BRO Gegevenscatalogus Wandonderzoek - bodemkunde

Geonovum Informatiemodel
Vastgestelde versie

Deze versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/def-im-sfr-20200702/
Laatst gepubliceerde versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/sfr/
Vorige versie:
https://docs.geostandaarden.nl/bro/vv-im-sfr-20200325/
Laatste werkversie:
https://broprogramma.github.io/SFR/
Redacteur:
Geonovum
Auteur:
Geonovum
Doe mee:
GitHub BROprogramma/SFR
Revisiehistorie
Pull requests
Contact:
BRO Servicedesk
support@broservicedesk.nl
088 – 8664 999
Basisregistratie Ondergrond Algemeen contact:
Programmabureau BRO
Directoraat-Generaal Bestuur, Wonen en Ruimte
Turfmarkt 147 Den Haag
bro@minbzk.nl
Rechtenbeleid:

Samenvatting

Samenvatting van informatiemodel.

Status van dit document

Deze paragraaf beschrijft de status van dit document ten tijde van publicatie. Het is mogelijk dat er actuelere versies van dit document bestaan. Een lijst van Geonovum publicaties en de laatste gepubliceerde versie van dit document zijn te vinden op https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/alle-standaarden.

Dit is de definitieve versie van het informatiemodel. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd.

Dit is een experimenteel document waarvan de inhoud onvolledig is, incorrect kan zijn en op elk moment kan wijzigen. Het is slechts geproduceerd om tooling voor BRO standaarden te testen. Hoofdstuk vijf is automatisch gegenereerd uit een UML model dat nog in ontwikkeling is.

1. Inleiding

1.1 Doel en doelgroep

In de basisregistratie ondergrond (BRO) wordt een aantal typen gegevens geregistreerd, de registratieobjecten.

Een catalogus is de gegevensdefinitie van een registratieobject en beschrijft welke gegevens van het object in de BRO zijn opgeslagen. Het document is bedoeld voor alle gebruikers van de BRO en moet duidelijk maken welke gegevens er precies in het systeem zitten. Aan aanleverende partijen moet het vertellen welke gegevens in de basisregistratie ondergrond moeten komen en aan welke eisen die moeten voldoen, en aan afnemende partijen welke gegevens zij in de basisregistratie ondergrond mogen verwachten. Het document is voor een breed publiek bedoeld en de informatie moet naast precies ook begrijpelijk zijn.

1.2 Totstandkoming

Een catalogus is het resultaat van een proces van standaardisatie dat geruime tijd in beslag kan nemen. De standaardisatie is een open proces waarin de belanghebbende partijen actief betrokken worden. Het eindresultaat wordt door de wetgever vastgesteld in een ministeriële regeling.

In bepaalde gevallen is de verscheidenheid aan gegevens van een object zo groot, dat er eerst deelverzamelingen worden gedefinieerd. Het standaardisatieproces wordt dan per deelverzameling doorlopen. De deelverzamelingen worden zo gekozen dat de gegevens die in de bijbehorende catalogus worden beschreven, direct na vaststelling aan de BRO kunnen worden aangeleverd. Wanneer er deelverzamelingen worden onderscheiden, komt de catalogus van het registratieobject dus gefaseerd tot stand. Omdat inzichten in de loop van de tijd kunnen wijzigen kan het aan het eind van het hele proces nodig blijken revisies door te voeren om ongewenste verschillen tussen deelverzamelingen weg te nemen.

1.3 Beheer

Een vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) wordt met het daarbij horende deel van het systeem van de basisregistratie ondergrond in gebruik genomen. De eerste formeel vastgestelde catalogus (zoals op wetten.nl gepubliceerd) krijgt het versienummer 1.0. Verwacht mag worden dat er na enige tijd behoefte gaat ontstaan aan gegevens die nog niet in de catalogus zijn opgenomen.

De beheerder hanteert drie typen versies voor een wijziging van een standaard. Bijvoorbeeld: versie 2.1.0 (=X.Y.Z):

In een jaar waarin een X-wijziging plaats vindt zullen er op hetzelfde registratieobject geen y-wijzigingen plaatsvinden. Als er een X- of een Y-wijziging in een jaar aan de orde is, wordt er geen z-wijziging gepland. De versie van de catalogus met inleiding (zoals hier gepubliceerd) volgt voor de normatieve stukken volledig de versie op wetten.nl. Wijzigingen aan niet normatieve teksten in dit document vallen altijd onder Z-wijzigingen en zullen maximaal 2 keer per jaar plaatsvinden.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 1 geeft het doel en de doelgroep van een catalogus.

Hoofdstuk 2 behandelt enkele algemene aspecten van het BRO-systeem en begrippen van algemene aard.

Hoofdstuk 3 plaatst het object in de gegevenssystematiek van de basisregistratie ondergrond en vertelt wat de benadering is geweest bij het opstellen van de gegevensdefinitie.

Hoofdstuk 4 vertelt hoe de catalogus is opgebouwd en welke aspecten van de gegevens daarin worden beschreven.

2. Algemene kenmerken en begrippen

2.1 Opzet van de landelijke voorziening

De landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond is een systeem dat een schakel vormt in een informatieketen. Aan het begin van de keten staan bestuursorganen die opdracht geven tot de productie van gegevens, of zelf gegevens produceren. Die bestuursorganen worden bronhouders genoemd. De geproduceerde gegevens worden door een dataleverancier geleverd aan de beheerder van het systeem, de registerbeheerder. De bronhouder is verantwoordelijk voor de levering van gegevens. Hij kan besluiten zelf dataleverancier te zijn of andere partijen een machtiging voor levering te verlenen. De beheerder van de landelijke voorziening van de BRO registreert de aangeleverde gegevens en levert ze voor (her)gebruik door aan allerlei afnemers.

De opzet van het systeem moet begrepen worden vanuit de verantwoordelijkheden die in de keten zijn belegd. De aangeleverde gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de bronhouder en de registerbeheerder mag die gegevens niet veranderen. De registerbeheerder moet echter wel gegevens toevoegen om het systeem te kunnen beheren en hij kan gegevens toevoegen om de afnemers goed van dienst te kunnen zijn.

Bij wet is geregeld dat de basisregistratie ondergrond zo wordt opgezet dat er onderscheid bestaat tussen de gegevens die aan de registerbeheerder zijn aangeleverd en de gegevens die de registerbeheerder aan de afnemers verstrekt. Het systeem valt uiteen in twee grote deelsystemen, het register brondocumenten ondergrond en de registratie ondergrond (Figuur 2).

Een geheel van gegevens dat door of onder verantwoordelijkheid van een bronhouder wordt aangeleverd, wordt een brondocument genoemd. De brondocumenten worden in het register brondocumenten ondergrond opgeslagen. De gegevens uit de brondocumenten worden samen met de gegevens die de registerbeheerder toevoegt in de registratie ondergrond vastgelegd. De registratie ondergrond is het deelsysteem dat gebruikt wordt voor uitgifte.

Figuur 1 De twee grote deelsystemen van de landelijke voorziening van de BRO.

Met deze opzet verkrijgt het systeem de nodige flexibiliteit. Zo kan een object in de registratie ondergrond gegevens bevatten die uit meer dan één brondocument afkomstig zijn en bij uitgifte kunnen gegevens van verschillende objecten met elkaar gecombineerd worden. Ook is het mogelijk met het brondocument gegevens op te slaan die alleen voor de bronhouder en de aanleverende partij van belang zijn.

De catalogus dekt alle gegevens die opgenomen zijn in de registratie ondergrond. Verreweg de meeste gegevens komen uit de brondocumenten die de dataleverancier aanlevert en een paar gegevens komen voort uit de overdracht van een brondocument aan de registerbeheerder. Aan de aangeleverde gegevens worden enkele gegevens door de registerbeheerder toegevoegd. Als een gegeven is toegevoegd door de BRO wordt dat in de beschrijving expliciet vermeld.

Alle gegevens in de registratie ondergrond worden uitgegeven, maar niet alle afnemers kunnen alle gegevens geleverd krijgen. De gegevens die niet aan alle afnemers worden uitgeleverd zijn de gegevens die alleen nodig zijn in de communicatie tussen de registerbeheerder enerzijds en de dataleveranciers en bronhouders anderzijds.

2.2 Registratieobject

Het registratieobject is dé eenheid in de data-architectuur van de basisregistratie ondergrond. Voor de registerbeheerder is het de elementaire bouwsteen van het systeem dat hij moet beheren.

Een registratieobject verwijst naar een eenheid van informatie die onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder valt en die met een bepaald doel is of wordt gemaakt. Het is in directe of indirecte zin gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een registratieobject een plaats op het aardoppervlak heeft of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een plaats op het aardoppervlak.

Een registratieobject is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd gedefinieerd. Het leven van een registratieobject begint op het moment dat de gegevens zijn geregistreerd en dat is zo kort mogelijk nadat de gegevens zijn geproduceerd. De levensduur van een registratieobject, en de veranderlijkheid van de gegevens verschilt van object tot object. Een grondwatermonitoringput kan tientallen jaren gebruikt worden voor het meten van grondwaterstanden en in de periode kunnen er nieuwe gegevens ontstaan. Dat betekent dat de gegevens van de put in de registratie ondergrond gedurende zijn hele levensduur bijgewerkt moeten kunnen worden. Aan de andere kant van het spectrum staan de objecten waarvan alle gegevens in een keer worden vastgelegd. Geotechnisch sondeeronderzoek is daar een voorbeeld van. Sondeeronderzoek is eenmalig onderzoek en het resultaat ervan kan al na een of enkele dagen aan de bronhouder worden overhandigd.

2.3 Registratiedomein

Registratieobjecten worden in de basisregistratie ondergrond gegroepeerd in domeinen. Vooralsnog worden zes domeinen onderscheiden:

De domeinen zijn vanuit het oogpunt van beheer van belang voor de ordening van het systeem. Daarnaast zijn zij nuttig in de communicatie met de partijen die bij de realisatie van het systeem betrokken zijn.

2.4 Kwaliteitsregime

In de basisregistratie ondergrond worden niet alleen gegevens geregistreerd die dateren van na de datum waarop de wet van kracht is geworden. Ook oudere gegevens zullen in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen. De noodzaak daartoe ligt in de wet verankerd. Die schrijft voor dat de gegevens uit de eerder bestaande systemen DINO en BIS zo veel mogelijk naar de BRO moeten worden overgezet. Verder staat de wet toe dat bronhouders tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet historische gegevens ter registratie mogen aanbieden.

Historische gegevens kunnen niet altijd voldoen aan de strikte regels die de BRO stelt. Zo kan het voorkomen dat voor gegevens die volgens de strikte regels van de BRO verplicht zijn, geen waarde bekend is. Om de verwerking van de twee categorieën gegevens naast elkaar mogelijk te maken, worden twee kwaliteitsregimes gehanteerd. Voor de aanlevering van gegevens volgens de strikte regels geldt het IMBRO-regime. Bij de aanlevering van historische gegevens wordt geaccepteerd dat een aantal formeel verplichte gegevens geen waarde heeft. Voor deze gegevens wordt het IMBRO/A-regime gehanteerd en dat kent dus minder strikte regels.

De introductie van de twee kwaliteitsregimes geeft de bronhouder gedurende een bepaalde periode een zekere mate van vrijheid. Het kan bijvoorbeeld praktisch blijken het IMBRO/A-regime te hanteren voor gegevens die weliswaar pas na de datum waarop de wet in werking is getreden zijn geproduceerd maar die voortkomen uit opdrachten die al voor die datum zijn gegeven. Ook kan het voorkomen dat historische gegevens wel aan alle strikte voorwaarden voldoen en dan is het wenselijk de gegevens onder IMBRO-regime aan te leveren.

De periode waarin de bronhouders die vrijheid hebben wordt de transitieperiode genoemd. Over de duur van de transitieperiode zijn nog geen afspraken gemaakt. Na afloop van de transitieperiode kan alleen onder het strikte IMBRO-regime worden aangeleverd.

2.5 Formele en materiële geschiedenis

De basisregistratie ondergrond maakt deel uit van een stelsel van basisregistraties. Binnen het stelsel maakt men onderscheid tussen de materiële geschiedenis en de formele geschiedenis van een object.

Het begrip materiële geschiedenis wordt gebruikt om de veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid aan te duiden. De materiële geschiedenis van een object wordt, voor zover relevant, in de registratie ondergrond vastgelegd. Niet alle registratieobjecten hebben een materiële geschiedenis, alleen de objecten met een levensduur, zoals de grondwatermonitoringput.

Het begrip formele geschiedenis wordt gebruikt voor de veranderingen van eigenschappen van een object in de registratie zelf. De meeste van die veranderingen gaan terug op een verandering van eigenschappen in de werkelijkheid, en de formele geschiedenis geeft aan wanneer de veranderingen in het systeem geregistreerd zijn. De formele geschiedenis kent ook gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van een verandering in de werkelijke eigenschappen van een object. Die gebeurtenissen hebben betrekking op correcties. Het kan gebeuren dat een bronhouder erachter komt dat er een onjuiste waarde was geregistreerd en dan zorgt hij ervoor dat die verbeterd wordt. De registratie van de verbetering is een formele gebeurtenis.

Alle registratieobjecten hebben een formele geschiedenis en die wordt in de registratie ondergrond globaal vastgelegd in de registratiegeschiedenis van het object. Globaal wil zeggen dat de registratie ondergrond alleen een overzicht van de formele geschiedenis geeft. Voor de details moet het register brondocumenten ondergrond worden geraadpleegd.

Bij correctie wordt het betreffende gegeven in de registratie ondergrond overschreven en is de oude waarde van het gegeven niet meer direct beschikbaar voor de afnemers. Zou een afnemer toch willen weten wat de eerdere foute waarde was, dan moet hij het register brondocumenten ondergrond raadplegen.

2.6 Coördinaten en referentiestelsels

De registratieobjecten van de basisregistratie ondergrond zijn gedefinieerd in de ruimte en dat wil zeggen dat een object zelf een plaats op het aardoppervlak, een locatie, heeft, of dat het gekoppeld is aan een ander type registratieobject met een locatie. Afhankelijk van het type registratieobject, wordt de locatie geregistreerd als een punt, een lijn of een vlak.

De locatie is de horizontale positie van een object. Voor bepaalde objecten is het voldoende dat alleen die horizontale positie wordt vastgelegd, maar voor veel objecten is ook de verticale positie van belang.

Posities worden vastgelegd in coördinaten en die zijn gedefinieerd in een bepaald referentiestelsel.

Er zijn verschillende typen referentiestelsels. Zo spreekt men van horizontale referentiestelsels (2D), verticale referentiestelsels (1D), gecombineerde referentiestelsels (2D, 1D) en werkelijke 3D referentiestelsels. In Nederland worden de horizontale en de verticale component van een positie in een afzonderlijk stelsel uitgedrukt. Het is vandaag de dag mogelijk met gps een positie in een 3D-referentiestelsel vast te leggen, maar de wens over te stappen op het gebruik van 3D is nog door geen van de partijen die betrokken zijn bij de basisregistratie ondergrond naar voren gebracht.

2.6.1 Referentiestelsels voor de horizontale positie

In Nederland zijn traditioneel verschillende referentiestelsels voor de horizontale positie in gebruik. In 2009, bij de eerste voorbereidingen voor de totstandkoming van de basisregistratie ondergrond, is al vastgesteld dat de verscheidenheid aan referentiestelsels de basisregistratie ondergrond voor problemen stelt omdat de registratie dan niet gemakkelijk op een eenduidige manier bevraagd kan worden. In de registratie ondergrond worden namelijk zowel gegevens met een locatie op land als gegevens met een locatie op zee geregistreerd. In de toenmalige praktijk werden op land en op zee verschillende stelsels gebruikt. Op land werd RD gebruikt en op zee waren verschillende stelsels in gebruik, waarvan WGS84 de belangrijkste was.

In 2009 was ook al bekend dat de Europese kaderrichtlijn INSPIRE de lidstaten vraagt de gegevens in Europa in één referentiestelsel uit te gaan wisselen, te weten in ETRS89. Met dat in gedachten, is het besluit genomen het BRO-systeem zo in te richten dat de registratie bevraagd gaat worden in ETRS89.

Het besluit wordt ondersteund door ontwikkelingen in Nederland. Sinds 2013 wordt er door de drie belangrijkste autoriteiten in Nederland op het gebied van referentiestelsels, het Kadaster, de Dienst der Hydrografie en Rijkswaterstaat, gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe afspraken. Die afspraken moeten in lijn zijn met Europese afspraken en leiden tot heldere en eenduidige transformatieprocedures tussen referentiestelsels. Concreet betekent dit dat in Nederland op termijn het ETRS89-stelsel als standaard zal worden gehanteerd voor het uitwisselen van geo-informatie.

Het besluit betekent niet dat de gegevens ook in ETRS89 aangeleverd moeten worden. De basisregistratie ondergrond voorziet een periode van transitie waarin de aanleverende partijen zelf bepalen wanneer zij overstappen op ETRS89. Die periode zal naar verwachting jaren duren. Om de transitie te ondersteunen hanteert de basisregistratie ondergrond de volgende spelregels:

  • Gegevens mogen in een beperkt aantal referentiestelsels worden aangeleverd (RD, WGS84 en ETRS89).
    • Voor locaties op land wordt alleen RD of ETRS89 toegestaan.
    • Voor locaties op zee wordt alleen WGS84 of ETRS89 toegestaan.
  • De aangeleverde coördinaten worden in de registratie opgeslagen.
  • De aangeleverde coördinaten worden door de basisregistratie ondergrond getransformeerd naar het ETRS89 referentiestelsel.
  • De getransformeerde coördinaten worden naast de aangeleverde coördinaten opgeslagen.
  • Bij de getransformeerde coördinaten wordt ook een identificatie van de gebruikte transformatiemethode opgeslagen.
  • Als de coördinaten in ETRS89 zijn aangeleverd, dan staat bij aangeleverde en getransformeerde positie dezelfde informatie. Voor de locatie worden de getransformeerde coördinaten en de aangeleverde coördinaten beide aan de afnemers verstrekt.

2.6.2 Referentiestelsels voor de verticale positie

In Nederland zijn voor verticale posities op land en zee verschillende referentiestelsels in gebruik. Op land wordt NAP gebruikt. Op zee is het in de voor de BRO relevante werkvelden gebruikelijk posities uit te drukken t.o.v. het gemiddeld zeeniveau (MSL, Mean Sea Level), maar posities t.o.v. LAT komen ook voor (Lowest Astronomical Tide). Dit laatstgenoemde stelsel wordt in de kaderrichtlijn INSPIRE genoemd als het stelsel van voorkeur voor het uitdrukken van verticale posities op zee. De basisregistratie ondergrond staat daarom op zee het gebruik van LAT naast MSL toe. Aangeleverde verticale posities worden door de BRO niet getransformeerd.

2.7 Gegevens op land en op zee

De basisregistratie ondergrond bevat gegevens over de ondergrond van Nederland en zijn zgn. Exclusieve Economische Zone (EEZ). De EEZ is het gebied op de Noordzee waar Nederland economische rechten heeft. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het van belang te weten of de locatie van een object op zee of op land ligt.

Als scheidingslijn tussen land en zee wordt in de basisregistratie ondergrond de UNCLOS-basislijn gehanteerd. Het beheer van de basislijn valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst der Hydrografie van het ministerie van Defensie. Deze dienst voert die taak uit op basis van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties uit 1982, dat in het Engels de United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) heet. De basislijn is opgebouwd uit de nulmeterdieptelijn zoals weergegeven op de zeekaarten en enkele rechte basislijnen die onder meer de monding van de Westerschelde en de wateren tussen de Waddeneilanden afsluiten.

De grens tussen land en zee is veranderlijk. De Dienst der Hydrografie stelt de grens opnieuw vast wanneer daartoe voldoende aanleiding is. De BRO hanteert bij inname de meest recente versie van de UNCLOS-basislijn en controleert daarmee of de juiste referentiestelsels gebruikt worden.

Tussen het moment waarop de locatie van een object wordt bepaald en het moment waarop het gegeven in de basisregistratie ondergrond wordt vastgelegd verloopt enige tijd. In die periode kan de positie van de UNCLOS-basislijn opnieuw zijn vastgesteld, en dan ontstaat er een discrepantie die bij het aanleveren van gegevens tot problemen kan leiden. Wanneer een dergelijk probleem zich voordoet, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met betrekking tot de begrenzing van Nederland, met name van het Nederlands territoir. De grenzen van Nederland worden ieder jaar op 1 januari vastgesteld door het Kadaster en vastgelegd in de basisregistratie kadaster. De BRO controleert bij inname of een object in het gebied ligt dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat, en hanteert daarbij de actuele grenzen. Ook bij problemen die te herleiden zijn tot een verandering in de begrenzing van Nederland, wordt de dataleverancier gevraagd contact op te nemen met de registratiebeheerder om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Binnen het domein Mijnbouwwet wordt de scheidingslijn tussen land en zee niet bepaald door de UNCLOS-basislijn, maar door een over zee lopende lijn die is vastgelegd in een bijlage bij de Mijnbouwwet. In de registratie ondergrond wordt deze lijn aangeduid als mijnbouwgrens. Voor de referentiestelsels die bij aanlevering worden toegestaan, is het binnen het domein Mijnbouwwet van belang te weten of de locatie van een object aan landzijde of aan zeezijde van de mijnbouwgrens ligt. Waar in voorgaande paragrafen ‘op land’ en ‘op zee’ is genoemd, houdt dat binnen het domein Mijnbouwwet in: aan landzijde respectievelijk aan zeezijde van de mijnbouwgrens.

2.8 Nauwkeurigheid van meetwaarden

Voor zinvol gebruik van gegevens met een gemeten, berekende of anderszins bepaalde waarde is het noodzakelijk dat de nauwkeurigheid van die gegevens bekend is.

Het begrip nauwkeurigheid laat zich in deze context het best omschrijven als de juistheid van een gemeten of berekende waarde. In de meeste processen waarin de waarde van een gegeven wordt bepaald, kan de afwijking van de daadwerkelijke waarde slechts via een kalibratie- of statistisch proces worden verkregen. Het resultaat omvat dan niet alleen een van de mogelijke realisaties van een meetwaarde maar ook informatie over de mogelijke spreiding van de meetwaarden.

De basisregistratie ondergrond gaat ervan uit dat de producenten van gegevens de metingen en berekeningen uitvoeren binnen een stelsel van afspraken dat binnen het desbetreffende werkveld is vastgelegd. Uitgangspunt is dat ook de eisen waaraan de gegevens op het gebied van nauwkeurigheid moeten voldoen in afspraken zijn vastgelegd. Dat kunnen praktische werkafspraken zijn, maar ook afspraken die vertaald zijn naar ISO- en NEN-normen. In de catalogus wordt in beginsel verwezen naar die normen. Waar deze normen niet voorzien in afspraken over de nauwkeurigheid, stelt de basisregistratie ondergrond hieraan specifieke eisen. Deze zijn dan vermeld in de catalogus.

2.9 Authentiek gegeven

In de wet is een aantal gegevens expliciet als authentiek aangeduid. Dit wordt in de catalogus nader uitgewerkt; verreweg de meeste gegevens zijn authentiek.

Met de aanduiding authentiek wordt, zoals geformuleerd in de memorie van toelichting op de wet, tot uitdrukking gebracht dat:

  1. Het gegeven in samenhang met andere gegevens door een groot aantal bestuursorganen in verschillende processen wordt gebruikt en derhalve bestemd is voor informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen;
  2. de verantwoordelijkheid voor betrouwbaarheid van het gegeven eenduidig geregeld is;
  3. het gegeven onderworpen is aan intern en extern kwaliteitsonderzoek, en
  4. het gegeven zich leent voor verplicht gebruik door bestuursorganen en eenmalige verstrekking door burgers en bedrijven aan de overheid.

