouwsteen van de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur en onderdeel van de generieke digitale infrastructuur van de overheid. 

De digikoppeling loop via:

De verantwoordelijkheid voor de volgorde ligt bij de bronhouder. De LVBB doet een WAS=WAS controle om te bepalen of de actuele stand wordt gemuteerd. Het WAS-gedeelte wordt niet meegenomen, maar moet wel worden berekend en opgeslagen. De bronhouder wordt tevens actief geïnformeerd bij mutatie door een andere bronhouder.

Er bestaat een directe en een indirecte respons. De directe respons houdt in dat een HTTP bericht technisch wel/niet goed ontvangen is of te verwerken is. Een indirect respons wordt gegeven op het XML-bericht (bijv. Xml foutrapportage). Status van verwerking is dan: levering is opgehaald, gecontroleerd, geregistreerd of bekendgemaakt.

STOP modelleert het besluit als een mutatie van de geconsolideerde regeling, maar modelleert niet de juridische regeling. Het stapelen van omgevingsbesluiten wordt gebruikt bij consolidatie.

Digikoppeling bericht

Een opdracht aan de LVBB bestaat uit een gecomprimeerd (zip) bestand dat tenminste twee XML bestanden bevat:

• manifest.xml Een XML bestand dat informatie bevat over de bestanden in het zip bestand.

• opdracht.xml Een XML bestand met een beschrijving van de opdracht.

In het manifest staat voor elk bestand in het zip bestand, inclusief manifest.xml en opdracht.xml, aangegeven wat de naam is en wat voor type content (MIME type) in het bestand is opgeslagen. Bij de validatie wordt nagegaan dat alle genoemde bestanden aanwezig zijn, en dat voor het uitvoeren van de opdracht geen bestand nodig is dat niet in het manifest staat.

5.11 Aanleverkoppelvlak

De LVBB heeft een Aanleverkoppelvlak dat diensten levert aan de (software van) overheden om officiële publicaties correct te kunnen aanleveren. De LVBB en de op de LVBB aangesloten systemen verzorgen verdere verspreiding van de officiële publicaties en geconsolideerde regelingen. Het Register Omgevingsdocumenten (ROD) is een van de systemen die in LVBB participeert en die de verspreiding naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) faciliteert.

Het betreft de interactie tussen software van bevoegd gezagen (of hun vertegenwoordigers) en de LVBB voor de aanlevering van officiële overheidspublicaties en voor terugmeldingen van bekendmakingen.

Via dit koppelvlak worden ook (besluiten en kennisgevingen over) omgevingsdocumenten aangeleverd, maar het koppelvlak is ook bedoeld voor officiële publicaties uit andere domeinen.

Uitgangspunten:

Naast het publiceren van officiële publicaties zal het ook mogelijk zijn om wijzigingen aan te brengen aan een geconsolideerde regeling zonder een besluit te hoeven nemen, en dus zonder de noodzaak tot bekendmaken. Het gaat dan bijvoorbeeld om wijzigingen of toevoeging van annotaties die niet in de verbeelding van een besluit terugkomen, of om het doorgeven van een rechterlijke beslissing. De verwachting is dat deze wijzigingen – behoudens bekendmaking – hetzelfde proces zullen volgen als een besluit.

De LVBB communiceert met software van een organisatie die gemachtigd is om namens het bevoegd gezag besluiten ter validatie/bekendmaking aan te bieden. Dit ondersteunt scenario’s waar het bevoegd gezag niet zelf de besluiten instuurt (of opstelt), maar dat door een andere organisatie laat doen. Gemeenten die samenwerken kunnen dan een gezamenlijke dienst hebben die de besluiten voor alle gemeenten verwerkt, bijvoorbeeld een Regionale Uitvoeringsdienst (RUD).

De LVBB gaat er vooralsnog van uit dat de organisatie die besluiten namens een bevoegd gezag mag aanleveren, ook alle besluiten van dat bevoegd gezag mag aanleveren.

De LVBB heeft geen mogelijkheid om onderscheid in autorisatie te maken tussen organisaties (bijvoorbeeld een dienst die alleen omgevingsdocumenten mag aanleveren en een andere dienst alleen verkeersbesluiten).

Een gedetailleerde beschrijving van dit proces is opgenomen in de documentatie van het Aanleverkoppelvlak van de LVBB. 

5.12 Validatie OW-besluit

Aangesloten software kan een opdracht tot validatie van een officiële publicatie (besluit, kennisgeving of mededeling) opsturen. De interactie volgt het patroon: De opdracht voor validatie bevat dezelfde informatie als de opdracht voor publicatie, op de naam van de service na. Daarnaast bevat de opdracht de officiële publicatie volgens STOP standaard.