In de praktijk mag een gebruiker van de gegevens ervan uitgaan dat alle gegevens correct zijn. De catalogus moet de gebruiker alle informatie geven die voor een goed begrip daarvan nodig is. Heeft een gebruiker echter gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven dan wordt verwacht dat hij de registerbeheerder daarvan op de hoogte brengt. Bestuursorganen zijn, bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven (of het ontbreken ervan), zelfs verplicht daarvan melding te maken.

Voor alle gegevens is aangegeven of ze authentiek zijn. Ook is voor alle gegevens aangegeven of ze aanwezig moeten zijn en een waarde moeten hebben. Dat laat zien dat er gegevens kunnen zijn die authentiek zijn maar geen waarde hoeven te hebben. Juist omdat er verplichtingen gelden t.a.v. authentieke gegevens, vraagt dit om een korte toelichting. Wanneer een authentiek gegeven geen waarde heeft moet de gebruiker ervan uitgaan dat het gegeven niet is geproduceerd. Dat geval kan zich uiteraard alleen voordoen wanneer er vrijheid van beslissen bestaat bij de bronhouder of de producent. Voor de duidelijkheid, als er wel een waarde is dan moet die ook in de BRO worden opgenomen. Bij gerede twijfel over het ontbreken van een waarde, moet een bestuursorgaan dat melden.

3. Bodemkundig wandonderzoek

3.1 Inleiding

De catalogus voor de bodemkundige wandbeschrijving beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het wandonderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit wandonderzoek samen met de gegevens van de wandmonsterbeschrijving en de wandmonsteranalyse.
Wandonderzoek is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek wandonderzoek dat op een specifiek moment gekoppeld aan een specifieke locatie in Nederland onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.
Wandonderzoek kan vanuit verschillende vakgebieden worden uitgevoerd, maar in de basisregistratie ondergrond omvat het alleen het vakgebied van de bodemkunde. De reden is dat wandonderzoek van oudsher een prominente plaats in de bodemkunde inneemt en dat de gegevens digitaal en systematisch worden vastgelegd. In andere vakgebieden, zoals de geologie en geotechniek, is dat niet het geval.

3.1.1 Bodemkundig wandonderzoek

Bodemkundig wandonderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van het bovenste deel van de ondergrond te onderzoeken. Het perspectief van waaruit dat gebeurt is dat van de landbouw, de landinrichting, het natuurbeheer of de winning van oppervlaktedelfstoffen. Bij uitzondering is het doel er een van meer wetenschappelijke of educatieve aard.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten die zich richten op een bepaalde locatie of een bepaald gebied. Het overgrote deel van het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de landelijke bodemkartering 1:50.000. Voor die kartering levert het wandonderzoek de referentie voor de te onderscheiden bodemeenheden.

3.1.2 Ontsluiten

Bodemkundig wandonderzoek vereist dat er op de plaats van het onderzoek een verticale wand is blootgelegd die het bovenste deel van de ondergrond, de bodem, met het eventueel daarop aanwezige strooisel ontsluit. Plaatsen waar de bodem van nature is ontsloten zijn in Nederland zeldzaam. Soms is er voor onderzoek een wand voorhanden die door de mens is gemaakt, bijvoorbeeld in een groeve, aan de rand van een weg- of leidingtracé of in een slootkant, maar in bijna alle gevallen moet er eerst worden gegraven.
Wandonderzoek wordt gewoonlijk en ongeacht de aard van een project gecombineerd met booronderzoek. Boren is snel en goedkoop, maar levert eigenlijk slechts indirecte gegevens omdat men zich moet baseren op bodemmonsters die uit het geboorde gat zijn verkregen. In de bodemkundige praktijk zijn dat altijd geroerde monsters, monsters waarin de oorspronkelijke opbouw van de bodem niet meer te zien is. Onderzoek aan een wand vraagt meer tijd en is daardoor duurder. Een wand geeft echter direct zicht op de bodem en levert een betrouwbaarder en meer gedetailleerd beeld van de opbouw van de bodem, het verloop en de samenstelling van de lagen, en de structuur van de grond. Ook aspecten als beworteling en de invloed van de mens laten zich veel beter zien.

3.1.3 Deelonderzoeken

Bodemkundig wandonderzoek omvat gewoonlijk twee deelonderzoeken, de wandbeschrijving en de wandmonsteranalyse. Soms wordt alleen de wandbeschrijvng uitgevoerd, soms alleen de wandmonsteranalyse. Daarnaast wordt het maken van foto’s meer en meer gebruikelijk (het derde deelonderzoek). Van de drie deelonderzoeken zijn de wandbeschrijving en de wandmonsteranalyse in deze versie van de catalogus opgenomen.
Monsters kunnen in de bodemkunde vanuit een veelheid aan disciplines worden onderzocht, maar in de basisregistratie ondergrond beperkt het bereik zich tot het bodemhydrofysische en bodemchemische bepalingen. Deze versie van de catalogus dekt alleen de bodemhydrofysische bepalingen en enkele bepalingen van algemene aard. Chemische analyse wordt in een volgende versie van de catalogus meegenomen.

Scopewandonderzoek
Figuur 2 Het bodemkundig wandonderzoek in deze versie van de catalogus; wandfotografie is nog buiten scope.

3.1.4 INSPIRE

Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject Bodemkundig wandonderzoek valt onder het INSPIRE-thema Soil, en om die reden moeten de gegevens van het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het Bodemkundig wandonderzoek op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.

3.2 Belangrijkste entiteiten

3.2.1 Wandonderzoek

Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het wandonderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft het informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).

Wandonderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld, het veldwerk, en dat wordt in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer wandonderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd.

Noot

3.2.2 Registratiegeschiedens

De registratiegeschiedenis van een wandonderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

3.2.3 Rapportagegeschiedenis

De bronhouder beslist of hij de resultaten van een wandonderzoek in delen of in hun geheel gerapporteerd wil krijgen. Wanneer een rapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object wandonderzoek.

3.2.4 Wandontsluiting

Om een beschrijving van de bodemopbouw in een wand te kunnen maken of een wand te bemonsteren, is er een wand nodig waarin de bodem ontsloten is. In de meeste gevallen graaft men daartoe een kuil, een profielkuil. Vervolgens kiest men een van de wanden en prepareert die. Wanneer de bodem al ontsloten is, bijvoorbeeld doordat er een weg wordt aangelegd, dan wordt een deel van een bestaande wand geprepareerd. Prepareren houdt in dat de wand verticaal, vlak en schoon wordt gemaakt en daarvoor wordt een schop, en eventueel een troffel of een mes gebruikt. De wand is schoon wanneer al het rulle, droge materiaal verwijderd is en de details van de bodemopbouw zichtbaar zijn.
De diepte tot waar de wand geprepareerd wordt, ligt normaliter tussen 1,20 en 1,50 meter, de breedte van de geprepareerde wand is typisch een meter. In al bestaande ontsluitingen kan de bodem over een veel grotere afstand zijn ontsloten. Voor de opdracht kan het wenselijk zijn de wand op verschillende plekken te prepareren en op iedere plek een beschrijving te maken. In de registratie telt iedere beschrijving als deel van een op zichzelf staand wandonderzoek.

3.2.5 Terreintoestand

Voor, tijdens of direct na het maken en prepareren van de wand kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het onderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd. En omdat bodemvorming een doorlopend proces is waarin de actuele omstandigheden een rol spelen, wordt ook vanuit dat perspectief goed naar het terrein gekeken. Dat geldt in het bijzonder voor onderzoek dat in het kader van natuurbeheer wordt uitgevoerd.

3.2.6 Wandbeschrijving

Wandbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de wand met als doel een wandprofiel te maken. De wand wordt beschreven over een bepaalde breedte (beschreven breedte) en tot de einddiepte. Op een bepaalde plaats wordt een meetlint naar beneden gehangen. Het meetlint markeert de positie van de beschrijflijn en dat is de lijn waarop de verticale posities van de lagen in het wandprofiel zijn bepaald. De plaats van de beschrijflijn wordt zo gekozen dat de wand voor het doel van het onderzoek zo goed mogelijk kan worden beschreven. Wanneer de wand snel uitdroogt, kan bevochtiging nodig zijn.

Beschrijflijn
Figuur 3 De wand wordt tot een bepaalde diepte geprepareerd en over een bepaalde breedte beschreven. De beschrijflijn definieert de locatie van het onderzoek.

De wandbeschrijving levert twee resultaten, het wandprofiel en de bodemclassificatie.

3.2.7 Wandprofiel

Het wandprofiel beschrijft de opbouw van de bodem in de wand.
Een wandprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en die geeft aan tot in welk detail de wand is beschreven. De bovenkant van het profiel, de doorsnijding van het maaiveld of de bovenkant van het daarop liggende strooisel, is niet altijd vlak omdat de hoogte binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven sterk kan variëren (vorm bovengrens).
De opbouw van de bodem wordt beschreven als een opeenvolging van lagen en er wordt onderscheid gemaakt tussen strooisel- en bodemlagen. Op bepaalde plaatsen in de wand kan de laagopbouw verstoord zijn. Wanneer er lokaal buiten de beschrijflijn een verstoring optreedt wordt dat als plaatselijk fenomeen beschreven (figuur 4).

Krimpscheur
Figuur 4 Op enkele plaatsen in de wand is de opbouw verstoord door krimpscheuren, een van de zgn. plaatselijke fenomenen.

Maar wanneer verstoringen over de hele breedte van de wand voorkomen, wordt het interval waarin ze optreden als een Verstoord interval beschreven (figuur 5).
In het profiel worden verder een aantal algemene kenmerken van de wand vastgelegd, zoals het niveau van de gemiddelde grondwaterstand, de diepte tot waar beworteling mogelijk is (bewortelbare diepte), en de aanwezigheid van een interval dat door toedoen van de mens verdicht is.

Wortelzakken
Figuur 5 Over de hele beschreven breedte van de wand is de opbouw verstoord doordat zich wortelzakken hebben gevormd.

3.2.8 Strooisellaag

Bovenop de eigenlijke bodem liggen lokaal, met name in bossen, laagjes die uit onverteerde plantenresten zoals afgevallen blad bestaan. Dit zgn. strooisel wordt, als de opdracht daarom vraagt, beschreven als deel van het profiel. De bovengrens en de ondergrens worden op dezelfde manier beschreven als de eigenlijke bodemlagen (zie Bodemlaag).

3.2.9 Bodemlaag

De bodemlagen zijn de belangrijkste entiteiten van een wandprofiel. Iedereen die de ondergrond beschrijft, beschouwt de ondergrond als opgebouwd uit lagen. Een laag heeft een boven- en ondergrens en een bepaalde inhoud. Iedere grens wordt op een bepaalde manier bepaald (bepaling bovengrens en bepaling ondergrens). Meestal markeert een grens een diepte waarop een verandering in inhoud wordt waargenomen en dan is het van belang te weten hoe scherp de grens kan worden getrokken. In oorsprong zijn de grenzen in een verticale doorsnede van de ondergrond vrijwel recht, maar in de bodem is dat lang niet altijd het geval omdat de diepte tot waar bodemvormende processen reiken binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven kan variëren. De vorm van de ondergrens van een laag wordt daarom vastgelegd (vorm ondergrens).
Lagen liggen normaliter (sub)horizontaal en lopen over de hele wand door. Maar een laag kan scheef staan (scheefstaand), bijvoorbeeld in het geval de wand gemaakt is in een stuwwal, en het komt voor dat een laag terzijde van de beschrijflijn op zekere plaatsen ontbreekt (laag discontinu).
Het kenmerkende van een laag is haar inhoud. Om de inhoud goed te kunnen beschrijven is het van belang te weten of de laag helemaal natuurlijk is of dat mens de samenstelling heeft beïnvloed (antropogeen). Dat laatste betekent meestal dat de mens de bodem ter plaatse bewerkt heeft. Door bewerking worden lagen verbroken en als gevolg daarvan kan een nieuwe laag ontstaan die uit het materiaal van oudere lagen bestaat. Wanneer zo’n laag helemaal uit brokstukken bestaat waarin de oorspronkelijke eigenschappen nog te zien zijn, spreekt men van een gekeerde laag.

Gekeerdelaag
Figuur 6 Over de hele beschreven breedte van de wand is door bewerking een gekeerde laag ontstaan. De brokstukken bestaan uit verschillende soorten grond en die kunnen volledig worden beschreven.

Een gekeerde laag wordt beschreven als een samenstel van delen, ieder deel heet een Laagcomponent.
Wanneer de bewerking zo intensief is geweest dat dat de herkomst van de bestanddelen van een antropogene laag niet meer herkenbaar is, is de laag gemengd en wordt zij, net als een laag van natuurlijke oorsprong, beschreven als een geheel (Homogeen materiaal).
Wat de inhoud van een laag ook is, er kunnen altijd sporen van bodemorganismen (bodemleven) en wortels zichtbaar zijn (beworteld).

3.2.10 Homogeen materiaal

Een bodemlaag die beschreven wordt als een geheel, bestaat soms uit bijzonder materiaal, soms uit gesteente en meestal uit grond. In het eerste geval is het voldoende alleen het materiaal te specificeren. Een laag die uit gesteente bestaat krijgt een horizontcode - die overigens een vaste waarde heeft- en verder wordt alleen het soort gesteente nader omschreven. Lagen die uit grond bestaan krijgen een horizontcode en de samenstelling van de grond wordt uitgebreid beschreven (Grond). Verder kan het bij grond wenselijk zijn iets vast te leggen over de omstandigheden waaronder de laag gevormd is (afzettingskarakteristiek) en de verzadigde doorlatendheid te schatten.

3.2.11 Laagcomponent

Van een bodemlaag die heterogeen is wordt iedere component apart beschreven. Het aandeel van een component in de laag wordt altijd geschat. Verder worden dezelfde gegevens vastgelegd als wanneer de inhoud van een laag als een geheel wordt geschreven, zij het dat de inhoud altijd uit grond bestaat.

3.2.12 Grond

Van grond kan een grote verscheidenheid aan gegevens worden beschreven. In alle gevallen worden de volgende gegevens vastgelegd: de bodemkundige grondsoort, of voor het bepalen van de grondsoortnaam de leemdriehoek is gebruikt, de bijzondere bestanddelen, de kalkgehalteklasse en de kleur.
Veel van de andere gegevens worden alleen voor bepaalde grondsoorten vastgelegd. Zo wordt van klei- en leemhoudende grond de rijpingsklasse vastgelegd, van grond waarvan de naam aangeeft dat er veen in voorkomt, de veensoort, en van grond waarvan de naam aangeeft dat er zand in voorkomt, de zandmediaanklasse. Afhankelijk van de grondsoort wordt ook een schatting gegeven van het aandeel van de verschillende fracties waaruit de grond bestaat (Fractieverdeling). Voor historische gegevens (kwaliteitsregime IMBRO/A) is dat overigens niet altijd het geval en soms ook is de fractieverdeling niet volledig beschreven (Onvolledige fractiespecificatie).
Een aantal gegevens wordt alleen vastgelegd wanneer de opdracht een hoge kwaliteit van beschrijven vraagt. Voorbeelden daarvan zijn de structuur van de grond (structuurtype) en de geschatte dichtheid. Voor een bepaald type structuur worden de kenmerken van de structuurelementen in detail beschreven (Bodemaggregaat; zie figuur 7).

Aggregaten
Figuur 7 Wanneer grond een aggregaatstructuur heeft, is de vorm van de aggregaten een van de aspecten die beschreven worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen prima’s (a), platen (b) en blokken (c).

De kleur van de grond wordt bij een hoge kwaliteit altijd aan de hand van de Munsell Soil Colour Chart bepaald (Munsellkleur). Komen er vlekken voor, dan worden daarvan allerlei details beschreven (Vlek).

3.2.13 Bodemclassificatie

De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de wandbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het wandprofiel is vastgelegd en is vooral bedoeld is als input voor bodemkundige modellen. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.

3.2.14 Wandmonsteranalyse

Wandmonsteranalyse is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het in een laboratorium analyseren van monsters die uit een wand zijn genomen. Het soort analyse geeft globaal aan welke bepalingen er zijn uitgevoerd. In (bodem)hydrofysisch onderzoek wordt ernaar gestreefd de reeks van bepalingen volledig uit te voeren om de resultaten in samenhang te verwerken en de focus ligt daarbij op het onderzoek van de fysische relatie tussen het water en de vaste bestanddelen van de bodem. Standaard omvat dit onderzoek de bepaling van basiseigenschappen (met name korrelgrootteverdeling en organischestofgehalte) en van de droge bulkdichtheid, de waterdoorlatendheid en de waterretentie.
Bodemchemisch onderzoek kent een grote variatie doordat het volledig van de opdracht afhangt welke bepalingen er worden uitgevoerd. In deze versie van de catalogus zijn alleen de bepalingen van basiseigenschappen opgenomen en dat zijn, naast de korrelgrootteverdeling en het organische stofgehalte, de zuurgraad en het organische koolstofgehalte.

3.2.15 Onderzocht interval

De monsters die geanalyseerd zijn vertegenwoordigen een bepaald interval dat in het wandprofiel is gedefinieerd. In hydrofysisch onderzoek is het gebruikelijk in het veld een groot aantal monsters te nemen en voor die afzonderlijk te onderzoeken; voor de verschillende bepalingen gelden daarbij veelal specifieke eisen. Voor bodemchemisch onderzoek is het daarentegen gebruikelijk een groot monster te nemen; na voorbehandeling worden daaruit in het laboratorium kleinere monsters genomen.
Wanneer het doel van het analyse het onderzoeken van een bepaalde horizont is, wordt de code van de horizont (horizontcode) vermeld. Aan een onderzocht interval worden altijd een of meer bepalingen gedaan. In de context van de basisregistratie ondergrond worden dat basisgegevens genoemd en dat zijn waarnemingen of metingen die door iedere vakbekwame persoon gedaan kunnen worden. Een bijzonderheid van het hydrofysisch onderzoek is dat er ook ruimte is het resultaat van modelleren vast te leggen (karakteristiek bepaald). Het proces van modelleren is in hoge mate gestandaardiseerd. Het modelleren van karakteristieken is een vast onderdeel van standaard hydrofysisch onderzoek.

3.2.16 Bepaling van de zuurgraad

De zuurgraad (pH) wordt potentiometrisch bepaald van een mengsel van grond of strooisel met water waaraan een bepaalde reagent is toegevoegd. De zuurgraad is een basisgegeven dat altijd wordt bepaald in bodemchemisch onderzoek. Het is een van de kenmerken van het chemisch bodemmilieu en stelt bijvoorbeeld grenzen aan de beschikbaarheid van voor plantengroei essentiële voedingsstoffen.

3.2.17 Bepaling van de korrelgrootteverdeling

Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel van alle deeltjes kleiner dan 2 millimeter bepaald. Materiaal groter dan 2 millimeter wordt vooraf uitgezeefd en verder buiten beschouwing gelaten. Koolzure kalk en organische stof worden voorafgaand aan de bepaling verwijderd. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie). De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. De metingen worden altijd omgerekend naar een percentage van de totale massa tot 2 millimeter.
In het verleden is een grote verscheidenheid aan fracties onderscheiden. Sinds het begin van de jaren 2010 bestaat de tendens de keuze te beperken, en vanaf 2020 is de keuze beperkt tot acht varianten. Het resultaat van een historische bepaling die zich niet voegt in de systematiek van de acht varianten wordt als niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling vastgelegd. Bij een gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling wordt altijd onderscheid gemaakt tussen de fractie 63 tot 2000 µm, de fractie 50 tot 63 µm en de fractie kleiner dan 50 µm. De indelingen van de fractie 63 tot 2000 µm en de fractie kleiner dan 50 µm kennen varianten en de meest toegepaste onderverdeling van een fractie wordt de standaard genoemd.

3.2.18 Bepaling van het organischestofgehalte

Organisch materiaal speelt een hoofdrol in de goede werking en de vruchtbaarheid van de bodem. Het verbetert de structuur, bevordert de bewerkbaarheid en verhoogt het vermogen van de bodem om water vast te houden.
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie) of aan ijzeroxiden (vrij ijzercorrectie).
Het organische stofgehalte is een basisgegeven in het hydrofysisch onderzoek en bepaalde vormen van bodemchemisch onderzoek.

3.2.19 Bepaling van het organische koolstofgehalte

Het gehalte aan organische koolstof wordt bepaald door het organisch materiaal volgens een bepaalde methode te oxideren. Het gehalte aan organische koolstof kan worden berekend door de hoeveelheid CO2 die vrijkomt te bepalen, door de vrijgekomen hoeveelheid van een ander reactieproduct te bepalen of door te bepalen hoeveel oxidant er verbruikt is.
Het organische koolstofgehalte is een basisgegeven in de meeste vormen van bodemchemisch onderzoek.

3.2.20 Bepaling van de droge bulkdichtheid

De droge bulkdichtheid is gedefinieerd als de droge massa in een bekend volume. In de huidige praktijk wordt uitgegaan van een waterverzadigd volume en daartoe wordt een monster eerst met water verzadigd voordat het volume wordt bepaald. De reden daarvoor is dat het volume van zwellende en krimpende grond afhangt van de vochttoestand tijdens bemonsteren.

3.2.21 Bepaling van het krimpverloop

Het verloop van de krimp van grond wordt bepaald door een waterverzadigd monster in stappen droger te laten worden en de massa en het volume bij iedere stap te bepalen tot het helemaal droog is.
De massa wordt altijd met een balans bepaald en voor het berekenen van het volume bestaan verschillende methoden.

3.2.22 Bepaling van de waterdoorlatendheid

De waterdoorlatendheid van grond is de snelheid waarmee water erdoorheen stroomt. De waarde wordt in de bodemkunde bepaald door de hoeveelheid water te meten die per eenheid van tijd door een bepaalde oppervlakte stroomt bij een bekende gradiënt van de bodemvochtpotentiaal. De meting wordt uitgevoerd onder de conditie dat de doorstroomsnelheid niet of nauwelijks verandert.
De waterdoorlatendheid is het grootst wanneer de grond verzadigd is met water (verzadigde waterdoorlatendheid) en neemt af wanneer de grond droger wordt (onverzadigde waterdoorlatendheid). De waterdoorlatendheid wordt bepaald bij een bepaalde waarde van de bodemvochtpotentiaal. De bodemvochtpotentiaal is gelijk aan 0 wanneer de grond met water verzadigd is, en is negatief in onverzadigde grond. Aansluitend bij de praktijk van het laboratorium en de wijze waarop de meetopstelling is ingericht, wordt de bodemvochtpotentiaal uitgedrukt in centimeters waterkolom (drukhoogte). Het verloop van de doorlatendheid wordt in de huidige praktijk bepaald voor het bereik van 0 tot minus 1000 cm waterkolom. De bepaling van een enkele waarde van de waterdoorlatendheid kan enige dagen tot enige weken in beslag nemen. In de meeste gevallen wordt de doorlatendheid bepaald met verticaal gestoken monsters (verticaal bemonsterd). In sommige gevallen gebeurt dit ook aan horizontaal gestoken monsters en dan kan worden vastgesteld of er sprake is van anisotropue in de doorlatendheid.
De resultaten van de bepaling worden tegenwoordig eigenlijk altijd gebruik om bepaalde verbanden te modelleren. Het modelleren is een aparte activiteit in de monsteranalyse en de resultaten daarvan worden ook vastgelegd in de basisregistratie ondergrond. Omdat de uitvoerder op basis van de eigen expertise beoordeelt welke gegevens hij gebruikt als input voor het modelleren, wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid) zodat de resultaten van het modelleren teruggevoerd kunnen voeren op de metingen.

3.2.23 Bepaling van de waterretentie stapsgewijs

Hoeveel water de grond kan vasthouden wordt bepaald door de aard en de structuur van het materiaal. De hoeveelheid water die de grond werkelijk vasthoudt varieert met de bodemvochtpotentiaal. Door de bodemvochtpotentiaal van een grondmonster in het laboratorium te veranderen, en de hoeveelheid water die het bevat bij iedere toestand te meten, bepaalt men de waterretentie. De bodemvochtpotentiaal wordt uitgedrukt als drukhoogte in de eenheid centimeters waterkolom.
De bodemvochtpotentiaal kan in stappen worden veranderd, maar ook geleidelijk door verdamping van water uit het monster. De bepaling die op verdamping is gebasseerd staat op zichzelf en is de basis van wat de bepaling van watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal wordt genoemd.
Bij een stapsgewijze verandering weegt men het monster na het bereiken van een evenwichtssituatie met de ingestelde bodemvochtpotentiaal. Het watergehalte wordt berekend uit het massaverlies en wordt uitgedrukt in volumeprocenten (volumetrisch watergehalte) of in massaprocenten (massa watergehalte). Voor het laatste wordt alleen gekozen bij monsters waarvan de droge bulkdichtheid niet bekend is. Men heeft de keuze uit verschillende methoden. Bepaalde methoden leveren een kleine reeks metingen, andere leveren een enkele meting per monster. De monsters die uit een interval onderzocht worden, zijn bijna altijd monsters die met een ring zijn uitgestoken (ringmonster gebruikt).
De dimensies van de monsterring (ringdiameter, ringhoogte) worden vastgelegd omdat die bepalen hoe groot het volume grond is waaraan de bepaling is uitgevoerd.
De resultaten van dit soort bepaling worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de indetificatie vastgelegd (bepalingsid.

3.2.24 Bepaling van watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal.

De bepaling van het watergehalte en de doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaal is een bepaling die een aantal stappen kent. Als eerste stap wordt de waterretentie bepaald bij een bodemvochtpotentiaal die door verdamping geleidelijk verandert. Bij deze verdampingsmethode laat de uitvoerder het water in een bij aanvang verzadigd monster geleidelijk verdampen en wordt het massaverlies frequent gemeten. De bodemvochtpotentiaal wordt tegelijkertijd op verschillende posities in het monster gemeten (drukhoogte h in centimeters waterkolom). Het massa watergehalte wordt aan het einde bepaald en dat wordt met de droge bulkdichtheid omgerekend naar het volumetrisch watergehalte. Op basis van de geregistreerde gewichtsafnamen kan vervolgens het watergehalte voor alle meettijdstippen worden berekend. De bepaling levert een te groot aantal metingen voor verdere verwerking en de uitvoerder selecteert volgens een vast protocol een deelverzameling van metingen die als eerste resultaat worden vastgelegd (Waterretentie verdamping). De gegevens over de gebruikte tensiometers (aantal, lengte, diameter, meetpositie in het monster) worden daarbij ook vastgelegd (Overzicht tensiometergegevens).
In de resultaat van de verdampingsmethode wordt voor ieder tijdstip het volumetrisch watergehalte van het hele monster gegeven bij de bodemvochtpotentiaal op de meetpunten in het monster. In een volgende stap wordt het volumetrisch watergehalte op de meetpunten zelf bepaald. Die stap wordt de prefit genoemd en daarin maakt met gebruik van het model van Van Genuchten om de curve te definiëren die het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en het volumetrisch watergehalte op de meetpunten het best beschrijft. Het resultaat van deze stap wordt niet als zodanig vastgelegd, het wordt gebruikt om de doorlatendheden te berekenen op de grensvlakken die precies tussen ieder paar opeenvolgende meetpunten inliggen. Voor de berekening wordt in de huidige praktijk de zgn. IPM-methode (Instantaneous Profile-methode) gevolgd. Daarmee wordt volgens de wet van Darcy het verband tussen de bodemvochtpotentiaal en de waterdoorlatendheid berekend voor elk paar opeenvolgende tensiometers. Het eindresultaat van de bepaling is een tabel met voor iedere gemeten bodemvochtpotentiaal de berekende waarden voor het watergehalte en de waterdoorlatendheid en die wordt vastgelegd (Watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal).
De resultaten van dit soort bepalingen worden ook altijd gebruikt om bepaalde verbanden te modelleren en daarom wordt van iedere bepaling de identificatie vastgelegd (bepalingsid).

3.2.25 Modellering van hydrofysische karakteristieken.

De gegevens uit de bepalingen van de waterretentie stapsgewijs, van het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal, en van de waterdoorlatendheid worden gebruikt om hydrofysische karakteristieken te modelleren. Daarvan bestaan twee typen: de waterretentiekarakteristiek en de waterdoorlatendheidskarakteristiek.
De uitvoerder heeft de keuze of alleen de waterretentiekarakteristiek te modelleren of de waterretentiekarakteristiek samen met de waterdoorlatendheidskarakteristiek. Die tweede mogelijkheid bestaat overigens alleen wanneer het watergehalte en de doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal bepaald zijn.
Een tweede keuze betreft het aantal karakteristieken van een type. De uitvoerder kan er voor kiezen meer dan een karakteristiek van hetzelfde type te maken door een deel van de beschikbare bepalingen als input te nemen. Door meer modellen te maken wordt inzicht verkregen in de spreiding van de resultaten. Welke bepalingen de uitvoerder heeft gekozen wordt altijd vastgelegd (bepalingsid).

De modellering van alleen de waterretentiekarakteristiek berust in de huidige praktijk op de methode van Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is een curve die het werkelijk verband tussen watergehalte en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk beschrijft. De curve is enkelvoudig bij een homogene poriënverdeling en samengesteld bij een heterogene poriënverdeling. De curve wordt gedefinieerd door het bereik van het volumetrisch watergehalte en een of meer sets vormparameters. Het bereik van het volumetrisch watergehalte wordt gegeven door de waarde bij verzadiging (verzadigd volumetrisch watergehalte) en een asymptotische residuele waarde (residueel volumetrisch watergehalte). Voor de definitie van een enkelvoudige curve is daarnaast een set van drie vormparameters (Vorm retentiecurve) voldoende. Voor een curve die uit samenstellende curves is opgebouwd zijn er meer sets nodig. Ieder van die sets heeft als extra parameter een zogenaamde wegingsfactor en die is nodig om de bijdrage van de curve aan de samengestelde curve te definiëren. De som van die wegingsfactoren is gelijk aan 1.
De modellering van de waterretentiekarakteristiek en de doorlatendheidskarakteristiek is in de huidige praktijk gebaseerd op de methode van Mualem en Van Genuchten. Voor grond met een heterogene poriënverdeling wordt ook hier een variant gebruikt die door Durner (en later door Priesack en Durner) is uitgewerkt. De waterretentiekarakteristiek is hierboven al beschreven. De waterdoorlatendheidskarakteristiek is een vergelijkbare curve maar om de vorm ervan te beschrijven is een parameter meer nodig, de vormfactor lambda. De curve beschrijft het werkelijk verband tussen waterdoorlatendheid en bodemvochtpotentiaal zo goed mogelijk.
De twee karakteristieken worden onder meer gebruikt als input voor modellen waarmee de waterbeweging in de bodem wordt gesimuleerd.

4. De inhoud van de catalogus

De gegevensdefinitie

De gegevensdefinitie vormt het hart van de catalogus en geeft een beschrijving van alle gegevens van het registratieobject. Eerst wordt de definitie van het registratieobject gegeven inclusief de plaatjes van het zgn. domeinmodel, en vervolgens de definities van de entiteiten waaruit het object is opgebouwd met de eigenschappen van die entiteiten, de attributen. De entiteiten worden op volgorde van de nummers in het domeinmodel behandeld. De volgende aspecten van de gegevens worden vastgelegd:

De gegevensdefinitie dekt de beide kwaliteitsregimes die worden onderscheiden, IMBRO en IMBRO/A. Het kwaliteitsregime IMBRO is leidend en bij het opstellen van de gegevensdefinitie is geprobeerd de verschillen tussen de twee regimes zo klein te houden. Het streven is een object altijd in termen van dezelfde gegevens te beschrijven en voor IMBRO/A alleen aanvullende regels te formuleren en extra waarden toe te staan. Bij uitzondering kan het echter nodig zijn gebleken voor IMBRO/A aparte entiteiten, attributen of domeinen te definiëren.

4.1 Domeinen

Een domein beschrijft welke waarden een attribuut mag hebben. Domeinen zijn van een bepaald type en de typen die in de catalogus worden gebruikt worden hieronder toegelicht. Sommige domeinen zijn samengesteld en die worden als laatste besproken.

4.1.1 Aantal

Het domein Aantal wordt gebruikt voor een telbare hoeveelheid. Het is een natuurlijk getal met een bepaalde maximale lengte.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding aantal ook de maximale lengte mee te (Aantal N). Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Aantal.

4.1.2 Code

Een code is een opeenvolging van cijfers, van letters of van cijfers en letters met een bepaalde opbouw en met een specifieke betekenis. Een code heeft gewoonlijk een betekenis die ook buiten de basisregistratie ondergrond geldt. Een code wordt uitgegeven door een verantwoordelijke instantie. Om de opbouw van een code weer te geven wordt gebruik gemaakt van de letters C en N. De letter C staat voor character (Eng.) en duidt een letter aan, de letter N staat voor number (Eng.) en duidt een cijfer aan. Een code heeft een bepaalde naam.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de naam van de code ook de opbouw mee te geven. Uit de definitie van het attribuut zelf moet blijken wat de specifieke betekenis is van de code. In het domeinmodel wordt het domein aangeduid met zijn naam.

4.1.3 Tijdstip

Voor gegevens die over tijdstippen gaan worden twee domeinen gebruikt. Een voor een tijdstip tot op de seconde nauwkeurig (DatumTijd) en een voor een tijdstip tot op de dag nauwkeurig (Datum).

In ieder domein gaat het om de datum gemeten volgens de Gregoriaanse kalender. Bij het domein DatumTijd wordt de tijd gemeten volgens UTC en moet de tijdzone worden meegegeven. UTC is de mondiaal geaccepteerde standaardtijd en de opvolger van GMT (Greenwich Mean Time); de drie letters staan voor Coordinated Universal Time. Door de tijdzone mee te geven kan lokale tijd worden omgezet naar UTC.

De opbouw van de twee domeinen volgt dezelfde conventies, conform ISO 8601. Het eerste element in de opbouw staat voor het jaar, dan volgt de maand, enz., en het laatste element staat voor de tijdzone. Om de verschillende elementen aan te geven worden letters gebruikt: jaar (J), maand (M), dag (D), uur (U), minuut (M)en seconde (S), gevolgd door de tijdzone. Het aantal letters geeft de lengte aan.

Voor de meest uitgebreide variant van de opbouw, die van DatumTijd, wordt dit JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM. De T is het teken dat de datum en het tijdstip op die datum scheidt. De + is het scheidingteken tussen het tijdstip en de tijdzone. Zoals uit de opbouw blijkt wordt de tijdzone in uren en minuten gegeven. De meeste tijdzones zijn overigens uitgedrukt in gehele uren (UU:00). In Nederland geldt Centraal Europese Tijd (UTC+1:00) of Centraal Europese Zomertijd (UTC+2.00).

4.1.3.1 Datum

Het domein Datum wordt gebruikt om een datum volgens de Gregoriaanse kalender tot op de dag nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DD.
Bij het domein Datum is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

4.1.3.2 DatumTijd

Het domein DatumTijd wordt gebruikt om een tijdstip volgens de Gregoriaanse kalender tot op de seconde nauwkeurig aan te geven. De opbouw is JJJJ-MM-DDTUU:MM:SS+UU:MM.
Bij het domein DatumTijd is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren.

4.1.3.3 OnvolledigeDatum

Voor gegevens die onder het kwaliteitsregime IMBRO/A aangeleverd worden, geldt een derde domein met vier keuzemogelijkheden.

  • De datum tot op de dag nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM-DD
  • De datum tot op de maand nauwkeurig, met als opbouw JJJJ-MM
  • De datum tot op het jaar nauwkeurig, met als opbouw JJJJ
  • Geen datum bekend, met als vaste waarde onbekend.

De keuze die gemaakt wordt is gebaseerd op de beschikbaarheid van gegevens. De gebruiker moet ervan uit gaan dat de informatie zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen. Bij het domein OnvolledigeDatum is het voldoende de naam te geven, omdat de vier keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

4.1.4 Meetwaarde

Het domein Meetwaarde wordt gebruikt wanneer de nauwkeurigheid van de waarde altijd hetzelfde is.
Het is een rationaal getal met een bepaalde opbouw. Het aantal cijfers voor het scheidingsteken is variabel maar begrensd. Het aantal cijfers achter het scheidingsteken ligt vast.

Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding meetwaarde ook de opbouw (Meetwaarde N.N) en de eenheid mee te geven. Gewoonlijk wordt de waardeverzameling verder ingeperkt door een bereik te specificeren. In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Meetwaarde.

4.1.5 Tekst

Het domein Tekst bestaat uit een stuk tekst van een bepaalde maximale lengte. De tekst mag alleen bestaan uit de tekens die voorkomen in de MES-1 set. De MES-1 set omvat 335 tekens en wordt gebruikt binnen de landen van de Europese Unie die een Latijns schrift kennen.
Het domein wordt volledig gespecificeerd door met de aanduiding tekst ook de maximale lengte mee te (Tekst N). In het domeinmodel wordt volstaan met de algemene aanduiding Tekst.

4.1.6 Waardelijst niet-uitbreidbaar

Een niet-uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding niet mogelijk is. Alle waarden van de lijst staan vast.
Bij een niet-uitbreidbare waardelijst is het voldoende de naam te geven, omdat de inhoud altijd hetzelfde is. In de basisregistratie ondergrond worden drie niet-uitbreidbare waardelijsten gebruikt.

IndicatieJaNee
Waarde
ja
nee
IndicatieJaNeeOnbekend
Waarde
ja
nee
onbekend
Kwaliteitsregime
Waarde
IMBRO
IMBRO/A

4.1.7 Waardelijst uitbreidbaar

Een uitbreidbare waardelijst wordt gebruikt wanneer uitbreiding mogelijk moet zijn. Iedere waarde van de lijst heeft een specifieke betekenis (omschrijving) en geldt voor een bepaald kwaliteitsregime, IMBRO en/of IMBRO/A. Eventueel worden andere aspecten van de waarde vastgelegd.
Bij een uitbreidbare waardelijst wordt de naam van de lijst geven. De inhoud van de lijst is in een apart hoofdstuk van de gegevensdefinitie opgenomen.

4.1.8 Coördinatenpaar

Het domein Coördinatenpaar wordt gebruikt om de positie van een punt op het aardoppervlak vast te leggen. De positie wordt bepaald in een specifiek referentiestelsel en uitgedrukt in twee coördinaten. Ieder van de coördinaten heeft een meetwaarde en de notatie voor het paar is (coördinaat 1, coördinaat 2).
In de basisregistratie ondergrond worden drie referentiestelsels voor horizontale posities gebruikt. Het referentiestelsel bepaalt hoe de tweedimensionale ruimte wordt beschreven en daarmee wat de coördinaten voorstellen en wat de karakteristiek van de twee meetwaarden is.
Voor het referentiestelsel RD zijn de coördinaten cartesisch en is de notatie (x,y). De eerste coördinaat (x) heeft betrekking op de positie op een west-oost georiënteerde as, de tweede coördinaat (y) op een zuid-noord georiënteerde as. Een positie oostelijk van de oorsprong, resp. noordelijk van de oorsprong heeft een positieve waarde.
Voor WGS84 (ongeprojecteerd) en ETRS89 (ongeprojecteerd) zijn de coördinaten geografisch en is de notatie (φ,λ). De eerste coördinaat heeft betrekking op de geografische breedte, de tweede op de geografische lengte. Een positie oostelijk van de Greenwichmeridiaan, resp. noordelijk van de evenaar heeft een positieve waarde.
Bij het domein Coördinatenpaar is het voldoende de naam te geven, omdat de opbouw altijd hetzelfde is.

Coördinatenpaar voor RD (x,y)
Domein
  Naam Meetwaarde 6.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik x -7000 tot 289000
  Waardebereik y 289000 tot 629000
Coördinatenpaar voor WGS84 (φ,λ)
Domein
  Naam Meetwaarde 2.9
  Eenheid ° (graden, decimaal)
  Waardebereik φ 51.3 tot 56
  Waardebereik λ 2.4 tot 6.8
Coördinatenpaar voor ETRS89 (φ,λ)
Domein
  Naam Meetwaarde 2.9
  Eenheid ° (graden, decimaal)
  Waardebereik φ 50.6 tot 56
  Waardebereik λ 2.4 tot 7.4

4.1.9 Organisatie

Het domein Organisatie wordt gebruikt om de organisaties die een rol hebben in de basisregistratie ondergrond te identificeren. De invulling van het domein hangt af van waar de organisatie gevestigd is en voor de basisregistratie ondergrond gaat het daarbij om Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie.

In het geval de organisatie in Nederland gevestigd is, wordt het domein ingevuld met het gegeven dat een onderneming of de maatschappelijke activiteit van een rechtspersoon in het Handelsregister identificeert, het KvK-nummer. Het KvK-nummer is van het type code en de opbouw is NNNNNNNN.

Voor organisaties buiten Nederland wordt het domein ingevuld met het equivalent van het KvK-nummer in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, het EuropeesHandelsnummer. Het Europees handelsnummer, de zogenaamde EUID, is geïntroduceerd ten behoeve van de koppeling van handelsregisters. De code is gebaseerd op ISO 6523 en is opgebouwd uit een landcode, registeridentificatiecode, inschrijvingsnummer en controlegetal. De landcode is de 2-letterige code van ISO3166, de registeridentificatiecode is de identificatie van het nationale register omdat in sommige landen meerdere handelsregisters bestaan en het inschrijvingsnummer is het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven in het betreffende register. Het controlegetal ter voorkomen van identificatiefouten wordt nog niet gebruikt. De opbouw per element is variabel en daarom is het Europees Handelsnummer in de BRO als domein Tekst 40 opgenomen.

Bij het domein Organisatie is het voldoende de naam te geven, omdat de twee keuzen en de opbouw altijd hetzelfde zijn.

4.2 Het domeinmodel

Het domeinmodel geeft een overzicht van de gegevens van het registratieobject en laat de onderlinge samenhang zien. Modellering van informatie kent verschillende invalshoeken. In de catalogus is het inhoudelijke perspectief gekozen omdat dat de meeste waarde heeft voor de mensen die de informatie moeten begrijpen. Een dergelijk model wordt in de basisregistratie ondergrond een domeinmodel genoemd. Uit het domeinmodel wordt een technisch model afgeleid dat meeweegt dat informatiesystemen efficiënt met elkaar moeten kunnen spreken. Voor het domeinmodel wordt de UML-notatie gebruikt. Met kennis van de gebruikte symbolen is het gemakkelijk te lezen.

Het domeinmodel kent een aantal vaste elementen die bij ieder registratieobject terugkomen. Een begrip van deze elementen vergroot de leesbaarheid van het domeinmodel en de catalogus. De elementen zijn: entiteiten, attributen, gegevensgroepen en relaties. Een entiteit is een onderscheidend geheel van eigenschappen die gezamenlijk betekenis hebben. Een entiteit heeft altijd een naam en een definitie. In het domeinmodel zijn de entiteiten te herkennen aan het begrip Objecttype.

In de entiteiten staan de namen opgesomd van de attributen, de eigenschappen van de entiteiten, met daarachter de naam van de bijbehorende waardenverzameling (domein) en de kardinaliteit. Bij attributen is de kardinaliteit alleen opgenomen wanneer die ongelijk is aan 1. Overigens moet de kardinaliteit altijd in samenhang met de regels die in de definitie van het gegeven zijn opgenomen worden begrepen. De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. De figuren laten ook zien welke attributen alleen aan de dataleverancier en de bronhouder worden uitgeleverd. In het domeinmodel zijn de attributen te herkennen aan het begrip Attribuutsoort.

Soms zijn een aantal attributen gegroepeerd in een groep, aangeduid als gegevensgroep. Het blijven attributen van de entiteit, maar de inhoudelijke definiëring van de gegevensgroep staat elders. Gegevensgroepen kunnen bij meerdere entiteiten terugkomen.

Het domeinmodel laat daarnaast ook zien hoe entiteiten aan elkaar gerelateerd zijn. Een beschrijving van deze relatie is opgenomen bij de bron-entiteit van de relatie. Een relatie heeft altijd een richting en in de meeste gevallen loopt deze van bron naar doel. In het plaatje van een domeinmodel heeft de relatie een naam en een kardinaliteit. Om de leesbaarheid te vergroten staat de kardinaliteit bij de doelentiteit.

Bovenstaand voorbeeld is te lezen als: de entiteit Bepaling bevat één of meerdere metingen. Een meting bestaat uit een meetwaarde en meetconfiguratie-gegevens. De meetconfiguratie bestaat uit twee parameters.

4.3 Verplichte gegevens, verplichte waarden

De kardinaliteit en de regels bepalen samen of een gegeven al dan niet aanwezig is. Voor een goed begrip van de gegevensdefinitie is dat nog niet zorgvuldig genoeg geformuleerd. In de praktijk van gegevensuitwisseling is het namelijk mogelijk een attribuut op te nemen zonder waarde. Verbijzonderd voor attributen is de juiste formulering daarom dat de kardinaliteit en de regels samen bepalen of een attribuut al dan niet aanwezig is en of een attribuut al dan niet een waarde heeft.

Uitgangspunt is dat een attribuut dat aanwezig is een waarde heeft. Een attribuut wordt alleen bij uitzondering zonder waarde in de berichten opgenomen. Het onderstaande overzicht geeft de vier mogelijkheden die voorkomen.

Voor de kardinaliteiten [0..*] en [1..*] geldt in essentie hetzelfde.

5. Gegevensdefinitie

5.1 Registratieobject

Naam Wandonderzoek
Code SFR
Definitie

Het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een wandonderzoek dat vanuit een bepaalde opdracht is uitgevoerd door op een bepaald moment op een bepaalde locatie in Nederland een wand in de bodem te maken, de wand te beschrijven of te bemonsteren en de monsters te onderzoeken.

Populatie

De populatie wandonderzoeken in de registratie ondergrond omvat alleen de onderzoeken die vanuit het vakgebied van de bodemkunde worden uitgevoerd. Ieder object heeft ter identificatie een eigen BRO-ID.

De huidige gegevensdefinitie beperkt zich tot de wandbeschrijving en de wandmonsteranalyse.