De validatie is functioneel gelijk aan de validatie die uitgevoerd wordt als eerste stap van de publicatieservice en gaat na dat de situatie correct is die ontstaat na bekendmaking of publicatie:

  1. De opdracht wordt aangeleverd door software van een organisatie die daartoe gerechtigd is, conform de aansluitvoorwaarden van de LVBB.
  1. De opdracht is (technisch) correct geformuleerd en kan door de LVBB uitgevoerd worden.
  1. De officiële publicatie is correct geformuleerd conform de STOP standaard en het toepassingsprofiel voor de publicatie.
  1. Voor een besluit:

a. De informatie die de resulterende geconsolideerde regelingen beschrijft is toepasbaar. Dit valt in drie delen uiteen:

i. De resulterende versies/toestanden van een regeling zijn in te passen in de regeling (= te combineren met eerder bekendgemaakte toestanden voor de regeling).

ii. De objecten om de toestanden mee op te bouwen zijn inpasbaar (= te combineren met de objecten uit eerder bekendgemaakte toestanden).

iiiDe objecten zijn correct geformuleerd en geschikt voor gebruik in de regeling (conform de STOP standaard en het betreffende toepassingsprofiel).

b. De resulterende versies (toestanden) van de geconsolideerde regeling(en) zijn correct (conform de STOP standaard en het betreffende toepassingsprofiel).

  1. De resulterende versies (toestanden) van de geconsolideerde regeling(en) zijn correct (conform de STOP-standaard en het betreffende toepassingsprofiel).

Bij de validatie wordt zoveel mogelijk informatie gevalideerd. De validatie stopt pas als het niet meer mogelijk of zinvol is om een volgende stap te zetten.

De uitkomst van de validatie van een besluit is in principe afhankelijk van het moment dat de validatie wordt uitgevoerd, omdat bij het samenstellen van de resulterende geconsolideerde regeling rekening gehouden moet worden met eerder bekendgemaakte besluiten en andere mutaties van de geconsolideerde regeling.

5.13 Publicatie/bekendmaking van een officiële publicatie

De software van het bevoegd gezag gebruikt de publicatieservice om een officiële publicatie bekend te maken of te publiceren. Daartoe stuurt het een opdracht naar het Aanleverkoppelvlak. De opdracht bestaat in het algemeen uit twee delen. Het eerste deel beschrijft wat de LVBB moet doen en bevat de gegevens daarvoor; dit deel is specifiek voor het Aanleverkoppelvlak van de LVBB en wordt in dit document beschreven. Als de opdracht een officiële publicatie betreft is het tweede deel de officiële publicatie; deze is (in XML) gemodelleerd volgens de STOP standaard die in de hele keten geldt en wordt hier buiten beschouwing gelaten.

De LVBB zal na het afronden van de verschillende stappen een verslag sturen. De stappen zijn:

  1. Valideren van de officiële publicatie. Dit is gelijk aan het uitvoeren van de validatie service.

  2. Registreren van de officiële publicatie. Software bevoegd gezag Aanleverkoppelvlak LVBB *Levensteken Publicatieverslag (na registratie) Validatieverslag Opdracht Publicatieverslag (na publicatie)

  3. Publiceren/bekendmaken van het besluit. De LVBB zorgt ervoor dat het besluit bekendgemaakt wordt op het gevraagde moment, en dat de overige systemen die op de LVBB zijn aangesloten op dat moment over het besluit beschikken. Vanaf dat moment zijn de resulterende geconsolideerde regelingen beschikbaar via LVBB en via de overige systemen. Als het om technische redenen niet mogelijk was de bekendmaking of publicatie op het gevraagde moment uit te voeren, zal dat in het publicatieverslag aangegeven worden

Als het technisch mogelijk is, zal het besluit altijd bekendgemaakt worden, ook als het samenstellen of valideren van de geconsolideerde regeling niet mogelijk is.

5.14 Intrekken van een publicatieopdracht

Een bevoegd gezag heeft ook de mogelijkheid een publicatieopdracht in te trekken. Dit kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn in het geval dat, ondanks alle controles en validaties in de informatiesystemen van het bevoegd gezag en de LVBB, er toch een fout in de aanlevering ontdekt wordt. Ook in het geval dat het de LVBB niet lukt om van een aangeleverd besluit een geconsolideerde regeling te maken, kan het bevoegd gezag besluiten om een aangeleverd besluit in te trekken en een nieuwe versie in te sturen zonder dat de buitenwereld het merkt.

Het intrekken van een publicatieopdracht vindt plaats door het insturen van een besluit tot intrekking. De volgende stappen worden hierbij uitgevoerd:

  1. De software van het bevoegd gezag stuurt een besluit tot intrekking in;

  2. De LVBB ontvangt het intrekkingsbesluit en valideert deze;

  3. Het publicatieproces wordt stopgezet;

  4. De LVBB stuurt een verslag dat het publicatieproces is stopgezet.

Voor de details van het verwerken van een publicatieopdracht wordt verwezen naar Publicatie/bekendmaking van een besluit.

5.15 Raadplegen van gegevens

De versies van regelingen zijn op te halen via de raadpleegservice op het bronhoudersoppelvlak. Voor het ophalen van versies van regelingen is de volgende service ontworpen: Raadplegen.

Deze operatie levert op basis van een AKN IRI gegevens op. Het resultaat is afhankelijk van het soort AKN IRI die is opgegeven:

Het antwoord zal bestaan uit twee delen: een indicatie die aangeeft of de bewerking geslaagd is of niet en daarnaast een zip-bestand met data.

Dit sequence diagram geeft aan hoe de service naar verwachting door de software van het bevoegd gezag gebruikt zal worden.