5.2 Het domeinmodel

Diagram WandmonsteranalyseWandbeschrijvingTerreintoestandWandontsluitingGestandaardiseerde locatieAangeleverde verticale positieAangeleverde locatieTussentijdse gebeurtenisRapportagegeschiedenisRegistratiegeschiedenisWandonderzoek

Domeinmodel bodemkundig wandonderdoek- Algemeen

Diagram Bijzonderheid onderinBodemclassificatieVerdicht intervalVerstoord intervalZuurgraad bodemlaagLaagcomponentBodemaggregaatVlekMunsellkleurOnvolledige fractiespecificatieVerdeling fijne fractieFractieverdelingGrondHomogeen materiaalBodemlaagZuurgraad strooisellaagStrooisellaagWandbeschrijvingWandprofiel

Domeinmodel bodemkundig Wandonderzoek- Wandbeschrijving

Diagram Niet gestandaardiseerde fractieUitgebreide verdeling fractie 63tot2000umStandaard verdeling fractie 63tot2000umUitgebreide verdeling fractie kleiner50umStandaard verdeling fractie kleiner50umMinimale verdeling fractie kleiner50umBasis korrelgrootteverdelingBepaling korrelgrootteverdelingBepaling organischestofgehalteBepaling organisch koolstofgehalteBepaling zuurgraadWandmonsteranalyseOnderzocht interval

Domeinmodel bodemkundig wandonderzoek- Wandmonsteranalyse deel 1

Diagram WandmonsteranalyseKrimptoestandKrimpverloopBepaling krimpverloopWaterdoorlatendheidstoestandWaterdoorlatendheidsverloopBepaling waterdoorlatendheidBepaling droge bulkdichtheidOnderzocht interval

Domeinmodel bodemkundig wandonderzoek- Wandmonsteranalyse deel 2

Diagram Watergehalte en doorlatendheid bij bepaalde bodemvochtpotentiaalWatergehalte en doorlatendheid bij een veranderende bodemvochtpotentiaalWandmonsteranalyseWaterretentiewaardeWaterretentieOverzicht tensiometergegevensWaterretentiewaarde verdampingWaterretentie verdampingBepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaalBepaling waterretentie stapsgewijsOnderzocht interval

Domeinmodel bodemkundig wandonderzoek- Wandmonsteranalyse deel 3

Diagram Vorm doorlatendheidscurveWaterdoorlatendheidskarakteristiekWaterretentiekarakteristiekWandmonsteranalyseVorm retentiecurveModellering van hydrofysische karakteristiekenOnderzocht interval

Domeinmodel bodemkundig wandonderzoek - Wandmonsteranalyse deel 4 - overzicht

5.3 Entiteiten en attributen

5.3.1 Wandonderzoek

Diagram WandmonsteranalyseWandbeschrijvingTerreintoestandWandontsluitingGestandaardiseerde locatieAangeleverde verticale positieAangeleverde locatieRapportagegeschiedenisRegistratiegeschiedenisWandonderzoek

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens die het wandonderzoek identificeren en inzicht geven in de geschiedenis van het object voorafgaand aan opname in de registratie ondergrond.

5.3.1.1 BRO-ID
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De identificatie van een wandonderzoek in de registratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Registratieobjectcode
  Type Code
  Opbouw SFRNNNNNNNNNNNN
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De basisregistratie ondergrond kent bij registratie automatisch de juiste waarde aan het object toe.

5.3.1.2 bronhouder
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de maatschappelijke activiteit van de publiekrechtelijke rechtspersoon die bronhouder is van de gegevens in de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als bronhouder van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven in het geval de dataleverancier niet de bronhouder is.

5.3.1.3 object-ID bronhouder
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De identificatie die door of voor de bronhouder is gebruikt om het object in de eigen administratie te kunnen vinden.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Tekst 200
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder. Het is in de registratie opgenomen om de communicatie tussen de registerbeheerder en de bronhouder of dataleverancier te vergemakkelijken.

5.3.1.4 dataleverancier
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die het object aan de basisregistratie ondergrond heeft aangeleverd, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als dataleverancier van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven. Het wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.1.5 kwaliteitsregime
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De aanduiding van de kwaliteitseis waaraan de gegevens van het object voldoen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Kwaliteitsregime
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is door de dataleverancier bij de overdracht meegegeven.

5.3.1.6 kader aanlevering
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De rechtsgrond op basis waarvan, of bij afwezigheid daarvan de activiteit naar aanleiding waarvan, het betreffende gegeven is aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KaderAanlevering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De wetgever stipuleert dat het gegeven moet zijn vastgelegd om inzicht te geven in de relatie met de taken van een bestuursorgaan. Het gegeven geeft inzicht in de maatschappelijke betekenis van de informatie.

5.3.1.7 kader inwinning
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

Het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KaderInwinning
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Onderzoek wordt normaliter projectmatig uitgevoerd, zelfs als het direct gebonden is aan een publieke taak. Het gegeven beschrijft het hogere doel van het project waarvoor het onderzoek is uitgevoerd of preciseert de taak.

5.3.1.8 vakgebied
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De discipline waarbinnen het wandonderzoek is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Vakgebied
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het vakgebied bepaalt hoe het onderzoek is uitgevoerd en welke gegevens en categorieën van gegevens vastgelegd kunnen zijn.

5.3.1.9 rapportagedatum onderzoek
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De datum waarop de uitvoerder van het wandonderzoek alle gegevens van het wandonderzoek aan de bronhouder heeft overgedragen of in het geval van historische gegevens de datum waarop alle gegevens zijn vastgesteld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

Het gegeven moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut registratiestatus van de entiteit Registratiegeschiedenis gelijk is aan voltooid.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De rapportagedatum onderzoek mag niet liggen na het tijdstip voltooiing registratie van de entiteit Registratiegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer alle deelonderzoeken zijn gerapporteerd en het onderzoek is afgesloten.

5.3.1.10 veldwerkdatum
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De datum waarop het veldwerk is voltooid.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De veldwerkdatum mag niet liggen na de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het veldwerk wordt gewoonlijk in een dag uitgevoerd. In het geval het meer dagen in beslag neemt, geldt de datum waarop het veldwerk is beëindigd.

5.3.1.11 strooisellaag onderzocht
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

De aanduiding die aangeeft of in het onderzoek de laag strooisel die op het maaiveld kan liggen onderzocht is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In het bodemkundig wandonderzoek zoals dat door Wageningen Environmental Research wordt uitgevoerd, is het gebruikelijk de laag strooisel die lokaal, bijvoorbeeld in bossen, op het maaiveld ligt als onderdeel van de bodem te beschrijven.

5.3.1.12 uitvoerder onderzoek
Type gegeven Attribuut van Wandonderzoek
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het wandonderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.1.13 registratiegeschiedenis
Type gegeven Gegevensgroep van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Registratiegeschiedenis
5.3.1.14 rapportagegeschiedenis
Type gegeven Gegevensgroep van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Rapportagegeschiedenis
5.3.1.15 aangeleverde locatie
Type gegeven Gegevensgroep van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Aangeleverde locatie
5.3.1.16 aangeleverde verticale positie
Type gegeven Gegevensgroep van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Aangeleverde verticale positie
5.3.1.17 gestandaardiseerde locatie
Type gegeven Gegevensgroep van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Gestandaardiseerde locatie
5.3.1.18 wandontsluiting
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam aan de ondergrond ontsloten door
Relatierol naam wandontsluiting
Bron Wandonderzoek
Doel Wandontsluiting
5.3.1.19 aangeleverde verticale positie
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam aangeleverde verticale positie
Bron Wandonderzoek
Doel Aangeleverde verticale positie
5.3.1.20 registratiegeschiedenis
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam registratiegeschiedenis
Bron Wandonderzoek
Doel Registratiegeschiedenis
5.3.1.21 rapportagegeschiedenis
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam rapportagegeschiedenis
Bron Wandonderzoek
Doel Rapportagegeschiedenis
5.3.1.22 aangeleverde locatie
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam uitgevoerd op
Relatierol naam aangeleverde locatie
Bron Wandonderzoek
Doel Aangeleverde locatie
5.3.1.23 wandmonsteranalyse
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam wandmonsteranalyse
Bron Wandonderzoek
Doel Wandmonsteranalyse
5.3.1.24 gestandaardiseerde locatie
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam gestandaardiseerde locatie
Bron Wandonderzoek
Doel Gestandaardiseerde locatie
5.3.1.25 wandbeschrijving
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam bestaat uit
Relatierol naam wandbeschrijving
Bron Wandonderzoek
Doel Wandbeschrijving
5.3.1.26 terreintoestand
Type gegeven Associatie van Wandonderzoek
Definitie

To do

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam terreintoestand
Bron Wandonderzoek
Doel Terreintoestand

5.3.2 Registratiegeschiedenis

Diagram Registratiegeschiedenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens die de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond markeren.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument, maar worden automatisch door de basisregistratie ondergrond gegenereerd.

5.3.2.1 tijdstip registratie object
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop voor het eerst gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam DatumTijd
Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.2 registratiestatus
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De actuele fase van registratie waarin het object zich bevindt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Registratiestatus
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.3 tijdstip laatste aanvulling
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste aanvulling op de gegevens in de registratie ondergrond is doorgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer na de registratie van een deelonderzoek ander deelonderzoek is vastgelegd.

5.3.2.4 tijdstip voltooiing registratie
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop alle gegevens van het object in de registratie ondergrond zijn opgenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut registratiestatus gelijk is aan voltooid.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig als alle aan te leveren gegevens zijn geregistreerd. Na dit tijdstip kunnen geen nieuwe gegevens meer ter registratie worden aangeboden. Wel kunnen fouten in de registratie worden verbeterd.

5.3.2.5 gecorrigeerd
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een verbetering in de gegevens van het object in de registratie ondergrond heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.6 tijdstip laatste correctie
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de laatste verbetering in de gegevens van het object is doorgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gecorrigeerd gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.7 in onderzoek
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object door de registerbeheerder in onderzoek is genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Wanneer een object in onderzoek is genomen betekent dit dat er bij de registerbeheerder gerede twijfel bestaat over de juistheid van de geregistreerde gegevens en dat er een onderzoek is gestart om vast te stellen wat de juiste gegevens zijn. Normaliter gaat hieraan een melding van derden vooraf.

5.3.2.8 in onderzoek sinds
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop de registerbeheerder het object in onderzoek heeft genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut in onderzoek gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.9 uit registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de gegevens van het object door de registerbeheerder uit registratie zijn genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Wanneer de registerbeheerder een object uit registratie heeft genomen, zijn de gegevens niet langer beschikbaar voor andere afnemers dan bronhouder en dataleverancier. De registerbeheerder zal een object alleen bij hoge uitzondering uit registratie nemen en alleen na akkoord van de bronhouder. Aan de beslissing gaat een proces van zorgvuldige afweging vooraf en dat komt tot uitdrukking in de regel dat een object slechts een keer uit registratie kan worden genomen.

5.3.2.10 tijdstip uit registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object uit registratie is genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut uit registratie genomen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.2.11 weer in registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het eerder uit registratie was genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De registerbeheerder kan een object eenmalig uit registratie nemen, en die actie kan hij eenmalig ongedaan maken. Ook hiervoor geldt dat akkoord van de bronhouder vereist is.

5.3.2.12 tijdstip weer in registratie genomen
Type gegeven Attribuut van Registratiegeschiedenis
Definitie

De datum en het tijdstip waarop het object in de registratie ondergrond is opgenomen, nadat het uit registratie was genomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam DatumTijd
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut weer in registratie genomen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee

5.3.3 Rapportagegeschiedenis

Diagram Tussentijdse gebeurtenisRapportagegeschiedenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het geheel van gebeurtenissen dat beschrijft wanneer rapporten van het onderzoek aan de bronhouder zijn overgedragen.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument, maar worden automatisch door de basisregistratie ondergrond gegenereerd. De resultaten van het wandonderzoek worden in een keer of in delen gerapporteerd. Wanneer een deelrapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het registratieobject wandonderzoek.

5.3.3.1 startdatum rapportage
Type gegeven Attribuut van Rapportagegeschiedenis
Definitie

De datum waarop het eerste rapport van het onderzoek aan de bronhouder is overgedragen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De startdatum rapportage mag niet liggen na het tijdstip registratie object van de entiteit Registratiegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
Is afgeleid Ja
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het starten van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. De datum is gelijk aan de rapportagedatum van het deelonderzoek dat als eerste is overgedragen. In deze versie van de catalogus is alleen nog maar het deelonderzoek wandbeschrijving opgenomen en wordt het gegeven van de rapportage datum beschrijving afgeleid.

5.3.3.2 einddatum rapportage
Type gegeven Attribuut van Rapportagegeschiedenis
Definitie

De datum waarop alle gegevens van het onderzoek aan de bronhouder zijn overgedragen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De einddatum rapportage mag niet liggen voor de startdatum rapportage.

Materiële geschiedenis Nee
Is afgeleid Ja
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het beëindigen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. De datum is gelijk aan de rapportagedatum van het onderzoek.

5.3.3.3 tussentijdse gebeurtenis
Type gegeven Gegevensgroep van Rapportagegeschiedenis
Definitie

Een overdracht van een rapport aan de bronhouder die na de overdracht van het eerste en voor de overdracht van het laatste rapport heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Doel Tussentijdse gebeurtenis
Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het aanvullen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. In deze versie van de catalogus vinden er geen tussentijdse gebeurtenissen plaats.

5.3.3.4 tussentijdse gebeurtenis
Type gegeven Associatie van Rapportagegeschiedenis
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam bevat
Relatierol naam tussentijdse gebeurtenis
Bron Rapportagegeschiedenis
Doel Tussentijdse gebeurtenis

5.3.4 Tussentijdse gebeurtenis

Diagram Tussentijdse gebeurtenis

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een overdracht van een rapport aan de bronhouder die na de overdracht van het eerste en voor de overdracht van het laatste rapport heeft plaatsgevonden.

Toelichting

De basisregistratie ondergrond leidt bij het aanvullen van de registratie de juiste waarde af uit de gegevens in het brondocument. In deze versie van de catalogus vinden er geen tussentijdse gebeurtenissen plaats.

5.3.4.1 naam gebeurtenis
Type gegeven Attribuut van Tussentijdse gebeurtenis
Definitie

De benaming van de tussentijdse gebeurtenis.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam NaamGebeurtenis
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Is afgeleid Ja
5.3.4.2 datum gebeurtenis
Type gegeven Attribuut van Tussentijdse gebeurtenis
Definitie

De datum waarop de tussentijdse gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De datum gebeurtenis mag niet liggen voor de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.
De datum gebeurtenis mag niet liggen na de einddatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
Is afgeleid Ja

5.3.5 Aangeleverde locatie

Diagram Aangeleverde locatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de plaats van het wandonderzoek op het aardoppervlak, zoals die zijn aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

Toelichting

De locatie van wandonderzoek is gedefinieerd als een punt. Het punt dat wordt opgenomen is het punt waar de beschrijflijn van de wand is gedefinieerd.

5.3.5.1 coördinaten
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De coördinaten die zijn aangeleverd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinatenpaar
Regels

De locatie moet liggen in Nederland en aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.5.2 referentiestelsel
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

Het referentiestelsel van de aangeleverde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Referentiestelsel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ETRS89 of RD.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De locatie ligt aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn en de coördinaten zijn gedefinieerd in RD of ETRS89.

5.3.5.3 datum locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De datum waarop de plaats van het wandonderzoek op het aardoppervlak is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De datum locatiebepaling mag niet liggen na de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.5.4 methode locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

De werkwijze die is gevolgd voor de bepaling van de plaats van het wandonderzoek op het aardoppervlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MethodeLocatiebepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven geeft inzicht in de nauwkeurigheid waarmee de plaats van het wandonderzoek op het aardoppervlak is bepaald.

5.3.5.5 uitvoerder locatiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde locatie
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het wandonderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.6 Aangeleverde verticale positie

Diagram Aangeleverde verticale positie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de positie van het beginpunt van het wandonderzoek in het verticale vlak, zoals aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond.

5.3.6.1 lokaal verticaal referentiepunt
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het punt dat in het wandonderzoek is gebruikt als nulpunt voor de diepte.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam LokaalVerticaalReferentiepunt
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het lokaal verticaal referentiepunt is voor bodemkundig wandonderzoek altijd het maaiveld, omdat wand nooit onder water ligt. De afspraak is dat strooisel boven het lokaal verticaal referentiepunt ligt.

5.3.6.2 verschuiving
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt t.o.v. het verticaal referentievlak.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.3
  Eenheid m (meter)
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De waarde kan positief of negatief zijn. Als de waarde positief is, ligt het lokaal verticaal referentiepunt boven het verticaal referentievlak en dat is voor bodemkunde altijd NAP. Met behulp van de verschuiving kan een diepte omgerekend worden naar een positie ten opzichte van NAP.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht kan de verschuiving niet bepaald zijn.

5.3.6.3 verticaal referentievlak
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het referentieniveau voor de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VerticaalReferentievlak
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Omdat het vakgebied bodemkunde is ligt de locatie aan de landzijde van de UNCLOS-basislijn en is de waarde gelijk aan NAP.

5.3.6.4 datum verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De datum waarop de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Regels

De datum verticale positiebepaling mag niet liggen na de startdatum rapportage van de entiteit Rapportagegeschiedenis.

Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken wanneer de waarde van het attribuut verschuiving ontbreekt.

Toelichting

Het gegeven is van belang in verband met mogelijke veranderingen in de positie van het maaiveld. In het geval de positie is bepaald op basis van het AHN geldt als datum 1 januari van het jaar waarin de gebruikte versie van het AHN voor het gebied waarin de locatie ligt, is vastgesteld.

5.3.6.5 methode verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

De werkwijze die is gevolgd voor de bepaling van de verticale positie van het lokaal verticaal referentiepunt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MethodeVerticalePositiebepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens moet de waarde van het attribuut gelijk zijn aan geen wanneer de waarde van het attribuut verschuiving ontbreekt.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven geeft inzicht in de nauwkeurigheid waarmee de verticale positie is bepaald.

5.3.6.6 uitvoerder verticale positiebepaling
Type gegeven Attribuut van Aangeleverde verticale positie
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van het wandonderzoek, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.7 Gestandaardiseerde locatie

Diagram Gestandaardiseerde locatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de plaats van het wandonderzoek op het aardoppervlak zoals die door de basisregistratie ondergrond zijn getransformeerd.

Toelichting

De gegevens staan niet in een brondocument. De gestandaardiseerde locatie wordt door de basisregistratie ondergrond berekend ten behoeve van afnemers. Het maakt het mogelijk alle gegevens in de registratie ondergrond in een en hetzelfde referentiestelsel te ontsluiten. De locatie van wandonderzoek is gedefinieerd als een punt.

5.3.7.1 coördinaten
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

De coördinaten in het standaard referentiestelsel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinatenpaar
Materiële geschiedenis Nee
Is afgeleid Ja
5.3.7.2 referentiestelsel
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

Het referentiestelsel van de gestandaardiseerde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Referentiestelsel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.7.3 coördinaattransformatie
Type gegeven Attribuut van Gestandaardiseerde locatie
Definitie

De methode die de basisregistratie ondergrond heeft gebruikt voor het omzetten van de aangeleverde coördinaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Coördinaattransformatie
Materiële geschiedenis Nee

5.3.8 Wandontsluiting

Diagram Wandontsluiting

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over het geheel van activiteiten, voor zover relevant voor het onderzoek, dat tot doel heeft een wand in de ondergrond te maken of te prepareren.

5.3.8.1 einddiepte wand
Type gegeven Attribuut van Wandontsluiting
Definitie

De diepte tot waar de wand voor het onderzoek is geprepareerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.8.2 wandorientatie
Type gegeven Attribuut van Wandontsluiting
Definitie

De hoek tussen het magnetische noorden en de richting van de wand, zoals gemeten vanaf het magnetische noorden met de klok mee.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid ° (graden)
  Waardebereik 0 tot 360
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Het gaat hier om het azimut of de strekking van de wand. Het azimut is de hoek die de wand in het horizontale vlak maakt met het noorden. Het azimut wordt gemeten over het oosten.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht kan de wandorientatie niet bepaald zijn.

5.3.8.3 type ontsluiting
Type gegeven Attribuut van Wandontsluiting
Definitie

De omschrijving van de wijze waarop de ondergrond is ontsloten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam TypeOntsluiting
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De bodem kan ontsloten zijn door specifiek voor het onderzoek een kuil te graven, de profielkuil, maar ook door activiteiten die los staan van het onderzoek. Een op zichzelf staande activiteit is bijvoorbeeld de aanleg van een weg. Natuurlijke ontsluitingen komen eigenlijk nooit voor.

5.3.8.4 stopcriterium
Type gegeven Attribuut van Wandontsluiting
Definitie

De reden waarom de uitvoerder van het onderzoek met graven is opgehouden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam StopcriteriumVeld
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut type ontsluiting gelijk is aan profielkuil.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven geeft aan of de beoogde diepte is bereikt of dat het graven is gestopt omdat er bepaalde problemen waren. De aard van het eventuele probleem kan informatie geven over de opbouw van de bodem.

5.3.8.5 kuil dichtgemaakt
Type gegeven Attribuut van Wandontsluiting
Definitie

Het gegeven dat aangeeft of een profielkuil als onderdeel van het veldwerk is opgevuld tot het niveau van voor het graven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut type ontsluiting gelijk is aan profielkuil.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Gewoonlijk wordt een profielkuil weer opgevuld. Voor bijvoorbeeld educatieve doeleinden, kan het wenselijk zijn de kuil open te houden. Het gegeven geeft de situatie op de veldwerkdatum aan.

5.3.9 Terreintoestand

Diagram Terreintoestand

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de toestand van het terrein tijdens het veldwerk die relevant zijn voor het onderzoek.

5.3.9.1 bodemgebruik
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het doel waarvoor de bodem van het terrein in gebruik is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemgebruik
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij bodemgebruik wordt onderscheid gemaakt tussen bodemgebruik in landelijk gebied en dat is agrarisch gebruik en natuur, en bodemgebruik in niet-landelijk (stedelijk) gebied.

5.3.9.2 kunstmatige drainage
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Bij bodemgebruik wordt onderscheid gemaakt tussen bodemgebruik in landelijk gebied en dat is agrarisch gebruik en natuur, en bodemgebruik in niet-landelijk (stedelijk) gebied.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam KunstmatigeDrainage
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.9.3 ligging op grondlichaam
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De omschrijving die aangeeft of de wand op een door de mens gemaakt grondlichaam ligt met eventueel een nadere aanduiding van de plaats.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam LiggingOpGrondlichaam
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Wandonderzoek wordt ook uitgevoerd op grondlichamen als dijken of wallen die door de mens op het aardoppervlak zijn neergelegd. Wanneer dat het geval is, is een nadere precisering van die plaats op het grondlichaam relevant, omdat die de eigenschappen van de bodem beïnvloedt.

5.3.9.4 maaiveld verlegd
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De omschrijving die aangeeft of de positie van het maaiveld door de mens veranderd is met eventueel een nadere omschrijving van de verandering.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MaaiveldVerlegd
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Impliciet heeft dit attribuut een directe relatie met de waarden van het attribuut vergravingsklasse van de entiteit Bodemclassificatie.

5.3.9.5 wroetsporen aanwezig
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er wroetsporen in het terrein zijn aangetroffen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De aanwezigheid van wroetsporen wijst op de activiteit van wilde zwijnen en betekent dat de opbouw van het bovenste deel van het wandprofiel over korte afstand en binnen korte tijd kan veranderen.

5.3.9.6 gemiddeld hoogste grondwaterspiegel
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het gemiddeld hoogste niveau van de grondwaterspiegel zoals geschat voor de locatie van het wandonderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.25
Regels

Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan nee.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor het onderzoek kan het van belang zijn te weten wat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plekke is. Wanneer dat gegeven niet uit de monsters kan worden afgeleid, zal de uitvoerder proberen de waarde te schatten op basis van andere informatie. Dat kan een boorprofiel van een nabijgelegen boring zijn, het waterpeil in een sloot of een andere observatie in het terrein.

5.3.9.7 gemiddeld laagste grondwaterspiegel
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

Het gemiddeld laagste niveau van de grondwaterspiegel zoals geschat voor de locatie van het wandonderzoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik vanaf 0.25
Regels

Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gemiddeld laagste grondwaterstand van de entiteit Wandprofiel ontbreekt.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.9.8 hydrologische omstandigheid
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De karakterisering van de vochtigheid van het terrein vanuit het oogpunt van plantengroei.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam HydrologischeOmstandigheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut kader inwinning van de entiteit Wandonderzoek gelijk is aan bodemkaartNederland, bodemkaartNederlandEenheidType, bodemopbouwNatuurterreinen, gebiedsinrichting of hydrologischOnderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het is van belang te weten hoe vochtig het deel van de bodem is waarin de planten wortelen en of het om zoet of zout water gaat.