De volgende stappen worden doorlopen:

  1. De service wordt aangeroepen met een AKN IRI van een regeling;

  2. Een lijst van de metadata, waaronder de AKN IRI van de beschikbare versies van de regeling wordt teruggegeven;

  3. Uit de lijst selecteert het bevoegd gezag de AKN IRI van een bepaalde versie;

  4. De service wordt opnieuw aangeroepen, maar nu met de AKN IRI van een versie;

  5. De complete versie van de regeling wordt teruggegeven.

6. Conformiteitsregels en Valideren

6.1 Conformiteitsregels & Valideren

Welke spelregels houd je in acht bij het maken van geometrieën die werkingsgebieden definiëren? Daarvoor gelden straks een aantal conformiteitsregels en validatieregels. Deze zijn nog in wording.

6.2 Conformiteitsregels

De STOP/TP standaard beschrijft conformiteitsregels waaraan software moet voldoen die gebruikt maakt van de STOP/TP standaard. Dat kunnen regels zijn die gaan over het gedrag van de software, of over de informatie die in de software ontstaat. Het kunnen ook regels zijn die eisen stellen aan de uitgewisselde informatie, zowel over de informatie zelf als over hoe de informatie gerelateerd is aan andere (eerder gepubliceerde) informatie.

Conformiteitsregels zijn juridisch/praktisch van aard. Ze kunnen voortkomen uit eisen die wet- en regelgeving stelt. Ze kunnen afspraken vastleggen die binnen en tussen de regelgevers gemaakt zijn hoe e.e.a. moet worden gespecificeerd. Ze kunnen ook voortkomen uit functionele of technische eisen die de LVBB of DSO-LV stelt.

Voorbeelden van conformiteitsregels zijn:

  1. Aanleverende software dient, in aanvulling op eventuele archiveringseisen, vanaf het moment van aanbieden van een besluit ter vaststelling tot het ontvangen van een bevestiging dat de bekendmaking correct is verlopen, een aantoonbaar ongewijzigde versie van de bijgevoegde informatieobjecten te bewaren. Die versie moet op verzoek van de (beheerder van) de LVBB uitgeleverd kunnen worden. (Voorbeeld van een conformiteitsregel die gedrag van software beschrijft) .

  2. De presentatiestandaard moet gebruikt worden voor het weergeven van teksten en geoinformatie in juridische (besluitvormings-)processen. (Juridische eis en gebaseerd op afspraken over de minimale eisen aan de presentatie)

  3. Als voor een type besluit/regeling is afgesproken dat het geïntegreerde proces van bekendmaken en consolideren gebruikt wordt, dan dienen alle besluiten die een dergelijke regeling instellen of wijzigen van dit mechanisme gebruik te maken. (Uitwerking van een wettelijke eis c.q. afspraken tussen overheden.)

  4. Een besluit dat gebruik maakt van het geïntegreerde proces van bekendmaken en consolideren:

  5. Bevat beschrijvingen van gewijzigde versies van de regelingen. Die versies moeten gebaseerd zijn op eerdere versies die voor het ontvangende systeem beschikbaar zijn.

  6. Een definitief besluit dat volgt op een ontwerpbesluit bevat nieuwe versie(s) van de regeling gebaseerd op dezelfde eerdere versie als het ontwerpbesluit of een geactualiseerde versie daarvan. Het definitieve besluit beschrijft dus niet de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit maar ten opzichte van een versie resulterend uit een ander definitief besluit. (Eisen aan relaties tussen juridische documenten)

  7. Elke regeltekst heeft een werkingsgebied; als dit niet is opgegeven is het gelijk aan het ambtsgebied van het BG. (Afspraak over omgang met ontbrekende informatie)

  8. Als een waarde uit een (open) waardelijst gebruikt wordt in annotaties dan moet die waarde gedefinieerd zijn. (Eis van LVBB en DSO-LV)

  9. De codering van de geometrieën moet voldoen aan een subset van internationale standaarden, namelijk: … (Technische eis van LVBB en DSO-LV)

6.3 Validatieregels

Validatieregels zijn uitwerkingen van de conformiteitsregels die volautomatisch kunnen worden getoetst. Wanneer van de regel wordt afgeweken bij aanlevering aan de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (LVBB) kan, afhankelijk van de ernst van de afwijking, een publicatie of bekendmaking niet uitgevoerd worden, of kan er geen doorlevering aan afnemende systemen (DSO-LV) plaatsvinden. De LVBB zorgt er ook voor dat alle validaties uitgevoerd worden ten behoeve van de afnemende systemen.

Validatieregels zijn opgenomen in XML schema’s, en TPOD constructies (in een technisch geformuleerd Toepassingsprofiel, namelijk in XML conform IMTP). Deze laatste worden als voorziening ook uitgeleverd als schematron regels en (referenties naar) waardenlijsten die vanuit (XSD en) schematron worden aangesproken. Deze waardelijsten bevatten de termen die bruikbaar zijn binnen annotaties, als benoeming van functie(groep), activiteit(engroep), beperkingengebied (en -groep), etc. – dus alle gecontroleerde termenlijsten/vocabulaires die zijn vastgesteld binnen het domein).

Validatieregels zijn:

  1. Regels per structuurelement (wat mag waar, hoe vaak)

  2. Beperkingen in waarden (type van een tekstelement, vocabulaires)

  3. Onderlinge technische afhankelijkheden tussen de elementen.

  4. Referentiestructuren.

De validatieregels die voor STOP/TPOD v0.97 gehanteerd worden zijn opgenomen in:

6.4 Technische validatie: Ingangscontroles LVBB

Dit deel beschrijft de ingangscontroles die worden uitgevoerd op aangeleverde STOP/TPOD-berichten.

De ingangscontroles hebben betrekking op twee services:

De validatieservice bepaalt of een bericht door de publicatieservice verwerkt kan worden. Als de validatieservice aangeeft dat het bericht valide is, kan ervan worden uitgegaan dat het bericht verwerkt kan worden door de publicatieservice.

Wanneer de publicatieservice aangeroepen wordt, worden (nogmaals) exact dezelfde validaties uitgevoerd als de Validatieservice uitvoert.

6.5 Stappen tijdens validatie en publicatie

De volgende validaties vinden achtereenvolgens plaats. In elke van deze stappen kunnen fouten optreden. Alleen als in een stap geen fouten zijn voorgekomen, wordt de volgende stap uitgevoerd.

  1. Uitvoeren bestand- en schema-validaties op bestandsniveau (zijn alle bestanden aangeleverd en is de structuur juist);

  2. Bepalen van het validatieplan (welke controles moeten worden uitgevoerd op de payload);

  3. Uitvoeren van het validatieplan (voldoet de payload aan de eisen);

  4. Uitvoeren geo-validaties (controleren juistheid van de aangeleverde GML door het Kadaster);

  5. Uitvoeren consolidatie. Als geconstateerd wordt dat de inhoud bepaalde elementen bevat dan wordt vanuit de inhoud (een) toestand(en) aangemaakt;

  6. Bepalen validatieplan voor de aangemaakte toestand(en). Analoog aan 2;

  7. Uitvoeren validatieplan voor de aangemaakte toestand(en). Analoog aan 3.

  8. Alleen bij publicatie: controle of de consolidatie uitgevoerd kan worden.

Verder zijn er nog enkele meldingen, die bij een publicatie kunnen optreden.

Hieronder worden deze stappen verder behandeld.

6.6 Bestand- en schema-validaties op bestandsniveau

Bij de in-ontvangst-name van een bericht controleert LVBB of de opdracht in ontvangst genomen kan worden. Hierbij wordt onder andere de volgende zaken gecontroleerd:

Voor alle mogelijke validatieregels en meldingen wordt verwezen naar het document Ingangscontroles LVBB.

https://standaardenomgevingswet.geonovum.nl/docs/22c.%20Validatieregels%20LVBB%20v0.97.pdf

6.7 Technische validatie: Ingangcontroles DSL-LV (OZON)

Ook voor het DSO-LV zijn er validatieprotocollen ingericht.

6.7.1 Controle notificatiebericht van LVBB (synchroon)

Bij de in-ontvangst-name van een notificatiebericht controleert Ozon of deze de opdracht in ontvangst genomen kan worden:

  • is XML valide (standaard XML validatie)?

  • is sender-url valide (parsen van de URL)?

  • bestaat de download (een HEAD naar de sender-url moet een 200 geven)?

  • HEAD request naar sender URL moet 200 geven

  • loopt via outbound proxy van kadaster (serviceName=lvbbod-lvbb-proxy-ws-outbound1.2.0.0)

  • is de idLevering uniek (raadpleegt de proces-manager (synchroon REST))?

6.7.2 Controle zipfile van LVBB

Na downloaden van het zipbestand va LVBB controleert Ozon aan de hand van het manifest (de “pakbon”) of de levering in goede staat is:

  • het manifest bestand mag niet leeg zijn

  • de XML valide is (conform berichtenstandaard)

  • het bestandsveld van het manifest mag niet leeg zijn

  • bestandsnaam mag niet leeg zijn, maar moet opdracht.xml zijn.

  • content-type moet application/xml zijn

7. Fundament STOP TPOD Inleiding

7.1 Huis van de STOP TPOD standaarden

In deze praktijkrichtlijnen is ook is het principe van het “Huis van de STOP-TPOD-standaarden” opgenomen. Dit huis is een metafoor voor het opbouwen van inzicht, overzicht en handelingsperspectief m.b.t. de standaard. 

2F8690A6

De metafoor spreekt over de hoofdelementen van een woning (de STOP-TPOD-standaard als geheel) die samen de woning vormen, te weten:

Daarbij komen dan nog de overige elementen die ook erg belangrijk zijn voor een woning:

De nieuwe spelregels voor bouwen (de STOP-TPOD-standaard) bestaan uit twee groepen:

7.2 Palen: mechanismes

De palen zijn de mechanismes van de STOP/TP standaard. Dat zijn er nu totaal 12. Deze palen dragen de woning en voorkomen dat ze verzakt. Verzakken zou betekenen dat het niet voldoet aan de Bekend-makingswet en de juridische grondslagen voor regels en werkingsgebieden (waar de regels werken). In onderstaande tabel staan deze 12 mechanismes (palen) benoemd.