5.3.9.9 landschapselement
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De omschrijving van een onderdeel van het landschap dat de vorm van het landschap ter plaatse van het onderzoek preciseert.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Landschapselement
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut kader inwinning van de entiteit Wandonderzoek gelijk is aan bodemkaartNederland, bodemkaartNederlandEenheidType.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag het attribuut ontbreken.

Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

De vorm van het landschap is in veel gevallen al volledig vastgelegd in de geomorfologische kaart. Bij uitzondering of voor bepaalde doeleinden is voor een goed begrip van de opbouw van de bodem meer detailinformatie nodig over het landschap waar het terrein in ligt.

5.3.9.10 actueel proces
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De naam van een exogeen proces dat in het terrein zichtbaar actief is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam ActueelProces
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut kader inwinning van de entiteit Wandonderzoek gelijk is aan bodemkaartNederland of bodemkaartNederlandEenheidType.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Er kunnen processen in het gebied spelen die het landschap, de positie van het maaiveld en de opbouw van de bodem in korte tijd kunnen veranderen. In korte tijd betekent binnen enkele uren of enkele dagen. Het gaat overigens om processen die niet van invloed zijn op de hydrologische omstandigheden, die zijn al gedekt.

5.3.9.11 soort vegetatie
Type gegeven Attribuut van Terreintoestand
Definitie

De vegetatiekundige benaming van de plantengemeenschap die op het terrein staat. De vegetatiekundige benaming van de plantengemeenschap die op het terrein staat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam SoortVegetatie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemgebruik gelijk is aan gemengdBos, loofbos of naaldbos.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemgebruik gelijk is aan bos.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt vastgelegd omdat het inzicht geeft in de natuurlijke bodemvruchtbaarheid. Het vraagt bijzondere expertise om het vast te leggen en dat wordt alleen gedaan wanneer de opdrachtgever erom vraagt.

5.3.10 Wandbeschrijving

Diagram BodemclassificatieWandprofielWandbeschrijving

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van het bodemkundig wandonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de wand en het verwerken van de resultaten tot een samenvattende beschrijving van de opbouw van het bovenste deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel met daaruit afgeleid een classificatie van de bodem.

Toelichting

De beschrijving wordt gedaan door ervaren veldbodemkundigen en ter ondersteuning van schattingen worden vaak referentiemonsters gebruikt. Alleen in uitzonderlijke gevallen is het beschrijven van de wand geen deel van het onderzoek.

5.3.10.1 rapportagedatum beschrijving
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De datum waarop de uitvoerder van de beschrijving alle gegevens van de wandbeschrijving aan de bronhouder heeft overgedragen, of in het geval van historische gegevens de datum waarop alle gegevens zijn vastgesteld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Materiële geschiedenis Nee
5.3.10.2 beschrijfprocedure
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de wand is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Beschrijfprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De beschrijfprocedure geeft aan volgens welk stelsel van afspraken de wand beschreven is en welke aspecten worden beschreven.

5.3.10.3 beschreven breedte
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De breedte van de wand die is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 5
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De breedte geeft aan op welk deel van de wand de beschrijving betrekking heeft. De beschrijflijn, de verticale lijn waarop bijvoorbeeld de diepte van grenzen wordt vastgelegd, ligt gewoonlijk in het midden van de breedte. Aspecten die wel zichtbaar zijn, maar buiten de beschreven breedte liggen, worden niet opgenomen in de beschrijving. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is de beschreven breedte nooit bepaald.

5.3.10.4 kunstmatig bevochtigd
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de wand tijdens het beschrijven kunstmatig is bevochtigd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bevochtiging kan nodig zijn bij warm en droog weer om bijvoorbeeld verschillen in kleur goed zichtbaar te maken.

5.3.10.5 uitvoerder beschrijving
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van de wandbeschrijving, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van wandonderzoek bekend zijn.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.10.6 fractieverdeling bepaald
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de onderlinge verhouding van de fracties waaruit de grond is samengesteld consequent is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk aan ja.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan nee.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.10.7 ondergrens zandfractie
Type gegeven Attribuut van Wandbeschrijving
Definitie

De korrelgrootte die in de beschrijving is gehanteerd als grens tussen de silt- en de zandfractie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam OndergrensZandfractie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de bodemkunde wordt traditioneel de 50 µm-grens gehanteerd als ondergrens van de zandfractie. In andere vakgebieden wordt de 63 µm-grens gehanteerd. Het gegeven is opgenomen om voor alle gebruikers inzichtelijk te maken dat dit verschil bestaat.

5.3.10.8 wandprofiel
Type gegeven Associatie van Wandbeschrijving
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam resulteert in
Relatierol naam wandprofiel
Bron Wandbeschrijving
Doel Wandprofiel
5.3.10.9 bodemclassificatie
Type gegeven Associatie van Wandbeschrijving
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam resulteert in
Relatierol naam bodemclassificatie
Bron Wandbeschrijving
Doel Bodemclassificatie

5.3.11 Wandprofiel

Diagram Verdicht intervalVerstoord intervalBodemlaagStrooisellaagWandprofiel

Type gegeven Entiteit
Definitie

De opbouw van het bovenste deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel beschreven als een opeenvolging van lagen.

Toelichting

In de bodemkunde gaat het om de opbouw van het bovenste deel van de ondergrond. Wanneer het onderzoek dat vraagt wordt ook de laag strooisel die lokaal op de ondergrond ligt beschreven. Waar het gesteente dicht genoeg onder de oppervlakte ligt, wordt ook dat meegenomen.

5.3.11.1 beschrijfkwaliteit
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die de mate van detail aangeeft waarin de opbouw van de ondergrond is beschreven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Beschrijfkwaliteit
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.11.2 bewortelbare diepte bereikt
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de diepte tot waar beworteling mogelijk is, is bereikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.11.3 bewortelbare diepte
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De diepte in de bodem tot waar beworteling mogelijk is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bewortelbare diepte bereikt gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De bewortelbare diepte mag niet groter zijn dan de einddiepte wand van de entiteit Wandontsluiting.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het bodemgebruik bepaalt naar welke soort begroeiing er wordt gekeken. In bossen gaat het om de wortels van bomen, terwijl bij akkers naar de wortels van gewassen wordt gekeken. De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.11.4 gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de wand is bereikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.11.5 gemiddeld hoogste grondwaterstand
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De gemiddeld hoogste grondwaterstand bepaald in de wand.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gemiddeld hoogste grondwaterstand bereikt gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand mag niet groter zijn dan de einddiepte wand van de entiteit Wandontsluiting

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte van het niveau wordt geschat op basis van aspecten als kleur, de aanwezigheid van ijzervlekken of concreties. De terreintoestand en het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde planten kunnen bijdragen aan de bepaling. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.11.6 gemiddeld laagste grondwaterstand
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De gemiddeld laagste grondwaterstand bepaald in de wand.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer het attribuut gemiddeld hoogste grondwaterstand niet aanwezig is.
De waarde mag niet kleiner zijn dan de waarde van de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
De waarde mag niet groter zijn dan de einddiepte wand van de entiteit Wandontsluiting.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte van het niveau wordt geschat op basis van aspecten als kleur en aanwezigheid van ijzervlekken of concreties. Waarnemingen over de terreintoestand en het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde planten kunnen bijdragen aan de bepaling. De gemiddeld laagste grondwaterstand is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.11.7 repeterende horizonten
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of een opeenvolging van horizonten zich in het profiel herhaalt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Een profiel met repeterende horizonten wordt in de bodemkunde ook wel een dubbelprofiel genoemd.

5.3.11.8 plaatselijk fenomeen
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

Een verschijnsel dat de laagopbouw in het wandprofiel terzijde van de beschrijflijn verstoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Domein
  Naam PlaatselijkFenomeen  
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Door natuurlijke oorzaken of door ingrijpen van de mens kan de opbouw van de bodem verstoord zijn. Wanneer de verstoring zich alleen plaatselijk voordoet en niet over de hele beschreven breedte, wordt dat vastgelegd zonder de diepte van voorkomen te specificeren. Ondanks de verstoring is de opbouw in lagen goed te beschrijven. De verschijnselen beïnvloeden de kwaliteit van de bodem en kunnen inzicht geven in de ontstaansgeschiedenis.

5.3.11.9 vorm bovengrens
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De omschrijving van de vorm van de bovenkant van het profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam VormGrens
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De bovenkant van het profiel volgt de vorm van het terreinoppervlak, het maaiveld of de laag strooisel die daarop ligt. Dat oppervlak kan microreliëf vertonen en dat wil zeggen dat er binnen een meter afstand hoogteverschillen zijn die in de orde van enkele decimeters kunnen liggen. Microreliëf is van invloed op de processen in de bodem. Het hangt van de opdracht af of het gegeven aanwezig is.

5.3.11.10 opbouw verstoord
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laagopbouw over een of meer intervallen over de hele breedte van de wand is verstoord.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De laagopbouw kan door verschillende oorzaken en over meer dan een diepte-interval verstoord zijn.

5.3.11.11 verdichting aanwezig
Type gegeven Attribuut van Wandprofiel
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de ondergrond door menselijk ingrijpen over een bepaald diepte-interval is verdicht.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Verdichting ontstaat wanneer de bodem door menselijk ingrijpen wordt samengedrukt bijvoorbeeld doordat er met zware machines over een kwetsbare, eventueel ook natte bodem wordt gereden, of wanneer de grond door de mens is opgehoogd. Door verdichting wordt het aandeel van de met water en lucht gevulde ruimten in de grond kleiner. Verdichting is een vorm van bodemdegradatie omdat het de plantengroei belemmert. Regenwater kan minder makkelijk tot bij de wortels doordringen en uitwisseling van gassen zoals CO2 en zuurstof verloopt trager dan bij niet verdichte bodems.

5.3.11.12 verstoord interval
Type gegeven Associatie van Wandprofiel
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam verstoord interval
Bron Wandprofiel
Doel Verstoord interval
5.3.11.13 strooisellaag
Type gegeven Associatie van Wandprofiel
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam omvat
Relatierol naam strooisellaag
Bron Wandprofiel
Doel Strooisellaag
5.3.11.14 verdicht interval
Type gegeven Associatie van Wandprofiel
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam verdicht interval
Bron Wandprofiel
Doel Verdicht interval
5.3.11.15 bodemlaag
Type gegeven Associatie van Wandprofiel
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam omvat
Relatierol naam bodemlaag
Bron Wandprofiel
Doel Bodemlaag

5.3.12 Strooisellaag

Diagram Zuurgraad strooisellaagStrooisellaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een laag organisch materiaal die plaatselijk op het maaiveld ligt en uit resten van voornamelijk bovengrondse plantendelen in verschillende stadia van omzetting bestaat.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut strooisellaag onderzocht van de entiteit Wandonderzoek gelijk is aan ja.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

Bodemkundigen worden geacht het strooisel altijd te beschrijven omdat het de A-horizont van de bodem direct beïnvloedt. Maar in het verleden is dat niet gebeurd. Strooisel kan opgebouwd zijn uit verschillende lagen en die worden van elkaar onderscheiden op grond van de mate van omzetting van het materiaal of de herkomst.

5.3.12.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De verticale positie van de bovenkant van de strooisellaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 0
Regels

Voor alle lagen behalve de bovenste is de waarde gelijk aan de waarde van de ondergrens van de laag erboven.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.12.2 bepaling bovengrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De manier waarop de bovengrens van de laag is bepaald, met in het geval de grens op een in de wand waargenomen verandering is gebaseerd, een aanduiding van hoe scherp de grens is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grensbepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De bovengrens kan altijd waargenomen worden en is bijna altijd nauwkeurig te bepalen. Het begrip scherpte heeft betrekking op de waarneming op de beschrijflijn.

5.3.12.3 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De verticale positie van de onderkant van de strooisellaag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 0
Regels

De ondergrens moet groter zijn dan de waarde van de bovengrens van de laag.
De waarde van de ondergrens van de onderste strooisellaag moet gelijk zijn aan 0.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.12.4 bepaling ondergrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De manier waarop de ondergrens van de laag is bepaald, met in het geval de grens op een in de wand waargenomen verandering is gebaseerd, een aanduiding van hoe scherp de grens is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grensbepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De ondergrens kan altijd waargenomen worden en is bijna altijd nauwkeurig te bepalen. Het begrip scherpte heeft betrekking op de waarneming op de beschrijflijn.

5.3.12.5 vorm ondergrens
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De omschrijving van de vorm van de grens.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VormGrens
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven omschrijft de variatie in de ligging van de grens in het wandprofiel.

5.3.12.6 laag discontinu
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag ergens in het wandprofiel ontbreekt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.12.7 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De code van de horizon waartoe het strooisel volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde moet gelijk zijn aan Of, Oh, Ol, Ou of O.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het systeem van classificatie berust vooral op eigenschappen die op bodemvormende processen en aard en herkomst van het uitgangsmateriaal zijn terug te voeren. Voor de strooisellaag is met name de mate waarin de plantenresten zijn omgezet van belang.

5.3.12.8 geschat organischestofgehalte
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

Het geschatte gehalte aan organische stof.

--Reden geen waarde- Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht kan het geschatte organische stofgehalte niet bekend zijn.

5.3.12.9 strooiselsoort
Type gegeven Attribuut van Strooisellaag
Definitie

De nadere aanduiding van de herkomst van het organisch materiaal waaruit de laag bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam SoortStrooisel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.12.10 zuurgraad strooisellaag
Type gegeven Gegevensgroep van Strooisellaag
Definitie

De nadere aanduiding van de herkomst van het organisch materiaal waaruit de laag bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Doel Zuurgraad strooisellaag
5.3.12.11 zuurgraadStrooisellaag
Type gegeven Associatie van Strooisellaag
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam zuurgraadStrooisellaag
Bron Strooisellaag
Doel Zuurgraad strooisellaag

5.3.13 Zuurgraad strooisellaag

Diagram Zuurgraad strooisellaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Toelichting

In het veld kan de zuurgraad op bepaalde dieptes worden bepaald met een indicatorpapiertje. Met een mes wordt een inkeping in de wand gemaakt op de beschrijflijn en daar wordt het pH-indicatorpapier in de wand gestoken. Eventueel wordt het pH-indicator papier bevochtigd met demi-water als de veldmedewerker dat nodig vindt. Het pH-indicator papier wordt na 5 minuten afgelezen. In het veld kan de pH van 2 tot 9 betrouwbaar worden afgelezen. De zuurgraad wordt vaak bepaald bij natuuronderzoek, bijvoorbeeld om een kwelprofiel of een inzijgingsprofiel te bepalen.

5.3.13.1 diepte
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad strooisellaag
Definitie

De diepte waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 0
Materiële geschiedenis Nee
5.3.13.2 pH
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad strooisellaag
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 2 tot 9
Materiële geschiedenis Nee

5.3.14 Bodemlaag

Diagram Zuurgraad bodemlaagLaagcomponentHomogeen materiaalBodemlaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een interval in het wandprofiel dat als een laag met een bepaalde inhoud beschreven is en deel uitmaakt van de bovenste deel van de ondergrond.

Toelichting

De ondergrond wordt beschouwd als opgebouwd uit lagen en dat zijn homogene eenheden die zich vooral in horizontale richting uitstrekken en in verticale richting begrensd zijn. Een bodemlaag bestaat uit grond, gesteente of uit bijzonder materiaal en heeft in de eerste twee gevallen een bepaalde horizontcode.

5.3.14.1 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De diepte van de bovenkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

De bodemlagen moeten precies op elkaar aansluiten.
De bovengrens van de bovenste bodemlaag moet gelijk zijn aan 0.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De positie is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.14.2 bepaling bovengrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De manier waarop de bovengrens van de laag is bepaald, met in het geval de grens op een in de wand waargenomen verandering is gebaseerd, een aanduiding van hoe scherp de grens is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grensbepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De bovengrens kan altijd waargenomen worden en is bijna altijd nauwkeurig te bepalen. Het begrip scherpte heeft betrekking op de waarneming op de beschrijflijn.

5.3.14.3 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De diepte van de onderkant van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

De ondergrens moet groter zijn dan de bovengrens van de bodemlaag.
De ondergrens van de onderste bodemlaag moet gelijk zijn aan de waarde van het attribuut einddiepte wand van de entiteit Wandontsluiting.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De positie is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.14.4 bepaling ondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De manier waarop de ondergrens van de laag is bepaald, met in het geval de grens op een in de wand waargenomen verandering is gebaseerd, een aanduiding van hoe scherp de grens is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grensbepaling
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het begrip scherpte heeft betrekking op de waarneming op de beschrijflijn.

5.3.14.5 vorm ondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De omschrijving van de vorm van de grens.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VormGrens
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven omschrijft de variatie in de ligging van de grens in het wandprofiel.

5.3.14.6 laag discontinu
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag ergens in het wandprofiel ontbreekt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.14.7 antropogeen
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag grotendeels of geheel bestaat uit materiaal dat door de mens verplaatst is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het materiaal waar de laag uit bestaat kan door de mens van elders zijn aangevoerd, maar ook door de mens van een andere diepte zijn weggehaald, bijvoorbeeld door diep ploegen.

5.3.14.8 gemengd
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag door de mens gehomogeniseerd is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut antropogeen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.14.9 gekeerd
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag door de mens tot een heterogeen geheel is gemaakt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut antropogeen gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De term keren wordt in het werkveld gebruikt om aan te geven dat de mens een aantal bestaande lagen verbreekt en een laag achterlaat die uit allemaal brokstukken bestaat. Van gekeerde lagen worden de brokstukken van de oorspronkelijke lagen afzonderlijk beschreven.

5.3.14.10 bodemleven
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De omschrijving van de (sporen van) organismen die in het wandprofiel zijn waargenomen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..3
Domein
  Naam Bodemleven
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de wand kun je met het blote oog alleen (sporen van) schimmels, wormen en insecten zien.

5.3.14.11 beworteld
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag wortels of resten van wortels bevat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het kan hier gaan om levende zowel als dode wortels.

5.3.14.12 wortels gelijkmatig verdeeld
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de wortels gelijkmatig over het oppervlak van de wand zijn verdeeld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beworteld gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.14.13 hoeveelheidsklasse wortels
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De hoeveelheid wortels uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam HoeveelheidsklasseWortels
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut is aanwezig wanneer de waarde van het attribuut beworteld gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.14.14 scheefstaand
Type gegeven Attribuut van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag scheef staat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Lagen in de ondergrond liggen niet altijd horizontaal. Onder bepaalde omstandigheden worden lagen onder een hoek afgezet en na afzetting kunnen lagen zijn scheefgesteld doordat ze onder druk zijn komen te staan. Het gegeven moet in die context worden begrepen.

5.3.14.15 homogeen materiaal
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag scheef staat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Homogeen materiaal
Toelichting

Lagen in de ondergrond liggen niet altijd horizontaal. Onder bepaalde omstandigheden worden lagen onder een hoek afgezet en na afzetting kunnen lagen zijn scheefgesteld doordat ze onder druk zijn komen te staan. Het gegeven moet in die context worden begrepen.

5.3.14.16 laagcomponent
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag scheef staat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Doel Laagcomponent
Toelichting

Lagen in de ondergrond liggen niet altijd horizontaal. Onder bepaalde omstandigheden worden lagen onder een hoek afgezet en na afzetting kunnen lagen zijn scheefgesteld doordat ze onder druk zijn komen te staan. Het gegeven moet in die context worden begrepen.

5.3.14.17 zuurgraad bodemlaag
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemlaag
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de laag scheef staat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Doel Zuurgraad bodemlaag
Toelichting

Lagen in de ondergrond liggen niet altijd horizontaal. Onder bepaalde omstandigheden worden lagen onder een hoek afgezet en na afzetting kunnen lagen zijn scheefgesteld doordat ze onder druk zijn komen te staan. Het gegeven moet in die context worden begrepen.

5.3.14.18 laagcomponent
Type gegeven Associatie van Bodemlaag
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam beschreven als
Relatierol naam laagcomponent
Bron Bodemlaag
Doel Laagcomponent
5.3.14.19 zuurgraadBodemlaag
Type gegeven Associatie van Bodemlaag
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam zuurgraadBodemlaag
Bron Bodemlaag
Doel Zuurgraad bodemlaag
5.3.14.20 homogeen materiaal
Type gegeven Associatie van Bodemlaag
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam beschreven als
Relatierol naam homogeen materiaal
Bron Bodemlaag
Doel Homogeen materiaal

5.3.15 Homogeen materiaal

Diagram GrondHomogeen materiaal

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het materiaal waaruit een homogene laag bestaat.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gekeerd van de entiteit Bodemlaag gelijk is aan ja.
De entiteit moet aanwezig zijn in alle ander gevallen.

Toelichting

Het materiaal is gewoonlijk beschreven als grond, soms als bijzonder materiaal of gesteente. Een laag die uit bijzonder materiaal of gesteente bestaat wordt veel minder uitgebreid beschreven dan een laag die uit grond bestaat.

5.3.15.1 bijzonder materiaal
Type gegeven Attribuut van Homogeen materiaal
Definitie

De naam van het materiaal waaruit een laag waarvan de inhoud niet als grond of gesteente wordt beschouwd, bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Wanneer een laag uit materiaal bestaat dat niet als grond of gesteente kan worden beschreven, wordt het materiaal bijzonder genoemd. Dat materiaal kan zowel natuurlijk als antropogeen van aard zijn.

5.3.15.2 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Homogeen materiaal
Definitie

De code van de horizont waartoe het deel van de bodem volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer het attribuut bijzonder materiaal aanwezig is.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De waarde mag niet gelijk zijn aan Of, Oh, Ol, Ou, of O.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.15.3 soort gesteente
Type gegeven Attribuut van Homogeen materiaal
Definitie

De naam van het gesteente waar de laag uit bestaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam SoortGesteente
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut horizontcode gelijk is aan Ru.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de bodemkunde wordt de zachte kalksteen die in Zuid-Limburg binnen de geologie en de geotechniek als mergel wordt onderscheiden beschreven als grond.

5.3.15.4 afzettingskarakteristiek
Type gegeven Attribuut van Homogeen materiaal
Definitie

De geologische typering van het sediment waaruit de bodem bestaat naar periode en milieu van afzetting.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Afzettingskarakteristiek
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven geeft kernachtige informatie over de omgeving en de periode waarin het sediment is gevormd, en in voorkomende gevallen ook dat het sediment zich niet meer in zijn oorspronkelijke positie bevindt, maar door het landijs is gestuwd of door erosie is verplaatst. De informatie is van belang voor de bodemkundige classificatie. De bron van informatie is in formele zin een geologisch model. Omdat de waarde van het gegeven bepaald wordt door de actualiteit van het (impliciet) gebruikte model en strijdig kan zijn met de informatie in de modellen die deel uit (zullen) maken van registratie ondergrond, is het gegeven niet authentiek.

5.3.15.5 geschatte verzadigde doorlatendheid
Type gegeven Attribuut van Homogeen materiaal
Definitie

De geschatte snelheid waarmee water door de met water verzadigde grond kan stromen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.2
  Eenheid m/d (meter per 24 uur)
  Waardebereik 0 tot 10
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de opdrachtgever daarom heeft gevraagd of wanneer de uitvoerder dat op eigen initiatief heeft vastgelegd. De waarde wordt op basis van expertkennis en op het oog geschat aan de hand van met name de grondsoort. Een waarde groter dan 0,49 wordt als een veelvoud van 0,10 genoteerd om schijnnauwkeurigheid te vermijden.

5.3.15.6 grond
Type gegeven Gegevensgroep van Homogeen materiaal
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Grond
5.3.15.7 grond
Type gegeven Associatie van Homogeen materiaal
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam grond
Bron Homogeen materiaal
Doel Grond

5.3.16 Grond

Diagram BodemaggregaatVlekMunsellkleurOnvolledige fractiespecificatieFractieverdelingGrond

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens over de samenstelling van de grond waar een homogene laag of een laagcomponent uit bestaat.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer het attribuut bijzonder materiaal of het attribuut gesteentesoort van de entiteit Homogeen materiaal aanwezig is.
De entiteit moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens is exact één van de volgende entiteiten aanwezig wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling bepaald gelijk is aan nee: Fractieverdeling of Onvolledige fractiespecificatie.