Nr Mechanisme
1 IMOP.XSD Tekststructuurdefinitie-mechanisme Wat wel en niet in de regeltekst en opmaak document/besluit mag/kan/moet voorkomen
2 IMTP tekststructuurrestricties-mechanisme Taal waarmee toepassingsprofielen gemaakt worden
3 Annotatie-mechanisme Wat gemarkeerd kan worden tbv machine-leesbaarheid en leggen verbanden
4 Identificatie/verwijzenmechanisme Unieke manier om (terug) te kunnen vinden
5 Object definitiemechanisme (ala UML) datamodellering (incl informatieobjecten) Hoe inhoud informatie-kundig wordt begrepen in STOP/TP termen
6 Serialisatie-mechanisme (data uitwisseltaal) Hoe inhoud in XML eruit ziet
7 Presentatie-mechanisme voor tekst Hoe tekst eruit kan/moet zien
8 Presentatie-mechanisme voor geometrie Hoe geo eruit kan/moet zien
9 Muteren/consolideren-mechanisme Hoe mutaties (besluiten) naar toestanden worden omgezet
10 Validatie-mechanisme Waarop en hoe te valideren
11 Waardenlijst-mutatie-mechanisme Hoe waardelijsten aangepast kunnen worden
12 Context-identificatie mechanisme

7.3 Funderingssloven: Conceptueel Informatiemodel Overheidspublicaties (OP)

Via de funderingssloven (CIM OP) dragen de palen het gewicht van de woning. Die funderingssloven zijn onderling samenhangend verbonden zorgen voor de stabiliteit waarop de woning gebouwd wordt. Het CIM-OP vormt als het ware deze funderingssloven. Er kunnen meerdere soorten vloeren op het fundament gelegd worden. De fundering is Ow-onafhankelijk vormgegeven.

Het conceptueel informatiemodel gaat over de concepten die een rol spelen in een domein, de begrippen, hun kenmerken en hun onderlinge relaties. Deze informatie uit het domein kan daarmee opgevraagd en uitgewisseld kan worden. Deze informatie wordt beschreven in de taal en terminologie en definities van dit domein.

Relatie tussen conceptueel, semantisch, informatie- en syntactisch model

Het conceptuele model vormt samen met het conceptueel informatiemodel (beschrijft welke informatie wordt vastgelegd), een raamwerk voor de concrete invulling van het semantische model (begrippenkader) van de Omgevingswet.

Een goed voorbeeld hiervan is de functionele structuur. Hierin worden activiteiten in de leefomgeving op basis van het concept “activiteit” samen met hun kenmerken en onderlinge relaties vastgelegd.

Bij het uitwisselen van informatie gaat het primair om de boodschap die moet worden overgebracht. Het conceptuele model is hierbij de context waarmee de betekenis wordt gestuurd en het semantische model levert de concrete betekenis van woorden en woordgroepen.

Syntactische modellen zorgen tot slot voor de vertaling in formaten die geschikt zijn voor uitwisseling en opslag (beschrijft hoe informatie wordt vastgelegd). Door de genoemde modellen in samenhang te ontwikkelen en beheren, wordt geborgd dat de inhoud van de boodschap niet verloren gaat.

In dit conceptuele informatiemodel officiële publicaties worden de meest belangrijke begrippen van de Bekendmakingswet beschreven. Hier komen we de begrippen regeltekst, werkingsgebied, informatie-object tegen. Maar ook begrippen uit het informatiedomein als data-object, data-collecties, geometrie en waarde alsmede waardelijst en kenmerken. De gekozen begrippen zijn domein-onafhankelijk gekozen omdat de Bekendmakingswet alle bekendmakingen over alle domeinen regelt.

Het CIM-OP is het referentiekader voor de formulering van het IMOP het Informatie Model voor Officiële Overheidspublicaties.

Een CIM beschrijft sec de informatie. Hoe en waar deze informatie precies gebruikt wordt is geen onderdeel van een informatiemodel. Anders gezegd, de informatie zoals beschreven in dit model mag overal waar dit nuttig is gebruikt en toegepast worden. In een keten, in processen, in een product, in een API, in XML of JSON et cetera. Het CIM is in deze onafhankelijk van implementatie en techniek opgezet. Dit maakt het mogelijk om de informatie in verschillende ketens en in verschillende technieken te implementeren, met behoud van de betekenis.

7.4 Vloer: Conceptueel Informatiemodel Omgevingswet (OW)

De vloer van de woning kent een indeling (CIM-OW) waarmee feitelijk de verscheidenheid van ruimtes binnen de woning als een plattegrond wordt weergegeven. Voor elk wetsinstrument van de Ow is er een aparte ruimte met een eigen kijk naar buiten.

In dit conceptuele informatiemodel omgevingswet worden de meest belangrijke begrippen van de omgevingswet beschreven. Hier komen we de termen juridische regels, locatie, gebieden en locaties, functie, activiteit, omgevingsnorm, omgevingswaarde en beperkingengebied tegen. Maar ook begrippen uit het informatiestelseldomein als toepasbare regel en regelkwalificatie. Het taalgebruik is gerelateerd aan de belevingswereld van de opstellers en gebruikers van documenten binnen de omgevingswet. In het model komt het begrip regeltekst voor, wat de verbinding vormt naar het CIM-OP. De begrippen zijn domein-specifiek voor de Omgevingswet gekozen. Het conceptuele informatiemodel beschrijft daarmee dat deze gegevens beschikbaar zijn vanuit het DSO.

Het CIM-OW is het referentiekader voor de formulering van het IMOW, dat wil zeggen: het uitwisselingsmodel voor OW richting DSO vanuit Ozon, het Informatie Model voor de Omgevingswet (en daarmee voor het DSO).

Dit CIM van OW beschrijft niet het domein van officiële overheidspublicaties (OP). Termen zoals een artikel of een omgevingsdocument zijn wel relevant voor het DSO, maar staan niet gedefinieerd in dit CIM. Als er sprake is van een keten c.q. een uitwisselingsmodel waarin delen uit het OP domein en delen uit het OW domein bij elkaar komen, dan kan dit CIM gebruikt worden als bron, samen met andere bronnen, zoals het CIM van OP.

7.5 Kolommen en muren: Informatiemodel IMOP

Het IMOP-schema vormt als het ware de kolommen en muren van de woning. Het draagt daarmee ook het dak (de documentatie en praktijkrichtlijnen).

Het model heet ‘Informatiemodel voor Officiële Publicaties’, wat wordt afgekort tot ‘IMOP’. Het IMOP bevat de generieke, abstracte basis voor beschrijving van structuur en inhoud van officiële publicaties in officiële publicatiebladen van overheden en de daaruit afgeleide consolidaties, alsmede het aan die publicaties gerelateerde berichtenverkeer.

7.6 Palen: mechanismes

De palen zijn de mechanismes van de STOP/TP standaard. Dat zijn er nu totaal 12. Deze palen dragen de woning en voorkomen dat ze verzakt. Verzakken zou betekenen dat het niet voldoet aan de Bekend-makingswet en de juridische grondslagen voor regels en werkingsgebieden (waar de regels werken). In onderstaande tabel staan deze 12 mechanismes (palen) benoemd.

Nr Mechanisme
1 IMOP.XSD Tekststructuurdefinitie-mechanisme Wat wel en niet in de regeltekst en opmaak document/besluit mag/kan/moet voorkomen
2 IMTP tekststructuurrestricties-mechanisme Taal waarmee toepassingsprofielen gemaakt worden
3 Annotatie-mechanisme Wat gemarkeerd kan worden tbv machine-leesbaarheid en leggen verbanden
4 Identificatie/verwijzenmechanisme Unieke manier om (terug) te kunnen vinden
5 Object definitiemechanisme (ala UML) datamodellering (incl informatieobjecten) Hoe inhoud informatie-kundig wordt begrepen in STOP/TP termen
6 Serialisatie-mechanisme (data uitwisseltaal) Hoe inhoud in XML eruit ziet
7 Presentatie-mechanisme voor tekst Hoe tekst eruit kan/moet zien
8 Presentatie-mechanisme voor geometrie Hoe geo eruit kan/moet zien
9 Muteren/consolideren-mechanisme Hoe mutaties (besluiten) naar toestanden worden omgezet
10 Validatie-mechanisme Waarop en hoe te valideren
11 Waardenlijst-mutatie-mechanisme Hoe waardelijsten aangepast kunnen worden
12 Context-identificatie mechanisme

7.7 Gevelsluitende elementen: TPOD Toepassingsprofielen

Het gevelsluitende element van die ruimte wordt geplaatst in het casco. Dat gevelsluitende element kan een glaswand zijn (het toepassingsprofiel stelt nauwelijks aanvullende eisen) maar ook combinatie van een gekleurd glas in lood vensters met houten borstwering of stenen gevel zijn. Het toepassingsprofiel stelt verschillende eisen en sluit ook zaken qua gebruik uit (de borstwering).

7.8 Binnen afwerking: Vrijheid van modelleren

Aan de binnenzijde van de woning zijn de spelregels heel beperkt. De bewoners (lees bevoegd gezag) kan zelf kiezen. Voor het gemak en communicatie met de buitenwereld is een symbolenbibliotheek gemaakt (kleurstalen) en zijn voor alle presentatie-entiteiten symbolisatietabellen gemaakt (suggesties harmoniërende en associaties oproepende kleurcombinaties). Daar kunnen de bewoners hun voordeel mee doen.

De koepelorganisaties van bevoegd gezag hebben zogeheten staalkaarten en handreikingen bij het opstellen van regels en werkingsgebieden voor de leefomgeving onder de omgevingswet gemaakt. Die maken geen deel uit van de standaard. Dat zijn als het ware de inspiratiebronnen en verwerkingsvoorschriften voor de binnenwandafwerking. Elk bevoegd gezag kiest haar eigen behang, granol, muurverf of/en steenstrips enz. uit.

7.9 Buiten afwerking: Presentatiestandaard Service

De afwerking van het huis aan de buitenkant is zeer belangrijk. Zo wordt alles gedicht en verbonden.

Digitalisering van de regelgeving veroorzaakt een schaalsprong in het weergeven van de betekenis die achter & in tekst, tabellen, kaarten en bijvoorbeeld ook schema’s schuilt. Meer expliciet gemaakte informatie is vastgelegd in complexe gegevens- en tekststructuren en hun onderlinge samenhang. Omdat vanuit juridisch perspectief duidelijk moet worden getoond wat het besluit omvat, moeten ook alle juridisch relevante onderdelen in die samenhang getoond worden.

Bij de Omgevingswet speelt de vergaande integratie van domeinen in de fysieke leefomgeving. Dit leidt ertoe dat bij het presenteren van alle aspecten van een omgevingsbesluit je al snel een zwarte vlek krijgt, omdat alles over elkaar heen gelegd wordt. In het andere extreme geval zal het weergeven van elk aspect in afzonderlijke beelden, ertoe leiden dat je een soort wc-rol krijgt met heel veel beelden. Beide situaties nodigen niet uit tot inzicht, overzicht en begrip.