Toelichting

De samenstelling van de grond wordt in de bodemkunde beschreven op basis van de STIBOKA-classificatie. Om die informatie meer toegankelijk te maken voor gebruikers uit andere vakgebieden wordt, waar mogelijk, ook de naam gegeven die op de NEN 5104 is gebaseerd. De meeste gegevens hebben betrekking op de samenstelling van de grond, enkele op eigenschappen die direct daarmee samenhangen.

5.3.16.1 classificatie volgens leemdriehoek
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bodemkundige naam van de grondsoort is gebaseerd op de leemdriehoek.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de bodemkunde zijn voor de grondsoort eigenlijk twee classificatiesystemen naast elkaar in gebruik. Het verschil tussen de twee is dat in het ene geval de zgn. kleidriehoek en in het andere de zgn. leemdriehoek wordt gebruikt. De uitvoerder bepaalt op basis van zijn kennis van de geologische context welke van de twee driehoeken wordt gebruikt.

5.3.16.2 bodemkundige grondsoort
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De naam van de grondsoort volgens de Nederlandse bodemkundige classificatie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BodemkundigeGrondsoort
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan zandigeLeem, kleiigeLeem, siltigeLeem, leemarmZand, zwakLemigZand, sterkLemigZand of zeerSterkLemigZand wanneer de waarde van het attribuut classificatie volgens leemdriehoek gelijk is aan ja. In andere gevallen zijn die waarden niet toegestaan.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gehalte aan organische stof bepaalt of de bodemkundige grondsoort bepaald wordt op basis van de veendriehoek, en de afzettingskarakteristiek bepaalt vervolgens of de leemdriehoek of de kleidriehoek wordt gebruikt.

5.3.16.3 grondsoort NEN5104
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De naam van de grondsoort volgens de classificatie die op NEN5104 gebaseerd is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam GrondsoortNEN5104
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.

Regels IMBRO/A

De waarde van het attribuut mag niet gelijk zijn aan nietBepaald wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling bepaald van de entiteit Wandbeschrijving gelijk is aan ja.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De naam is afgeleid uit de waarden voor de fractieverdeling. Wanneer de fracties niet volledig zijn gespecificeerd kan de naam niet worden afgeleid. Voor grind wordt alleen de naam van de hoofdgrondsoort (grind) gegeven en als de grond vooral uit schelpmateriaal bestaat geldt dat als de naam van de grondsoort.

5.3.16.4 bijzonder bestanddeel
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Een bestanddeel dat uit materiaal bestaat dat niet tot een grondsoort wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Domein
  Naam SoortBijzonderBestanddeel
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bijzondere bestanddelen worden benoemd wanneer ze belangrijk zijn voor het herleiden van de oorsprong van de grond of wanneer zij op bijzondere omstandigheden in de bodem wijzen. Bijzondere bestanddelen hebben gewoonlijk of een natuurlijke of een antropogene herkomst maar in enkele gevallen is beide mogelijk. In het geval er geen bijzondere bestanddelen aanwezig zijn wordt de waarde geen vastgelegd.

5.3.16.5 kleur
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De kleur van de grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Kleur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A gegevens kan de kleur niet bepaald zijn, alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Toelichting

Het bepalen van kleur kent een zekere mate van subjectiviteit als dat gebeurt zonder gebruik te maken van hulpmiddelen. Een kleurenkaart kan helpen de consistentie van de door verschillende personen en bij verschillende lichtsterkte uitgevoerde beschrijvingen te waarborgen. Om de namen van kleuren een meer objectieve basis te geven en het gebruik van een kleurenkaart te ondersteunen, is de vertaling naar de codes van de Munsell kleurenkaart opgenomen in de codelijst.

5.3.16.6 gevlekt
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de grond vlekken vertoont.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.

 

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het voorkomen van vlekken is een aanwijzing voor verandering van de chemische samenstelling van de grond na afzetting van het sediment. Er zijn tot drie verschillende soorten vlekken te onderscheiden.

5.3.16.7 structuurtype
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De bodemkundige typering van de structuur van de grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Structuurtype
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog en de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort niet gelijk is aan veen, kleiigVeen, venigeKlei, venigZand of zandigVeen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De typering van structuur beperkt zich tot aspecten die zichtbaar zijn met het blote oog (>0,1 mm).

5.3.16.8 geschatte dichtheid
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De geschatte dichtheid van de grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid g/cm3 (gram/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 2
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.

Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Een geoefend beschrijver kan de dichtheid van de grond op 0.1 g/cm3 nauwkeurig schatten.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht kan het geschatte dichtheid niet bekend zijn.

5.3.16.9 soort veen
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Een nadere typering van het als veen omschreven bestanddeel van grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam SoortVeen
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan veen, kleiigVeen, venigeKlei, zandigVeen of venigZand.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens moet het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan moerigMateriaal.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.10 zandverkitting
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De mate waarin zandkorrels aan elkaar zijn gekit, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Zandverkitting
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan kleiarmZand, kleiigZand, leemarmZand, sterkLemigZand, zeerSterkLemigZand, zwakLemigZand en de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.
Het attribuut mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan kleiarmZand, kleiigZand, leemarmZand, sterkLemigZand, zeerSterkLemigZand of zwakLemigZand.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.11 geschatte zandmediaan
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De geschatte mediaan van de zandfractie.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 50 tot 2000
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan kleiarmZand, kleiigZand, leemarmZand, sterkLemigZand, zeerSterkLemigZand of zwakLemigZand.

 

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De zandfractie is voor het vakgebied bodemkunde de fractie 50-2000 µm van het minerale bestanddeel van de grond. Wanneer de beschrijver voelt dat er zand in het monster voorkomt, schat hij de zandmediaan. Het gegeven is van belang voor het beoordelen van de bruikbaarheid van de grond voor landbouw. De mediaan wordt op 5 micrometer nauwkeurig geschat.

5.3.16.12 kalkgehalteklasse
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Het gehalte aan koolzure kalk uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Kalkgehalteklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het kalkgehalte wordt geschat naar de mate van opbruisen met verdund zoutzuur (10% HCl).

5.3.16.13 organischestofgehalteklasse NEN5104
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Het gehalte aan organische stof uitgedrukt in een klasse volgens NEN 5104.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OrganischestofgehalteklasseNEN5104
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan veen, kleiigVeen, venigeKlei, zandigVeen of venigZand.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag niet het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan moerigMateriaal.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De organische stofklasse wordt niet bepaald als de grondsoort al aangeeft dat de grond in belangrijke mate uit organische stof bestaat. Voor bodemkunde is het gegeven redundant wanneer de fractieverdeling bekend is. Het wordt toch systematisch opgenomen om de informatie beter toegankelijk te maken voor gebruikers uit andere vakgebieden.

5.3.16.14 rijpingsklasse
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De graad van rijping van klei- en leemhoudende grond uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Rijpingsklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan kleiarmSilt, kleiigSilt, lichteKlei, matigLichteZavel, matigZwareKlei, siltigeLeem, zandigeLeem, zeerLichteZavel, zeerZwareKlei of zwareZavel.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.15 knip
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de klei de verschijnselen vertoont die wijzen op een lager dan normale Ca/Mg-verhouding.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan lichteKlei, matigZwareKlei of zeerZwareKlei.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De verschijnselen die op een lage Ca/Mg-verhouding wijzen (knip) zijn een hoog lutumgehalte, het ontbreken van structuur, een grauwe vlekkerige kleur, een geringe consistentie (geringe rijping) waardoor de klei makkelijk uit elkaar valt, en het voorkomen van roestvlekken met een bijzondere kleur en een anormale verdeling. Knip is een eigenschap van klei die in zee is afgezet. De Ca/Mg-verhouding in zeeklei ligt normaliter tussen 12 en 15. In knipklei is de verhouding ca. 5 of minder. Het vermogen van knipklei tot zwellen en krimpen is beduidend groter dan van normale zeeklei. Knipklei is moeilijk te bewerken.

5.3.16.16 schelpmateriaalhoudend
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De aanduiding die aangeeft of grond die niet uit schelpen bestaat, schelpmateriaal bevat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan schelpmateriaal.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.17 schelpmateriaalgehalteklasse
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Het gehalte aan schelpmateriaal van grond die niet uit schelpen bestaat maar wel schelpmateriaal bevat, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Schelpmateriaalgehalteklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut schelpmateriaalhoudend gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is redundant wanneer de fractieverdeling bepaald is. Het is opgenomen met het oog op de standaardisatie van de grondsoortbenaming in het domein bodem en grond van de basisregistratie ondergrond.

5.3.16.18 grindhoudend
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De aanduiding die aangeeft of grond die geen grind is wel grind bevat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort gelijk is aan grind.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.19 grindgehalteklasse
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Het gehalte aan grind van grond die tussen nul en dertig procent grind bevat, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Grindgehalteklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut grindhoudend gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is redundant wanneer de fractieverdeling bepaald is. Het is opgenomen met het oog op de standaardisatie van de grondsoortbenaming in het domein bodem en grond van de basisregistratie ondergrond.

5.3.16.20 gelaagde inhomogeniteit
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De niet als afzonderlijke lagen onderscheiden laagjes die uit ander materiaal dan de grondsoort bestaan, getypeerd naar materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam GelaagdeInhomogeniteit
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Het gegeven geeft aan of er in een laag die beschreven is als bestaand uit een soort grond, dunne laagjes voorkomen van ander, natuurlijk materiaal. De laagjes hebben een natuurlijke oorsprong en zijn samen met de laag gevormd. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is de gelaagde inhomogeniteit zelden vastgelegd.

5.3.16.21 brokje
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

Het materiaal dat in de vorm van brokjes voorkomt en afwijkt van de grondsoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Brokje
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de entiteit Homogeen materiaal aanwezig is.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens kan brokje niet bepaald zijn, alleen in dat geval heeft het gegeven geen waarde.

Toelichting

Het gegeven geeft aan of er in een laag die beschreven is als bestaand uit grond, brokjes voorkomen die afwijken van de grondsoort. Het gegeven geeft niet wat de herkomst is van het materiaal. De brokjes kunnen als deel van de grond zijn afgezet maar ook door vermenging in de grond zijn terechtgekomen. Alleen in het geval de laag gemengd is (gemengd heeft de waarde ja), kan de herkomst aan menselijk handelen worden toegeschreven. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is dit gegeven zelden vastgelegd.

5.3.16.22 vochtigheidstoestand
Type gegeven Attribuut van Grond
Definitie

De gegevens over de vochtigheidstoestand van de grond op het moment van beschrijven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Vochtigheidstoestand
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.16.23 fractieverdeling
Type gegeven Gegevensgroep van Grond
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Fractieverdeling
5.3.16.24 onvolledige fractiespecificatie
Type gegeven Gegevensgroep van Grond
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Onvolledige fractiespecificatie
5.3.16.25 munsellkleur
Type gegeven Gegevensgroep van Grond
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Munsellkleur
5.3.16.26 vlek
Type gegeven Gegevensgroep van Grond
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Doel Vlek
5.3.16.27 bodemaggregaat
Type gegeven Gegevensgroep van Grond
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Bodemaggregaat
5.3.16.28 vlek
Type gegeven Associatie van Grond
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..3
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam vlek
Bron Grond
Doel Vlek
5.3.16.29 bodemaggregaat
Type gegeven Associatie van Grond
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bodemaggregaat
Bron Grond
Doel Bodemaggregaat
5.3.16.30 munsellkleur
Type gegeven Associatie van Grond
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam munsellkleur
Bron Grond
Doel Munsellkleur
5.3.16.31 onvolledige fractiespecificatie
Type gegeven Associatie van Grond
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam onvolledige fractiespecificatie
Bron Grond
Doel Onvolledige fractiespecificatie
5.3.16.32 fractieverdeling
Type gegeven Associatie van Grond
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam fractieverdeling
Bron Grond
Doel Fractieverdeling

5.3.17 Fractieverdeling

Diagram Verdeling fijne fractieFractieverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

De samenstelling van de grond beschreven als een mengsel van organische stof, schelpmateriaal, grind en fijnkorrelig materiaal van minerale herkomst.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling bepaald van de entiteit Wandbeschrijving gelijk is aan ja.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De som van de fracties moet gelijk aan 100.

Toelichting

De aanvullende regel die voor IMBRO/A geldt moet als volgt begrepen worden: in het verleden is het voorgekomen dat de fractieverdeling van alle lagen bepaald had moeten worden, maar dat de resultaten niet van alle lagen (of laagcomponenten) zijn vastgelegd.

5.3.17.1 geschat grindgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het geschatte gehalte aan grind.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels

De waarde van het attribuut moet groter zijn dan 0 wanneer de waarde van het attribuut grindhoudend van de entiteit Grond gelijk is aan ja.
De waarde van het attribuut moet groter zijn dan 0 wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort van de entitiet Grond gelijk is aan grind.
De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan 0 in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.17.2 geschat schelpmateriaalgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het geschatte gehalte aan schelpmateriaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Regels

De waarde van het attribuut moet groter zijn dan 0 wanneer de waarde van het attribuut schelpmateriaalhoudend van de entiteit Grond gelijk is aan ja.
De waarde van het attribuut moet groter zijn dan 0 wanneer de waarde van het attribuut bodemkundige grondsoort van de entitiet Grond gelijk is aan schelpmateriaal.
De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan 0 in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.17.3 geschat organischestofgehalte
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het geschatte gehalte aan organische stof.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij Wageningen Environmental Research wordt het gehalte aan organische stof sinds 2010 systematisch vastgelegd.

5.3.17.4 geschat gehalte fijne fractie
Type gegeven Attribuut van Fractieverdeling
Definitie

Het geschatte gehalte aan materiaal van minerale herkomst met een korrelgrootte kleiner dan 2 mm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.17.5 verdeling fijne fractie
Type gegeven Gegevensgroep van Fractieverdeling
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Verdeling fijne fractie
5.3.17.6 verdeling fijne fractie
Type gegeven Associatie van Fractieverdeling
Juridische status Ja
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam verdeling fijne fractie
Bron Fractieverdeling
Doel Verdeling fijne fractie

5.3.18 Verdeling fijne fractie

Diagram Verdeling fijne fractie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De samenstelling van de fijne fractie beschreven als een mengsel van zand, silt en lutum.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut geschat gehalte fijne fractie van de entiteit Fractieverdeling niet gelijk is aan 0.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De som van de samenstellende bestanddelen is 100.

5.3.18.1 geschat lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.18.2 geschat siltgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 2 en 50 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.18.3 geschat zandgehalte
Type gegeven Attribuut van Verdeling fijne fractie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 50 en 2000 µm.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.19 Onvolledige fractiespecificatie

Diagram Onvolledige fractiespecificatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een niet volledige beschrijving van de samenstelling van de grond.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling bepaald van de entiteit Wandbeschrijving gelijk is aan ja en dat is onder IMBRO altijd het geval.
Ten minste één van de volgende attributen moet aanwezig zijn: geschat organischestofgehalte, geschat lutumgehalte, geschat siltgehalte of geschat zandgehalte.

Toelichting

In de jaren vóór 2010 heeft Wageningen Environmental Research de fractieverdeling niet systematisch vastgelegd. In aanvulling op de bodemkundige naam van de grondsoort werd alleen de relatieve hoeveelheid vastgelegd van de fracties die voor de bodemkundige relevant waren. Welke fracties dat waren hing af van de grondsoort en de geologische context. Zo werd van veen het geschat organische stofgehalte vastgelegd en van löss het geschat siltgehalte. De beschikbare gegevens zijn in de basisregistratie ondergrond opgenomen om verlies van informatie te voorkomen. Vanwege dat uitzonderlijke karakter, zijn de gegevens niet authentiek.

5.3.19.1 geschat organischestofgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het geschatte gehalte aan organische stof.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.19.2 geschat lutumgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte kleiner dan 2 µm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.19.3 geschat siltgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 2 en 50 µm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.19.4 geschat zandgehalte
Type gegeven Attribuut van Onvolledige fractiespecificatie
Definitie

Het geschatte gehalte aan minerale delen met een korrelgrootte tussen 50 en 2000 µm.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.20 Munsellkleur

Diagram Munsellkleur

Type gegeven Entiteit
Definitie

De kleur volgens het Munsell-systeem voor grond.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut beschrijfkwaliteit van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan hoog.

Toelichting

Het Munsell-systeem baseert zich op een bij benadering bolvormige kleurenruimte en classificeert kleur aan de hand van drie aspecten. Dat zijn in het Engels hue (hoofdkleur), chroma (zuiverheid) en value (witheid). De hue geeft de plaats van de kleur op een cirkel die de kleuren van de regenboog beschrijft. De chroma geeft de zuiverheid van de kleur en is de afstand in het horizontale vlak van de plaats op de cirkel tot het middelpunt, en de value geeft de mate van witheid en wordt bepaald langs de verticale as. De systematiek is ontworpen door Albert H. Munsell en dateert uit het begin van de 20ste eeuw. Sinds de jaren 1930 is het bij het United States Department of Agriculture (USDA) als standaard in gebruik. In de jaren 1950 is het geleidelijk ingevoerd in de bodemkunde in Nederland. Voor de toepassing worden kleurkaarten gebruikt.

5.3.20.1 hoofdkleur
Type gegeven Attribuut van Munsellkleur
Definitie

De kleur uitgedrukt in de code die de plaats op de kleurcirkel aangeeft.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MunsellHoofdkleur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De munsell hoofdkleur is een samengesteld gegeven: een of meer letters geven de globale plaats op de cirkel, een getal geeft een nadere precisering van de plaats.

5.3.20.2 witheid
Type gegeven Attribuut van Munsellkleur
Definitie

De mate van witheid uitgedrukt in een getal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam MunsellWitheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.20.3 zuiverheid
Type gegeven Attribuut van Munsellkleur
Definitie

De mate van zuiverheid uitgedrukt in een getal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam MunsellZuiverheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut munsell hoofdkleur gelijk is aan N.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee

5.3.21 Vlek

Diagram Vlek

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens van de vlekken die een bepaalde kleur hebben.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gevlekt van de entiteit Grond gelijk is aan ja.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Het voorkomen van vlekken is een aanwijzing voor verandering van de chemische samenstelling van de grond na afzetting van het sediment. Er kunnen binnen de entiteit Grond maximaal 3 verschillende kleuren vlekken voorkomen. Voor historische gegevens is tenminste de kleur van de vlekken benoemd.

5.3.21.1 kleur
Type gegeven Attribuut van Vlek
Definitie

De kleur van de vlekken.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Vlekkleur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.21.2 bedekkingsgraad
Type gegeven Attribuut van Vlek
Definitie

Het deel van het oppervlak dat door de vlekken in beslag wordt genomen, uitgedrukt in een klasse. Het deel van het oppervlak dat door de vlekken in beslag wordt genomen, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BedekkingsgraadVlek
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De bedekkingsgraad wordt ook wel het bedekkingspercentage genoemd.

5.3.21.3 gelijkmatig verdeeld
Type gegeven Attribuut van Vlek
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de vlekken gelijkmatig over het oppervlak van de wand zijn verdeeld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee

5.3.22 Bodemaggregaat

Diagram Bodemaggregaat

Type gegeven Entiteit
Definitie

De gegevens die de aggregaten waaruit grond met een bepaalde structuur is opgebouwd, beschrijven.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut structuurtype van de entiteit Grond gelijk is aan aggregaatZwak, aggregaatMatig of aggregaatSterk.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

5.3.22.1 vorm aggregaat
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De vorm van het aggregaat ingedeeld naar de verhouding tussen de drie dimensies.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam VormAggregaat
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.22.2 hoekigheid
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De hoekigheid van het aggregaat uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam HoekigheidAggregaat
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut vorm aggregaat gelijk is aan blok of prisma.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.22.3 ruwheid
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De ruwheid van het oppervlak van het aggregaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Ruwheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut vorm aggregaat gelijk is aan prisma.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.22.4 lengteklasseAggregaat
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De lengte van de verticale as van het aggregaat.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam LengteklasseAggregaat
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor aggregaten met een prismavorm geldt de langste as als verticale as, voor aggregaten met een plaatvorm is dat de kortste as.

5.3.22.5 hoeveelheidsklasse porien
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De hoeveelheid poriën die na doorbreken van het aggregaat zichtbaar is op het vlak dat loodrecht staat op de verticale as, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam HoeveelheidsklassePorien
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor aggregaten met een prismavorm geldt de langste as als verticale as, voor aggregaten met een plaatvorm is dat de kortste as.

5.3.22.6 horizontaal gerangschikt
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de aggregaten langs horizontale lijnen in het profiel zijn gerangschikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.22.7 uiteenvallend
Type gegeven Attribuut van Bodemaggregaat
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de aggregaten uiteen beginnen te vallen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee

5.3.23 Laagcomponent

Diagram GrondLaagcomponent

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een qua grondsoort en horizontcode homogeen deel van een gekeerde laag.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut gekeerd van de entiteit Bodemlaag gelijk is aan ja.
Het aantal laagcomponenten is minimaal 2 wanneer de entiteit aanwezig is.

5.3.23.1 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De code van de horizont waartoe het deel van de bodem volgens de Nederlandse classificatie wordt gerekend.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut mag niet gelijk zijn aan: Of, Oh, Ol, Ou, O of Ru.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.23.2 laagaandeel
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

Het geschatte aandeel van de component in het volume van de laag.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.0
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 1 tot 99
Materiële geschiedenis Nee
5.3.23.3 afzettingskarakteristiek
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De geologische typering van het sediment waaruit de bodem bestaat naar periode en milieu van afzetting.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Afzettingskarakteristiek
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven geeft kernachtige informatie over de omgeving en de periode waarin het sediment is gevormd, en in voorkomende gevallen ook dat het sediment zich niet meer in zijn oorspronkelijke positie bevindt, maar door het landijs is gestuwd of door erosie is verplaatst. De informatie is van belang voor de bodemkundige classificatie. De bron van informatie is in formele zin een geologisch model. Omdat de waarde van het gegeven bepaald wordt door de actualiteit van het (impliciet) gebruikte model en strijdig kan zijn met de informatie in de modellen die deel uit (zullen) maken van registratie ondergrond, is het gegeven niet authentiek.

5.3.23.4 geschatte verzadigde doorlatendheid
Type gegeven Attribuut van Laagcomponent
Definitie

De geschatte snelheid waarmee water door de met water verzadigde grond kan stromen.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m/d (meter per 24 uur)
  Waardebereik 0 tot 10
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer de opdrachtgever daarom heeft gevraagd of wanneer de uitvoerder dat op eigen initiatief heeft vastgelegd. De waarde wordt op basis van expertkennis en op het oog geschat aan de hand van met name de grondsoort. Een waarde groter dan 0,49 wordt als een veelvoud van 0,10 genoteerd om schijnnauwkeurigheid te vermijden.

5.3.23.5 grond
Type gegeven Gegevensgroep van Laagcomponent
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Grond
5.3.23.6 grond
Type gegeven Associatie van Laagcomponent
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam grond
Bron Laagcomponent
Doel Grond

5.3.24 Zuurgraad bodemlaag

Diagram Zuurgraad bodemlaag

Type gegeven Entiteit
Definitie

De zuurgraad op een bepaalde diepte bepaald in het veld.