7.10 Welstand: Presentatiestandaard Juridisch

De welstand gaat altijd over het uiterlijk aan de buitenkant van de woning. Past deze wel in de straat? Zijn de juiste voorgeschreven kleuren wel gebruikt?

Het presentatiemodel richt zich dan ook primair op de weergave in het kader van het nemen, bekendmaken en/of publiceren van besluiten over omgevingsdocumenten en de weergave van de geconsolideerde regelgeving in de officiële wet- en regelingenbanken. Daarnaast moet het loket van het digitale stelsel van de Omgevingswet de informatie kunnen benutten voor haar functionaliteiten. 

7.11 Leefregels binnen: Beleidsvrijheid BG bij opstellen van regels en werkingsgebieden

De spelregels voor de bewoners in het huis van de standaard spreken ze zelf af. De standaard regelt daar niets over anders dan dat via de verbindende gangen in de woning (meervoudig bronhouderschap) er afspraken zijn over de breedte/hoogte en regels van fatsoen als je allemaal tegelijk de gang op loopt. De gang zelf zegt niets over hoe je daarin zou moeten gedragen. Niet volbouwen, geen deuren blokkeren, niet schreeuwen enz.

7.12 Leefregels met de buurt

De spelregels voor de bewoners in de buurt liggen niet vast maar worden afgesproken. De buurt zijn in deze initiatiefnemers, burgers en andere partijen die iets om de woning willen realiseren of veranderen.

7.13 Bewoners van de woning: bevoegd gezag dat de Standaarden gebruikt

Waar de bewoners welke meubels, inrichtingselementen, fotolijstjes lampen enz. plaatsen is de metafoor voor het modelleren/formuleren van de regels en werkingsgebieden. De standaard belemmert de manier van het inrichten van de woning in principe helemaal niet. De uitzondering is dat er niet zomaar pluggen van M32 in de muur kan plaatsen omdat anders de integriteit van de muur erodeert respectievelijk de muurafwerking naar buiten teniet gedaan wordt.

7.14 Vocabulaire en vertaaltabellen

Als alle standaarden gelezen worden, zal het opvallen dat ze een eigen vocabulaire hanteren. Met de komst van het Conceptueel Informatiemodel is getracht zoveel mogelijk termen en begrippen te harmoniseren, zodat ze overal met een gelijke betekenis gebruikt worden. Toch hebben IMOP, TPOD’s, CIM OP en CIM OW niet overal dezelfde termen voor. Dit als gevolg dat IMOP een meer technische lading heeft, terwijl de TPOD’s en CIM een meer inhoudelijk verklarende lading bevatten. En STOP en CIM OP zijn wat algemener opgeschreven voor alle overheidspublicaties, ook degenen die buiten het DSO vallen. Hiervoor zijn de vertaaltabellen in het leven geroepen, zodat men toch elkaars taal begrijpt en op elkaar af kan stemmen. In de praktijkrichtlijnen is vooral de vertaling gemaakt vanuit STOP, TPOD en CIM OW.

7.15 Onderdelen van de CIM-producten

Onderstaande CIM-producten zijn voor handen:

Verhouding CIM OP en CIM OW

CIM OP en CIM OW zijn beschreven in het huis van de standaarden. In de paragrafen hierna worden de verschillende vertalingen en vertaaltabellen beschreven.

7.16 Vertaaltabel CIM-OW van/naar CIM-OP

Om een STOP-TPOD-gecodeerd omgevingsbesluit te kunnen lezen is het zaak dat er een vertaaltabel is die XML-gecodeerde INHOUD omzet naar OW-taal (concepten uit CIM-OW) en daarmee in een uit objecten en objectrelaties opgebouwde tabel. Een dergelijke vertaling maakt duidelijk hoe een karakter-georiënteerd XML bestand, waarin alle informatie componenten expliciet zijn getypeerd, moet worden gezien vanuit het perspectief van CIM-OW en CIM-OP. Een XML-bericht wordt dan als het ware uitgepakt en in een objecten-en-relaties vorm vertaald. Deze vertaling is nodig omdat in de juridische en publicatiewereld de documentgerichte benadering (OP XML) de facto standaard representatievorm is.

Vertaling van CIM OW naar CIM OP en weer naar CIM OW in DSO-LV

In de wereld van informatiesystemen en het DSO worden gegevens relationeel en objectgericht ontsloten en is bestandsformaat JSON de standaard. Het transport van gegevens over OW-besluiten vindt plaats in XML gecodeerde berichten, en volgt een documentaire opzet.

Simpel gezegd wordt CIM OW vertaald naar CIM OP waar het de techniek (STOP) betreft en weer naar CIM OW om leesbaar te blijven voor gebruikers van het DSO-LV.

Eenvoudige weergave van de vertaling CIM-OW > CIM-OP > CIM-OW

De vertaaltabel is geen 1:1-tabel omdat de juristen die namens het bevoegd gezag de regels en werkingsgebieden formuleren, veel keuzevrijheden hebben. Bevoegd gezag heeft binnen de kaders van de wet namelijk beleidsvrijheid. Zij kan derhalve het ‘WAT’ van de regels en ‘WAAR’ van de werkingsgebieden bij die regels autonoom bepalen (binnen de spelregels van de omgevingswet).