Toelichting

In het veld kan de zuurgraad op bepaalde dieptes worden bepaald met een indicatorpapiertje. Met een mes wordt een inkeping in de wand gemaakt op de beschrijflijn en daar wordt het pH-indicatorpapier in de wand gestoken. Eventueel wordt het pH-indicator papier bevochtigd met demi-water als de veldmedewerker dat nodig vindt. Het pH-indicator papier wordt na 5 minuten afgelezen. In het veld kan de pH van 2 tot 9 betrouwbaar worden afgelezen. De zuurgraad wordt vaak bepaald bij natuuronderzoek, bijvoorbeeld om een kwelprofiel of een inzijgingsprofiel te bepalen.

5.3.24.1 diepte
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad bodemlaag
Definitie

De diepte waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
5.3.24.2 pH
Type gegeven Attribuut van Zuurgraad bodemlaag
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 2 tot 9
Materiële geschiedenis Nee

5.3.25 Verstoord interval

Diagram Verstoord interval

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een diepte-interval waarin de laagopbouw over de gehele breedte van het profiel verstoord is.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut opbouw verstoord van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan ja.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

5.3.25.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Verstoord interval
Definitie

De diepte waarop het verstoord interval begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht is zelden de begindiepte vastgelegd.

5.3.25.2 einddiepte bereikt
Type gegeven Attribuut van Verstoord interval
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de einddiepte van het verstoorde interval in de wand zichtbaar is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.25.3 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Verstoord interval
Definitie

De diepte waarop het verstoord interval eindigt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut einddiepte bereikt gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn In andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.25.4 verstoring
Type gegeven Attribuut van Verstoord interval
Definitie

Het type van verstoring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Verstoring
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee

5.3.26 Verdicht interval

Diagram Verdicht interval

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een diepte-interval waarin de ondergrond door menselijk ingrijpen is verdicht.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut verdichting aanwezig van de entiteit Wandprofiel gelijk is aan ja.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

5.3.26.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Verdicht interval
Definitie

De diepte waarop de verdichting begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht is zelden de begindiepte vastgelegd.

5.3.26.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Verdicht interval
Definitie

De diepte waarop de verdichting eindigt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De einddiepte van verdichting is altijd zichtbaar in de wand. De diepte is bepaald op de beschrijflijn.
Voor gegevens die zijn aangeleverd in het kader van archiefoverdracht is zelden de einddiepte vastgelegd.

5.3.27 Bodemclassificatie

Diagram Bijzonderheid onderinBodemclassificatie

Type gegeven Entiteit
Definitie

De karakteristiek van de bodem volgens de systematiek van de standaardpuntencode.

Toelichting

Het begrip bodem wordt hier gebuikt in engere zin voor het interval tussen maaiveld en 120 cm diepte. De standaardpuntencode is ontwikkeld voor bodemgeografisch onderzoek in Nederland. Het is een uit letters en cijfers opgebouwde code waarin de voor bodemkundigen relevante aspecten van een bodem worden samengevat. Sommige aspecten gelden voor alle soorten bodems, andere zijn specifiek voor een bepaalde categorie bodems. De variabiliteit van de bodem in Nederland is zo groot dat de code tienduizenden verschillende waarden kent. Voor de bodemkundige is het voldoende de code te kennen, maar voor de niet-deskundige heeft dat gegeven geen betekenis. Om de informatie die in de standaardpuntencode opgesloten ligt beter te ontsluiten voor niet-specialisten, is de informatie-inhoud vertaald naar gegevens die een meer algemeen begrijpelijke waarde hebben. In de codelijsten die bij de gegevens horen is steeds een verwijzing naar de waarde in de standaardpuntencode opgenomen. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de Handleiding bodemgeografisch onderzoek (1995), uitgegeven door DLO Staring Centrum als technisch document 19A. De classificatie is gebaseerd op het profiel en sluit aanvullende observaties gedaan op de locatie van onderzoek in.

5.3.27.1 codegroep
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De categorie die in de systematiek de bodem op het hoogste niveau typeert en de opbouw van de standaardpuntencode bepaalt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Codegroep
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.27.2 standaardpuntencode
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De bodemkundige karakteristiek vastgelegd als code.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Tekst 200
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De standaardpuntencode is opgenomen om specialistische gebruikers direct te kunnen bedienen. De code bestaat uit zeven onderdelen, achtereenvolgens zijn dat de toevoegingen vooraan, het subgroepdeel, het cijferdeel, het kalkverloop, de toevoegingen achteraan, de vergravingen en de grondwatertrap.

5.3.27.3 bijzonderheid bovenin
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Een bijzonder aspect van het bovenste deel van de bodem of het ontbreken ervan.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BijzonderheidBovenin
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het bovenste deel van de bodem omvat het interval tussen 0 en 40 cm diepte; alleen voor de bijzonderheid ijzerrijk wordt ook wat dieper gekeken. Het gegeven is als toevoegingen vooraan in de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.4 bodemklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De subgroep waartoe de bodem behoort volgens het Nederlands systeem van bodemclassificatie, zo nodig aangevuld met informatie over de bovengrond en de herkomst van zavel- en kleigronden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bodemklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De term bovengrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het bovenste deel van de bodem of meer in het bijzonder naar de bouwvoor of de A-horizont. Het gegeven is als subgroepdeel in de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.5 textuurklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De klasse waartoe de bodem op grond van de korrelgrootteverdeling van het minerale deel van de grond in een bepaald diepte-interval behoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Textuurklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het diepte-interval verschilt per codegroep, en soms ook daarbinnen. Voor details wordt naar TD19A verwezen. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.6 veenklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de veensoort die het meest voorkomt in het bovenste deel van het bodemprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Veenklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond en het attribuut ondergrond veen ontbreekt.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De indeling van soorten veen is betrekkelijk globaal. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.7 ondergrond veen
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die niet tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de nadere omschrijving van de minerale ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OndergrondVeen
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan veengrond en het attribuut veenklasse ontbreekt..
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen. De term ondergrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het deel van de bodem dat onder het veen ligt.

5.3.27.8 veenondergrens
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van veengronden die niet tot 120 cm onder maaiveld doorlopen, de diepte van de grens tussen het veen en de minerale ondergrond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0.4 tot 1.2
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer het attribuut ondergrond veen aanwezig is.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.9 ondergrond duinvaaggrond
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van zandgronden die geclassificeerd zijn als duinvaaggrond, de nadere omschrijving van de grond onder het stuifzand.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam OndergrondDuinvaaggrond
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bodemklasse gelijk is aan duinvaaggrond, duinvaaggrondMatigHumusarm, duinvaaggrondUiterstHumusarm of duinvaaggrondZeerHumusarm.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Duinvaaggronden komen voor in holoceen stuifzand. De term ondergrond wordt hier gebruikt in een specifieke betekenis en verwijst naar het deel van de bodem dat direct onder het stuifzand ligt. Dat is veelal pleistoceen zand en daarin kan een podzolprofiel aanwezig zijn. Ook kan er onder het stuifzand een moerige laag voorkomen. De aard van de ondergrond is van invloed op de vochtvoorziening van diep wortelende begroeiing, zoals bomen. De duinvaaggronden vallen of onder de codegroep van de kalkhoudende zandgronden of onder die van de kalkloze zandgronden. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.10 profielverloop
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van kleigronden, de opeenvolging van de lagen in het bovenste deel van het bodemprofiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Profielverloop
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan kleigrond.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Er wordt gekeken naar de bovenste 120 cm onder maaiveld. Het gegeven is in het cijferdeel van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.11 kalkverloopklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

Van kalkhoudende zandgronden en kleigronden, de klasse die het verloop van het kalkgehalte in het bovenste deel van de bodem aangeeft.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Kalkverloopklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut codegroep gelijk is aan zandgrondKalkhoudend of kleigrond.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is als kalkverloop in de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.12 vergravingsklasse
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De klasse die aangeeft of de bodem ingrijpend door de mens verstoord is en wat de aard van de verstoring is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Vergravingsklasse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Een verstoring is ingrijpend wanneer bodemlagen met elkaar vermengd zijn of wanneer bodemlagen zijn verwijderd of opgebracht. Het gegeven is als vergravingsdeel in de standaardpuntencode opgenomen. Er is een directe relatie tussen de vergravingsklasse en het attribuut maaiveld veranderd van de entiteit Terreintoestand. Deze relatie is als volgt: Wanneer de waarde van het attribuut maaiveld verlegd van de entiteit Terreintoestand gelijk is aan geegaliseerd, is de waarde van het gegeven gelijk aan geegaliseerd. Wanneer de waarde van het attribuut maaiveld verlegd van de entiteit Terreintoestand gelijk is aan opgehoogd, is de waarde van het gegeven gelijk aan opgehoogd. Wanneer de waarde van het attribuut maaiveld verlegd van de entiteit Terreintoestand gelijk is aan geen, is de waarde van het gegeven gelijk aan geen. Wanneer de waarde van het attribuut maaiveld verlegd van de entiteit Terreintoestand gelijk is aan afgegraven, is de waarde van het gegeven gelijk aan afgegraven.

5.3.27.13 grondwatertrap
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De mate waarin de stand van het grondwater fluctueert, uitgedrukt in een klasse.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Grondwatertrap
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De grondwatertrap is een afgeleide van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Het gegeven is van belang voor de beoordeling van de geschiktheid van de bodem voor bepaalde vormen van landgebruik. Het gegeven is als grondwatertrap in de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.14 afwijkend grondwaterregime
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De aanduiding die aangeeft dat er ter plaatse omstandigheden zijn die het meer regionaal bepaalde gedrag van de grondwaterspiegel beïnvloeden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam AfwijkendGrondwaterRegime
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels IMBRO/A

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut grondwatertrap gelijk is aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven is alleen aanwezig wanneer er bijzondere omstandigheden zijn geconstateerd. Het gegeven is als toevoeging aan de grondwatertrap in de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.15 bijzonderheid locatie
Type gegeven Attribuut van Bodemclassificatie
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de bodem op een plaats in het landschap ligt die van bodemkundige betekenis is en wat de ligging dan is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam BijzonderheidLocatie
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven heeft alleen betekenis in Zuid-Limburg. Het gegeven is in toevoeging achteraan van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.27.16 bijzonderheid onderin
Type gegeven Gegevensgroep van Bodemclassificatie
Definitie

n.v.t.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Doel Bijzonderheid onderin
5.3.27.17 bijzonderheid onderin
Type gegeven Associatie van Bodemclassificatie
Juridische status Ja
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bijzonderheid onderin
Bron Bodemclassificatie
Doel Bijzonderheid onderin

5.3.28 Bijzonderheid onderin

Diagram Bijzonderheid onderin

Type gegeven Entiteit
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het onderste deel van de bodem een bijzonder kenmerk heeft en wat dat dan is.

Toelichting

Het onderste deel van de bodem begint bij een diepte van 40 cm. Het gegeven, of de reeks van gegevens, is in toevoegingen achteraan van de standaardpuntencode opgenomen.

5.3.28.1 bijzonderheid
Type gegeven Attribuut van Bijzonderheid onderin
Definitie

De omschrijving van de bijzonderheid in het onderste deel van het profiel.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bijzonderheid
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
5.3.28.2 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Bijzonderheid onderin
Definitie

De diepte waarop de bijzonderheid begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.1
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik 0.4 tot 1.8
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bijzonderheid gelijk is aan bolster, spalterveen of geen.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De diepte is bepaald op de beschrijflijn.

5.3.29 Wandmonsteranalyse

Diagram Onderzocht intervalWandmonsteranalyse

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het deel van het wandonderzoek dat betrekking heeft op uitvoeren van metingen aan monsters.

Toelichting

De analyse richt zich in de huidige praktijk alleen op het analyseren van monsters die uit de strooisellaag of de lagen die uit grond bestaan zijn genomen. Lagen die uit bijzonder materiaal of uit gesteente bestaan worden niet onderzocht. Het op basis van hydrofysische metingen modelleren van eigenschappen zoals de waterretentiekarakteristiek, is onderdeel van de wandmonsteranalyse.

5.3.29.1 rapportagedatum analyse
Type gegeven Attribuut van Wandmonsteranalyse
Definitie

De datum waarop de uitvoerder van de analyse alle gegevens van de wandmonsteranalyse aan de bronhouder heeft overgedragen, of in het geval van historische gegevens de datum waarop alle gegevens zijn vastgesteld.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Datum
  Naam IMBRO/A OnvolledigeDatum
  Waardebereik 1 januari 1950 tot heden
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor hydrofysisch onderzoek dateren de oudste bepalingen in het archief van Wageningen Environmental Research uit 1970 en voor de andere bepalingen is dat 1950.

5.3.29.2 soort analyse
Type gegeven Attribuut van Wandmonsteranalyse
Definitie

De aanduiding die aangeeft tot welke categorie de analyse hoort.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam SoortAnalyse
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het soort analyse geeft globaal aan welk soort bepalingen er zijn uitgevoerd en of er naast het meten van eigenschappen ook sprake kan zijn van het modelleren van eigenschappen.

5.3.29.3 uitvoerder analyse
Type gegeven Attribuut van Wandmonsteranalyse
Definitie

Het KvK-nummer van de onderneming of de maatschappelijke activiteit van de rechtspersoon die voor de bronhouder geldt als verantwoordelijk voor de uitvoering van de wandmonsteranalyse, of het equivalent daarvan in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Juridische status Niet-authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Organisatie
Regels

De organisatie moet bekend zijn binnen de basisregistratie ondergrond als uitvoerder van wandonderzoek.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het gegeven wordt alleen uitgeleverd aan de dataleverancier en de bronhouder.

5.3.29.4 onderzochtInterval
Type gegeven Associatie van Wandmonsteranalyse
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam onderzochtInterval
Bron Wandmonsteranalyse
Doel Onderzocht interval

5.3.30 Onderzocht interval

Diagram Bepaling organisch koolstofgehalteModellering van hydrofysische karakteristiekenBepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaalBepaling waterretentie stapsgewijsBepaling waterdoorlatendheidBepaling krimpverloopBepaling droge bulkdichtheidBepaling organischestofgehalteBepaling korrelgrootteverdelingBepaling zuurgraadOnderzocht interval

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het diepte-interval waarop de bepalingen betrekking hebben.

Toelichting

Het diepte-interval heeft altijd betrekking op het wandprofiel van het onderzoek. De bodemkundige monsteranalyse kan erop gericht zijn monsters te analyseren die van een bepaalde diepte komen ongeacht de horizont die op die diepte ligt. Het doel kan ook zijn een bepaalde horizont te onderzoeken. Bij uitzondering worden de beide doelen in de monsteranalyse gecombineerd en heeft een deel van de onderzochte intervallen betrekking op een bepaalde horizont. Aan een interval kunnen verschillende bepalingen zijn gedaan en onderzochte intervallen kunnen elkaar overlappen.

5.3.30.1 begindiepte
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De diepte waarop het interval dat is onderzocht begint.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 6
Materiële geschiedenis Nee
5.3.30.2 einddiepte
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De diepte waarop het interval dat is onderzocht eindigt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.2
  Eenheid m (meter)
  Waardebereik -0.5 tot 6
Regels

De einddiepte moet groter zijn dan de begindiepte van het Onderzocht interval.
De einddiepte van het onderste interval mag niet groter zijn dan de waarde van het attribuut einddiepte wand van de entiteit Wandontsluiting.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.30.3 horizontcode
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De code van de horizont die door het onderzochte interval wordt vertegenwoordigd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Domein
  Naam Horizontcode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaUitgebreid, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De horizontcode wordt gegeven wanneer het bepalen van eigenschappen van een bepaalde horizont de doelstelling is geweest. Mocht het niet zijn gelukt monsters uit die bepaalde horizont te analyseren, dan omvat het interval meer dan een horizont. Voor hydrofysische bepalingen is het doel altijd het onderzoeken van bepaalde horizonten en wordt de horizontcode altijd vastgelegd. Voor chemisch onderzoek is dat betrekkelijk bijzonder.

5.3.30.4 karakteristiek gemodelleerd
Type gegeven Attribuut van Onderzocht interval
Definitie

De aanduiding die aangeeft of ook het modelleren van eigenschappen is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaUitgebreid, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag het attribuut aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse gelijk is aan nietGespecificeerd.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Een karakteristiek is een functie die het resultaat is van het modelleren van meetgegevens. Het modelleren van een karakteristiek vereist dat er bepaalde metingen beschikbaar zijn.

5.3.30.5 bepalingOrganischestofgehalte
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingOrganischestofgehalte
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling organischestofgehalte
5.3.30.6 bepaligWaterretentieStapsgewijs
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..50
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepaligWaterretentieStapsgewijs
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling waterretentie stapsgewijs
5.3.30.7 bepalingOrganischKoolstofgehalte
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingOrganischKoolstofgehalte
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling organisch koolstofgehalte
5.3.30.8 bepalingZuurgraad
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingZuurgraad
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling zuurgraad
5.3.30.9 bepalingKrimpverloop
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingKrimpverloop
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling krimpverloop
5.3.30.10 bepalingWaterdoorlatendheid
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..20
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingWaterdoorlatendheid
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling waterdoorlatendheid
5.3.30.11 bepalingKorrelgrootteverdeling
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingKorrelgrootteverdeling
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling korrelgrootteverdeling
5.3.30.12 beplingDrogeBulkdichtheid
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam beplingDrogeBulkdichtheid
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling droge bulkdichtheid
5.3.30.13 modelleringVanHydrofysicheKarakteristiek
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam modelleringVanHydrofysicheKarakteristiek
Bron Onderzocht interval
Doel Modellering van hydrofysische karakteristieken
5.3.30.14 bepalingWatergehalteEnDoorlatendheidBij
Type gegeven Associatie van Onderzocht interval
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..10
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam bepalingWatergehalteEnDoorlatendheidBij
Bron Onderzocht interval
Doel Bepaling watergehalte en doorlatendheid bij veranderende bodemvochtpotentiaal

5.3.31 Bepaling zuurgraad

Diagram Bepaling zuurgraad

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de zuurgraad.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan basis, chemieBodemkartering, chemieKlimaat of chemieNatuur.
De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan chemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd. De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. De zuurgraad wordt potentiometrisch bepaald.

5.3.31.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De manier waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ISO10390v2005.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.31.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De manier waarop de zuurgraad is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan zuurgraadKCl, zuurgraadH2O of zuurgraadCaCl2.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De zuurgraad wordt potentiometrisch bepaald van een mengsel van grond of strooisel met water waaraan een bepaalde reagent is toegevoegd. De zuurgraad wordt uitgedrukt in pH.

5.3.31.3 pH
Type gegeven Attribuut van Bepaling zuurgraad
Definitie

De zuurgraad.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid dimensieloos
  Waardebereik 0 tot 14
Materiële geschiedenis Nee

5.3.32 Bepaling korrelgrootteverdeling

Diagram Niet gestandaardiseerde fractieBasis korrelgrootteverdelingBepaling korrelgrootteverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel van bepaalde korrelgroottefracties in de droge massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan chemieBodemkartering, chemieKlimaat, chemieNatuur, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Voor de korrelgrootteverdeling wordt grond gezien als een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte. De minerale deeltjes noemen we korrels. Het materiaal waaruit het onderzochte interval bestaat wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, materiaal groter dan 2 millimeter wordt eruit gezeefd en wordt verder buiten beschouwing gelaten. Carbonaten en organische stof worden verwijderd en samengeklonterde korreltjes worden van elkaar los gemaakt (dispersie). Het materiaal wordt vervolgens op een bepaalde manier verdeeld in fracties. De droge massa van iedere fractie wordt bepaald en het resultaat wordt omgerekend naar een percentage van de totale massa van alle deeltjes kleiner dan 2 millimeter. De bepaling wordt uitgevoerd aan grond en aan alle soorten monsters.

5.3.32.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan NEN5753v2018plusWENR of ISO11277v2009.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.32.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De manier waarop de korrelgrootteverdeling is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan natZeven, natDroogZeven of natDroogZevenPipet.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Afhankelijk van de opdracht en de aard van het materiaal wordt vooraf bepaald welke methode of combinatie van methoden wordt gebruikt. Bij de methode natDroogZevenPipet wordt het materiaal na de voorbehandeling nat gezeefd over de 50µm-zeef en de 63µm-zeef. Hiermee worden de korrels kleiner dan 50 µm, gescheiden van de korrels van 50 µm tot 63 µm en van de korrels van 63 µm tot 2000 µm. Van oudsher is voor bodemkunde de grens van 50 µm belangrijk om de zandmediaan te kunnen bepalen. Om aan te sluiten bij internationale standaarden wordt sinds 2012 standaard de fractie van 50 µm tot 63 µm bepaald. De fractie van 63 µm tot 2000 µm wordt verder onderverdeeld. Dit gebeurt door het droge materiaal te zeven. De fijne fractie wordt normaliter ook verder onderverdeeld. De verdeling van de fijne fractie wordt bepaald op basis van de bezinksnelheid van de korrels en die wordt bepaald met behulp van een pipet.

5.3.32.3 korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De aanduiding die aangeeft of de korrelgrootteverdeling een voorgeschreven indeling in fracties heeft.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ja.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan nee.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij gegevens die aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht, is het resultaat veelal niet gestandaardiseerd. Bij Wageningen Environmental Research bijvoorbeeld wordt pas vanaf 2012 gewerkt met een aantal vaste indelingen. Voor oudere archiefgegevens is dat bijna nooit het geval.

5.3.32.4 fractieverdeling
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De fractieverdeling die is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam FractieverdelingLab
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd gelijk is aan ja.
Het attribuut mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij Wageningen Environmental Research wordt er sinds 2012 altijd eerst een verdeling in drie klassen bepaald: het aandeel van de korrels kleiner dan 50 µm, het aandeel tussen de 50 µm en de 63 µm en het aandeel van de korrels van 63 µm tot 2000µm. Vervolgens wordt de fractie kleiner dan 50 µm en/of de fractie van 63 µm tot 2000 µm nader onderverdeeld. De fractie kleiner dan 50 µm kan worden onderverdeeld in een minimum, standaard of eventueel een uitbreiding van een nog meer gedetailleerde verdeling van enkele fracties. De fractie van 63 µm tot 2000 µm kan worden onderverdeeld in een standaard of eventueel een uitbreiding van een nog meer gedetailleerde verdeling van enkele fracties.

5.3.32.5 bijzonderheid uitvoering
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

Een bijzonderheid die zich tijdens de uitvoering van de bepaling heeft voorgedaan en die van invloed kan zijn op de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderheidUitvoering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het kan voorkomen dat bij de voorbehandeling van het materiaal niet alle organische stof is verwijderd. Als dat het geval is, legt de uitvoerder dit vast. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven geen betekenis worden toegekend.

5.3.32.6 dispersiemethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling korrelgrootteverdeling
Definitie

De manier waarop samengeklonterde korrels van elkaar zijn losgemaakt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Dispersiemethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

Het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut bepalingsmethode gelijk is aan natDroogZeven.
Het attribuut moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij de methode natDroogZevenPipet wordt standaard gedispergeerd.

5.3.32.7 basis korrelgrootteverdeling
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Basis korrelgrootteverdeling
5.3.32.8 niet gestandaardiseerde korrelverdeling
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Doel Niet gestandaardiseerde fractie
5.3.32.9 basisKorrelgrootteverdeling
Type gegeven Associatie van Bepaling korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam resulteert in
Relatierol naam basisKorrelgrootteverdeling
Bron Bepaling korrelgrootteverdeling
Doel Basis korrelgrootteverdeling
5.3.32.10 nietGestandaardiseerdeFractie
Type gegeven Associatie van Bepaling korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..*
Relatiesoort naam heeft
Relatierol naam nietGestandaardiseerdeFractie
Bron Bepaling korrelgrootteverdeling
Doel Niet gestandaardiseerde fractie

5.3.33 Basis korrelgrootteverdeling

Diagram Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000umStandaard verdeling fractie 63tot2000umUitgebreide verdeling fractie kleiner50umStandaard verdeling fractie kleiner50umMinimale verdeling fractie kleiner50umBasis korrelgrootteverdeling

Type gegeven Entiteit
Definitie

De verdeling in 3 fracties die de basis voor iedere verdere indeling is.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan nee.
De entiteit moet aanwezig zijn in alle andere gevallen.
De som van de fracties mag niet kleiner zijn dan 95 en mag niet groter zijn dan 105.

Toelichting

De fijne fractie (< 50 µm) en de fractie van 63 µm tot 2000 µm kan verder worden onderverdeeld. Voor de IMBRO/A gegevens die worden aangeleverd bij de methode natDroogZeven wordt de fijne fractie nooit nader onderverdeeld.

5.3.33.1 fractie kleiner50um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.33.2 fractie 50tot63um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 50 tot 63 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.33.3 fractie 63tot2000um
Type gegeven Attribuut van Basis korrelgrootteverdeling
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 2000 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.33.4 minimale verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Minimale verdeling fractie kleiner50um
5.3.33.5 standaard verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Standaard verdeling fractie kleiner50um
5.3.33.6 uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
5.3.33.7 standaard verdeling fractie 63tot2000um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Standaard verdeling fractie 63tot2000um
5.3.33.8 uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Type gegeven Gegevensgroep van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Doel Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
5.3.33.9 uitgebreideVerdelingFractie63tot2000um
Type gegeven Associatie van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam nader onderverdeeld in
Relatierol naam uitgebreideVerdelingFractie63tot2000um
Bron Basis korrelgrootteverdeling
Doel Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
5.3.33.10 standaardVerdelingFractie63tot2000um
Type gegeven Associatie van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam nader onderverdeeld in
Relatierol naam standaardVerdelingFractie63tot2000um
Bron Basis korrelgrootteverdeling
Doel Standaard verdeling fractie 63tot2000um
5.3.33.11 uitgebreideVerdelingFractieKleiner50um
Type gegeven Associatie van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam nader onderverdeeld in
Relatierol naam uitgebreideVerdelingFractieKleiner50um
Bron Basis korrelgrootteverdeling
Doel Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
5.3.33.12 minimaleVerdelingFractieKleiner50um
Type gegeven Associatie van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam nader onderverdeeld in
Relatierol naam minimaleVerdelingFractieKleiner50um
Bron Basis korrelgrootteverdeling
Doel Minimale verdeling fractie kleiner50um
5.3.33.13 standaardVerdelingFractieKleiner50um
Type gegeven Associatie van Basis korrelgrootteverdeling
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Relatiesoort naam nader onderverdeeld in
Relatierol naam standaardVerdelingFractieKleiner50um
Bron Basis korrelgrootteverdeling
Doel Standaard verdeling fractie kleiner50um

5.3.34 Minimale verdeling fractie kleiner50um

Diagram Minimale verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die minimaal worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan minimaalBasis, minimaalStandaard of minimaalUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald. De minimale verdeling wordt gekozen wanneer het voor het onderzoek volstaat het aandeel van de lutumfractie (fractie 0 tot 2 um) te bepalen.

5.3.34.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Minimale verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.34.2 fractie 2tot50um
Type gegeven Attribuut van Minimale verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.35 Standaard verdeling fractie kleiner50um

Diagram Standaard verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan standaardBasis, standaardStandaard of standaardUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald.

5.3.35.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.35.2 fractie 2tot16um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 16 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.35.3 fractie 16tot50um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 16 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.36 Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um

Diagram Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie kleiner dan 50 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan uitgebreidStandaard of uitgebreidUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De klassegrenzen van de fracties kleiner dan 50 µm zijn niet heel nauwkeurig bepaald.

5.3.36.1 fractie 0tot2um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 0 tot 2 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.2 fractie 2tot4um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 2 tot 4 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.3 fractie 4tot8um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 4 tot 8 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.4 fractie 8tot16um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 8 tot 16 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.5 fractie 16tot25um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 16 tot 25 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.6 fractie 25tot35um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 25 tot 35 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.36.7 fractie 35tot50um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie kleiner50um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 35 tot 50 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.37 Standaard verdeling fractie 63tot2000um

Diagram Standaard verdeling fractie 63tot2000um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie van 63 tot 2000 µm verdeeld in de fracties die standaard worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan standaardStandaard of uitgebreidStandaard.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

5.3.37.1 fractie 63tot105um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 105 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.37.2 fractie 105ot210um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 105 tot 210 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.37.3 fractie 210tot420um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 210 tot 420 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.37.4 fractie 420tot2000um
Type gegeven Attribuut van Standaard verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 420 tot 2000µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.38 Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

Diagram Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um

Type gegeven Entiteit
Definitie

De fractie van 63 µm tot 2000 µm verdeeld in de fracties die voor de gedetailleerde indeling worden onderscheiden.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut fractieverdeling van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan standaardUitgebreid of uitgebreidUitgebreid.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

5.3.38.1 fractie 63tot105um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 63 tot 105 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.2 fractie 105ot210um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 105 tot 210 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.3 fractie 210tot300um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 210 tot 300 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.4 fractie 300tot420um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 300 tot 420 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.5 fractie 420tot600um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 420 tot 600 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.6 fractie 600tot850um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 600 tot 850 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.7 fractie 850tot1200um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 850 tot 1200 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.8 fractie 1200tot1700um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 1200 tot 1700 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee
5.3.38.9 fractie 1700tot2000um
Type gegeven Attribuut van Uitgebreide verdeling fractie 63tot2000um
Definitie

Het aandeel van de korrels met een diameter van 1700 tot 2000 µm in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.39 Niet gestandaardiseerde fractie

Diagram Niet gestandaardiseerde fractie

Type gegeven Entiteit
Definitie

Een fractie in de niet gestandaardiseerde korrelgrootteverdeling.

Regels

De entiteit mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdelinggelijk is aan ja en dat is onder IMBRO altijd het geval.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

De entiteit moet aanwezig wanneer de waarde van het attribuut korrelgrootteverdeling gestandaardiseerd van de entiteit Bepaling korrelgrootteverdeling gelijk is aan nee.

Toelichting

In het verleden zijn fractieverdelingen in vele verschillende reeksen gemeten met verschillende grenzen van de fracties. Ook is niet altijd de gehele reeks vastgelegd, maar bijvoorbeeld alleen de fractie van 0 tot 2 µm omdat dat het lutumgehalte vertegenwoordigt. Dit impliceert dat de rest van de fractie 2 tot 2000 µm is. In principe geldt dat alle ontbrekende fracties samen met de bekende fractie 100 % voorstelt.

De fracties die bij archiefgegevens van Wageningen Environmental Research voorkomen zijn: 0 µm tot 2 µm, 0 µm tot 50 µm, 0 µm tot 150 µm, 0 µm tot 210 µm, 0 µm tot 300 µm, 2 µm tot 4 µm, 2 µm tot 16 µm, 2 µm tot 50 µm, 2 µm tot 2000 µm, 4 µm tot 8 µm, 8 µm tot 16 µm, 16 µm tot 25 µm, 16 µm tot 35 µm, 16 µm tot 50 µm, 25 µm tot 35 µm, 35 µm tot 50 µm, 75 µm tot 105 µm, 105 µm tot 150 µm, 125 µm tot 180 µm, 150 µm tot 210 µm, 150 µm tot 2000 µm, 180 µm tot 250 µm, 210 µm tot 300 µm, 210 µm tot 420 µm, 210 µm tot 2000 µm, 250 µm tot 355 µm, 300 µm tot 420 µm, 300 µm tot 2000 µm, 355 µm tot 500 µm, 420 µm tot 50 µm tot 63 µm, 50 µm tot 75 µm, 50 µm tot 105 µm, 50 µm tot 2000 µm, 63 µm tot 75 µm, 63 µm tot 105 µm, 63 µm tot 125 µm, 75 µm tot 105 µm, 105 µm tot 150 µm, 125 µm tot 180 µm, 150 µm tot 210 µm, 150 µm tot 2000 µm, 180 µm tot 250 µm, 210 µm tot 300 µm, 210 µm tot 420 µm, 210 µm tot 2000 µm, 250 µm tot 355 µm, 300 µm tot 420 µm, 300 µm tot 2000 µm, 355 µm tot 500 µm, 420 µm tot 600 µm, 420 µm tot 2000 µm, 500 µm tot 1000 µm, 600 µm tot 850 µm, 600 µm tot 2000 µm, 850 µm tot 1200 µm, 1000 µm tot 2000 µm, 1200 µm tot 1700 µm en 1700 µm tot 2000 µm.

5.3.39.1 ondergrens
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

De minimale diameter van de korrels.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 0 tot 2000
Materiële geschiedenis Nee
5.3.39.2 bovengrens
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

De maximale diameter van de korrels.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 4.0
  Eenheid µm (micrometer)
  Waardebereik 0 tot 2000
Regels

De bovengrens moet groter zijn dan de ondergrens van de fractie.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.39.3 aandeel
Type gegeven Attribuut van Niet gestandaardiseerde fractie
Definitie

Het aandeel van de korrels in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik 0 tot 100
Materiële geschiedenis Nee

5.3.40 Bepaling organischestofgehalte

Diagram Bepaling organischestofgehalte

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel organische stof in de massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan chemieBodemkartering, chemieNatuur, hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. Het gehalte aan organische stof wordt berekend uit het massaverlies dat het gevolg is van de verwijdering van de organische stof uit het materiaal.

5.3.40.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan NEN5754v2014 of NEN5754v2014plusWENR .

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Als de bepaling uitgevoerd wordt volgens NEN5754v2014plusWENR, gebruikelijk voor chemisch onderzoek, is de voorbehandeling als volgt: de grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd.

5.3.40.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De manier waarop het organischestofgehalte bepaald is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan verhitten550.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan verhitten600, natOxiderenH2O2 of onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De meest gangbare methode voor het bepalen van het gehalte aan organische stof is verhitten bij een temperatuur van 550 graden Celsius. Het organische stofgehalte dat op die manier bepaald wordt, wordt in de bodemkundige praktijk veelal het gloeiverlies (Eng.: loss on ignition, LOI) genoemd.

5.3.40.3 rapportagegrens
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De laagste waarde die gerapporteerd wordt aan de opdrachtgever.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik vanaf 0
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De rapportagegrens wordt vastgesteld in overleg met de opdrachtgever en is nooit lager dan de bepaalbaarheidsgrens. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor chemisch onderzoek ligt een rapportagegrens nooit onder 0.6 % gebruikt. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor hydrofysisch onderzoek kan de rapportagegrens lager zijn. De rapportagegrens is van historische gegevens niet in alle gevallen te achterhalen. Dat is de enige reden waarom de waarde mag ontbreken.

5.3.40.4 lutumcorrectie toegepast
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het meetresultaat is gecorrigeerd voor het verlies van water dat aan korrels kleiner dan 2 µm gebonden is.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het organischestofgehalte kan gecorrigeerd zijn voor het verlies van water dat door kleideeltjes wordt vastgehouden. De correctie is gebaseerd op het aandeel van de fractie 0-2 µm (de lutumfractie) zoals bepaald in de korrelgrootteverdeling.

5.3.40.5 vrij ijzercorrectie toegepast
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

Aanduiding die aangeeft of het meetresultaat is gecorrigeerd voor het verlies aan water dat aan vrij ijzer is gebonden.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Het organischestofgehalte kan gecorrigeerd zijn voor de hoeveelheid ijzer die in de vorm van ijzeroxiden in de grond voorkomt. Dat is zelden nodig en gebeurt alleen wanneer vermoed wordt dat de grond meer dan 5 % vrij ijzer bevat. Het voorkomen van veel vrij ijzer betekent dat het uitgangsmateriaal een niet te verwaarlozen hoeveelheid water bevat die pas tijdens het verhitten verdampt. De correctie is gebaseerd op de bepaling van het gehalte aan vrij ijzer in lijn met NEN 5739:1996 nl.

5.3.40.6 organischestofgehalte
Type gegeven Attribuut van Bepaling organischestofgehalte
Definitie

Het aandeel organische stof in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid % (procent)
  Waardebereik vanaf 0
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Het kan voorkomen dat de waarde van het gegeven kleiner is dan de rapportagegrens, alleen in dat geval ontbreekt de waarde.

5.3.41 Bepaling organisch koolstofgehalte

Diagram Bepaling organisch koolstofgehalte

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van het aandeel organische koolstof in de massa van het materiaal.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan chemieKlimaat, chemieNatuur.
De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan chemieBodemkartering, chemieNietGespecificeerd, hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Toelichting

De grond of het strooisel wordt vooraf gedroogd bij 40 graden Celsius, grote brokken klei en veen worden gebroken en vervolgens wordt het materiaal op 2 mm gezeefd. De bepaling wordt uitgevoerd op het materiaal dat kleiner is dan 2 mm. Het organische koolstofgehalte wordt bepaald door koolstofverbindingen door oxidatie om te zetten in CO2. Er wordt onderscheid worden gemaakt tussen natte en droge oxidatiemethoden. Bij de natte oxidatiemethoden vindt de oxidatie plaats in een waterig millieu en gebruik makend van kaliumdichromaat of kaliumpermanganaat en zwavelzuur. Bij de droge oxidatiemethode wordt het anorganisch koolstof verwijderd en wordt het monster verhit tot een temperatuur hoger dan 900 °C.

5.3.41.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan EN15936v2012.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut gelijk zijn aan ISO14235v1998.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.41.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De manier waarop het organische koolstofgehalte is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan verhittenCO2meten of natOxiderenDichromaatKurmies.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waardes mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan natOxiderenDichromaatWalkleyBlack, natOxiderenDichromaatNietKurmies of natOxiderenKMnO4.

Materiële geschiedenis Nee
5.3.41.3 rapportagegrens
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

De laagste waarde die gerapporteerd wordt aan de opdrachtgever.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid g/kg (gram per kilogram)
  Waardebereik vanaf 6
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De rapportagegrens wordt vastgesteld in overleg met de opdrachtgever en is nooit lager dan de bepaalbaarheidsgrens. Als de bepaling uitgevoerd wordt voor chemisch onderzoek ligt een rapportagegrens nooit onder 6 g/kg gebruikt. De rapportagegrens is van historische gegevens niet in alle gevallen te achterhalen. Dat is de enige reden waarom de waarde mag ontbreken.

5.3.41.4 bijzonderheid uitvoering
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

Een bijzonderheid die zich tijdens de uitvoering van de bepaling heeft voorgedaan en die van invloed kan zijn op de resultaten.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam BijzonderheidUitvoering
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Tijdens de uitvoering kunnen zich kleine problemen voordoen waardoor de uitvoerder de bepaling niet helemaal op de ideale wijze kan uitvoeren. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet en het probleem van invloed kan zijn op het resultaat, legt de uitvoerder het als bijzonderheid vast.

5.3.41.5 organisch koolstofgehalte
Type gegeven Attribuut van Bepaling organisch koolstofgehalte
Definitie

Het aandeel organische koolstof in de massa van het materiaal.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 3.1
  Eenheid g/kg (gram per kilogram)
  Waardebereik vanaf 0
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

De waarde van het attribuut mag niet aanwezig zijn wanneer de waarde van het gegeven kleiner is dan de rapportagegrens.

5.3.42 Bepaling droge bulkdichtheid

Diagram Bepaling droge bulkdichtheid

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de massa van droge grond per eenheid volume.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaStandaard, hydrofysicaStandaardChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

De bepaling wordt altijd gedaan aan een monster met een bekend volume. In de huidige praktijk wordt het monster eerst met water verzadigd, dan in de oven gedroogd en ten slotte gewogen. De droge bulkdichtheid wordt berekend uit het massaverlies. Het gegeven is een basisparameter in hydrofysisch onderzoek die gebruikt wordt om het massa watergehalte om te rekenen naar het volumetrisch watergehalte. Het gegeven wordt ook als zodanig gebruikt, met name in verdichtingsonderzoek. Gewoonlijk wordt de bepaling op verschillende monsters uitgevoerd om een beeld te krijgen van de mate van de variatie in het onderzochte interval.

5.3.42.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan ISO11272v2017plusWENR.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de huidige praktijk wordt het monster in de oven gedroogd totdat het gewicht minder dan 0.6 % afneemt per 24 uur. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht is zelden informatie over de bepalingsprocedure vastgelegd. In dat geval is deze waarde onbekend.

5.3.42.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De manier waarop de droge bulkdichtheid is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan drogenOven.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De methode drogenOven wordt in de ISO11272 omschreven als de core methode.

5.3.42.3 ringdiameter
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De inwendige diameter van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een diameter van 5 centimeter; van historische gegevens is de diameter niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

5.3.42.4 ringhoogte
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De hoogte van de monsterring.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid cm (centimeter)
  Waardebereik vanaf 0
Materiële geschiedenis Nee
Mogelijk geen waarde Ja
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

De ringen waarmee monsters worden uitgestoken hebben in de huidige praktijk meestal een hoogte van 5 centimeter; van historische gegevens is de hoogte niet altijd bekend en dat is de reden waarom de waarde mag ontbreken. De afmetingen van een ring bepalen het volume grond dat geanalyseerd is en dat volume geeft een indruk van de mate waarin het monster representatief geacht kan worden voor de eigenschappen van het onderzochte interval.

5.3.42.5 droogtemperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De temperatuur waarop het materiaal is gedroogd, in dit geval de temperatuur van de oven.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Droogtemperatuur
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de huidige praktijk wordt er altijd gedroogd bij 105 graden Celsius. Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht kan de droogtemperatuur ook 40 of 60 °C zijn. De temperatuur is van historische gegevens echter niet altijd te achterhalen.

5.3.42.6 volume waterverzadigd
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De aanduiding die aangeeft of het volume betrekking heeft op waterverzadigde grond.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Naam IMBRO/A IndicatieJaNeeOnbekend
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Bij gegevens van Wageningen Environmental Research die uit de registratie BIS Nederland komen en aangeleverd zijn in het kader van archiefoverdracht kan de bepaling zijn uitgevoerd aan grond die veldvochtig is of aan grond waarvan de mate van verzadiging niet is vastgelegd. Daarmee is de beginconditie van het volume van zwellende gronden minder goed gedefinieerd.

5.3.42.7 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..3
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor de bepaling is het relevant te weten of er insluitsels, scheuren of wormgangen in het monster voorkomen. In het verleden is dit niet altijd vastgelegd. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven daarom geen betekenis worden toegekend.

5.3.42.8 droge bulkdichtheid
Type gegeven Attribuut van Bepaling droge bulkdichtheid
Definitie

De massa van het ovendroge materiaal per eenheid van volume.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Meetwaarde 1.3
  Eenheid g/cm3 (gram/kubieke centimeter)
  Waardebereik 0 tot 5
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

In de geotechniek wordt voor het begrip droge bulkdichtheid het begrip droge volumieke massa gebruikt. De twee termen zijn synoniem.

5.3.43 Bepaling krimpverloop

Diagram KrimpverloopBepaling krimpverloop

Type gegeven Entiteit
Definitie

Het volgens een bepaalde methode bepalen van de afname van de massa en het volume van de grond bij uitdroging.

Regels

De entiteit moet aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaUitgebreid of hydrofysicaUitgebreidChemieNietGespecificeerd.
De entiteit mag aanwezig zijn wanneer de waarde van het attribuut soort analyse van de entiteit Wandmonsteranalyse gelijk is aan hydrofysicaChemieNietGespecificeerd, hydrofysicaNietGespecificeerd of nietGespecificeerd.
De entiteit mag niet aanwezig zijn in alle andere gevallen.

Regels IMBRO/A

Voor IMBRO/A-gegevens mag de entiteit ontbreken.

Toelichting

Het krimpverloop wordt bepaald door de massa en het volume van het monster in een steeds drogere toestand te bepalen. De massa wordt bepaald met een balans en voor het bepalen van het volume bestaan verschillende methodes. Het monster wordt voor de eerste meting in de reeks verzadigd met water en de laatste meting wordt gedaan aan een volledig uitgedroogd monster. De uitvoerder bepaalt hoeveel metingen daartussen worden gedaan. De factor tijd is als zodanig niet belangrijk, maar in het begin van de bepaling wordt wel vaak frequenter gemeten dan aan het einde. In manier waarop het volume wordt bepaald vindt veel ontwikkeling plaats, en in de nabije toekomst zullen laseropstellingen en cameraopstellingen worden gebruikt.

5.3.43.1 bepalingsprocedure
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De procedure die aangeeft onder welke afspraken de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsprocedure
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan bronswijk1986, cameraprocedureWENRv1 of laserprocedureWENRv1 of geen.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Met het oog op de nabije toekomst heeft Wageningen Environmental Research procedures benoemd voor de toepassing van laser- en cameramethoden.

5.3.43.2 bepalingsmethode
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De manier waarop het krimpverloop is bepaald.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam Bepalingsmethode
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Regels

De waarde van het attribuut moet gelijk zijn aan archimedes, camera, laserVolume, aantalD1 of aantalD2.

Regels IMBRO/A

Naast de IMBRO waarden mag de waarde van het attribuut ook gelijk zijn aan aantalDOnbekend of onbekend.

Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

De methoden verschillen alleen in de manier waarop het volume van het monster wordt bepaald. Traditioneel wordt het volume bepaald op basis van de wet van Archimedes of door de afmetingen van het monster in een of meer richtingen te meten en het resultaat om te rekenen. De methodes met betrekking tot het toepassen van laser en camera zijn in ontwikkeling voor de nabije toekomst.

5.3.43.3 verstoord
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De aanduiding die aangeeft of er een verstoord monster is gebruikt.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Domein
  Naam IndicatieJaNee
  Type Waardelijst niet uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor de bepaling van het krimpverloop wordt over het algemeen uitgegaan van ongeroerde monsters, monsters die in hun geheel uit de bodem zijn genomen. Het kan voorkomen dat het monster dat wordt onderzocht al eerder in het laboratorium voor bepalingen die het krimpproces kunnen beïnvloeden is gebruikt en in dat geval wordt het als verstoord beschouwd.

5.3.43.4 temperatuur
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

De temperatuur waaronder de bepaling is uitgevoerd.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..1
Domein
  Naam Meetwaarde 2.1
  Eenheid °C (graden Celsius)
  Waardebereik 4 tot 40
Materiële geschiedenis Nee
Reden geen waarde

Voor IMBRO/A-gegevens mag de waarde ontbreken.

Toelichting

Het is goede praktijk de temperatuur zo te reguleren dat de waarde tijdens de bepaling niet meer dan een graad afwijkt van de ingestelde waarde.

5.3.43.5 bijzonderheid materiaal
Type gegeven Attribuut van Bepaling krimpverloop
Definitie

Een bijzonderheid die tijdens de bepaling is geconstateerd door het onderzochte materiaal te bekijken, en die van invloed kan zijn op de resultaten van de bepaling.

Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 0..2
Domein
  Naam BijzonderheidMateriaal
  Type Waardelijst uitbreidbaar
Materiële geschiedenis Nee
Toelichting

Voor de bepaling van het krimpverloop is het relevant te weten of er insluitsels, scheuren of wormgangen in het monster voorkomen. In het verleden is dit niet altijd vastgelegd. Voor historische gegevens kan aan het ontbreken van dit gegeven daarom geen betekenis worden toegekend.

5.3.43.6 krimpverloop
Type gegeven Gegevensgroep van Bepaling krimpverloop
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Doel Krimpverloop
5.3.43.7 krimpverloop
Type gegeven Associatie van Bepaling krimpverloop
Juridische status Authentiek
Kardinaliteit 1
Relatiesoort naam leidt tot
Relatierol naam krimpverloop
Bron Bepaling krimpverloop
Doel Krimpverloop

5.3.44 Krimpverloop

Diagram KrimptoestandKrimpverloop

Type gegeven Entiteit
Definitie

De afname in de massa en het volume van het monster bij uitdro