Tegelijk legt de Bekendmakingswet spelregels op over de vorm (XML codering en metadata) waarin een OW-besluit moet worden aangeboden. Omdat vanuit de optiek van het beoogde gebruik van het DSO de inhoud van het Ow-besluit ook betekenisvol herkend zou moeten kunnen worden, worden deze gegevens geannoteerd. Deze annotaties vertellen hoe de tekst en relaties tussen onderdelen van de tekst en geometrie die het werkingsgebied beschrijft, machine-leesbaar geïnterpreteerd dienen te worden. Zijn er geen annotaties, dan kan de computer de mens-leesbare verbanden in de regel niet leggen en raken we informatie in praktische zin kwijt.

Voorbeeld van een vertaling CIM OP en CIM OW

De manier modelleren van het Ow-besluit bepaalt hoe de inhoud in XML-termen gecodeerd wordt en waar deze in het digitale besluit teruggevonden kan worden.

Zo kan een opsteller van een besluit op diverse niveaus de inhoud van de regels, in de regeltekst opgenomen inhoud, computer-leesbaar duiden met annotaties. In regeling-gerichte Ow-besluiten is dat op het niveau van een artikel of/en een lid. We noemen dat opline-annotaties; deze betreffen het hele artikel of lid. Daarnaast kan informatie in de regeltekst of in een informatieobject worden geplaatst. Dat zijn zogeheten inline-annotaties; deze betreffen een onderdeel van de artikel of lid tekst.

Daarmee bepaalt de regelmaker de hoeveelheid regels in een artikel en/of lid en tevens het niveau van annoteren en dus ook waar de inhoud teruggevonden kan worden.

De vertaaltabel (de plek in het XML-bericht) is dus situatieafhankelijk!

Anders dan gebruikelijk is de vertaaltabel dus niet 1:1 maar situatie-afhankelijk. De manier waarop het bevoegd gezag de inhoud heeft gemodelleerd, bepaalt dus waar de juridisch relevante informatie (binnen besluit) en de informatie over de gegevens in het besluit (buiten besluit) landen in de XML gecodeerde STOP-TPOD besluiten. Bij het ontrafelen/decoderen van een geconsolideerde regeling uit een toestand-gebaseerd deel hiervan, worden de objecten uit CIM-OW dus situatieafhankelijk gevuld. Het OZON, het voorportaal van het LV-DSO, voert deze ontrafeling van XML-gecodeerde toestandsberichten verkregen vanuit de LVBB uit.

7.17 Vertaaltabel CIM-OW naar entiteiten in TPOD-UML schema’s

Omdat de TPOD’s (Toepassings-Profielen voor Omgevings-Documenten) de vertaling doen van Ow-begrippen naar de inhoud in een XML-gecodeerd Ow-besluit, zijn de UML-schema’s van TPOD gesteld in de begrippen van het CIM-OW.

De profielen geven aan welke soort entiteiten en kenmerken mogen of moeten voorkomen in een specifiek omgevingsdocument / Ow-besluit. Deze mogelijke wegen naar het opnemen van informatie in een OW-besluit worden via het zogeheten mengpaneel gevisualiseerd. Het mengpaneel vertaalt de keuze naar entiteiten die gebruikt mogen dan wel moeten worden. De bedrijfsregels behorende bij het toepassingsprofiel worden zo expliciet gemaakt. De vertaaltabel CIM-OW – TPOD UML in samenhang met het mengpaneel laten deze relaties zien. Hier hoort nog bij dat CIM OP en OW input/leidend is voor TPOD. TPOD maakt een combinatie van OP en OW domein, en brengt ze samen. Het principe is: 1 op 1 waar mogelijk, en waar niet mogelijk, een goede uitleg waarom er is afgeweken

7.18 Vertaaltabel CIM-OW naar IMOP-entiteiten en -kenmerken (velden)

De vertaaltabel CIM-OW naar IMOP is, gegeven het eerdere betoog over situatie-afhankelijk voorkomen van modellering van de inhoud van een Ow-besluit in een INHOUD.XML bericht zelf ook situatie-afhankelijk. Waar regeltekst in CIM-OW hetzelfde is als regeltekst in CIM-OP kan het in het IMOP voorkomen als artikel of lid dan wel alinea. Een activiteit in het CIM-OW is in het CIM-OP bekend als kenmerk van een regeltekst. En in het inhoud.XML als kenmerk “activiteit” indien deze geannoteerd is. Kenmerken kunnen/moeten worden toegekend indien het TPOD-schema dit toelaat/verplicht. Bij de kenmerken moet aangegeven worden welke “waarde” uit de waardenlijst daarbij relevant is. Die kiest bevoegd gezag uit een waardelijst. Een dergelijke waardelijst kan gesloten (limitatief) of open (uitbreidbaar) zijn. Bij een open lijst mag bevoegd gezag een nieuwe waarde in haar eigen omgeving zelf toevoegen en wordt dit ‘toevoegen’ als mutatie ook meegestuurd met de regels. Bij gesloten waardelijsten kunnen alleen beheermatig per versie van de standaard wijzigingen worden doorgevoerd omdat zij direct effect hebben in de werking van en functionaliteiten van de applicaties van het DSO en LVBB.